id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.923 Rolnummer: A. 177537/X-13046 Zaak: Arrest 197923 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 17/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-25 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:51 Fiche Arrest nr 197.923 van 17 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 197.923 van 17 november 2009 in de zaak A. 177.537/X-13.
- In zake:
- Kurt JAMOUL
- Leni SWINNEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Van Wesemael kantoor houdend te 1050 BRUSSEL Waterloosesteenweg 412 F bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
- de deputatie van de provincieraad van LIMBURG
- de stad SINT-TRUIDEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbeke kantoor houdend te 1970 WEZEMBEEK-OPPEM Hardstraat 46 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 9 oktober 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 15 juni 2006 van de deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Urgente zonevreemde recreatieve constructies in open ruimte” van de stad Sint- Truiden gedeeltelijk wordt goedgekeurd, “in zoverre dit betrekking heeft op het deelplan r16 ‘recreatief gebied Brustem’”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 167.242 van 30 januari 2007 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. X-13.046-1/11 De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De eerste verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 september
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mathieu Malfait, die loco advocaat Philippe Van Wesemael verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Stijn Verbeke, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en bestuurssecretaris Inge Willems, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekende partijen zijn eigenaar van een woning gelegen aan de Hemelrijk 25 te Brustem. Tegenover hun woning ligt aan de overkant van de straat een weiland, dat door het op 5 april 1977 vastgestelde gewestplan Sint-Truiden- Tongeren is opgenomen in parkgebied. Rechts van dit weiland bevinden zich voetbalterreinen, samen met de erbij horende infrastructuur van de V.V. Hemelrijk Brustem. Deze site is op grond van hetzelfde gewestplan gelegen in recreatiegebied. X-13.046-2/11 Onmiddellijk links van de woning van de verzoekende partijen ligt een boomgaard, die op grond van het gewestplan in agrarisch gebied is gelegen. 3.
- Op 23 mei 2005 wordt het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP) “Urgente zonevreemde recreatieve constructies in open ruimte” voorlopig vastgesteld door de gemeenteraad van Sint-Truiden. 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek, dat plaatsvindt van 1 september 2005 tot en met 30 oktober 2005, dienen onder meer de verzoekende partijen een bezwaarschrift in. 3.
- In een ‘verslag van de procedure de commodo et incommodo - ontwerp’ worden de bezwaren door de ontwerper van het GRUP beantwoord. 3.
- Op 19 januari 2006 brengt de GECORO een advies uit. Hierin wordt onder meer gesteld: “- Zowel bij vervreemding van gronden als bij infrastructurele ingrepen die vergunningsplichtig zijn dient op kosten van de overheid een studie ondernomen en de overeenkomstige werken bekostigd om de lawaaihinder in de mate van het mogelijke te beperken. - Wij adviseren de stad alle betrokkenen aan te schrijven en hen te wijzen op het te volgen tijdsschema ten einde een planning voor onteigening te kunnen opstellen. - Wij adviseren nogmaals de in te nemen oppervlaktes te evalueren en in de mate van het mogelijke te beperken. - De Gecoro gaat akkoord met de antwoorden geformuleerd door de ontwerper (...) behalve de hierboven geformuleerde bedenkingen”. 3.
- Op 20 februari 2006 stelt de gemeenteraad van Sint-Truiden het GRUP “Urgente zonevreemde recreatieve constructies in open ruimte” definitief vast. 3.
- Op 15 juni 2006 keurt de deputatie van de provincieraad van Limburg het GRUP gedeeltelijk goed. Dit is het bestreden besluit. 3.
- Aangaande het ontwikkelingsperspectief voor de V.V. Hemelrijk Brustem vermeldt de toelichtingsnota : “De bestaande terreinen dienen naar het zuiden toe opgeschoven, zodat de Hoogbeek opnieuw kan worden ontbuisd en de beekoevers afgegraven. Ten noorden van de beek kan ruimte worden gevrijwaard voor parking aan de X-13.046-3/11 oostzijde. Ter hoogte van de brug over de beek kan een toegang tot het park voor wandelaars (en eventueel fietsers) worden gecreëerd en sluit de groene schakel aan die op de zuidrand van het recreatiegebied loopt. Om de velden reglementaire afmetingen te kunnen geven en de herwonnen oevers van Hoogbeek tegelijk de nodige natuurlijke ontwikkeling te kunnen bieden, wordt bij de ontbuizing van de Hoogbeek ook het tracé van deze waterloop gedeeltelijk over een aantal meter herlegd. Om de toekomstige recreatiemogelijkheden van de club en van het hoofddorp Brustem in zijn geheel op te vangen, wordt aan de overzijde van de straat (Hemelrijk) een uitbreiding voorzien die rekening houdt met een natuurlijke ontwikkeling van de oeverstrook van Hoogbeek . Ook hier wordt het verste speelveld alleen tijdelijk (tot stopzetting van de recreatieve activiteiten aldaar) mee in de recreatieve bestemming opgenomen. Voor de Afdeling Land is in deze site geen landbouwbelang in het geding”. Daartoe worden een strook parkgebied, tegenover de woning van de verzoekende partijen, en een deel van het agrarisch gebied links van die woning, bestemd tot “zone voor dagrecreatie met parkachtig karakter”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het eerste middel 4.1.
- In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 3, 4, 38 en 39 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), van het motiverings-, het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en het ontbreken van de rechtens vereiste grondslag. In het verzoekschrift wordt het eerste middel als volgt toegelicht: “Doordat het bestreden besluit in artikel 8.24.
- van de stedenbouwkundige voorschriften een beschrijving geeft van de in de zone voor dagrecreatie toelaatbare werken. En doordat deze voorschriften geen enkele specifieke doelstelling omvatten, doch slechts in het algemeen aangeven dat de constructies ‘in harmonie’ dienen te zijn met hun omgeving ‘door een eigen antwoord van de ontwerper op de elementen uit de omgeving’. Terwijl uit de parlementaire voorbereiding van het DRO en in het bijzonder artikel 3,8 duidelijk blijkt dat de ruimtelijke uitvoeringsplannen, door het verplicht invoegen van stedenbouwkundige voorschriften, als basis moeten dienen voor het vergunningenbeleid (cf Memorie van Toelichting 22-24). En terwijl in deze parlementaire voorbereiding eveneens wordt gesteld dat deze stedenbouwkundige voorschriften, als instrument van het vergunningenbeleid, dienen te slaan op de bestemming, de inrichting en het beheer van het betreffende plangebied, opdat alzo wordt duidelijk gemaakt wat al dan niet kan worden toegelaten. En terwijl zo o.m. voorschriften ivm met uitzicht, type X-13.046-4/11 bebouwing, esthetische voorschriften, ... dienen te worden ingelast. En terwijl in casu moet worden vastgesteld dat de betrokken voorschriften bijzonder vaag en onduidelijk blijven over wat nu al dan niet is toegelaten, door als algemene regel te stellen dat de constructies ‘in harmonie’ moeten zijn met hun omgeving en onderling, waarbij dit moet worden bereikt door ‘een eigen antwoord van de ontwerper op de elementen uit de omgeving’. En terwijl op die manier de stedenbouwkundige voorschriften en het plan nalaten een duidelijk kader te scheppen waarbinnen stedenbouwkundige vergunningen kunnen worden bekomen. En terwijl artikel 39 DRO weliswaar een zekere flexibiliteit toelaat in de stedenbouwkundige voorschriften, doch dat tevens uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat van bij de aanvang duidelijk moet zijn wat de inhoud van het stedenbouwkundig voorschrift is en de modaliteiten moeten voorschrijven die bij de inrichting van het gebied moeten worden in acht genomen. En terwijl echter in casu, door slechts een zeer vage omschrijving te geven van deze modaliteiten, afbreuk wordt gedaan aan de rechtszekerheid, nu dit allerminst is opgemaakt als instrument tot voorlichting van de vergunningverlenende overheid met het oog op de beoordeling van vergunningsaanvragen in het licht van de bestemmingsvoorschriften. En terwijl integendeel het initiatief en de invulling van de modaliteiten geheel worden overgelaten aan de aanvrager die verondersteld wordt een ‘eigen antwoord te geven op de elementen uit de omgeving’. En terwijl dit ‘antwoord op de elementen uit de omgeving’ uiteraard niet kan worden overgelaten aan de aanvrager van de vergunning, doch duidelijk moet worden omschreven door de stedenbouwkundige voorschriften van het plan om de vergunningverlenende overheid toe te laten de aanvraag hieraan te toetsen. En terwijl alzo het plan geenszins tegemoetkomt aan de doelstellingen van de decreetgever, nl. dat de stedenbouwkundige voorschriften van een plan een concreet kader dienen te creëren voor het vergunningenbeleid van de vergunningverlenende overheid en waaraan deze overheid de ingediende aanvragen in concreto kan toetsen. En terwijl een ruimtelijk ordeningsplan de burger immers zekerheid en duidelijkheid dient te verschaffen over de bestemming en de gebruiksmogelijkheden van een perceel, waarbij de eisen van rechtszekerheid en ruimtelijke kwaliteit prioritair dienen te zijn. En terwijl deze problematiek eveneens door het provinciebestuur wordt erkend in het bestreden besluit, doch hieraan geen concreet gevolg wordt gegeven, behalve dat ‘een evaluatie van dit GRUP noodzakelijk wordt geacht om na te gaan of dit GRUP geen ongewenste ruimtelijke gevolgen geeft die (momenteel) niet kunnen worden ingeschat’. En terwijl een dergelijke formulering uiteraard niet bijdraagt tot de rechtszekerheid, doch deze integendeel in de hand werkt door zelf te stellen dat nadelige effecten niet kunnen worden ingeschat. En terwijl het plan op die manier dan ook geen enkele rechtszekerheid biedt omtrent de invulling van het plangebied en de in het middel opgesomde bepalingen schendt”. Beoordeling van het eerste middel 4.1.2.
- De verwerende partijen verwijzen op goede gronden naar de bestemmings- en de inrichtingsvoorschriften opgenomen in de artikelen 8.24.1 en 8.24.2 van het bestreden plan. Daarin zijn, naast het principe van “harmonie” van de constructies met hun omgeving en onderling, ook een hele reeks voorschriften opgenomen met betrekking tot de ordening (meer bepaald inzake buffering en een groene schakel) en de morfologie en het uitzicht van het gebied (onder andere de X-13.046-5/11 verhouding tussen bebouwde en niet-bebouwde oppervlakte, de inrichting van niet- bebouwbare oppervlakte, toegelaten reliëfwijzigingen, volumes, plaatsing en afwerking van gebouwen). De stedenbouwkundige voorschriften in het bestreden plan zijn aldus voldoende duidelijk vastgesteld. Dit plan beperkt zich dus geenszins tot het door de verzoekende partijen in hun verzoekschrift vermelde en als te vaag bestempelde principe van “harmonie”. 4.1.2..
- In zoverre de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord hun middel verruimen tot de voornoemde reeks voorschriften, geven zij hiermee op onontvankelijke wijze een andere grondslag aan hun middel. 4.1.2..
- Het eerste middel is niet gegrond. B. Het tweede middel Uiteenzetting van het tweede middel 4.2.
- In het tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 8, §§ 1 en 2 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het algemeen waterbeleid en van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. In het verzoekschrift wordt het tweede middel als volgt toegelicht: “Doordat de watertoets in het bestreden besluit zich beperkt tot een toetsing in concreto van ‘de recreatieve sites in of in relatie tot een risicogebied voor overstromingen’ en ‘recreatieve sites en hoeven in historisch, van nature uit overstroomde delen van de valleien’. Terwijl artikel 8 § 1 van voormeld decreet bepaalt dat de overheid die zich moet uitspreken over de goedkeuring van een plan, ervoor moet zorgen dat door het plan geen schadelijk effect ontstaat aan het integraal waterbeleid. En terwijl §2 van hetzelfde artikel de overheid verplicht een dergelijke beslissing te motiveren, en deze in elk geval te toetsen aan de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid. En terwijl in de bestreden beslissing dan ook een expliciete watertoets dient te gebeuren van ieder deelgebied, en de bestreden beslissing minstens de resultaten van deze watertoets had moeten vermelden. En terwijl het Decreet Integraal Waterbeleid nochtans aan de overheid oplegt na te gaan of door het plan geen schadelijk effect wordt toegebracht, waarbij schadelijk effect ondermeer wordt gedefinieerd als ‘ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit’. En terwijl de Bestendige Deputatie en de stad Sint-Truiden (...) in het kader van de watertoets dan ook minstens de effecten van de verhardingen op en ontbossing van de betrokken nieuwe recreatieve zone op de waterhuishouding van de naastgelegen beek, het achterliggende parkgebied bij het kasteel en de woning van verzoekers hadden moeten nagaan. En terwijl het daarenboven evident is dat de ophogingswerken en de ontbossing die zullen nodig zijn op het perceel recht X-13.046-6/11 tegenover de woning van cliënten om de speelvelden aan te leggen en de kantine en clublokalen te bouwen, wel degelijk een nadelig effect zullen hebben voor de waterhuishouding. En terwijl het daarnaast zo is dat verzoekers nu reeds bij hevige regenval vaak last hebben van wateroverlast, terwijl het perceel weiland momenteel nochtans een stuk lager ligt dan de weg en het perceel van cliënten. En terwijl het dan ook geen betoog hoeft dat na de ophoging van dit weiland voor de bouw van de clubinfrastructuur en het aanleggen van de speelvelden, deze wateroverlast alleen maar zal toenemen. En terwijl het gemeentelijk RUP zich echter beperkt tot de vaststelling dat ‘de voorschriften van het RUP voor alle gebouwen de verplichting tot het aansluiten van de hemelwaterafvoer op een hemelwaterput en de verplichting tot het installeren van buffercapaciteit ter beperking van het lozingsdebiet in de openbare rioleringen en waterlopen voorzien’ en ‘voor de niet bebouwde delen in alle zones slechts een beperkte oppervlakte aan verharding is toegelaten, dan wel een ruim aandeel aan gebruik van waterdoorlatende verhardingsmaterialen’. En terwijl dit uiteraard geen rekening houdt met de verhoging die zal nodig zijn voor de nivellering van de voetbalvelden en de ontbossing achteraan het perceel tegenover verzoekers. En terwijl ook daar (...) het gemeentelijk RUP duidelijk te kort schiet en de van toepassing zijnde decretale bepalingen worden geschonden”. Beoordeling van het tweede middel 4.2.2.
- Vermits de verzoekende partijen de nietigverklaring van het bestreden plan slechts vorderen “in zoverre dit betrekking heeft op het deelplan r16 ‘recreatief gebied Brustem’”, is het middel slechts ontvankelijk in zoverre de erin uitgeoefende kritiek betrekking heeft op het bedoelde deelplan r
- 4.2.2.
- De verwerende partijen wijzen terecht op de volgende uiteenzetting onder de hoofding “watertoets” in de toelichtingsnota die bij het goedkeuringsbesluit is gevoegd: “(..) Recreatieve sites en hoeven in historisch, van nature uit overstroomde delen van de valleien. De zeven andere recreatieve sites en hoeven die in beekvalleien zijn gelegen (r16, (...)) bevinden zich in de van nature uit overstroomde delen van die valleien, buiten risicozones voor overstroming. In de recreatieve site r16 en in de bijhorende bufferstrook is binnen de 10m- oeverstrook geen nieuwe bebouwing en slechts beperkte verharding toegelaten en in de verwijdering van overtallige verharding en het terug openmaken van de Hoogbeek met oevers met een zich natuurlijk verder ontwikkelende vegetatie verplicht. Ook in het geheel van deze site is slechts een beperkte oppervlakte aan bebouwing of verharding toegelaten. Drainage kan alleen worden toegelaten wanneer dit in een watertoets wordt gemotiveerd (en in voorkomend geval geremedieerd). Reliëfwijzigingen zijn alleen toegelaten als ze functioneel absoluut noodzakelijk zijn. Gelet op de eerder beperkte totale mogelijke bebouwbare en verhardbare oppervlakte enerzijds en de verplichte ontharding en ontbuizing anderzijds dient in alle redelijkheid geoordeeld te worden dat het eventuele schadelijk effect beperkt is tot de veiligheid van die X-13.046-7/11 eventuele gebouwen in de site zelf. Enige negatieve invloed op het watersysteem of de veiligheid van overige constructies in de omgeving is door deze geringe oppervlakte niet te verwachten; vermoedelijk zal de ontbuizing en de daarbijhorende terreinheraanleg voor een vlotter afvoer van water naar Hoogbeek zorgen en zo de eventuele negatieve effecten op percelen verderaf doen verminderen; (...) Algemeen voorzien de voorschriften van het R.U.P. ook hier voor alle gebouwen de verplichting tot aansluiten van de hemelwaterafvoer op een hemelwaterput en (voor de grotere gebouwen en verharde oppervlakten) de verplichting tot het installeren van buffercapaciteit ter beperking van het lozingsdebiet in de openbare rioleringen en waterlopen. Voor de niet bebouwde delen is in alle zones slechts een zeer beperkte oppervlakte aan verharding toegelaten, dan wel een ruim aandeel aan gebruik van waterdoorlatende verhardingsmaterialen verplicht”. De verzoekende partijen geven dan ook een zeer onvolledige lezing van de motivering van het bestreden plan ten aanzien van de watertoets. Die lezing gaat voornamelijk voorbij aan de opmerkingen die specifiek betrekking hebben op de site Brustem r
- Het middel toont niet aan dat die motivering uit het oogpunt van de geschonden geachte decretale bepalingen en algemene beginselen niet afdoende is. 4.2.2.
- Het tweede middel is niet gegrond. C. Het derde middel Uiteenzetting van het derde middel 4.3.
- In het derde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 48,§2 DRO, van het Ministerieel Besluit van 25 oktober 2000 houdende goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Sint-Truiden, van het Ministerieel Besluit van 12 februari 2003 houdende goedkeuring van het provinciaal ruimtelijk structuurplan Limburg, en van het motiverings-, het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In het verzoekschrift wordt het derde middel als volgt toegelicht: “Doordat het bestreden (besluit) voor het deelplan recreatief gebied Brustem deels de gewestplanbestemming agrarisch gebied omzet in zone voor dagrecreatie. Terwijl de doelstellingen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan duidelijk stellen dat een verdere versnippering van het landbouwgebied moet worden tegengegaan. En terwijl het RUP, door de geplande onteigening van de naast de woning van verzoekers gelegen in exploitatie zijnde boomgaard net het omgekeerde wenst te bewerkstelligen van deze doelstellingen. En terwijl artikel 48 §2 DRO nochtans gebiedt dat een X-13.046-8/11 RUP wordt opgemaakt ter uitvoering van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. En terwijl het plan, zonder hiervoor enige bijzondere motivering te geven, integendeel de doelstellingen van het structuurplan naast zich neer legt. En terwijl het bestreden besluit dan ook de in het middel aangehaalde bepaling schendt”. B. Beoordeling van het derde middel 4.3.2.
- De eerste verwerende partij wijst er terecht op dat de ingeroepen schending van het provinciaal ruimtelijk structuurplan in het middel niet wordt toegelicht. Het middel is in zoverre niet ontvankelijk. 4.3.2.
- De eerste verwerende partij voert eveneens op goede gronden aan dat de algemene doelstelling in het gemeentelijk structuurplan dat versnippering van het landbouwgebied moet worden tegengegaan, op zichzelf genomen niet uitsluit dat hier of daar een agrarisch gebied een andere bestemming krijgt. De afdeling Land heeft geadviseerd dat in casu geen landbouwbelangen in het geding zijn. Het richtinggevend deel van het gemeentelijk structuurplan bepaalt ook dat de speel- en sportvoorzieningen in dorpen en wijken dienen te worden geoptimaliseerd, hetgeen met het bestreden plan wordt nagestreefd. In het middel wordt het uitgangspunt ervan, meer bepaald dat dit plan een versnippering van het landbouwgebied meebrengt, niet aangetoond. 4.3.2.
- Het derde middel is niet gegrond. D. Het vierde middel Uiteenzetting van het vierde middel 4.4.
- In het vierde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 49, §5 DRO en van het motiverings-, het zorgvuldigheids-, het rechtszekerheids- en het onpartijdigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In het verzoekschrift wordt het vierde middel als volgt toegelicht: “Doordat de GECORO in casu zich in haar vergadering dd. 19 januari 2006 heeft beperkt tot een louter ‘akkoord gaan’ met de antwoorden geformuleerd door de ontwerper van het gemeentelijk RUP. Terwijl door de oprichting van de GECORO in elke gemeente, de samenstelling ervan, en de verschillende taken die haar worden toegekend in het kader van het DRO van 18 mei 1999 (...), er kan van uit gegaan worden dat deze commissie in het leven werd geroepen als bijkomende garantie voor de burger op een behoorlijk bestuur. En X-13.046-9/11 terwijl het belang van de taak die de GECORO wordt toegekend in het kader van het totstandkomingsproces van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan dan ook als determinerend moet worden beschouwd (...). En terwijl in casu moet worden vastgesteld dat de GECORO, door zich zonder enige bijzondere motivering of uitgebreide bespreking van de ingediende bezwaren, te verlaten op het standpunt van de ontwerper, (zich) onvoldoende van haar taak heeft gekweten. En terwijl het immers voor de hand ligt dat de ontwerper van het ontwerpplan, eerder dan in alle objectiviteit de ingediende bezwaren te evalueren, zijn eigen plan zal trachten te verdedigen. En terwijl daarnaast de GECORO net in het leven is geroepen om, gelet op zijn diverse samenstelling uit alle geledingen van het maatschappelijk leven en de kerntaak die hem is toegekend in de procedure tot vaststelling van een gemeentelijk RUP, een bijkomende garantie te bieden aan de burger op een objectieve evaluatie van zijn opmerkingen en bezwaren. En terwijl in casu de ontwerper is opgetreden als verdediger van zijn eigen plan, terwijl de gemeente tegelijk van hem heeft verwacht, door hem exclusief de taak van de weerlegging van de ingediende bezwaren en opmerkingen toe te kennen, dat hij de grootste criticaster van zijn eigen ontwerp zou zijn. En terwijl een dergelijk handelwijze er enkel toe leidt dat de ontwerper rechter en partij wordt in de procedure en zodoende onmogelijk op objectieve wijze de bezwaren kan evalueren. En terwijl het onpartijdigheidsbeginsel is geschonden en de garantie op een objectieve behandeling van de bezwaren van de burgers”. B. Beoordeling van het vierde middel 4.4.2.
- De tweede verwerende partij voert een exceptie van onontvankelijkheid aan tegen het middel, omdat het gericht is tegen het advies van de Gecoro, “zijnde een niet-bindend advies voorafgaand aan de definitieve vaststelling van het GRUP door de gemeenteraad van Sint-Truiden en de goedkeuring ervan door de bestendige deputatie”. De verzoekende partijen kunnen zich ter ondersteuning van hun annulatieberoep tegen een eindbeslissing met goed gevolg beroepen op eventuele onregelmatigheden die zouden kleven aan een voorbereidende handeling. De exceptie wordt bijgevolg verworpen. 4.4.2.
- Met de verwerende partijen moet worden vastgesteld dat het loutere feit dat de Gecoro zich akkoord heeft verklaard met de antwoorden die de ontwerper van het plan heeft verstrekt op de adviezen, opmerkingen en bezwaren die over het ontwerp werden geformuleerd niet aantoont dat die commissie zich onvoldoende van haar taak heeft gekweten, noch dat de ontwerper “rechter en partij” zou zijn geweest. Geen enkel van de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen verplicht de Gecoro om een eigen motivering toe te voegen aan een standpunt voorbereid door de ontwerper dat zij uitdrukkelijk tot het hare maakt. 4.4.2.
- Het vierde middel is niet gegrond. X-13.046-10/11 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, ieder voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien november 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-13.046-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.923 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.242 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div