id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.846 Rolnummer: A. 193435/IX-6450 Zaak: Arrest 197846 - Personeel van de rechterlijke orde - 16/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-25 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 03:51 Fiche Arrest nr 197.846 van 16 november 2009 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 197.846 van 16 november 2009 in de zaak A. 193.435/IX-6450 In zake : XXXX wonende te Brugge Maria van Bourgondiëlaan 15, bus 1 alwaar woonplaats wordt gekozen tegen :
- de HOGE RAAD VOOR DE JUSTITIE, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Eric Gillet, Pascal Boucquey en Bruno Fonteyn kantoor houdende te Brussel Terhulpsesteenweg 178
- de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrick Hofströssler en Kaat Leus kantoor houdende te Brussel Louizalaan 99 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 13 juli 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 13 mei 2009 van de Nederlandstalige Benoemings- en Aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie waarbij XXXX niet geslaagd wordt verklaard voor het mondelinge deel van het examen voor de werving van magistraten - examen inzake de beroepsbekwaamheid. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. IX-6450-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 oktober
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. De verzoeker, advocaat Bruno Fonteyn die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Audrey Baeyens, die loco advocaten Patrick Hofströssler en Kaat Leus verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker neemt deel aan het examen inzake beroepsbe- kwaamheid voor de werving van magistraten waarvoor de oproep tot de kandidaten in het Belgisch Staatsblad van 8 september 2008 werd bekendgemaakt. 3.
- Hij slaagt voor beide proeven van het schriftelijk gedeelte. Op 6 mei 2009 legt hij het mondeling gedeelte van het examen af. Voor dit examen koos verzoeker de materie : “burgerlijk recht, met inbegrip van gerechtelijk recht”. Met een brief van 13 mei 2009 wordt aan de verzoeker medege- deeld dat hij niet geslaagd is. Die brief luidt : “U bent niet geslaagd voor het examen inzake beroepsbekwaamheid. Ter informatie kan ik nog meedelen dat 174 personen zich inschreven voor het examen. 173 van hen namen deel aan de eerste schriftelijke proef. 28 personen slaagden voor het volledig schriftelijk deel. 13 van hen slaagden ook voor het mondelinge deel hetgeen neerkomt op een slaagpercentage van 7,51 %. De motivering voor uw niet-slagen kan op eenvoudig verzoek verkregen worden.” IX-6450-2/7 Dit is de bestreden beslissing. Op 2 juni 2009 wordt de verzoeker in kennis gesteld van de schriftelijke motivering ervan. Die motivering luidt : “1798 BW niet gekend. 1153 BW niet gekend.” IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De tweede verwerende partij vraagt om buiten de zaak gesteld te worden. Zij zet uiteen dat het bestreden besluit uitgaat van de Hoge Raad voor de Justitie, die een instelling is welke weliswaar geen rechtspersoonlijkheid heeft, maar die toch door en krachtens de Grondwet belast is met een eigen autonome opdracht van algemeen belang en in dat kader, zonder afhankelijkheid van de minister van Justitie, examens organiseert inzake de beroepsbekwaamheid voor magistraten. Minstens moet volgens haar de minister van Justitie als vertegenwoordiger van de Belgische Staat buiten de zaak gesteld worden en moet de Hoge Raad voor de Justitie het verweer voor de Belgische Staat voeren.
- De minister van Justitie heeft geen aandeel in de totstandkoming van de bestreden beslissing en hij is als orgaan van de Belgische Staat ook niet verantwoordelijk voor de beslissingen van de Hoge Raad voor de Justitie. De Hoge Raad voor de Justitie is een orgaan van de Belgische Staat dat met een eigen autonome opdracht belast is en dat als zodanig het best geplaatst is om de bestreden beslissing te verdedigen. De Hoge Raad zal, uit hoofde van de eigen autonome opdracht die hij van de wetgever gekregen heeft, ook verantwoordelijk zijn voor de correcte uitvoering van het arrest van de Raad van State, maar dit belet niet dat alleen de Belgische Staat de juridische verantwoorde- lijkheid draagt voor de handelingen van zijn orgaan. In die optiek wordt de Belgische Staat, optredend door de Hoge Raad voor de Justitie, als verwerende partij aangewezen. V. Rechtsmacht van de Raad van State
- De eerste verwerende partij voert aan dat de afdeling bestuurs- rechtspraak krachtens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State enkel uitspraak kan doen over beroepen ingesteld ofwel tegen akten en reglementen van administratieve overheden, ofwel tegen individuele akten van IX-6450-3/7 bepaalde overheden, waaronder de Hoge Raad voor de Justitie, met betrekking tot overheidsopdrachten en de leden van hun personeel. De deliberatie van de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie over het mondeling gedeelte van het examen “beroepsbekwaamheid” heeft geen betrekking op een overheidsopdracht of op de leden van het personeel van de Hoge Raad voor de Justitie, maar kadert in de opdracht die door de Grondwet en de wet aan de Hoge Raad voor de Justitie werd toegewezen in verband met de benoeming van magistraten. De Hoge Raad voor de Justitie is overigens geen administratieve overheid in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, maar een orgaan “sui generis”, dat onafhankelijk van de uitvoerende macht opereert hetgeen bewezen wordt door het gegeven dat beslissingen in een specifieke aangelegenheid wel binnen het annulatiecontentieux gebracht zijn.
- In een kort geding kan de Raad van State slechts een beperkt onderzoek wijden aan excepties van onbevoegdheid of onontvankelijkheid. Om de redenen uiteengezet in het arrest nr. 59.902 van 5 juni 1996 inzake XXXX, die voor dit geval worden bijgevallen, mag dergelijke exceptie slechts aanleiding geven tot de verwerping van de vordering tot schorsing wanneer zij een hoge graad van ernst vertoont. Artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State maakt de afdeling Bestuursrechtspraak bevoegd voor het beslechten van annulatieberoepen gericht tegen akten en reglementen van de administratieve overheden, evenals van beroepen tegen beslissingen genomen door de Hoge Raad voor de Justitie “met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van (zijn) personeel”. In zijn arrest nr. 184.204 van 16 juni 2008 inzake Desmet heeft de Raad van State gesteld dat de Hoge Raad voor de Justitie niet als een administratieve overheid optreedt wanneer zijn benoemings- en aanwijzingscommissie voordrachten doet met het oog op de benoeming van magistraten. Een beslissing over een examenuitslag met het oog op de toegang tot de rechterlijke orde kadert, net als dergelijk voordrachtbesluit, in de wettelijke opdracht die de Hoge Raad te vervullen heeft en betreft ook geen probleem met betrekking tot zijn eigen personeel. De bestreden beslissing kan niet met een annulatieberoep bij de Raad van State bestreden worden.
- De exceptie vertoont een hoge graad van ernst. In de huidige stand van de rechtspleging wordt besloten tot de onbevoegdheid van de Raad van State. IX-6450-4/7
- De verzoeker vraagt de Raad van State om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel door artikel 14, §1, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in zoverre die bepaling aan een kandidaat voor een ambt in de magistra- tuur het recht ontzegt om een annulatieberoep in te dienen tegen beslissingen van de Hoge Raad voor de Justitie terwijl de kandidaten voor een ander openbaar ambt wel de mogelijkheid hebben om een annulatieberoep in te dienen tegen de beslissingen van Selor.
- De verwerende partij wijst erop dat de Raad van State met het arrest nr. 186.774 van 1 oktober 2008 inzake Saint-Guillain aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld heeft. Zij verwijst ook naar artikel 26, §3, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, dat de Raad van State in bepaalde gevallen vrijstelt van de verplichting om een prejudiciële vraag te stellen.
- Het Grondwettelijk Hof heeft met zijn arrest nr. 136/2009 van 17 september 2009 de prejudiciële vraag, gesteld door de Raad van State, beantwoord. Het heeft geoordeeld dat de ontstentenis van de mogelijkheid om een annulatieberoep in te stellen tegen de beslissing van de Hoge Raad voor de Justitie waarbij de verzoeker niet geslaagd werd verklaard in het examen voor de derde toegangsweg tot de magistratuur, geen schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt. De aan het Grondwettelijk Hof voorgelegde casus verschilde evenwel grondig van de problematiek die zich in de onderhavige zaak stelt en waarbij de verzoeker uitgesloten wordt van de toegang tot de magistratuur. Het arrest kan niet getransponeerd worden.
- Overeenkomstig artikel 26, § 3, van de wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof is de Raad van State niet verplicht om in schorsingszaken een prejudiciële vraag stellen, tenzij er ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van de wet die in de zaak betrokken wordt met de grondwettelijke bepalingen waarop het Grondwettelijk Hof toezicht uitoefent. Het komt de verzoeker toe argumenten aan te brengen die de Raad van State ernstig kunnen doen twijfelen aan de grondwettigheid van de wettelijke bepaling die hij in de zaak betrekt. IX-6450-5/7
- In het verzoekschrift wordt de problematiek niet behandeld. Ter terechtzitting wijst de verzoeker er wel op dat de mogelijkheid dat het Grondwette- lijk Hof een discriminatie onderkent in een leemte in de bestaande wetgeving, de Raad van State niet mag verhinderen de prejudiciële vraag te stellen, maar daarmee beargumenteert hij de discriminerende behandeling die hij ondergaat niet en zaait hij derhalve geen twijfel over de grondwettigheid van artikel 14, § 1, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. In de huidige stand van de procedure is er geen reden om de prejudiciële vraag te stellen.
- De vordering tot schorsing is niet ontvankelijk. VI. Anonimisering
- De verzoeker vraagt de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet- toelaatbaarheid van de Raad van State kan iedere partij bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig wordt gemaakt op elk moment van de rechtspleging en totdat de debatten gesloten zijn, eisen dat bij de publicatie van het arrest of de beschikking de identiteit van de natuurlijke personen niet zou worden bekendge- maakt. De vraag wordt ingewilligd. BESLISSING
- De minister van Justitie, als vertegenwoordiger van de Belgische Staat, wordt buiten de zaak gesteld.
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoeker niet bekendgemaakt. IX-6450-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 16 november 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6450-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.846 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.205.065 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div