← België

Arrest 197844 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 16/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.844 Rolnummer: A. 150261/IX-4481 Zaak: Arrest 197844 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 16/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-25 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:51 Fiche Arrest nr 197.844 van 16 november 2009 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. IXe KAMER nr. 197.844 van 16 november 2009 in de zaak A. 150.261/IX-4481 In zake : Ria DE TEMMERMAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yvan De Coninck kantoor houdend te Wichelen Bohemen 77 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 1 april 2004, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 22 januari 2004 van het bestuurscollege van de Universiteit Gent, luidens dewelke de functie van Ria De Temmerman wordt ondergebracht in de functieklasse C. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. De verzoekster en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 november
  3. IX-4481-1/13 Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yvan De Coninck, die verschijnt voor de verzoekster, en advocaat Patrick Devers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoekster is in de periode voorafgaand aan de bestreden beslissing tewerkgesteld als eerste correspondent (graad 4, salarisschaal 4.2) op het decanaat van de faculteit Toegepaste Wetenschappen van de Universiteit Gent. 3.
  6. Op 30 januari 2003 neemt het bestuurscollege van de Universiteit Gent het besluit houdende de procedures van toewijzing van betrekkingen, loopbaanstructuur en bezoldigingsregeling en functionering, evaluatie en vorming bij het ATP (administratief en technisch personeel) (hierna: het besluit van 30 januari 2003). Onder “Hoofdstuk II. Loopbaanstructuur en bezoldigingsregeling” van het genoemde besluit is een “Afdeling 1- Functieclassificatie” opgenomen. Deze afdeling omvat de artikelen 59 tot en met
  7. Luidens de artikelen 59 en 60, samengelezen met de bijlagen 1 en 2 bij het besluit, dient iedere functie van het ATP te worden geëvalueerd door een functie-evaluatiecommissie, teneinde op grond van een aantal gewogen functiecrite- ria, die verder zijn opgesplitst in functiesubcriteria, tot een puntenscore te komen. Artikel 61 bepaalt dat de aldus tot stand gekomen functie- evaluatie de basis vormt van de functieclassificatie, zijnde het onderbrengen van de verschillende functies in functieklassen. Elke functie wordt op grond van de verkregen totaalscore ondergebracht in een functieklasse. Het onderbrengen van een IX-4481-2/13 bepaalde functie in een functieklasse behoort tot de bevoegdheid van het bestuurscollege. Artikel 64 bepaalt de verschillende functieklassen (A+, A, B, C en D) en de daarmee overeenstemmende competenties, opleidingsniveau en scores van de functie-evaluatie. Het stelt voorts dat het personeelslid de aan een niveau verbonden deskundigheid ook kan verwerven via werkervaring, formele vorming of bijkomende training of opleiding. Artikel 65 verduidelijkt voor elke functieklasse welke graden zij omvat. Artikel 66 regelt de functiebenamingen. Tot de functieklasse C behoort de functie van medewerker; tot de functieklasse B de functie van hoofdme- dewerker. Artikel 83 van het besluit van 30 januari 2003 voorziet in de volgende “overgangsbepalingen”: - aan elke titularis van een functie wordt meegedeeld in welke functieklasse zijn functie wordt ondergebracht; - wanneer de titularis meent dat zijn functie in een te lage functieklasse is ondergebracht, kan hij hierover worden gehoord door de functie-evaluatiecommis- sie, die vervolgens een nieuw voorstel doet, namelijk het behoud van het eerste voorstel of de wijziging ervan, waarna het bestuurscollege de functieklasse bepaalt; - wanneer de titularis na gehoord te zijn door de functie-evaluatiecommissie van oordeel blijft dat zijn functie in een te lage functieklasse is ondergebracht, kan hij een bezwaarschrift indienen bij een beroepscommissie, die daarover een “gemotiveerd advies” uitbrengt (behoud of wijziging van de voorgestelde functieklasse); - na het voormelde advies bepaalt het bestuurscollege definitief de functieklasse. 3.
  8. In uitvoering van het besluit van 30 januari 2003 deelt de rector van de Universiteit Gent in een schrijven van 28 februari 2003 aan de verzoekster mee dat “conform de principes en de procedures van bovengenoemd besluit [...] de functie-evaluatiecommissies voorstellen [hebben] opgemaakt voor het onderbrengen van de functies in verschillende functieklassen” en dat “met betrekking tot [haar] functie wordt voorgesteld deze in functieklasse C onder te brengen”. IX-4481-3/13 3.
  9. Met een op 14 maart 2003 gedateerde brief vraagt de verzoekster om over deze functieclassificatie te worden gehoord door de functie-evaluatiecom- missie. De hoorzitting voor de functie-evaluatiecommissie heeft plaats op 28 mei
  10. De verzoekster legt een nota neer. Zij voert in essentie aan dat haar functie sedert het invullen van het functie-informatieformulier in juli 2000 in die zin is geëvolueerd dat zij nu minder uitvoerend en meer zelfstandig werk moet verrichten. Zij vraagt dat haar functie zou worden ondergebracht in de functieklasse B. 3.
  11. Met een brief van 16 juli 2003 deelt de rector van de Universiteit Gent aan de verzoekster mee dat de functie-evaluatiecommissie heeft beslist om niet in te gaan op haar verzoek en de voorgestelde functieklasse C te behouden. Hij stelt dienaangaande: “De functie-evaluatiecommissie meent dat de ‘functie van mevrouw De Temmerman niet wezenlijk is veranderd sedert het invullen van het functie- informatieformulier (juli 2000). Wel erkent de functie-evaluatiecommissie dat een evolutie in deze functie aan de gang is. De functie-evaluatiecommissie meent evenwel dat de functie thans nog het meest vergelijkbaar is met de typefunctie van administratief medewerker B met een score van 90 punten (2B2 IIIC IA 1A) en dat de functie dus thuishoort in functieklasse C. De functie- evaluatiecommissie merkt echter op dat in de toekomst een inschaling in een hogere functieklasse, conform de nieuwe reglementering, niet uitgesloten is”. 3.
  12. De verzoekster gaat niet akkoord met deze beslissing en tekent met een brief van 5 augustus 2003 bezwaar aan. Zij wordt, naar aanleiding van dat bezwaar, op 18 december 2003 gehoord door de beroepscommissie. Ook bij die gelegenheid legt de verzoekster een nota neer. Zij voert aan dat de evaluatie van de verschillende betrekkingen niet objectief is gebeurd. Zij stelt voorts dat zij zich kan beroepen op artikel 64 van het besluit van 30 januari 2003, luidens hetwelk de aan een niveau verbonden deskundigheid ook kan worden verworven via werkervaring, formele vorming of bijkomende training of opleiding. Zij zet tevens uiteen dat haar functie sedert het invullen van het functie-informatieformulier is geëvolueerd en krachtens artikel 67 IX-4481-4/13 van het voormelde besluit kan worden geherevalueerd. Zij betoogt ten slotte dat functies met dezelfde inhoud als de hare in een hogere functieklasse zijn onderge- bracht en dat de functie die zij vroeger uitoefende als klasse B is gekwalificeerd. 3.
  13. Met een brief van 7 januari 2004 stelt de rector de verzoekster ervan in kennis dat de beroepscommissie heeft “beslist” om niet in te gaan op haar verzoek en de voorgestelde functieklasse C te behouden. Hij voegt daaraan toe: “De beroepscommissie stelt dat er geen inhoudelijke doorslaggevende argumenten gegeven zijn die pleiten voor de inschaling van uw functie in een hogere functieklasse. Het takenpakket wordt eerder als uitvoerend beschouwd. Bijgevolg beslist de commissie dat, de universiteitsbrede scoring in acht genomen, uw functie thuishoort in functieklasse C met een score van 90 punten”. 3.
  14. Met een brief van 28 januari 2004 deelt de rector aan de verzoekster mee dat “het bestuurscollege [...] in zijn zitting van 22 januari 2004 [heeft] beslist [haar] functie onder te brengen in functieklasse C”. Hij voegt daaraan toe: “U behoort tot de categorie personeelsleden die geslaagd zijn voor het examen van de vroegere bevorderingsprocedure naar een graad die niet behoort tot de functieklasse waartoe hun functie is ingedeeld maar die nog niet in de laatste salarisschaal van hun huidige graad zitten. Onder de voorwaarde dat die huidige graad ook behoort tot de functieklasse waartoe hun functie is ingedeeld, worden zij ingeschaald in de laatste salarisschaal van hun huidige graad met behoud van de geldelijke anciënniteit. Dat betekent dat u rekening houdend met de u toegekende functieklasse met ingang van 1 oktober 2002 binnen uw functionele loopbaan bevordert naar graad en salarisschaal 4.
  15. Tevens deel ik u mee dat u voor een éénmalige termijn van vier jaar te beginnen op 1 oktober 2003 wordt vrijgesteld van het bezitten van een extern rapport van potentieelinschatting voor bevordering naar de onmiddellijk hogere functieklasse.” De voormelde beslissing van het bestuurscollege van 22 januari 2004 is de bestreden beslissing. 3.
  16. Als antwoord op een brief van de verzoekster van 21 januari 2004, waarbij zij zich nogmaals tot het bestuurscollege wendt met het oog op het verkrijgen van een herziening van de classificatie van haar functie, deelt de rector van de Universiteit Gent op 18 februari 2004 aan de verzoekster mee dat intern geen IX-4481-5/13 beroepsprocedures meer bestaan om de functieclassificatie aan te vechten, maar dat zij zich desgewenst tot de Raad van State kan wenden. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4.
  17. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang. Zij laat gelden dat de verzoekster stelt belang te hebben bij de vernietiging van de bestreden beslissing omdat zij niet akkoord gaat met “de gewijzigde functieclassificatie”, terwijl de bestreden beslissing geen wijziging van functieclassificatie inhoudt. Volgens de verwerende partij was de verzoekster ingeschaald in graad 4 en blijft zij dat ook. Bovendien verhoogt haar salarisschaal van 4.2 tot 4.
  18. 4.
  19. De verzoekster repliceert in haar memorie van wederantwoord dat zij wel over een belang beschikt, aangezien zij niet akkoord gaat met de inschaling van haar functie in de klasse C. Zij meent dat haar functie binnen de klasse B moet worden ingeschaald. Beoordeling 4.3.
  20. Artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuurs- rechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Het in deze bepaling bedoelde belang moet persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig zijn. 4.3.
  21. Het loutere feit dat de verzoekster in haar verzoekschrift stelt niet akkoord te gaan met “de gewijzigde functieclassificatie”, terwijl in feite geen wijziging van functieclassificatie heeft plaatsgehad, ontneemt haar niet het rechtens vereiste belang bij haar beroep. Uit het gehele betoog van de verzoekster in haar verzoekschrift en de daarin aangevoerde middelen blijkt dat de verzoekster met haar beroep beoogt te verkrijgen dat haar functie wordt ondergebracht in de functieklas- se B in de plaats van in de functieklasse C. De bestreden beslissing waarbij de functie van de verzoekster wordt ondergebracht in de functieklasse C staat daaraan in de weg. Een vernietiging van de bestreden beslissing zal ertoe leiden dat de verwerende partij een nieuwe beslissing dient te nemen over de classificatie van IX-4481-6/13 verzoeksters functie, dewelke gunstig kan zijn in de door de verzoekster beoogde zin. De verzoekster heeft dan ook het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing. De exceptie is niet gegrond. V. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen 5.
  22. De verzoekster roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 10 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de formele motiveringswet) en de schending van de zorgvuldigheidsplicht. De verzoekster laat gelden dat de verwerende partij zonder enige duidelijke, nauwkeurige en volledige motivering en zonder te antwoorden op de argumenten die zij in haar nota heeft aangevoerd, heeft beslist dat haar functie niet tot de functieklasse B, maar tot de functieklasse C behoort. 5.
  23. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord vooreerst een exceptie van onontvankelijkheid van het middel op. Zij stelt dat het middel onontvankelijk is in zoverre het de schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert zonder te verduidelijken waarin die schending is gelegen. Voorts stelt de verwerende partij dat van een schending van de formele motiveringsplicht geen sprake kan zijn indien de beslissing gemotiveerd wordt door verwijzing naar andere stukken, mits de inhoud van die stukken aan de betrokkene bekend is, de documenten waarnaar wordt verwezen zelf voldoende gemotiveerd zijn en door de beslissing worden bijgevallen. Te dezen verwijst de bestreden beslissing naar het oorspronkelijke voorstel van de functie-evaluatiecommissie, naar het voorstel dat dezelfde commissie heeft gedaan na de verzoekster gehoord te hebben en naar het voorstel van de beroepscommissie. De verwerende partij stelt dat de motieven van deze voorstellen, waarvan het bestuurscollege systematisch het meest gunstige voor de IX-4481-7/13 verzoekster in aanmerking heeft genomen, afdoende zijn. Bovendien werden deze motieven aan de verzoekster meegedeeld met brieven van de rector van 16 juli 2003 en 7 januari
  24. Bovendien, zo stelt de verwerende partij, heeft de verzoekster nooit de initiële scores van haar functie voor de functioneringscriteria betwist. 5.
  25. De verzoekster repliceert in haar memorie van wederantwoord op de opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van het middel. Zij betoogt dat de bestreden beslissing slechts in algemene termen is gemotiveerd, en niet specifiek op haar situatie is afgestemd. Aangezien de verzoekster van mening is dat de taken die zij uitvoert financieel van aard zijn en belangrijk genoeg zijn om tot de klasse B te worden gerekend, kan de verwerende partij er niet mee volstaan te stellen dat de taken van de verzoekster louter uitvoerend zijn. Door dat wel te doen, schendt de verwerende partij het gelijkheidsbeginsel. De verzoekster stelt voorts dat de motieven van het oorspronkelij- ke voorstel van de functie-evaluatiecommissie, van het voorstel dat dezelfde commissie heeft gedaan na haar gehoord te hebben en van het voorstel van de beroepscommissie, haar inderdaad met brieven van 16 juli 2003 en 7 januari 2004 werden meegedeeld. Zij is echter van mening dat deze motieven niet afdoende zijn en als een stijlformule moeten worden beschouwd. Gelet op de score die aan de functie van de verzoekster werd toegekend, diende de verwerende partij een meer uitgebreide motivering te geven. Artikel 64 van het besluit van 30 januari 2003 bepaalt immers dat bij het toekennen van de scores van de functie-evaluatie rekening kan worden gehouden met de aan een bepaald niveau verbonden deskundigheid, verworven via werkervaring, formele vorming, bijkomende training of opleiding. De verzoekster heeft steeds aangevoerd dat zij een dergelijke deskundigheid heeft opgebouwd, maar daaromtrent zijn geen motieven terug te vinden, noch in de bestreden beslissing, noch in de voorafgaande voorstellen. 5.
  26. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat uit het tweede en het derde door de verzoekster aangevoerde middel blijkt dat zij wel degelijk op de hoogte was van de redenen waarom haar functie in de klasse C en niet in de klasse B werd ondergebracht, namelijk dat daarvoor een score van 105 punten nodig was en dat aan de functie van de verzoekster slechts 90 punten werden toegekend. Zij besluit daaruit dat de verzoekster niet op een ontvankelijke wijze de schending van de formele motiveringsplicht kan aanvoeren. IX-4481-8/13 De verwerende partij laat ook nog gelden dat de motiveringsplicht die op een beroepsinstantie rust noodzakelijkerwijze in verband moet worden gebracht met de nuttigheidsgraad van de aangevoerde bezwaren. De verzoekster kon te dezen enkel op een nuttige wijze bezwaren aanvoeren die betrekking hebben op de scores die bij het functieclassificatieproces werden toegekend. In het bijzonder diende de verzoekster bezwaren aan te voeren tegen de toegekende score van slechts dertig punten voor het eerste functiecriterium wat de “complexiteit van de functie” betreft. De verwerende partij stelt dat de verzoekster de toegekende scores noch in haar bezwaarschrift van 5 augustus 2003, noch tijdens de beroepsprocedure heeft betwist. De verwerende partij besluit dat “in die specifieke omstandighe- den” het antwoord van de beroepscommissie dat er geen inhoudelijk doorslaggeven- de argumenten zijn die pleiten voor het onderbrengen van de functie van de verzoekster in een hogere functieklasse, vermits het takenpakket van de verzoekster eerder uitvoerende taken omvat, vanuit de formele motiveringsplicht beschouwd, afdoende is. Beoordeling 5.5.
  27. De verwerende partij laat terecht gelden dat de verzoekster in de uiteenzetting van het eerste middel in haar verzoekschrift niet verduidelijkt op welke wijze de bestreden beslissing het gelijkheidsbeginsel schendt. De uitleg die de verzoekster daarover in haar memorie van wederantwoord geeft is laattijdig. Het middel is derhalve niet ontvankelijk in zoverre het de schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert. Ambtshalve moet om dezelfde reden tot de onontvankelijkheid van het middel worden besloten in zoverre het de schending van de zorgvuldigheids- plicht aanvoert. Het middel is wel ontvankelijk in zoverre het de schending van de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet aanvoert. De loutere omstandig- heid dat de verzoekster kennis had van de puntenscore die aan haar functie werd toegekend en van de puntenscore die nodig was om in de klasse B te worden ingedeeld, doet daaraan geen afbreuk. IX-4481-9/13 5.5.2.
  28. De artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de formele motiveringswet, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De formele motiveringsplicht impliceert dat de motieven uit de bestreden beslissing zelf moeten blijken. Wel kan worden aangenomen dat aan de doelstelling van de formele motiveringsplicht om de betrokkene een zodanig inzicht te geven in de motieven van de beslissing dat hij met kennis van zaken kan uitmaken of het zinvol is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden, is voldaan, indien de betrokkene desgevallend langs een andere weg kennis heeft gekregen van de motieven waarop de beslissing is gesteund, ook al worden die motieven dan niet in de beslissing zelf veruitwendigd. Dit kan doordat de beslissing verwijst naar andere stukken. Een dergelijke “motivering door verwijzing” dient evenwel aan bepaalde voorwaarden te voldoen. Vooreerst moet de inhoud van de stukken waarnaar wordt verwezen aan de betrokkene ter kennis zijn gebracht. Bovendien moeten de desbetreffende stukken zelf afdoende gemotiveerd zijn en mogen ze niet tegenstrijdig zijn. Ten slotte dienen de stukken in de uiteindelijke beslissing te worden bijgevallen door de beslissende overheid. 5.5.2.
  29. Te dezen heeft de rector van de Universiteit Gent met een brief van 28 januari 2004 aan de verzoekster kennis gegeven van de bestreden beslissing. IX-4481-10/13 Deze kennisgeving vermeldt slechts dat “het bestuurscollege [...] in zijn zitting van 22 januari 2004 [heeft] beslist [verzoeksters] functie onder te brengen in de functieklasse C”. Ze vermeldt geen enkel motief van deze beslissing. De beslissing zelf is vervat in een collectief besluit dat in algemene bewoordingen de gevolgde procedure weergeeft. Uit artikel 1 van dat besluit, samen gelezen met de bijgevoegde bijlage, blijkt dat de functie van de verzoekster wordt ondergebracht in de functieklasse C. De verwerende partij stelt dat de motivering van de bestreden beslissing gelegen is in een verwijzing naar het oorspronkelijke voorstel van de functie-evaluatiecommissie, naar het voorstel dat dezelfde commissie heeft gedaan na de verzoekster gehoord te hebben en naar het voorstel van de beroepscommissie. Volgens de verwerende partij zijn de motieven van deze voorstellen afdoende en heeft de verzoekster er kennis van gekregen bij brieven van de rector van 16 juli 2003 en 7 januari
  30. Met de bedoelde brief van 16 juli 2003 gaf de rector aan de verzoekster kennis van het voorstel van de functie-evaluatiecommissie om de indeling van de functie van de verzoekster in de functieklasse C te behouden. De verzoekster heeft evenwel tegen dit voorstel een bezwaarschrift ingediend bij de beroepscommissie. Met betrekking tot de beslissing van de beroepscommissie over dat bezwaar deelde de rector met een brief van 7 januari 2004 aan de verzoekster mee: “De beroepscommissie stelt dat er geen inhoudelijke doorslaggevende argumenten gegeven zijn die pleiten voor de inschaling van uw functie in een hogere functieklasse. Het takenpakket wordt eerder als uitvoerend beschouwd. Bijgevolg beslist de commissie dat, de universiteitsbrede scoring in acht genomen, uw functie thuishoort in functieklasse C met een score van 90 punten”. 5.5.2.
  31. Een beroepsprocedure dient erop gericht te zijn een antwoord te verschaffen op de elementen die een bestuurde tegen een voor hem ongunstige beslissing aanbrengt. In die zin moet een commissie die over een beroep uitspraak doet of erover moet adviseren, de elementen weergeven die haar ertoe hebben gebracht om tot een bepaald oordeel dan wel een bepaald advies te komen. IX-4481-11/13 Zulks geldt des te meer wanneer de beslissende overheid zich ertoe beperkt te verwijzen naar het advies van de beroepscommissie, zonder zelf een eigen motivering te ontwikkelen. Doordat geen eigen motivering in de beslissing zelf wordt opgenomen, kunnen eventuele gebreken in de motivering van het advies waarnaar wordt verwezen, niet worden rechtgezet. Het advies waarnaar wordt verwezen moet alsdan zelf voldoen aan de motiveringsvereisten. De motivering van het advies van de beroepscommissie die aan de verzoekster werd meegedeeld bij schrijven van 7 januari 2004 beantwoordt geenszins de door de verzoekster aangevoerde grieven. Nochtans herhaalt de beroepscommissie die grieven uitdrukkelijk in haar advies. Hoewel de overheid in het kader van de formele motiveringsplicht niet ertoe gehouden is op elk argument dat door de betrokkene wordt aangevoerd, afzonderlijk te antwoorden, dient uit de beslissing op zijn minst te blijken dat de argumenten van de betrokkene daadwerke- lijk in de besluitvorming werden betrokken en waarom die argumenten niet werden aangenomen. 5.5.2.
  32. Uit het voorgaande volgt dat uit de beslissing van de beroepscom- missie niet op een afdoende wijze blijkt waarom de functie van de verzoekster in de voorgestelde functieklasse C dient behouden te blijven. Zonder dat moet worden nagegaan of aan de overige voorwaarden voor “motivering door verwijzing” is voldaan, blijkt bijgevolg dat niet is voldaan aan het vereiste dat de akte waarnaar wordt verwezen zelf afdoende is gemotiveerd. De bestreden beslissing bevat derhalve noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks door verwijzing een afdoende motivering. 5.5.2.
  33. De verwerende partij kan voorts niet worden bijgevallen waar zij stelt dat de verzoekster nooit de toegekende scores voor de functiecriteria heeft betwist. De verzoekster heeft immers voor de beroepscommissie laten gelden dat zij een hogere deskundigheid kan inroepen dan dewelke haar bij de classificatie van haar functie wordt toegedicht en dat haar functie in aanmerking komt voor herevaluatie. 5.5.
  34. Het eerste middel is derhalve gegrond in zoverre het de schending van de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet aanvoert. IX-4481-12/13 BESLISSING
  35. De Raad van State vernietigt de beslissing van 22 januari 2004 van het bestuurscollege van de Universiteit Gent, luidens dewelke de functie van Ria De Temmerman wordt ondergebracht in de functieklasse C.
  36. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 16 november 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-4481-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.844 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.