← België

Arrest 197981 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.981 Rolnummer: A. 190227/XIV-30683 Zaak: Arrest 197981 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-23 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:52 Fiche Arrest nr 197.981 van 18 november 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 197.981 van 18 november 2009 in de zaak A. 190.227/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. MICHOLT, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Maria van Bourgondiëlaan 7, bus B tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Migratie- en asielbeleid, thans de Staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 4 november 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 17.231 van 15 oktober 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3593 van 21 november 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 15 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 september 2009; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.683-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. BUYSSE die, loco Advocaat S. MICHOLT verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat M. JOPPEN die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. Verzoeker dient op 7 december 2007 een asielverzoek in. 1.
  4. Er wordt door middel van een controle van de vingerafdrukken, vastgesteld dat verzoeker reeds gekend was in Griekenland. De gemachtigde van de Minister van Migratie- en asielbeleid verzoekt de Griekse autoriteiten op basis van de verordening 343/2003/EG van de Raad van 18 februari 2003 om de overname van verzoeker. De Griekse autoriteiten willigen dit verzoek in en bevestigen op 16 september 2008 dat verzoeker in de mogelijkheid zal gesteld worden om bij zijn aankomst in Griekenland een asielverzoek in te dienen indien hij dit zou wensen. 1.
  5. Op 13 oktober 2008 wordt ten aanzien van verzoeker een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten genomen. Deze beslissing, die verzoeker dezelfde dag ter kennis wordt gebracht, luidt als volgt : “(...) BESLISSING TOT WEIGERING VAN VERBLIJF MET BEVEL OM HET GRONDGEBIED TE VERLATEN In uitvoering van artikel 71/3, § 3, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd door het koninklijk besluit van 11 december 1996 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 april 2007, wordt het verblijf in het Rijk geweigerd. (...) REDEN VAN DE BESLISSING : België is niet verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag die aan de Griekse autoriteiten toekomt, met toepassing van art. 51/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de XIV-30.683-2/9 verwijdering van vreemdelingen en van art.18§7 van de Europese Verordening (EG) 343/
  6. Betrokkene heeft op illegale wijze de grens overschreden met Griekenland, zonder in het bezit te zijn van de daartoe vereiste documenten, en de Griekse overheid heeft op datum van 16/09/2008 ingestemd met de vraag tot overname van bovengenoemde persoon. Uit het Eurodacverslag van 11/12/2007 blijkt dat betrokkene op 07/10/2007 via illegale binnenkomst in Griekenland werd tegengehouden. Op 15/04/2008 werd een overname- verzoek op basis van art. 10§1 van de Dublin Verordening aan de Griekse autoriteiten verstuurd. Op 15/06/2008 hebben de Belgische autoriteiten nog geen antwoord van Griekenland ontvangen. Als gevolg hiervan en op basis van art. 18§7 van de Dublin Verordening wordt Griekenland de verantwoordelijke staat en dient Griekenland over te gaan tot overname van bovengenoemde persoon. Op 16/09/2008 heeft Griekenland zijn uitdrukkelijk akkoord gegeven tot overname van bovengenoemd persoon. De Griekse autoriteiten bevestigen echter uitdrukkelijk dat betrokkene een asielaan- vraag kan indienen bij zijn terugkeer in Griekenland. Griekenland heeft de Conventie van Genève dd. 28/07/1951 ondertekend en neemt net als België een beslissing over een asielaanvraag op basis van deze Conventie en beslist op eenzelfde objectieve manier over de aangebrachte gegevens in een asielverzoek. Bovendien geeft betrokkene geen enkele informatie over een niet correcte of onmenselijke behandeling door de Griekse autoriteiten. Betrokkene kan dus niet aannemelijk maken dat er een reëel risico bestaat dat Griekenland hem zal repatriëren en dat hij als dusdanig zal blootgesteld worden aan een behandeling die strijdig is met art. 3 EVRM. De Griekse autoriteiten zullen bovendien tenminste vijf werkdagen vooraf in kennis gesteld worden van de overdracht van betrokkene, zodat aangepaste opvang kan voorzien worden. Betrokkene verklaarde in november 2007 Afghanistan te hebben verlaten en met de hulp van smokkelaars via Iran en Turkije naar Griekenland te zijn gereisd. In Griekenland werd hij opgepakt en werden op 07/10/2007 zijn vingerafdrukken genomen. Betrokkene verklaart dat hij er enkele dagen in een gesloten centrum werd opgesloten en dat hij na zijn vrijlating naar België is gereisd waar hij op 07/12/2007 asiel vroeg op de Dienst Vreemdelingenzaken. Betrokkene heeft geen specifieke elementen aangehaald waarom zijn asielaanvraag in België behandeld zou moeten worden. Betrokkene verklaart geen familie te hebben in België of elders in Europa. Betrokkene verklaart ook geen uitgesproken gezondheidsproblemen te hebben. Hij zou wel chronische rugpijn hebben en gezichtsproblemen hebben maar er zijn geen aanwijzingen dat deze betrokkene verhinderen om te reizen. Er is derhalve geen concrete basis om de asielaanvraag van betrokkene in België te behandelen op grond van art. 3§2 of art. 15 van de Verordening. Bijgevolg moet betrokkene het grondgebied van het Rijk verlaten en zal hij overgedra- gen worden aan de bevoegde Griekse autoriteiten. (...).”. 1.
  7. Op 14 oktober 2008 wordt bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een vordering ingediend tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van deze beslissing. 1.
  8. Deze vordering wordt behandeld op de terechtzitting van 15 oktober
  9. XIV-30.683-3/9 1.
  10. Dezelfde dag neemt de wnd. voorzitter van de IIde Kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Dit arrest rust op volgende redengeving : “(...) Overeenkomstig artikel 39/82, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten indien de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Deze bepaling dient zo te worden geïnterpreteerd dat verzoeker zich niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar integendeel zeer concrete gegevens moet aanvoeren waaruit blijkt dat hij persoonlijk een moeilijk te herstellen nadeel ondergaat of kan ondergaan (RvS 26 oktober 2001, nr. 100.400). Het moet voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen immers mogelijk zijn om met voldoende precisie in te schatten of er al dan niet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voorhanden is en het moet voor verweerder mogelijk zijn om zich tegen de door verzoeker aangehaalde feiten en argumenten te verdedigen. Verzoeker dient gegevens aan te voeren die enerzijds wijzen op de ernst van het nadeel dat hij ondergaat of kan ondergaan, hetgeen concreet betekent dat hij aanduidingen moet geven omtrent de aard en de omvang van het te verwachten nadeel, en die anderzijds wijzen op de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel. Het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is een afzonderlijke voorwaarde, die ook afzonderlijk dient te worden beoordeeld (RvS 12 juni 2002, nr. 107.797). Artikel 32 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt dat het verzoek- schrift een uiteenzetting van de feiten dient te bevatten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel tot gevolg kan hebben. Het volstaat derhalve niet om slechts te verwijzen naar de aangevoerde middelen. Verzoeker voert in eerste instantie aan dat niet vaststaat dat de Griekse autoriteiten zijn asielaanvraag ernstig zullen behandelen. Hij verwijst hierbij naar de feitelijke situatie in Griekenland en de rapporten die over dit land werden opgesteld. Ter terechtzitting wordt, onder verwijzing naar een bericht van een groep advocaten, benadrukt dat de vreemdelingendienst in Athene reeds vijfentwintig dagen gesloten is en geen nieuwe asielaanvragen aanvaardt, waardoor personen uit de regio Athene geen onmiddellijke toegang hebben tot de asielprocedure. Er dient evenwel te worden vastgesteld dat uit het administratief dossier blijkt dat de bevoegde Griekse overheidsdienst schriftelijk bevestigde dat aan verzoeker de mogelijkheid zal geboden worden om een asielverzoek in te dienen bij zijn aankomst in Griekenland (cfr. “Please note that this person will be able to submit an asylum application upon the arrival to our country, if he/she wish to do so”). Het gegeven dat verzoeker beweert dat asielzoekers uit de regio Athene momenteel geen toegang hebben tot de asielprocedure, daar de vreemdelingendienst om niet nader toegelichte redenen tijdelijk gesloten zou zijn, doet geen afbreuk aan het feit dat er wat betreft verzoeker wel een uitdrukkelijke belofte is dat hij een aanvraag zal kunnen indienen, die conform de bepalingen van de Conventie van Genève zal dienen behandeld te worden nu Griekenland dit verdrag ondertekend heeft. Verzoeker kan dan ook niet gevolgd worden in zijn stelling dat de behandeling van zijn asielaanvraag in Griekenland niet gegarandeerd is. XIV-30.683-4/9 Verzoeker geeft verder een theoretische uiteenzetting over het begrip “moeilijk te herstellen ernstig nadeel”. Hij stelt dat de toets van het moeilijk te herstellen nadeel betrekking heeft op de gevolgen van de bestreden beslissing en niet op de oorzaken van deze beslissing. Hij betoogt dat indien een vreemdeling door zijn niet-foutief gedrag een bepaalde beslissing in de hand werkt dit op zich niet kan impliceren dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel afwezig zou zijn en dat om zijn al dan niet foutief gedrag te analyseren het criterium van de goede huisvader dient gehanteerd te worden en hem op dat vlak niets te verwijten valt. Ook geeft hij aan dat hij in zijn middelen de schending van middelen die de openbare orde raken heeft aangevoerd, daar hij heeft verwezen naar een mogelijke schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (hierna: het EVRM) en dat het strijdig is met het karakter van de openbare orde van dit grondrecht dat hij van de bescherming van dit grondrecht afstand zou kunnen doen door middel van een niet-foutief gedrag. Hij besluit dat het gegeven dat hij via Griekenland de Europese Unie is binnengekomen niet de rechtstreekse oorzaak is van de bestreden beslissing. Door slechts het begrip moeilijk te herstellen ernstig nadeel te definiëren en te duiden in welke gevallen niet kan besloten worden tot de afwezigheid van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel toont verzoeker, los van de vraag naar de correctheid van zijn uiteenzetting, niet aan dat tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing in casu aanleiding geeft tot een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Door toe te lichten dat hij het bestuur allerhande inlichtingen verstrekt heeft, door aan te geven dat hij eigenlijk naar Duitsland wilde reizen en door te stellen dat hij het Griekse grondgebied nooit betreden heeft - bewering die trouwens manifest in strijd is met de verklaringen die verzoeker eerder aflegde - toont hij evenmin enig moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan. Ook de verwijzing naar arresten van de Raad, waarbij de feitelijke omstandigheden verschillend waren dan deze in huidige zaak, laat niet toe vast te stellen dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel tot gevolg heeft. Tot slot kan uit de aangebrachte persartikelen, verslagen en de stukken inzake de bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen ingestelde procedure geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel afgeleid worden nu deze documenten slechts een algemene situatie aangeven terwijl in casu het bestuur heeft aangedrongen op concrete garanties met betrekking tot de mogelijkheid dat verzoeker wel degelijk zou worden toegelaten tot de asielprocedure in Griekenland en deze garanties ook schriftelijk heeft verkregen. Bijgevolg toont verzoeker niet aan dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal veroorzaken. De vaststelling dat er niet voldaan is aan één van de cumulatieve voorwaarden als bepaald in artikel 39/82, § 2, van de Vreemdelingenwet volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Enig artikel. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen.”. XIV-30.683-5/9
  11. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
  12. Overwegende dat in het eerste middel, afgeleid uit de schending van artikel 3 van het EVRM, van de artikelen 3, § 2, 10, § 1, 15 en 18, § 7 van Verordening 343/2003 van 18 februari 2003 en van artikel 51/5 van de Vreemdelingenwet, verzoeker samengevat het volgende aanvoert :

(1)Indien hij in Griekenland aankomt, zal hem geen mogelijkheid worden geboden om asiel aan te vragen en dit niettegenstaande het uitdrukkelijk akkoord van de Griekse autoriteiten;
(2)In tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij impliciet door het nemen van de bestreden beslissing beweert, staat het voldoende vast dat hem in Griekenland geen bescherming zal worden geboden. De bewering van Griekenland dat zijn asielaanvraag er zal behandeld worden is in strijd met de feitelijke situatie, beschreven in de nationale en internationale pers en in rapporten van organisaties die de belangen van de asielzoekers verdedigen. Het door de Griekse autoriteiten gegeven akkoord is geen ernstige garantie;
(3)De Europese Commissie is in februari 2006 een inbreukprocedure gestart tegen Griekenland omwille van de niet-naleving van de Dublin II-Verordening wegens te weinig garanties voor teruggestuurde asielzoekers. Deze “infringement procedure” is nog hangende. Het UNHCR vraagt daarom “om royaal gebruik te maken van de soevereiniteitsclausule (artikel 3
(2)van de Dublinverordening)”; dat in het tweede middel, afgeleid uit de schending van artikel 3 van het EVRM, van het non- refoulementbeginsel, van artikel 33
(1)van de Conventie van Genève van 28 juli 1951 betreffende het statuut van vluchtelingen en van artikel 3 van het Verdrag van 10 december 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, verzoeker samengevat het volgende laat gelden:
(1)Zelfs na een zogenaamde garantie van Griekenland blijkt het voor veel kandidaat- asielzoekers onmogelijk te zijn om bij hun aankomst asiel aan te vragen. In de praktijk blijkt dat hun recht op toegang tot enige asielprocedure onbestaande is. De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing op geen enkele wijze de recente gegevens aangaande de problemen bij de Griekse asielprocedure in overweging genomen en in concreto nagegaan of de internationale bepalingen worden gegarandeerd;
(2)Door het feit dat de “infringement procedure” nog hangende is voor het EHRM vraagt het UNHCR om de soevereiniteitsclausule die voorhanden is in artikel 3.2. van de Dublin II-Verordening in ruime zin toe te passen. Het rapport van juli 2007 van het UNHCR bevestigt ook dat Griekenland systematisch asielzoekers naar hun XIV-30.683-6/9 land, waar hun leven en vrijheid in gevaar is, laat terugkeren en dat dit een schending uitmaakt van het non-refoulementverbod. De Staten die de asielzoekers laten terugkeren naar Griekenland zijn dus ook indirect verantwoordelijk voor de inbreuk op het refoulementverbod;
(3)De Belgische overheid schendt bij uitlevering van asielzoekers in het kader van de Dublin II-Verordening aan Griekenland op rechtstreekse wijze artikel 33
(1)van de Conventie van Genève; 2.
  1. Overwegende dat in zijn memorie van wederantwoord verzoeker stelt dat de argumentatie van de verwerende partij strijdig is met de beschikking van 21 november 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar is verklaard; dat vervolgens hij de aangevoerde middelen herhaalt, zij het dat hij aan het eerste middel nog een vierde punt toevoegt waarin hij laat gelden dat de verwerende partij helemaal geen rekening heeft gehouden met zijn minderjarigheid op het moment van de asielaanvraag en er in de bestreden beslissing helemaal niet wordt gemotiveerd waarom de verwerende partij zijn asielaanvraag niet onmiddellijk in overweging heeft genomen op basis van het belang van het kind; 2.
  2. Overwegende dat in zoverre verzoeker poogt aan te tonen dat de weigering van de Belgische autoriteiten om zijn asielaanvraag te behandelen en zijn overdracht aan Griekenland genomen zijn met miskenning van de aangehaalde rechtsregels, de middelen niet dienend zijn want niet gericht tegen het thans aangevochten arrest, maar tegen de beslissing van 13 oktober 2008 van de verwerende partij; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich in het bestreden arrest in het geheel niet over de rechtmatigheid van deze beslissing heeft uitgesproken; dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de verwerende partij niet werd verworpen omdat de middelen niet ernstig werden bevonden, maar wel omdat verzoeker niet aantoonde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van deze beslissing voor hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan veroorzaken; dat verzoeker voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als moeilijk te herstellen ernstig nadeel onder meer aanvoerde “dat het niet vaststaat dat de Griekse asielautoriteiten (zijn) asielaanvraag (...) ernstig zullen behandelen, dit gezien de vele rapporten en de feitelijke situatie aldaar”; dat deze argumentatie in het bestreden arrest als volgt werd verworpen: “Er dient evenwel te worden vastgesteld dat uit het administratief dossier blijkt dat de bevoegde Griekse overheidsdienst schriftelijk bevestigde dat aan verzoeker de mogelijkheid zal geboden worden om een asielverzoek in te dienen bij zijn aankomst in Griekenland (cfr. “Please note that this person will be able to submit an asylum application upon the arrival to our country, if he/she wish to do so”). Het gegeven dat verzoeker beweert dat asielzoekers uit de regio Athene momenteel geen toegang hebben tot de asielprocedure, daar de vreemdelingendienst om niet nader toegelichte redenen XIV-30.683-7/9 tijdelijk gesloten zou zijn, doet geen afbreuk aan het feit dat er wat betreft verzoeker wel een uitdrukkelijke belofte is dat hij een aanvraag zal kunnen indienen, die conform de bepalingen van de Conventie van Genève zal dienen behandeld te worden nu Griekenland dit verdrag ondertekend heeft. Verzoeker kan dan ook niet gevolgd worden in zijn stelling dat de behandeling van zijn asielaanvraag in Griekenland niet gegarandeerd is. (...) Tot slot kan uit de aangebrachte persartikelen, verslagen en de stukken inzake de bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen ingestelde procedure geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel afgeleid worden nu deze documenten slechts een algemene situatie aangeven terwijl in casu het bestuur heeft aangedrongen op concrete garanties met betrekking tot de mogelijkheid dat verzoeker wel degelijk zou worden toegelaten tot de asielprocedure in Griekenland en deze garanties ook schriftelijk heeft verkre- gen.”; dat naar het oordeel van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de door verzoeker aangebrachte gegevens en stukken niet vermochten op te wegen tegen de concrete bij de Griekse autoriteiten bekomen garanties; dat er niet wordt ingezien -en door verzoeker ook in het geheel niet verduidelijkt- hoe deze redengeving de thans aangehaalde rechtsregels zou miskennen; dat verzoeker in wezen beoogt aan te tonen dat -in tegenstelling tot hetgeen in het bestreden arrest wordt gesteld- de behandeling van zijn asielaanvraag in Griekenland niet gegarandeerd is; dat daartoe nog eens kort de gegevens worden herhaald die hij terzake voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen liet gelden; dat het evenwel enkel de feitenrechter toekomt te oordelen of er in het land aan wie de kandidaat-vluchteling wordt overgedragen wel voldoende garanties voor de behoorlijke behandeling van de asielaanvraag voorhanden zijn; dat dit onderzoek, dat ertoe noopt feitelijke gegevens te vergelijken buiten de bevoegdheid van de cassatierechter valt en door de Raad van State derhalve niet kan worden overgedaan; dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord opwerpt, een beschikking van toelaatbaarheid geenszins verhindert een cassatiemiddel later onontvankelijk te verklaren omdat het gericht blijkt te zijn tegen de feitelijke beoordeling van de zaak; dat de vaststelling van de toelaatbaarheid enkel voorlopig is en niet vooruit loopt op de verdere afhandeling van het beroep (Parl. St. Kamer 2005-06, nr. 2479/001, DOC 51, memorie van toelichting, p. 42); dat de beide aangevoerde middelen niet in aanmerking kunnen worden genomen; dat in de mate ze gericht zijn tegen het bestreden arrest ze de feitelijke beoordeling van de zaak betreffen waaromtrent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in laatste aanleg beslist; dat bij gebreke aan een ontvankelijk cassatiemiddel, het beroep zelf niet ontvankelijk is, XIV-30.683-8/9 BESLUIT: Artikel
  3. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien november tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.683-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.981 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.