id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.884 Rolnummer: A. 157942/X-12147 Zaak: Arrest 197884 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-26 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 03:51 Fiche Arrest nr 197.884 van 17 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 197.884 van 17 november 2009 in de zaak A. 157.942/X-12.147. In zake: Hendrik ROECKENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Max Van Battel kantoor houdend te 2800 MECHELEN Brusselpoortstraat 26 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel Van Dievoet kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Boomstraat 14, bus 3 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 29 november 2004, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 23 september 2004 van de bestendige deputatie van de provincie Vlaams-Brabant houdende verwerping van het beroep van de verzoeker tegen het besluit van 3 december 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Machelen waarbij de vergunning wordt geweigerd voor de regularisatie van een meergezinswoning te Machelen, Korenbloemstraat, kadastraal bekend sectie C, nr. 162/x/4. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. X-12.147-1/11 De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2009. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pierre Van Hoeij, die loco advocaat Max Van Battel verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Filip van Dievoet, die loco advocaat Michel van Dievoet verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 6 september 1993 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Machelen een bouwvergunning voor het verbouwen van een woning tot twee appartementen op een perceel gelegen aan de Korenbloemstraat 3 te Machelen. Volgens de goedgekeurde plannen betreft deze vergunning een gebouw met één verdieping en een zolder. 3.2. Het voormelde gebouw is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse, gelegen in woongebied. Het is tevens gelegen binnen de grenzen van het bij koninklijk besluit van 1 september 1961 goedgekeurd bijzonder plan van aanleg nr. 1 + 7 “Machelen”, doch niet binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. X-12.147-2/11 3.3. Op 11 september 2003 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Machelen een aanvraag in tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning tot regularisatie van een meergezinswoning gelegen aan de Korenbloemstraat 3 te Machelen, op een perceel kadastraal bekend sectie C, nr. 162/x/4. Volgens het bij deze aanvraag horende plan wordt de zolder van het gebouw omgevormd tot een bijkomende woongelegenheid, met badkamer, slaapkamer, woonkamer en kooknis. 3.4. Tijdens het openbaar onderzoek betreffende deze aanvraag tot regularisatievergunning worden geen bezwaarschriften ingediend. 3.5. Op 13 november 2003 stelt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Machelen de gemachtigde ambtenaar voor af te wijken van de voorschriften van het vigerend bijzonder plan van aanleg. 3.6. Op 26 november 2003 weigert de gemachtigde ambtenaar deze afwijkingsaanvraag om volgende redenen: “Het voorstel voorziet de regularisatie van een verbouwing van een woning tot 2 appartementen waarbij de goedgekeurde vergunning niet werd gevolgd. Er werd een derde woning voorzien in de derde woonlaag, gedeeltelijk onder dak. Volgens het BPA zijn er twee bouwlagen onder de kroonlijst voorzien. Het BPA werd goedgekeurd in 1995. Volgens artikel 3, algemene bepalingen, zijn de algemene bestemmingen van dit plan opgesteld naar analogie met het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, goedgekeurd bij K.B. van 7/03/1977. Het gewestplan voorziet 2 woonlagen. Het bijzonder plan van aanleg spreekt verder niet over woonlagen maar over bouwlagen. Het aantal woonlagen zoals vastgesteld in het gewestplan werd behouden. Het voorstel tot afwijking geeft aanleiding tot een oneigenlijke wijziging van het bijzonder plan van aanleg en is in strijd met artikel 8, bijzondere bepalingen betreffende de woongebieden, van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse. Om die reden kan de afwijking niet aanvaard worden”. 3.7. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Machelen weigert de gevraagde regularisatievergunning bij besluit van 3 december 2003, “gezien er geen afwijking werd toegestaan door ROHM Vlaams-Brabant”. 3.8. Tegen deze weigeringsbeslissing stelt de verzoeker beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. X-12.147-3/11 3.9. Bij bestreden besluit van 23 september 2004 verwerpt de bestendige deputatie het beroep van de verzoeker. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.1. De verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de materiële motiveringsplicht. De verzoeker zet uiteen dat “er een duidelijk gebrek aan motivatie aanwezig is”, vermits de verwerende partij in haar beslissing enkel stelt dat het beroepschrift niet gemotiveerd is, zonder in te gaan op de door de verzoeker tijdens de hoorzitting geuite argumenten en neergelegde stukken. De verzoeker stelt dat hij tijdens de procedure voor de verwerende partij heeft laten gelden dat “de muur met de buur slechts met 60 cm werd verhoogd”, “de buren van de woning van verzoeker allemaal 3 woonlagen hebben (en vergund werden)” en “in de nabije omgeving van de woning van verzoeker, elke nieuwbouw drie woonlagen heeft”. Hij stelt dat hij een aantal stukken heeft neergelegd teneinde deze feiten te staven, en dat de verwerende partij op deze argumenten diende te antwoorden, wat zij heeft nagelaten te doen. Beoordeling 4.2. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing (
- is)op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Uit een en ander volgt dat wat de motiveringsverplichting betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende X-12.147-4/11 de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet is van suppletoire aard. Artikel 53, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet) legt aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991. Het bestreden besluit valt derhalve niet onder de toepassing van laatstgenoemde wet. Uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet. Om te voldoen aan de in de voormelde bepaling vastgelegde motiveringsplicht, moet de bestendige deputatie in haar beslissing duidelijk aangeven door welke met de goede plaatselijke aanleg verband houdende redenen die beslissing is verantwoord. Het is om aan die motiveringsplicht te voldoen, niet vereist dat op alle in het beroep aangevoerde argumenten wordt geantwoord. Het volstaat dat in de beslissing duidelijk wordt aangegeven door welke, met de goede plaatselijke aanleg verband houdende redenen die beslissing is verantwoord. 4.3. Het eerste middel gaat uit van de onjuiste veronderstelling dat de verwerende partij er toe gehouden is alle in het beroep aangevoerde argumenten te beantwoorden. De bestreden weigeringsbeslissing is in essentie gesteund op de overweging dat de gehanteerde bouwdiepte en het aantal woonlagen in strijd zijn met de voorschriften van het bijzonder plan van aanleg en het gewestplan. Of deze motieven de bestreden beslissing afdoende verantwoorden, wordt onderzocht bij de bespreking van het tweede en het derde middel. B. Tweede middel en derde middel Uiteenzetting van de middelen 5.1. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan “van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de materiële motiveringsplicht, de ontoereikendheid, onjuistheid, dubbelzinnigheid of de tegenstrijdigheid van de bestreden beslissing, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel en dwaling betreffende de materiële juistheid van de feiten en de omzendbrief van 19 juni 1991 X-12.147-5/11 betreffende de toelichting bij de toepassing van de bijzondere voorschriften gevoegd bij het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse. (A)rtikel 8 van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften”. In het eerste onderdeel van het middel betoogt de verzoeker dat “de bestendige deputatie (
- er)lijkt van uit te gaan dat het een bijgebouw betreft aangaande de bouwhoogte en een hoofdgebouw aangaande de bouwdiepte” en dat “dit tegenstrijdige motieven uitmaakt wat gelijkstaat aan geen motivering”. De verzoeker laat gelden dat de bouwhoogte van de achtergevel meer dan 5,50 meter bedraagt, zodat de verwerende partij zich op onjuiste gegevens steunt om de weigering te motiveren. In het tweede onderdeel levert de verzoeker kritiek op de overweging in het bestreden besluit dat “een bouwdiepte van 17,17 m op de verdieping (...) hier niet (kan) toegelaten worden vermits in de omgeving geen elementen voorhanden zijn om deze abnormale diepte te verantwoorden”. De verzoeker laat in dit opzicht gelden dat “de naastliggende gebouwen een bouwdiepte hebben van 17 meter en liefst op 3 bouwlagen”, dat “de naastliggende buur geconfronteerd wordt met een muur op de grens van 5 meter 50 in plaats van 4 meter 90” en dat “de woonkwaliteit niet kan worden beïnvloed door een verschil van 60 cm”. Het derde onderdeel van het middel is gericht tegen de overwegingen in het bestreden besluit met betrekking tot de toepassing van artikel 8 van de aanvullende voorschriften bij het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse. De verzoeker betoogt dat het “niet vaststaat dat in de straat niet meer dan de helft van de na 1950 opgetrokken woningen meer dan twee woonlagen tellen”. Tevens verwijst hij naar punt 6 van “de omzendbrief van 19 juni 1991 betreffende de toelichting bij toepassing van de bijzondere voorschriften gevoegd bij het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse artikel 8 van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften”, waarin gesteld wordt “dat de toepassing van deze bepalingen met redelijkheid moet gebeuren en men zich moet richten naar de gabarieten van de bestaande constructies, links en rechts van het betrokken perceel”. De verzoeker laat gelden dat niet alleen de twee aanpalende woningen, maar ook de hele blok woningen drie woonlagen hebben, zodat “het redelijk is en tevens van een goede stedenbouwkundige aanleg getuigt om ook aan verzoeker toe te laten om drie woonlagen te gebruiken zoals de verschillende buren”. 5.2. De verzoeker leidt een derde middel af uit de “schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de materiële motiveringsplicht, de X-12.147-6/11 ontoereikendheid, onjuistheid, dubbelzinnigheid of de tegenstrijdigheid van de bestreden beslissing, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel meer bepaald van het algemeen bestuurlijk beginsel dat de overheid bij het beoordelen van bouwaanvragen tot een zekere continuïteit gehouden is, in die zin, dat zij de criteria, welke zij bij het beoordelen van vroegere bouwaanvragen heeft gehanteerd, zo maar niet voor onbestaande mag houden, maar dat zij integendeel er door gebonden is, op straffe van anders in willekeur te vervallen”. In dit verband laat de verzoeker andermaal gelden dat voor de aanpalende woningen een vergunning werd toegekend voor een bouwdiepte van 17 meter en 3 woonlagen. Beoordeling 5.3. De bestreden beslissing weigert de aanvraag tot regularisatie onder meer omdat de voorschriften bij het bijzonder plan van aanleg geen bepalingen bevatten betreffende de afwijking van het toegelaten aantal woonlagen, zodat de voorschriften bij het gewestplan van toepassing blijven en het aantal woonlagen dient beperkt te worden tot twee. Ter zake overweegt het bestreden besluit: “Artikel 8 van de aanvullende voorschriften bij het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse stelt dat voor de woonzone het maximaal toegelaten aantal woonlagen beperkt wordt tot twee. De omzendbrief van 19 juni 1991 betreffende de toelichting bij toepassing van de bijzondere voorschriften gevoegd bij het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse artikel 8 van de aanvullende stedenbouwkundig(
- e)voorschriften, stelt dat het begrip woonlaag als volgt dient geïnterpreteerd: elke bouwlaag welke geheel of gedeeltelijk bestemd is voor bewoning (louter residentiële functies). Door de bestemming van de zolderverdieping te wijzigen naar een afzonderlijke woongelegenheid, dient deze als een woonlaag aanzien te worden. Vermits ook het gelijkvloers en de eerste verdieping van het gebouw volwaardige woonlagen zijn, zou het gebouw door de voorgestelde wijziging in totaal drie woonlagen tellen. Dit is in strijd met artikel 8 van de voorschriften bij het gewestplan waarbij het aantal woonlagen beperkt wordt tot twee. Paragraaf 2a van het bijzonder voorschrift artikel 8 bepaalt dat van de beperking van het aantal woonlagen mag afgeweken worden via een goed te keuren B.P.A. In artikel 8 is niet bepaald of het een bijzonder plan van aanleg type artikel 16 of artikel 17 moet zijn. Beide vormen van B.P.A. komen dus in aanmerking. Bij een B.P.A. type artikel 16 (zoals in deze aanvraag) wordt het aantal bouw- en woonlagen éénduidig en exact vastgelegd in de voorschriften. De voorschriften bij het BPA bevatten geen bepalingen betreffende de afwijking van het toegelaten aantal woonlagen. De voorschriften bij het gewestplan blijven bijgevolg van toepassing. Paragraaf 2b van het bijzonder voorschrift artikel 8, bepaalt een afwijkingsmogelijkheid van het bijzonder voorschrift artikel 8, namelijk wanneer in een straat meer dan de helft van de na 1950 opgetrokken woningen X-12.147-7/11 meer dan twee woonlagen tellen. Dit is ook niet het geval bij voorliggende aanvraag. Het aantal woonlagen dient dus beperkt tot twee. De voorgaande overwegingen in acht genomen kan de bestendige deputatie het beroep niet inwilligen om volgende redenen: - de bouwdiepte van 17.17m op de verdieping is in strijd met de voorschriften van het BPA en een afwijking kan niet verantwoord worden omdat geen elementen voorhanden zijn om de buitengewone bouwdiepte te rechtvaardigen; - voorschriften bij het BPA bevatten geen bepalingen betreffende de afwijking van het toegelaten aantal woonlagen; de voorschriften bij het gewestplan blijven bijgevolg van toepassing; het aantal woonlagen dient beperkt te worden tot twee”. 5.4. Artikel 8 van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse luidt als volgt: “Artikel 8. - Bijzondere bepalingen betreffende de woongebieden Behoudens andersluidende bepalingen in dit besluit, in een door Ons reeds goedgekeurd en niet in herziening gesteld bijzonder plan van aanleg, in een behoorlijk toegekende en nog niet vervallen verkavelingsvergunning of in een bouwverordening, gelden voor het bouwen van woningen in de door het gewestplan vastgestelde woongebieden volgende voorschriften: 1. binnen de in het gewestplan aangeduide grenzen van de stadscentra van Halle, Vilvoorde en Asse wordt het aantal bouwlagen van de woningen vastgesteld in functie van het bijzonder karakter van de wijk, van de breedte van de straat en van de vloer-grond index van het te bebouwen perceel; het maximum aantal woonlagen mag in geen geval vier woonlagen overtreffen; 2. elders in het gewest is het aantal woonlagen van de woningen ten hoogste twee. In de aaneengebouwde gedeelten van steden en gemeenten mag, zonder dat vier woonlagen worden overschreden, van de in het eerste lid, 2, gestelde regel afgeweken worden:
- a)door een door Ons goedgekeurd bijzonder plan van aanleg;
- b)wanneer in een straat meer dan de helft van de na 1950 opgetrokken woningen meer dan twee woonlagen tellen; in dat geval wordt het maximum aantal woonlagen vastgesteld in functie van het aantal woonlagen van de omringende woningen aan dezelfde kant van de straat. De in dit artikel gestelde voorschriften zijn niet van toepassing op gronden die vóór de inwerkingtreding van dit besluit gekocht werden als bouwgrond op basis van een stedenbouwkundig attest dat het aantal toegelaten bouw- of woonlagen aanduidt en waarvan de geldigheidsduur nog niet verstreken is. Het maximum aantal woonlagen mag evenwel in geen geval vier woonlagen overtreffen”. 5.5. Volgens het geciteerde artikel mag, buiten de in het gewestplan aangeduide grenzen van de stadscentra van Halle, Vilvoorde en Asse, het aantal woonlagen van de woningen ten hoogste twee bedragen. De verzoeker betwist niet dat zijn regularisatieaanvraag betrekking heeft op drie woonlagen. X-12.147-8/11 Evenmin betwist de verzoeker dat het vigerend bijzonder plan van aanleg geen bepalingen bevat die in een afwijking van het aantal toegelaten woonlagen voorzien, conform art 8.2, tweede lid,
- a)van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften. Luidens artikel 8.2, tweede lid,
- b)van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften kan “in de aaneengebouwde gedeelten van steden en gemeenten” nog van het toegelaten aantal woonlagen worden afgeweken “wanneer in een straat meer dan de helft van de na 1950 opgetrokken woningen meer dan twee woonlagen tellen”. 5.6. De vergunningverlenende overheid is er niet toe gehouden ambtshalve na te gaan of een vergunningsaanvraag die niet kan worden ingepast in de verordenende kracht bezittende gewestplanbestemming, kan worden verleend op grond van één of andere afwijkingsregel. In dit verband volstaat het dat die overheid de door de aanvrager geformuleerde aanspraken onderzoekt en afdoende beantwoordt. 5.7. Volgens artikel 16, eerste lid, 2/ van het toentertijd geldende besluit van 4 november 1997 van de Vlaamse regering tot vaststelling van de samenstelling van het dossier voor de aanvraag om een bouwvergunning dient de bouwaanvraag “een nota” te bevatten waarin wordt beschreven: “- het voorwerp van de aanvraag; - de ruimtelijke context van de geplande werken of handelingen, meer bepaald: - het feitelijke uitzicht en de toestand van de plaats waar de werken of handelingen worden gepland; - de zoneringsgegevens van het goed; - de overeenstemming en de verenigbaarheid van de aanvraag met de wettelijke en ruimtelijke context; - de integratie van de geplande werken of handelingen in de omgeving”. 5.8. Uit de stukken van het dossier blijkt niet, en de verzoeker stelt ook niet, dat hij in de bij de aanvraag horende beschrijvende nota om de toepassing van de afwijkingsregel voorzien in artikel 8.2, tweede lid,
- b)van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften heeft verzocht, laat staan dat hij in deze nota zou hebben aangetoond dat zijn straat ligt in een “aaneengebouwd gedeelte” van de gemeente en dat er in die straat “meer dan de helft van de na 1950 opgetrokken woningen meer dan twee woonlagen tellen”. Ook in zijn beroepschrift heeft de verzoeker niet gevraagd dat de voormelde afwijkingsregeling zou worden toegepast. X-12.147-9/11 In die omstandigheden kan de verwerende partij dan ook niet verweten worden niet te hebben nagegaan of aan de voorwaarden van de afwijkingsregeling was voldaan, met andere woorden of meer dan de helft van de na 1950 opgetrokken woningen in de straat van de verzoeker meer dan twee woonlagen tellen. 5.9. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de verwerende partij terecht heeft overwogen dat het aantal woonlagen conform de voorschriften bij het gewestplan beperkt dient te worden tot twee. De niet behoorlijk gestaafde bewering dat “er drie woonlagen bij de beide buren van het pand van verzoeker (zijn)”, vermag aan deze conclusie geen afbreuk doen. Het gelijkheidsbeginsel, evenals het redelijkheidsbeginsel en “de goede stedenbouwkundige aanleg” kunnen niet met goed gevolg worden ingeroepen om de voorschriften van een geldend gewestplan ter zijde te schuiven. Ten overvloede dient nog opgemerkt te worden dat ministeriële omzendbrieven gericht aan de vergunningverlenende overheden die richtsnoeren bevatten nopens de interpretatie en de toepassing van de bestaande wetten en verordeningen geen enkel bindend karakter hebben ongeacht of zij zijn bekendgemaakt of niet. De schending van een dergelijke omzendbrief kan derhalve door een verzoeker niet worden aangevoerd als vernietigingsgrond ter ondersteuning van een annulatieberoep gericht tegen een individuele bestuurshandeling genomen met miskenning van de door het bestuur in het algemeen verleende interpretatie. Het derde onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. 5.10. Het in het derde onderdeel van het tweede middel betwiste weigeringsmotief met betrekking tot het aantal woonlagen volstaat op zich om de weigering van de vergunning wettig te verantwoorden. Het eventueel gegrond bevinden van de overige middelen en middelonderdelen, die gericht zijn tegen een bijkomend weigeringsmotief, kan dan ook niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden. Het betoog van de verzoeker in de laatste memorie dat “het eventueel verwerpen van het annulatieberoep tegen de beslissing in zover zij de regularisatie van de 3 bouwlagen verwerpt, (...) niet in(houdt) dat daardoor het annulatieberoep ten aanzien van de weigering van de regularisatieaanvraag van de verbouwing van het achterste gedeelte ook als ongegrond dient beschouwd te worden” doet aan deze vaststelling niets af, aangezien de stedenbouwkundige vergunning één ondeelbaar geheel vormt en niet voor gedeeltelijke vernietiging vatbaar is. X-12.147-10/11 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien november 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq. Roger Stevens. X-12.147-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.884 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div