← België

Arrest 197883 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.883 Rolnummer: A. 162554/X-12314 Zaak: Arrest 197883 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-26 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:51 Fiche Arrest nr 197.883 van 17 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 197.883 van 17 november 2009 in de zaak A. 162.554/X-12.

  1. In zake: Luc JACOPS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Verstraeten kantoor houdend te 2221 HEIST-OP-DEN-BERG Booischot Dorp 72 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
  2. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Claes kantoor houdend te 2550 KONTICH Mechelsesteenweg 160 bij wie woonplaats wordt gekozen
  3. de gemeente NIJLEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Van Passel en Griet Cnudde kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN Frankrijklei 146 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 17 mei 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 23 februari 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “Katerstraat” genaamd, van de gemeente Nijlen bestaande uit een plan van de bestaande toestand, een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundi- ge voorschriften en een stedenbouwkundige verantwoording met uitzondering van het met blauw omrande deel. X-12.314-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Stephan De Taeye heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 oktober
  6. Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stephanie Vanthienen, die loco advocaat Johan Verstraeten verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Anneleen Claes, die loco advocaat Johan Claes verschijnt voor de eerste verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten
  8. De verzoeker is samen met zijn echtgenote eigenaar en bewoner van de woning gelegen aan de Nonnenlaan 87 te Nijlen, kadastraal bekend sectie D, nr. 19/h. Op het linkeraanpalend perceel bevindt zich het vervoer- en containerbe- drijf Hens b.v.b.a. Vijf percelen verwijderd van het perceel van de verzoeker, bevinden zich, aan de rechterzijde, percelen die eigendom zijn van het tuin- en hobbycenter Hens b.v.b.a. X-12.314-2/8
  9. Op 1 december 1997 dient de verzoeker, samen met 76 andere personen, een collectief bezwaarschrift in tegen de uitbreidingsplannen van het vervoer- en containerbedrijf en het tuin- en hobbycenter, met betrekking tot de percelen gelegen aan de Katerstraat 112 te Nijlen, kadastraal bekend sectie D, nrs. 11/c, 13/a, 14/a, 14/b en 10/d.
  10. Op 12 januari 2000 laat de afdeling Milieu-inspectie, buitendienst Antwerpen, aan de verzoeker weten dat voor enkele van de stalen, genomen op de terreinen waar het vervoer- en containerbedrijf en het tuin- en hobbycenter gevestigd zijn, blijkt dat voor bepaalde parameters de bodemsaneringsnormen zijn overschreden. Hierover wordt een proces-verbaal opgesteld en bezorgd aan de procureur des Konings te Mechelen.
  11. De tweede verwerende partij start twee sectorale bijzondere plannen van aanleg om een oplossing te zoeken voor de zonevreemde bedrijven op haar grondgebied. Eén van die twee plannen heeft betrekking op de Katerstraat. In de memorie van toelichting bij het ontwerpplan wordt gesteld dat het tuin- en hobbycenter, ten gevolge van de groeiende activiteiten en de daarmee gepaarde uitbouw van handel in containerplanten en allerhande tuinmaterialen, niet als een para-agrarisch bedrijf beschouwd kan worden en dat het voor een groot deel van zijn activiteiten zonevreemd is. Het ontwerp voorziet bijgevolg in de omzetting van een 1,98 hectare groot agrarisch gebied naar een “gebied voor kleinhandelszone” en “subbestemmingen”.
  12. Op 4 mei 2004 stelt de gemeenteraad van de gemeente Nijlen het ontwerp van het bijzonder plan van aanleg “Katerstraat” voorlopig vast.
  13. Van 9 juni 2004 tot 9 juli 2004 vindt het openbaar onderzoek plaats. Op 16 augustus 2004 brengt de GECORO een gunstig advies uit over het ontwerp van bijzonder plan van aanleg, na onderzoek van de ingediende bezwaar- schriften.
  14. Op 7 september 2004 stelt de gemeenteraad van de gemeente Nijlen het ontwerp van bijzonder plan van aanleg definitief vast.
  15. Bij het bestreden besluit van 23 februari 2005 keurt de bevoegde Vlaamse minister het bijzonder plan van aanleg “Katerstraat” van de gemeente Nijlen goed. X-12.314-3/8 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Uiteenzetting van de excepties
  16. De verwerende partijen betwisten in hun memories van antwoord met een gelijklopende argumentatie het belang van de verzoeker. Zij stellen dat de verzoeker niet over een rechtstreeks belang beschikt en dat het bijzonder plan van aanleg eventuele hinder niet consolideert of versterkt. Voorts stellen de verwerende partijen dat de verzoeker niet in de onmiddellijke nabijheid van de betrokken percelen woont, vermits hij er niet vlakbij woont. Ten slotte argumenteren de verwerende partijen nog dat de grond van de verzoeker niet binnen het beheersings- gebied van het bijzonder plan van aanleg ligt. In haar laatste memorie herneemt de tweede verwerende partij op uitvoerige wijze deze exceptie. Samengevat stelt zij het volgende: “
  17. De woning van verzoeker is niet te situeren binnen het plangebied van het BPA. Conform bepaalde rechtspraak van de Raad van State leidt dit tot de onontvankelijkheid van de vordering.
  18. De vermeende hinder is niet aangetoond, noch wat betreft de oorzaak, de omvang als de aard. Gezien deze hinder het belang van verzoeker zou moeten verduidelijken, is het belang niet aangetoond.
  19. Door het BPA wordt aan het bedrijf de mogelijkheid gegeven om een regularisatievergunning aan te vragen voor een gedeelte van de activiteiten die niet para-agrarisch zijn. De vermeende hinder die verzoeker aanhaalt zou bij het exploiteren van puur para-agrarische activiteiten en de enkele benutting van de gebouwen (die vergund zijn) in functie hiervan geen enkel verschil maken ten aanzien van de huidige situatie. Het nadeel dat verzoeker meent te lijden, is in die zin reeds verworven. Het BPA dat ten dele werd goedgekeurd wijzigt niets aan de vermeende hinder die verzoeker actueel zou lijden en creëert evenmin ‘bijkomende’ hinder. Het BPA verandert niets aan het bestaan van het complex dat vergund is en het niet totstandkomen of goedkeuren van het BPA zou het verder bestaan van dit complex niet onmogelijk maken. Eventuele verkeershinder anderzijds is niet specifiek te relateren aan de exploitatie van de niet para-agrarische activiteiten en wordt derhalve evenmin door het BPA ‘geconsolideerd’”. Beoordeling
  20. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de woning van de verzoeker in de onmiddellijke nabijheid ligt van het gebied dat door het bestreden bijzonder plan van aanleg wordt beheerst. De verzoeker kan aanspraak maken op de eerbiediging van de bestemming die het gewestplan aan het gebied in de onmiddel- lijke omgeving van zijn woning heeft gegeven, met name agrarisch gebied, en op de eerbiediging van de eisen van de goede aanleg ter plaatse. Op grond daarvan doet X-12.314-4/8 de verzoeker blijken van het vereiste belang om de nietigverklaring te vorderen van het bijzonder plan van aanleg dat volgens hem het bestemmingsvoorschrift agrarisch gebied van het geldende gewestplan schendt. De exceptie is niet gegrond. V. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen
  21. In het tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna: het decreet integraal waterbeleid). De verzoeker argumenteert dat in elk plan dat wordt opgesteld, de resultaten van de watertoets moeten worden vermeld, ongeacht de invloed die dat plan heeft op de waterhuishouding. In dit geval is geen enkele toetsing gebeurd, zodat het goedkeuringsbesluit strijdig is met de aangehaalde decretale bepaling.
  22. De verwerende partijen antwoorden dat er in dit geval geen waterproblematiek aan de orde is, vermits het kwestieuze gebied niet is aangeduid als recent overstroomd gebied en er geen gevaar bestaat voor enige wateroverlast of een schadelijk effect. Bovendien stellen de verwerende partijen dat de verzoeker geen belang heeft bij het middel omdat er geen sprake is van enige potentiële waterproblematiek.
  23. De verzoeker benadrukt in zijn memorie van wederantwoord dat er bij het opstellen van elk plan een watertoets moet gebeuren en dat de stelling dat er in dit geval geen sprake is van een waterproblematiek, een louter gratuite stelling is die achteraf wordt geformuleerd.
  24. In haar laatste memorie werkt de tweede verwerende partij haar argumentatie verder uit met betrekking tot het belang van de verzoeker bij het tweede middel. Enerzijds stelt ze dat de verzoeker geen belang heeft bij het middel omdat het kwestieuze gebied niet watergevoelig is en er in het verleden nooit waterschade of wateroverlast is geweest. Het bijzonder plan van aanleg kan daar evenmin aanleiding toe geven, vermits het plan geen vergroting van de verharde oppervlakte toelaat. Anderzijds betwist de tweede verwerende partij het belang van de verzoeker omdat een watertoets heeft plaatsgevonden bij de beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag en de stedenbouwkundige aanvraag, waarbij de nodige X-12.314-5/8 voorwaarden werden opgelegd. Door middel van deze vergunningen is volledige uitvoering gegeven aan het bijzonder plan van aanleg. In de beide procedures is een afdoende watertoets doorgevoerd. Bijgevolg is voor het volledige gebied van het bijzonder plan van aanleg toepassing gegeven aan de verplichtingen van het decreet integraal waterbeleid. Beoordeling
  25. Zoals blijkt uit hetgeen voorafgaat (randnr. 12), beschikt de verzoeker over het rechtens vereiste belang bij het beroep. Hij heeft ook belang bij het middel dat tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. De excepties met betrekking tot het belang bij het middel zijn niet gegrond.
  26. Artikel 8, § 1, eerste lid van het decreet integraal waterbeleid bepaalt onder meer dat de overheid die, zoals te dezen, over een plan moet beslissen, er zorg voor draagt, door het weigeren van het plan of door het opleggen van gepaste voorwaarden, dat geen schadelijk effect ontstaat of dat dit zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in bepaalde gevallen, gecompenseerd. Uit deze bepaling kan worden afgeleid dat de watertoets niet verder gaat dan het onderzoeken of een voorgenomen plan een “schadelijk effect” in de zin van artikel 3, § 2, 17/ van het decreet integraal waterbeleid doet ontstaan. De watertoets strekt met andere woorden tot het onderzoeken van het causaal verband tussen het aan te nemen of goed te keuren plan van aanleg en de schadelijke effecten in de zin van het voornoemde artikel 3, § 2, 17/. Artikel 8, § 2, tweede lid van het genoemde decreet bepaalt dat de beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst. Uit die bepaling volgt dat een beslissing waarbij een plan wordt aangenomen of goedgekeurd, een formele motivering dient te bevatten waaruit blijkt dat de in artikel 8, § 1 van het decreet bedoelde watertoets is uitgevoerd. Uit die motivering moet meer bepaald blijken, hetzij dat uit de ordening die met het plan wordt beoogd geen schadelijke effecten kunnen ontstaan als bedoeld in artikel 3, § 2, 17/ van het decreet, hetzij dat zulke effecten wel kunnen ontstaan, maar dat ze door het opleggen van gepaste voorwaarden zoveel mogelijk worden beperkt of hersteld. X-12.314-6/8 Uit de memorie van toelichting bij het ontwerp van het decreet integraal waterbeleid (Parl. St. Vl. Parl., 2002-03, nr. 1730/1, blz. 23) blijkt nog dat de watertoets moet worden opgevat als een proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de mogelijke schadelijke effecten van, onder meer, plannen op het watersysteem, zodat deze toets als een belangrijk preventief instrument fungeert.
  27. Noch de bestreden beslissing, noch het besluit van de gemeente- raad van Nijlen van 7 september 2004 houdende de definitieve vaststelling van het bijzonder plan van aanleg bevat een motivering inzake de watertoets. Bijgevolg is niet voldaan aan de bepalingen van artikel 8, §§ 1 en 2 van het decreet integraal waterbeleid. De stelling dat er ter plaatse geen waterproblematiek aan de orde is, dat het gebied in kwestie niet als recent overstroomd gebied is aangeduid en dat er geen gevaar is voor enige wateroverlast of schadelijke effect, kan aan de voorgaande vaststelling geen afbreuk doen. Deze motieven dienden immers, overeenkomstig artikel 8, § 2 van het decreet integraal waterbeleid, uit het bestreden besluit zelf te worden afgeleid, vermits enkel met de in dat besluit weergegeven motieven rekening mag worden gehouden. Aangezien de watertoets niet kan worden afgeschoven naar later te verlenen stedenbouwkundige of milieuvergunningen, kan geen rekening worden gehouden met de beoordeling van de waterproblematiek in de milieuvergunnings- aanvraag en de stedenbouwkundige aanvraag waarvan de tweede verwerende partij in haar laatste memorie gewag maakt. Het middel is gegrond. BESLISSING
  28. De Raad van State vernietigt het besluit van 23 februari 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “Katerstraat” genaamd, van de gemeente Nijlen bestaande uit een plan van de bestaande toestand, een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften en een stedenbouwkundige verantwoording met uitzondering van het met blauw omrande deel.
  29. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. X-12.314-7/8
  30. De verwerende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro, ieder voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien november 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, met bijstand van Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq. Roger Stevens. X-12.314-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.883 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.