← België

Arrest 197978 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 18/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:20

§2.).”.

Wat de tweede verzoekende partij betreft: “A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Rom-zigeunerin, geboren in Pristina, Kosovo. U zou tot uw vlucht uit Kosovo in 1999 jarenlang in Kosovo Polje hebben gewoond. Bij de terugkeer van de Albanees-Kosovaarse bevolking naar haar woningen in Kosovo in juni of juli 1999, zou u gedwongen zijn uw woning te ontvluchten. U zou hierbij door etnische Albanezen zijn mishandeld. U zou vervolgens samen met uw familie naar Subotica, Servië, zijn verhuisd. Daar zou u samen met uw echtgenoot, uw zoon en 3 van uw dochters op 3 verschillende adressen hebben gewoond. U zou in Subotica samen met uw familie twee- tot driemaal hebben geprobeerd om u en uw gezin in te schrijven, echter steeds tevergeefs. Evenmin zou u er in zijn geslaagd uw kinderen op school in te schrijven. Tijdens uw verblijf in Subotica zou u het niet hebben aangedurfd zich buitenshuis te begeven. Toen u dit toch zou hebben gedaan, zou u door uw Servische buren omwille van uw afkomst zijn beledigd. Ook zou u met stenen zijn bekogeld. Uw echtgenoot en zoon zouden regelmatig op de markt hebben gestaan. XIV-31.029-4/15 Ontelbare keren zouden zij problemen hebben gekregen, ook met de politie die hen regelmatig fysiek zou hebben mishandeld. Ook zouden op een avond 2 onbekende Serviërs naar uw woning zijn gekomen met de bedoeling jullie uit jullie woning te verjagen. U zou geen getuige zijn geweest van dit incident, maar uw echtgenoot zou het u wel hebben verteld. Ongeveer 4 à 5 dagen voor uw vertrek uit Subotica zou u, toen u met uw kleindochter op straat liep, met stenen zijn bekogeld. Nog diezelfde avond zou u dit aan uw echtgenoot hebben verteld. De volgende dag zou hij naar de markt zijn gegaan, op zoek naar een mensensmokkelaar die jullie naar het buitenland zou kunnen brengen. Op 10 juni 2005 zou u samen met uw familie uit Subotica zijn vertrokken en op 15 juni 2005 zou u in België zijn aangekomen. Nog diezelfde dag hebt u hier een asielaanvraag ingediend. U bent in het bezit van een identiteitskaart, uitgereikt te Pristina op 11 juli 1991, twee geboorteaktes, dd. 13 oktober 1989 en dd. 7 april 1992 en van een aantal medische documenten i.v.m. een operatie die u hier in België hebt ondergaan. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat er in en tussen de opeenvolgende verklaringen van u en uw echtgenoot, XXX en uw zoon, XXX (O.V. 5.769.327), een aantal tegenstrijdigheden waar te nemen zijn waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas volledig wordt ondermijnd. Zo werden uiterst tegenstrijdige verklaringen afgelegd in verband met jullie beweerde registratiepogingen. Uw echtgenoot beweerde in totaal 3 of 4 keer tevergeefs te hebben geprobeerd zichzelf en zijn familie in de stad Subotica te laten registreren. Hij zou elke keer alleen naar de gemeente zijn gegaan, u zou nooit zijn meegegaan (CGVS-gehoorverslag echtgenoot p. 6). De laatste poging dateert volgens hem van ongeveer 2 jaar voor jullie vertrek naar België (CGVS- gehoorverslag echtgenoot p. 16). U daarentegen beweerde dat u zelf twee- à driemaal hebt geprobeerd zich in te schrijven. U zou dit telkens hebben gedaan in het bijzijn van uw echtgenoot en kinderen (CGVS-gehoorverslag p. 7). U stelde ook dat de laatste poging dateert van ongeveer één maand voor uw vertrek naar België (CGVS- gehoorverslag p. 8). Geconfronteerd met de beweringen van uw echtgenoot, stelde u dat het mogelijk is dat uw echtgenoot een aantal keren alleen naar de gemeente is gegaan, zonder uw medeweten (CGVS-gehoorverslag p. 8). Deze bewering heft de bovenstaande tegenstrijdigheden echter niet op. Uw zoon heeft in dit verband nog andere verklaringen afgelegd. Hij beweerde dat zijn vader het in het begin tweemaal alleen heeft geprobeerd zich te registreren. Daarna zou uw zoon samen met u en zijn partner, zonder medeweten van uw echtgenoot, nog een aantal keer hebben geprobeerd zich in te schrijven, telkens zonder succes. Ook verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken in Subotica in totaal maar op twee verschillende adressen te hebben gewoond. U stelde er 6 à 7 maanden bij een zekere Ljubo, een Serviër, te hebben gewoond. Als gevolg van problemen met politie en buren zou u vervolgens, nog steeds in 1999, naar een Roma-familie, Djemaili genaamd, in de Dragoje Jarnevic-straat in Subotica zijn verhuisd. Daar zou u hebben verbleven tot aan uw vertrek naar België in juni 2005 (DVZ-gehoorverslag vraag 41). Op het Commissariaat-generaal beweerde u plots, net als uw andere familieleden, op 3 verschillende adressen in Subotica te hebben gewoond. U zou plots maar ongeveer één à anderhalf jaar in de Dragoje Jarnevic-straat hebben gewoond (CGVS-gehoorverslag p. 4). In verband met de problemen die uw echtgenoot op de markt zou hebben gehad verklaarde u dan weer dat hij voor het laatst zware problemen had op de markt ongeveer 2 à 3 weken voor jullie vlucht en dat hij als gevolg hiervan de laatste 2 à 3 weken niet meer op de markt zou hebben gestaan (CGVS-gehoorverslag p. 9). Zowel uw echtgenoot als zoon verklaarden echter de laatste 2 maanden voor jullie komst naar België niet meer op de markt te hebben gestaan (CGVS-gehoorverslag echtgenoot p. 12, CGVS-gehoorverslag zoon p. 10). Ook verklaarde u 3 à 4 dagen voor uw vertrek naar België op straat, samen met uw kleindochter, met stenen te zijn bekogeld. U zou dit nog dezelfde avond tegen uw echtgenoot hebben verteld. Hij zou hierom de volgende dag naar de markt zijn gegaan om een smokkelaar te zoeken (CGVS-gehoorverslag p. 6-7). Uw echtgenoot zelf heeft met geen woord over dit incident gerept, integendeel: hij verklaarde dat alle leden van zijn familie de laatste 2 maanden voor jullie vertrek naar België de woning niet hebben verlaten en dus ook elk concreet probleem hebben kunnen vermijden (CGVS- gehoorverslag echtgenoot p. 14). XIV-31.029-5/15 Gelet op bovenstaande vaststellingen kan geen enkel geloof worden gehecht aan uw beweerde mislukte pogingen zich te registeren in Subotica, noch aan de andere problemen die u beweerde in deze stad te hebben gekend. De door u neergelegde documenten doen geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen. Ze dateren van begin jaren ’90 en tonen enkel uw identiteit en het feit dat u toen in Kosovo woonde aan, waar echter in bovenstaande vaststellingen niet aan werd getwijfeld. De medische documenten uit België tonen aan dat u hier een medische behandeling hebt ondergaan. In dit verband dient echter te worden gesteld dat medische problemen op zich niet ressorteren onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie van Genève. Ten slotte dient nog te worden opgemerkt dat ik in het kader van de asielaanvragen van uw zoon en zijn partner, XXX en XXX (O.V. 4.769.327) en van uw meerderjarige dochter, XXX (O.V. 5.769.309), eveneens heb besloten tot een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981:

§2.).”.

Wat de derde verzoekende partij betreft: “A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Rom-zigeunerin, geboren in Pristina, Kosovo. Tot het begin van de oorlog in Kosovo zou u met u ouders in de wijk Krusevacka in Kosovo Polje hebben gewoond. In 1999 - u weet niet meer juist wanneer - zou u samen met uw familie naar Subotica, Servië, zijn verhuisd. Daar zou u op 3 verschillende adressen hebben gewoond. Na uw aankomst in Subotica zou u tot driemaal toe hebben geprobeerd zich te registeren bij de gemeente. Omdat u uit Kosovo afkomstig bent en een moslimnaam draagt zou uw aanvraag echter keer op keer zijn afgewezen. Ongeveer 3 maanden na jullie aankomst, vanaf het moment dat jullie afkomst bekend was geraakt, zouden uw vader en broer problemen hebben gekregen. Zij zouden op straat en de markt regelmatig het slachtoffer zijn geworden van fysiek geweld. Omdat u nooit buitenkwam zou u echter elk concreet probleem hebben kunnen vermijden. Op een avond zouden twee onbekende mannen naar jullie woning zijn gekomen. Uw vader zou hen te woord hebben gestaan. U zou niet hebben gezien wat er net is gebeurd, maar nog diezelfde avond zou uw moeder u hebben verteld dat deze twee mannen ermee hadden gedreigd een bom in jullie woning te gooien. Uw vader zou vervolgens een nieuwe woonplaats hebben geregeld en de volgende dag zouden jullie zijn verhuisd naar een ander huis, dat in het bezit was van een Roma. Als gevolg van de voortdurende problemen zou uw vader uiteindelijk hebben besloten naar het buitenland te vluchten. Op 10 juni 2005 zou u samen met uw familie uit Subotica zijn vertrokken en op 15 juni 2005 zou u in België zijn aangekomen. Nog diezelfde dag hebt u hier een asielaanvraag ingediend. U bent in het bezit van een oude Joegoslavische geboorteakte, afgeleverd op 6 april 1992 in Kosovo Polje. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat er in en tussen de opeenvolgende verklaringen van u en uw ouders, XXX en XXX (O.V. 5.769.280), een aantal tegenstrijdigheden waar te nemen zijn waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas volledig wordt ondermijnd. Zo werden tegenstrijdige verklaringen afgelegd in verband met de beweerde registratiepogingen. U beweerde in totaal 3 keer tevergeefs te hebben geprobeerd u in de stad Subotica in te schrijven. Bij de eerste twee pogingen zou u met XIV-31.029-6/15 uw vader zijn meegegaan, de laatste keer zou u het zonder medeweten van uw vader hebben geprobeerd. Elke poging dateert van de periode dat u op het eerste adres woonde in Subotica (CGVS-gehoorverslag p. 5-7). Uw vader beweerde echter elke keer alleen naar de gemeente te Subotica te zijn gestapt en nooit in het gezelschap van een familielid een registratiepoging te hebben ondernomen (CGVS-gehoorverslag vader p. 6). Uw moeder dan weer verklaarde dat zij zelf twee- à driemaal heeft geprobeerd zich in te schrijven. Zij zou dit telkens hebben gedaan in het bijzijn van haar echtgenoot en kinderen (CGVS-gehoorverslag moeder p. 7). Zij stelde ook dat de laatste poging dateert van ongeveer één maand voor jullie vertrek naar België (CGVS-gehoorverslag moeder p. 8), terwijl u beweerde alle registratiepogingen te hebben ondernomen toen u op het eerste adres in Subotica woonde (CGVS-gehoorverslag p. 6). Over de belediging en bekogeling met stenen de enige keer in al die jaren dat u bent buitengekomen, ongeveer twee à drie maanden na uw aankomst in Subotica, dient te worden vastgesteld dat u hierover op de Dienst Vreemdelingenzaken met geen woord hebt gerept (DVZ-gehoorverslag vraag 41). Ook uw moeder, die erbij zou zijn geweest, heeft geen melding gemaakt van zo’n incident een paar maanden na jullie aankomst (CGVS-gehoorverslag moeder). In verband met de bedreiging van een aantal Servische burgers die naar jullie woning waren gekomen jullie huis op te blazen werden eveneens tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Zo beweerde uw vader dat deze bedreiging alleen tegen hem werd geuit, hij het nooit aan zijn familie heeft verteld en zijn familieleden er dus ook niet van op de hoogte zijn (CGVS-gehoorverslag vader p. 14-15). U verklaarde echter aanvankelijk dat uw vader het wél heeft verteld, meer bepaald onmiddellijk na het gebeurde aan uw moeder, die het op haar beurt aan u zou hebben doorverteld (CGVS-gehoorverslag p. 10). Na confrontatie met de verklaringen van uw vader in dit verband stelde u plots dat u het pas de dag na het gebeurde, toen u als gevolg van het incident al naar een ander adres was verhuisd (CGVS-gehoorverslag p. 10), hebt vernomen. In dit verband kan nog worden opgemerkt dat u op de Dienst Vreemdelingenzaken hebt verklaard van het tweede naar het derde adres te zijn verhuisd enkel en alleen omdat de eigenaar van de derde woning een Roma was. Van een dreiging jullie huis op te blazen is nergens sprake (DVZ-gehoorverslag vraag 41). Voor het overige dient te worden vastgesteld dat u zich baseert op de eveneens door uw ouders, XXX en XXX, aangehaalde asielmotieven. Aangezien ik in hoofde van deze laatste heb besloten tot een bevestigende beslissing van weigering van verblijf op basis van ernstig bedrieglijke verklaringen, dringt zich voor u een zelfde beslissing op. De door u neergelegde geboorteakte doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen. Ze dateert van begin jaren ’90 en toont enkel uw identiteit en het feit dat u toen in Kosovo woonde aan, waar echter in bovenstaande vaststellingen niet aan werd getwijfeld. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat ik ook in het kader van de asielaanvragen van uw broer en zijn partner, XXX en XXX (O.V. 5.769.327), eveneens heb besloten tot een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981:

§2.).”.

Wat de vierde verzoekende partij betreft: “A. Vluchtrelaas XIV-31.029-7/15 Volgens uw verklaringen bent u een Rom-zigeuner, geboren in Pristina, Kosovo. U zou tot uw vlucht uit Kosovo in 1999 jarenlang in Kosovo Polje hebben gewoond. In maart 1999 zou u samen met uw ouders, XXX en XXX (O.V. 5.769.280), en 3 van uw zussen gedwongen zijn jullie woning in Kosovo te ontvluchten en zou u naar Subotica, Servië zijn verhuisd. Daar zouden jullie op 3 verschillende adressen hebben gewoond. U zou er tevens uw huidige partner hebben ontmoet. U en uw familieleden zouden in Subotica een aantal keren hebben geprobeerd jullie in de gemeente te laten registreren, echter steeds tevergeefs. U zou telkens te horen hebben gekregen dat jullie bepaalde documenten in Kosovo moesten gaan afhalen. Uw vader zou echter niet hebben gedurfd naar Kosovo te gaan. Ongeveer 3 maanden na uw aankomst in Subotica zou u op de markt, waar u samen met uw vader goederen verkocht, voor het eerst problemen hebben gekregen. De autoriteiten waren er immers van op de hoogte geraakt dat u uit Kosovo afkomstig bent. Een aantal dagen nadat uw afkomst bekend was geraakt zou u opnieuw door controleurs op de markt zijn benaderd. Deze keer zouden ze de politie er hebben bijgeroepen. U zou samen met uw vader naar het politiebureau zijn gebracht, waar u van hem zou zijn gescheiden. U zou 4 à 5 uur zijn vastgehouden en tijdens uw detentie zou u zijn duidelijk gemaakt dat u niet het recht had op de markt te verkopen. Na dit incident zou u minder frequent met uw vader op de markt hebben gestaan. Toen u ging, zou u wel nog zeer regelmatig verbaal zijn beledigd door de Servische marktkramers. Ongeveer 5 maanden voor uw vertrek naar België in juni 2005 zou u in de stad zijn aangevallen door een aantal Servische jongeren. Daarbij zou u verwondingen aan de lip hebben opgelopen. Ook zouden op een avond een aantal onbekende Serviërs naar uw woning zijn gekomen en met uw vader hebben gediscussieerd. Later zou u van uw vader hebben vernomen dat deze mannen ermee gedreigd hadden uw woning op te blazen. De dag na de dreiging uw woning op te blazen, zou uw samen met uw familie naar een ander adres zijn verhuisd. Ditmaal zou u in een woning hebben gewoond van een vriend van uw vader, ook een Roma. Ongeveer 2 maanden voor uw vertrek uit Servië zou u na afloop van de marktdag samen met uw vader iets zijn gaan drinken in een café. Onmiddellijk nadat u iets besteld had, zouden een aantal Serviërs u en uw vader duidelijk hebben gemaakt dat jullie daar niet welkom waren en zouden ze jullie met geweld hebben buitengezet. Na dit incident zouden jullie het niet meer hebben aangedurfd nog op de markt te staan. Omdat de problemen nooit zouden ophouden besloot uw vader uiteindelijk dat jullie Servië zouden verlaten. Op 10 juni 2005 zou u samen met uw familie, uw partner en uw twee minderjarige kinderen uit Subotica zijn vertrokken en op 15 juni 2005 zou u in België zijn aangekomen. Nog diezelfde dag hebt u hier een asielaanvraag ingediend. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat er in en tussen de opeenvolgende verklaringen van u en uw ouders, XXX en XXX (O.V. 5.769.280), een aantal tegenstrijdigheden waar te nemen zijn waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas volledig wordt ondermijnd. Zo werden uiterst tegenstrijdige verklaringen afgelegd in verband met de beweerde registratiepogingen. Uw vader beweerde in totaal 3 of 4 keer tevergeefs te hebben geprobeerd jullie in de stad Subotica in te schrijven. Hij zou elke keer alleen naar de gemeente zijn gegaan, uw moeder zou nooit zijn meegegaan (CGVS- gehoorverslag vader p. 6). De laatste poging dateert volgens uw vader van ongeveer 2 jaar voor jullie vlucht naar België (CGVS-gehoorverslag vader p. 16). Uw moeder daarentegen beweerde dat zij zelf 2 à 3 maal heeft geprobeerd zich in te schrijven. Zij zou dit telkens hebben gedaan in het bijzijn van uw vader en de kinderen (CGVS- gehoorverslag moeder p. 7). Zij stelde ook dat de laatste poging dateert van ongeveer één maand voor jullie vertrek naar België (CGVS-gehoorverslag moeder p. 8). U hebt in dit verband nog andere verklaringen afgelegd. U beweerde dat uw vader in het begin tweemaal alleen heeft geprobeerd jullie in te schrijven. Daarna zou u samen met uw moeder en uw partner, zonder medeweten van uw vader, nog een aantal keer hebben geprobeerd zich te registreren, telkens zonder succes (CGVS-gehoorverslag p. 6). Uw partner dan weer verklaarde, in tegenstelling tot uw beweringen, nooit naar de gemeente te zijn gegaan met het doel zich te laten registreren (CGVS-gehoorverslag partner p. 8). Ook over de problemen die u samen met uw vader op de markt zou hebben gehad werden ernstig tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Zo verklaarde uw vader dat de eerste keer dat hij door de politie werd mishandeld op de markt, ongeveer 3 maanden na jullie aankomst in Subotica, dit is gebeurd in uw bijzijn en dat u toen ook werd geslagen door de politieagenten (CGVS-gehoorverslag vader p. 8-10). U verklaarde XIV-31.029-8/15 daarentegen zelf bij uw eerste concrete problemen met de politie samen met uw vader naar het politiebureau te zijn meegenomen. Daar zou u van uw vader zijn gescheiden. Zelf zou u toen niet zijn mishandeld en u bent niet zeker of de politie toen fysiek geweld tegen uw vader heeft gebruikt (CGVS-gehoorverslag p. 8-9). Ook over het incident ongeveer 2 maanden voor uw vertrek naar België dat aan de basis lag van de beslissing niet langer goederen op de markt te verkopen en een smokkelaar te zoeken, werden fundamentele tegenstrijdigheden afgelegd. Uw vader stelde dat hij toen samen met u ’s morgens vroeg op de markt werd opgepakt en naar het politiebureau werd overgebracht. Hij zou er zijn mishandeld en een hele dag, meer bepaald tot 19 uur ’s avonds, samen met u zijn vastgehouden (CGVS-gehoorverslag vader p. 10-11). Uw verklaringen i.v.m. het incident ongeveer 2 maanden voor jullie komst naar België dat heeft geleid tot de beslissing niet meer op de markt te staan en het land te ontvluchten, zijn van volledig andere aard. U stelde dat u toen samen met uw vader op een gewelddadige wijze door een aantal Servische burgers uit een café bent verwijderd (CGVS-gehoorverslag p. 11). Van een arrestatie en mishandeling door de politie toen is bij u geen sprake. Op de concrete vraag of u na de eerste arrestatie door de Servische politie ongeveer 3 maanden na jullie aankomst in Subotica in 1999 nog werd opgepakt door de politie en een aantal uren werd vastgehouden, antwoordde u ontkennend (CGVS-gehoorverslag p. 12). Geconfronteerd met de verklaringen van uw vader hieromtrent stelde u simpelweg het niet te weten (CGVS-gehoorverslag p. 12-13). Gelet op bovenstaande vaststellingen kan geen enkel geloof worden gehecht aan uw beweerde mislukte pogingen zich te registeren in Subotica, noch aan de andere problemen die u beweerde in deze stad te hebben gekend. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat ik ook in het kader van de asielaanvragen van uw ouders, XXX en XXX (O.V. 5.769.280) en uw meerderjarige zus, XXX (O.V. 5.769.309), op dezelfde gronden heb besloten tot een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981:

§2.).”.

Wat de vijfde verzoekende partij betreft: “A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Rom-zigeunerin, afkomstig uit Pejë, Kosovo. U zou samen met uw ouders in Pejë zijn blijven wonen tot

  1. Toen zou u met hen naar Subotica, Servië zijn gevlucht, waar u een aantal maanden in een vluchtelingenkamp zou hebben gewoond. Enige tijd later zou u uw huidige partner op de markt van Subotica hebben ontmoet. Er zou een traditionele huwelijk zijn geregeld, waarna uw ouders Subotica zouden hebben verlaten. U zou bij uw partner zijn gebleven en hebt geen idee naar waar uw ouders zijn vertrokken of waar ze nu verblijven. Na uw traditionele huwelijk zou u bij uw partner en zijn familie zijn ingetrokken. In de daaropvolgende jaren zou u steeds binnenshuis hebben verbleven. Uw partner en zijn vader zouden als marktkramers hebben gewerkt en zouden toen veel problemen hebben gehad. Uw partner zou u echter nooit hebben verteld wat er net was gebeurd. De familie van uw partner zou ook meermaals geprobeerd hebben zich in Subotica te laten registreren, echter steeds zonder succes. Als gevolg van de problemen die ze hadden zouden ze uiteindelijk hebben besloten om Subotica te ontvluchten. Op 10 juni 2005 zou u allen uit Subotica zijn vertrokken en op 15 juni 2005 zou u in België zijn aangekomen. Nog diezelfde dag hebt u hier een asielaanvraag ingediend. U bent in het XIV-31.029-9/15 bezit van een geboorteakte, uitgereikt door UNMIK (United Nations Interim Administrative Mission in Kosovo) te Pejë op 23 oktober
  2. B. Motivering Er dient te worden gesteld dat er tussen uw verklaringen en die van uw partner een tegenstrijdigheid waar te nemen is die de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ondermijnt. U verklaarde persoonlijk nooit naar de gemeente Subotica te zijn gegaan om u proberen te registeren. U stelde dat enkel uw partner en zijn vader dit een aantal keren hebben geprobeerd (CGVS-gehoorverslag p. 8). U voegde toe in Subotica nooit te zijn buitengekomen en stelde dat u voor de kinderen moest zorgen (CGVS- gehoorverslag p. 8). Uw partner zelf daarentegen beweerde dat u wel enkele malen met hem bent meegegaan (CGVS-gehoorverslag echtgenoot p. 6). Voor het overige dient te worden vastgesteld dat u in Subotica geen enkel persoonlijk probleem hebt gekend en u zich volledig baseert op de eveneens door uw partner, XXX, aangehaalde asielmotieven. Aangezien ik in hoofde van deze laatste heb besloten tot een bevestigende beslissing van weigering van verblijf op basis van ernstig bedrieglijke verklaringen, dringt zich voor u eenzelfde beslissing op. De door u neergelegde UNMIK-geboorteakte doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststelling. Ze toont enkel uw identiteit en afkomst uit Kosovo aan en bovendien hebt u er tegenstrijdige verklaringen over afgelegd. Aanvankelijk stelde u op het Commissariaat-generaal dit document persoonlijk, samen met uw ouders, bij UNMIK te hebben afgehaald (CGVS-gehoorverslag p. 6). Na confrontatie met het gegeven dat de datum van afgifte vermeld op het document in tegenspraak is met de door u opgegeven chronologie (datum van afgifte: 23 oktober 2003, terwijl u al sinds 2001 in Subotica, Servië zou hebben gewoond) paste u plots uw verklaringen aan. U verklaarde dan dat uw ooms in Kosovo het zouden hebben opgestuurd (CGVS-gehoorverslag p. 7). Ten slotte dient nog te worden opgemerkt dat ik ook in het kader van de asielaanvragen van de ouders van uw partner, XXX en XXX (O.V. 5.769.280) en zijn zus, XXX (O.V. 5.769.309), heb besloten tot een bevestigende beslissing van weigering van verblijf. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981:

§2.).”.

XIV-31.029-10/15

  1. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  2. Overwegende dat de verzoekende partijen als eerste middel aanvoeren: “
  3. Schending van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en van artikel 52 §
  4. 2/ van de wet van 15.12.1980, en van het begrip « Vluchteling » in de zin van artikel
  5. A

(2)van de Vluchtelingenconventie. Bij arrest nr. 46086 van 08.02.1994 heeft de Raad van State zich bevoegd geacht om het bestaan en het afdoend karakter van de redenen te onderzoeken, die een aanvraag tot politiek asiel steunen. Eerst en vooral dient gesteld te worden dat de door de tegenpartij genomen nota's op een onvoorstelbaar onzorgvuldige wijze genomen werden, daar ze voor het grotendeels met de beste wil onleesbaar zijn. Ze kunnen dan ook niet door de Raad van State op een efficiënte wijze gecontroleerd worden en dienen aldus uit de debatten geweerd te worden. Deze nota's geven op zijn minst blijk van misprijzen tegenover één ieder die ze moet onderzoeken. Tegenpartij meent tegenstrijdigheden tussen verzoekers verklaringen te moeten aanhalen op basis van haast onleesbare met de hand geschreven nota's, die zodanig onleesbaar zijn dat zij verzoekers niet redelijk toelaten hierop in te gaan en deze tegenstrijdigheden tegen te spreken en te verduidelijken. Verzoekers menen dan ook dat tegenpartij niet op voldoende duidelijke wijze deze beweerde tegenstrijdigheden heeft bewezen naar voldoening van recht. Immers luidens een niet tegengesproken rechtspraak van de Raad van State kan het kennelijk ongegrond karakter van een asielaanvraag slechts onderzocht worden door het verifiëren of de verklaringen van verzoekers tijdens hun verhoor op het CGVS wel degelijk de inhoud heeft die de aangavochten beslissingen aan hun verklaringen toewijzen, en dat het onleesbaar karakter van de nota's genomen tijdens het verhoor, de Raad van State niet toelaat om dit na te gaan, waaruit besloten wordt dat de wettigheid van de aangevochten beslissingen niet bewezen wordt (Arrest n/601.735 dd 11.12.01, zaak n/A.97.015/X1-11200, inzake FAZLIU/CGVS). Zie rechtspraak in dezelfde zin: NZUZI NZEZANI, n/ 46.945 du 20 avril 1994; MAHDI FAYALA, n/ 47.879 du 10 juin 1994; TUTU Constance, n/ 48.769 du 24 août 1994; KANGA LUPINI, n/ 50.738 du 15 décembre 1994; NZEZA MASANGI, n/ 53.177 du 9 mai 1995; MAFUNGA LUNGA, n./ 57.270 du 22 décembre 1995; OMORODION AISAGBON BUOMWAN, n/ 57.414 du 8 janvier 1996; PERREIRA DA SILVA Alvaro, n/ 58.150 du 15 février 1996; RATSHI DIANSI, n/ 62.477 du 9 octobre 1996, Konadu Janet, n/ 82,113 du 19 août 1999. In ondergeschikte orde, moest de Raad van State van mening zijn dat de nota's genomen tijdens het verhoor van verzoekers op het CGVS niet onleesbaar zijn, stellen verzoekers dat wat hen betreft zij deze nota's grotendeels niet kunnen lezen, en vragen dan ook dat tegenpartij aangemaand wordt deze nota's opnieuw te schrijven, om aldus verzoekers bij machte te stellen zich daadwerkelijk te kunnen verantwoorden aangaande de beweerde tegenstrijdigheden tussen hun eigen verklaringen. Wat de grond zelf van de zaak betreft steunt de C.G.V.S. zijn weigering echter ten onrechte op het feit dat betrokkenen tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Deze tegenstrijdige verklaringen hebben verband met de omstandigheden van de registratiepogingen in de stad Subotica, met de niet vermelding tijdens het gehoorverslag op de DVZ van incidenten (belediging, bedreigingen en bekogeling) na hun aankomst in Subotica, en met de problemen met de politie op de markt en op het politiebureau te Subotica. Op te merken valt dat uit de analyse van de weerhouden tegenstrijdigheden blijkt dat zij misschien niet de essentie van het asielrelaas van verzoekers betreffen, dat door de Commissaris Generaal in onvoldoende mate werd getoetst o.m. aan de criteria van art.1, A
(2), van de Conventie van Genève, zodat hij in alle redelijkheid niet kon besluiten, op basis van de door hem weerhouden tegenstrijdigheden, tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van verzoekers. Volgens de Gids der Procedures en Criteria toe te passen voor de bepaling van het Statuut van Vluchtelingen uitgegeven te Genève in september 1979 door het Hoog Commissariaat voor Vluchtelingen der Verenigde Naties (nr.198 en 199) dient men XIV-31.029-11/15 rekening te houden met de subjectiviteit en psychologisch profiel van een asielzoeker die redenen kan hebben om wantrouwen te hebben jegens een overheid. Valse verklaringen zijn op zichzelf niet noodzakelijkerwijze een reden om een asielaanvraag te weigeren, en het behoort aan de onderzoeker om zulke valse verklaringen te schatten aan het licht van verschillende persoonlijke omstandigheden in casu. Zulks is in casu niet gebeurd. Tegenpartij kon derhalve de aanvraag van verzoekers in de ontvankelijkheidfase niet als kennelijk ongegrond afwijzen, zodat de procedure derhalve moet worden voortgezet overeenkomstig de artikelen 21 tot 25 van het Koninklijk Besluit. Onafgezien van deze theoretische analyse, blijft niettemin onbetwist dat verzoekers weldegelijk etnische Roma's zijn afkomstig uit Kosovo. Om de vrees van vervolging van asielzoekers te onderzoeken, behoort het de overheid al de omstandigheden in acht te nemen, die bestaan op het ogenblik van het nemen van diens beslissingen terzake. Dienaangaande kan bezwaarlijk betwist worden dat ten tijde van de door tegenpartij genomen beslissing in september 2005 de toestand van de leden van de Roma gemeenschap in Kosovo nog steeds zorgwekkend was en nog steeds is in die mate dat de Verenigde Naties (UNMIK) weigeren over te gaan tot de overname van de uitgeprocedeerde Roma's in Kosovo (zie brief 21/12/04 DVZ aan arbeidsauditoraat te Antwerpen inzake MAZREKU Hasan). Verzoekers verwijzen naar een omstandig omschreven verslag dd 03/12/04 door OCIV, eveneens in bijlage, en gekend door tegenpartij, betreffende de toestand van de Roma in Kosovo waaruit de volgende punten blijken : - De UNHCR is van mening dat Roma uit Kosovo nog steeds internationale bescherming nodig hebben. - Een binnenlands vlucht - of vestigingsalternatief in Servië of Monténégro acht d e UNHCR in de meeste gevallen geen goede oplossing. Roma zullen elders in Servië of Monténégro niet legaal kunnen integreren en de kwaliteit van het leven zal niet kunnen voldoen aan de basisnormen voor een menswaardig leven. De toepassing van een binnenlandse vlucht - of vestigingalternatief in Servië of Monténégro leidt hoogstwaarschijnlijk tot verdere ontheemding. - De UNHCR is van mening dat gedwongen terugkeer naar Servië of Monténégro op basis van het binnenlandse vlucht - of vestigingsalternatief een schending is van Resolutie 1244 van de VN - Veiligheidraad. Deze resolutie refereert aan het veilig en ongehinderd terugkeren van alle vluchtelingen en ontheemden naar hun huizen in Kosovo. - De toekomst van de minderheden in Kosovo heeft er nog nooit zo somber uitgezien. (...) Op diverse plaatsen sloten de NAVO - vredestroepen de poorten van hun bases en keken toe terwijl de Servische huizen in brand stonden. Om zijn beslissing anno 2005 te nemen, kan tegenpartij bezwaarlijk schuilen achter voorbij geschreden omstandigheden, nu er geen vestiging alternatief bestaat voor Roma's in Servië-Monténégro. Hieruit blijkt dus heel duidelijk dat de toestand in het regio van herkomst van verzoekers nog steeds ernstig onrustwekkend is jegens de Roma's. Bijgevolg, zowel gelet op de individuele verklaringen van verzoekers als op de algemene internationale bronnen, zijn er wel elementen voorhanden die erop aanduiden dat zij ernstige aanwijzingen hebben aangebracht van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1A
(2)van de Vluchtelingenconventie. In casu hebben verzoekers op voldoende wijze aanneembaar gemaakt dat, wat hen betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A, van de Conventie van Genève, zodat hun asielaanvraag niet kennelijk ongegrond mocht verklaard worden, waarvan de motieven wel met de criteria van de Conventie van Genève overeenstemmen. Het middel blijkt aldus gegrond te zijn.”; XIV-31.029-12/15 2.1.
  1. Overwegende dat het zorgvuldigheidsbeginsel voor de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de plicht inhoudt om zijn beslissing zorgvuldig voor te bereiden en ze te steunen op een correcte feitenvinding; dat hij zich dient te informeren over alle relevante elementen om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen; dat uit het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal zijn beslissingen heeft voorbereid door verzoekers te horen en door hen de gelegenheid te bieden alle nuttige stukken in te dienen; dat uit de bestreden beslissingen blijkt dat, om tot de conclusie van bedrieglijkheid en kennelijke ongegrondheid te komen, de Commissaris- generaal zich gebaseerd heeft op de elementen uit het administratief dossier; dat hieruit volgt dat de Commissaris-generaal heeft gehandeld in overeenstemming met het zorgvuldigheidsbeginsel; dat voor zover verzoekers stellen dat de nota’s door de Commissaris-generaal op onzorgvuldige wijze genomen werden daar ze grotendeels onleesbaar zijn en zij derhalve uit de debatten moeten worden geweerd, dient vastgesteld dat deze nota’s met enige inspanning genoegzaam leesbaar zijn; dat bovendien in de bestreden beslissingen de vastgestelde tegenstrijdigheden nauwkeurig vermeld worden met telkens de verwijzing naar de exacte vindplaats in de gehoorverslagen; dat verzoekers derhalve in de mogelijkheid waren hun verklaringen in de gehoorverslagen terug te vinden en er, indien zij dat nodig vonden, concreet op in te gaan; dat verzoekers niet kunnen worden gevolgd waar zij in hun memorie van wederantwoord menen dat de Commissaris- generaal toegeeft dat de gehoorverslagen onleesbaar zijn; dat er immers een essentieel onderscheid is tussen nota’s die onleesbaar zijn en nota’s die “met enige moeite” kunnen worden gelezen, zodat van een beweerde toegeving geenszins sprake kan zijn; dat voor zover verzoekers in ondergeschikte orde vragen dat de Commissaris-generaal wordt aangemaand de nota’s opnieuw te schrijven, daargelaten de vaststelling dat zulks niet noodzakelijk blijkt, de Raad van State niet bevoegd is om het herschrijven van de gehoorverslagen van het Commissariaat-generaal te bevelen; dat voorts de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid heeft om een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria waaronder de kennelijke ongegrondheid en/of de bedrieglijkheid; dat uit de motivering van de bestreden beslissingen blijkt dat de asielaanvragen van eerste, tweede en vierde verzoekende partij onontvankelijk zijn omdat ze bedrieglijk werden bevonden; dat dit besluit inzonderheid steunt op de uitvoerig met voorbeelden toegelichte vaststelling dat verschillende tegenstrijdigheden zijn waar te nemen in de opeenvolgende verklaringen die zij hebben afgelegd; dat de asielaanvragen van derde en vijfde verzoekende partij bovendien kennelijk ongegrond werden bevonden omdat zij zich volledig baseren op de door de ouders respectievelijk schoonouders en partner aangehaalde asielmotieven; dat de verzoekende partijen zich beperken tot het minimaliseren van de tegenstrijdigheden zonder ze concreet te weerleggen of de kennelijke onredelijkheid ervan aan te tonen; dat voor zover verzoekers de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvragen van de derde en vijfde verzoekende partij betwisten, er op dient gewezen dat de onontvankelijkheid van een asielaanvraag wordt vastgesteld wanneer de ouders of de echtgenoot van een kandidaat-vluchteling op wiens asielrelaas deze XIV-31.029-13/15 zijn asielaanvraag baseert, geen gegevens aanbrengen dat er, wat hen betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen bij de Verenigde Naties geen juridisch bindend karakter heeft, maar slechts dient als aanbeveling en dat verzoekers er derhalve niet op kunnen steunen om tot de onwettigheid van de bestreden beslissingen te besluiten; dat bovendien nergens uit het administratief dossier blijkt dat er redenen zijn om aan te nemen dat verzoekers niet in staat zouden zijn om de door hen beleefde feiten waarheidsgetrouw weer te geven omwille van “verschillende persoonlijke omstandigheden”; dat verzoekers zich tenslotte beperken tot een algemene verwijzing naar een omstandig omschreven verslag betreffende de toestand van de Roma in Kosovo van 3 december 2004 door het OCIV, maar zij nalaten in concreto te verduidelijken op welke wijze dit verslag toepasselijk zou zijn op hun eigen, persoonlijke situatie; dat het eerste middel in de mate het ontvankelijk is ongegrond is; 2.2.
  2. Overwegende dat de verzoekende partijen als tweede middel aanvoeren: “
  3. Schending van artikel 62 van de wet van 15.12.1980 en van artikel 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Volgens bovenvermeld artikel 62 moeten de bestuurshandelingen gemotiveerd zijn, en luidens artikel 3 van bovenvermelde wet : "De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moeten afdoende zijn." Inderdaad, volgens een algemeen geldend rechtsbeginsel, moet een administratieve beslissing steeds de rechtens vereiste feitelijke grondslag hebben, en het bestaan van die grondslag moet kunnen bewezen worden in geval van betwisting aan de hand van stukken die de overheid, wanneer ze haar beslissing nam, bij haar oordeel kunnen betrekken. De aangevochten beslissingen van de C.G.V.S. sluiten de actuele gegevens en elementen uit van vrees voor vervolgingen op niet aanneembare motivaties. Immers, de CGVS rept met geen woord zonder enige reden over de actueel ernstige en dramatische toestand jegens de Roma's bevolking in Kosovo zoals nochtans uitvoerig beschreven in de internationale bronnen van informatie die door tegenpartij toch wel bekend is. Tenslotte, het verwijzen naar een voorwendsel van tegenstrijdige verklaringen zonder evaluatie van de persoonlijke omstandigheden van verzoekers is een niet deugdelijke motivatie. Bijgevolg zijn de aangevochten beslissingen niet deugdelijk gemotiveerd.”; 2.2.
  4. Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat de Commissaris-generaal met geen woord rept over de actueel ernstige en dramatische toestand voor de Roma- bevolking in Kosovo; dat de Commissaris-generaal niet alle elementen die door een kandidaat-vluchteling worden aangebracht, dient te beantwoorden; dat het volstaat dat uitdrukkelijk wordt gemotiveerd waarom de asielaanvraag onontvankelijk wordt verklaard; dat bovendien niet nader dient te worden ingegaan op de toestand in het land van herkomst wanneer geen geloof kan worden gehecht aan het aangevoerde feitenrelaas; dat het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: XIV-31.029-14/15 Artikel
  5. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 875 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een vijfde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien november tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, B. TETTELIN, griffier. De griffier, De voorzitter, B. TETTELIN. A. BEIRLAEN. XIV-31.029-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.978 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.