id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.986 Rolnummer: A. 186931/VII-37137 Zaak: Arrest 197986 - Milieuvergunningen - 19/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-27 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:52 Fiche Arrest nr 197.986 van 19 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 197.986 van 19 november 2009 in de zaak A. 186.931/VII-37.137. In zake: Marc VERVLOET bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Michael Faure en Katrien Crauwels kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 210 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 4 februari 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 5 december 2007 waarbij het beroep van Marc Vervloet ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 16 mei 2007, houdende de weigering van de vergunning om een rundveebedrijf, gelegen aan de Reepkenslei 17 te Kontich, verder in bedrijf te houden, ongegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt bevestigd en de vergunning wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. VII-37.137-1/12 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2009. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Laurent Marbaix, die loco advocaat Michael Faure verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Charlene Lecluyse, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 16 mei 2007 weigert de deputatie van de provincie Antwerpen aan de verzoeker de milieuvergunning om een rundveebedrijf, gelegen aan de Reepkenslei 17 te Kontich, en omvattende 32 runderen en de opslag van 213 m³ mest, verder in bedrijf te houden. 3.2. Met een aangetekende brief van 10 juli 2007, gericht aan de Vlaamse regering, stelt de CVBA Sertius namens de verzoeker een administratief beroep in tegen de weigering van de milieuvergunning. In fine van het verzoekschrift wordt vermeld : "De heer Marc Vervloet verzoekt hierbij tevens uitdrukkelijk om te worden gehoord". VII-37.137-2/12 3.3. In het kader van de beroepsprocedure wordt een reeks adviezen uitgebracht. Alle instanties adviseren ongunstig, behalve de afdeling Onroerend Erfgoed die stelt dat het bedrijf niet gelegen is in of nabij een voorlopig of definitief beschermd landschap of een voorlopig of definitief vastgestelde ankerplaats. 3.4. Op 5 december 2007 beslist de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur het beroep ongegrond te verklaren en de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen te bevestigen. De thans bestreden beslissing luidt als volgt : "Gelet op het ontvankelijk bevonden beroep van de heer Marc Vervloet, Reepkenslei 17, 2550 Kontich, aangetekend tegen de beslissing nr. MLAV1/07-40/kh van 16 mei 2007 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen, houdende : 1. het weigeren van de vergunning aan de heer Marc Vervloet, Reepkenslei 17, 2550 Kontich, om een rundveebedrijf, gelegen te 2550 Kontich, Reepkenslei 17, kadastrale percelen, afdeling 1, sectie F, perceelnrs. 210d4, 210n4 en 2l0p4 verder in bedrijf te houden, met als voorwerp: - stallen met plaatsen voor 32 runderen, waarvan 32 andere runderen; - de opslag van 213 m³ dierlijke mest, waarvan 213 m³ mengmest; 2. het zonder voorwerp verklaren van de melding van de volgende in klasse 3 ingedeelde onderdelen van de inrichting: - het stallen van 9 bedrijfsvoertuigen; - de opslag van 4.750 liter diesel in 3 bovengrondse houders van 2 x 1.000 liter en 1 x 2.750 liter; - de opslag van 300 liter motorolie, 300 liter versnellingsbakolie, 300 liter hydraulische olie en 300 liter afgedraaide olie (totaal 1.200 liter); - 1 verdeelslang; Gelet op het attest bedoeld in artikel 31, § 4 van titel I van het VLAREM waaruit blijkt dat de voormelde beroepen beslissing aan de exploitant werd verzonden op 12 juni 2007; Gelet op het feit dat voormeld beroep werd ontvangen op 12 juli 2007 en ontvankelijk werd bevonden op 26 juli 2007; Gelet op het feit dat voormelde beroepindiener de volgende aanspraken doet gelden : 1) schending van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning: - de weigering is grotendeels gebaseerd op het ongunstige advies van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM), waarbij gesteld wordt dat er een stijging is van de vergunde mestproductie; dit wordt geargumenteerd op het feit dat er plaatsen zijn voor 143 dieren; er wordt echter maar vergunning gevraagd voor plaatsen voor 32 runderen, zodat de aanvraag als dusdanig dient behandeld te worden en niet als een uitbreiding, zoals gesteld door de VLM; 2) schending van de motiveringsplicht: A. onvoldoende motivering: - met betrekking tot het deels gunstige advies van de afdeling Milieuvergunningen (AMV) wordt enkel gesteld dat dit voldoende wordt weerlegd door de argumenten van de overige ongunstige adviezen; maar het is ons onduidelijk waarom dit deels gunstige advies zomaar dient verworpen te worden en de overige ongunstige adviezen dienen behouden te worden VII-37.137-3/12 gezien dit advies het enige is dat rekening houdt met het echte voorwerp van de aanvraag, namelijk 32 koeien, en met de werkelijke situatie; - de VLM vertrekt immers van een verkeerd uitgangspunt namelijk dat er 143 koeien worden gehouden zodat er een stijging is van de mestproductie; - het advies van het agentschap Ruimtelijk(
- e)Ordening (ARO) is gebaseerd op het feit dat agrarische bedrijven wel toegelaten zijn in woongebied maar in casu niet verenigbaar zijn met het residentiële karakter enerzijds en de meeste gebouwen niet vergund zijn en niet geregulariseerd kunnen worden anderzijds; in werkelijkheid wordt slechts een beperkt gedeelte van de gebouwen gebruikt voor het stallen van dieren, de overige gebouwen worden gebruikt voor de landbouwmachines en ander materiaal; een veebedrijf voor 32 koeien kan bezwaarlijk industrieel of intensief genoemd worden; - het bestreden besluit is dan ook onvoldoende gemotiveerd omdat het onduidelijk is waarom het advies van AMV weerlegd wordt door de argumenten van de overige adviezen gezien dit het enige is dat gebaseerd is op correcte feitelijke gegevens; B. tegenstrijdige motivering: - ARO stelt dat de exploitatie gebeurt in zowel milieu- als stedenbouwkundig onvergunde gebouwen waarvan, gezien de ligging in woongebied, regularisatie weinig waarschijnlijk is zodat de milieuvergunning dient geweigerd te worden; - VLM daarentegen telt alle stallen mee om het aantal plaatsen voor runderen te bepalen en zo te stellen dat er meer dieren (kunnen) gehouden worden en er dus een stijging is van de mestproductie; - er is dus een contradictie in de motivering daar waar enerzijds zegt dat de dierenplaatsen niet in aanmerking mogen genomen worden, vermits niet vergund en anderzijds deze plaatsen moeten mee geteld worden om de mestproductie te berekenen; C. gebrekkige motivatie: - het advies van VLM is louter gebaseerd op het feit dat er volgens hen 143 dieren kunnen gehouden worden en er dus een stijging is van de mestproductie; in hun advies worden verschillende argumenten aangehaald waarom er geen 143 mogen gehouden worden maar geen enkel argument waarom de 32 gevraagde dieren niet mogen gehouden worden; op de provinciale milieuvergunningscommissie werd toegelicht waarom er slechts 32 dieren werden aangevraagd en waar deze dieren werden gehouden en welke gebouwen zullen worden gebruikt voor het stallen van landbouwvoertuigen en dergelijke; daar werd geen rekening mee gehouden en bleef de VLM met haar standpunt dat er 143 dieren kunnen gehouden worden zodat er een stijging is van de mestproductie, wat ook de enige reden is voor het ongunstige advies; - aangezien dit advies een van de belangrijkste reden was tot weigering betuigt van een gebrekkige motivering van de weigering gezien ook het feit dat er geen motivering is waarom de gevraagde 32 dieren geweigerd zijn; D. niet pertinente motivering: - op basis van het advies van ARO werd de vergunning geweigerd gezien de ligging in woongebied enerzijds en het ontbreken van stedenbouwkundige vergunningen voor een deel van de gebouwen; - agrarische bedrijven zijn toegelaten in woongebieden voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving; volgens de rechtspraak van de Raad van State geldt dit niet voor bedrijven met een industrieel karakter of voor intensieve veeteelt; een bedrijf met 32 koeien kan moeilijk beschouwd worden als een dergelijk bedrijf; - volgens ARO kan dergelijk bedrijf niet in een woongebied met residentieel karakter; doch er dient op gewezen te worden dat het bedrijf er reeds was VII-37.137-4/12 sinds 1950 en er in 1978 reeds vergunning was; de woningen zijn er eerst later bijgekomen; - dat er geen stedenbouwkundige vergunningen zijn kan geen reden zijn om de milieuvergunning te weigeren vermits deze op hun eigen wetgeving dienen beoordeeld te worden; - het gaat dus niet op om tot een weigering van een milieuvergunning te komen argumenterend dat de regularisatie van de stedenbouwkundige toestand toch niet zal gerealiseerd worden op basis van mogelijke hinder terwijl uit verslagen van AMI blijkt dat er geen hinder is; het kan toch niet dat een milieuhygiënisch argument wordt gebruikt om de stedenbouwkundige vergunningen te weigeren, terwijl stedenbouwkundige argumenten worden gebruikt om de milieuvergunning te weigeren; E. ontbreken van motivering: - de melding van de klasse 3-inrichtingen worden zonder voorwerp verklaard zonder enige motivatie; 3) schending van het vertrouwensbeginsel: - in het advies van het college van burgemeester en schepenen wordt verwezen naar diverse bijeenkomsten met de buren en de gemeente waarin afspraken werden gemaakt om de inrichting over te plaatsen naar Reepkenslei 88; hiervoor werd een ontwerp-overeenkomst opgemaakt en overgemaakt aan de raadsman van de geburen; hierop werd niet gereageerd om deze overeenkomst te formaliseren; derhalve kan gesteld worden of de exploitant nog gehouden is aan het voorgestelde uitdoofscenario en dus het volste recht heeft om deze hernieuwingsaanvraag in te dienen; - het kan toch niet dat het argument dat de exploitant zich niet aan deze afspraak houdt nu tegen hem wordt gebruikt vermits de buren geen aanstalte hebben gemaakt om deze overeenkomst te formaliseren; 4) schending van het redelijkheidsbeginsel: - de eerste vergunning op Reepkenslei 17 dateert van 1978; op Reepkenslei 88 is er nog een bedrijf; er wordt enkel aanvraag gedaan voor het vergund aantal dieren; de exploitant is reeds aan het overschakelen van melkvee naar mestvee met het oog op verplaatsing naar Reepkenslei 88; doch enkel bij hernieuwing van de gevraagde vergunning kan de exploitant zijn rechten vrijwaren op Reepkenslei l7 mocht de verhuis naar Reepkenslei 88 niet zo vlot verlopen als gepland; - de volledige weigering gaat veel verder dan noodzakelijk is om het doel te bereiken, namelijk de mogelijke hinder te beperken en vermijden dat er toename is van de mestproductie; dat had men ook kunnen bekomen door de vergunning te beperken tot het gevraagde eventueel mits bijkomende voorwaarden; Gelet op het besluit van 17 januari 1978 van het college van burgemeester en schepenen van Kontich houdende aktename van de melding van de heer Marc Vervlaet, voor een termijn verstrijkend op 17 januari 2008, van stallen voor 30 stuks rundvee, waarvan 20 koeien en 10 kalveren en voor 2 paarden; Gelet op het besluit nr. 2/58.061f2/AK van 8 augustus 1991 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende gedeeltelijke aktename van de melding van M. Vervloet-De Paep, voor een termijn verstrijkend op 1 september 2011; van een mestopslagplaats voor 213 m³ dierlijke mest en e.m. 7,5 pK; er wordt geen akte genomen van stallen voor 143 grote zoogdieren en 3 voedersilo's van respectievelijk 3,6 en 20 ton; Gelet op het ministerieel besluit van 4 december 2006 waarbij de herziene nutriëntenhalte wordt herberekend en bedraagt: NHn = 3.104,00 kg N en NHp = 960.00 kg P2O5; Gelet op het ongunstige advies van 28 augustus 2007 van de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid van het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed; VII-37.137-5/12 Gelet op het ongunstige advies van 30 augustus 2007 van de Vlaamse Landmaatschappij; Gelet op het ongunstige advies van 7 september 2007 van de afdeling Milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie; Gelet op het ongunstige advies van 17 september 2007 van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie; Gelet op de ligging van de inrichting in woongebied volgens het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979; Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten het volgende dient gesteld te worden: - het bestaande landbouwbedrijf is volgens het gewestplan Antwerpen gelegen in het woongebied; overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen zijn deze woongebieden bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van het bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen en voor agrarische bedrijven; deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving; - er is geen gemeentelijk ordeningsplan noch een goedgekeurde verkaveling van toepassing; - kwestieus landbouwbedrijf is voor een belangrijk deel van de bedrijfsgebouwen uitgebouwd zonder wettelijke stedenbouwkundige vergunning; - op 15 december 1997 werd een laatste vergunning voor de regularisatie en aanpassing van de bestaande melkveestallen, een jongveestal, een garage en bergplaatsen bij ministerieel besluit geweigerd; - onder meer die laatste weigeringsbeslissing werd door de aanvrager betwist bij de Raad van State; de Raad van State heeft in arrest nr. 167.998 van 20 februari 2007 het beroep verworpen; - het geheel van de bedrijfsconfiguratie is door zijn omvang, inplanting en esthetisch voorkomen uit ruimtelijk ordenend oogpunt bezwarend voor de directe woonomgeving, een omgeving die bijna uitsluitend uit vrijstaande ééngezinswoningen bestaat en dus een uitgesproken residentieel karakter bezit; - in weerwil van wat de aanvrager stelt is het niet de residentiële omgeving die rond het bedrijf is gegroeid maar heeft de betrokkene zijn bedrijf op wederechtelijke wijze uitgebouwd vanaf 1978, dus vanaf een tijdstip dat het residentieel karakter van de omgeving reeds gevestigd was; - de inrichting kan in zijn huidige omvang en voorkomen niet op deze plaats bestendigd worden; Overwegende dat onderhavig beroep, ingediend door de exploitant, betrekking heeft op de weigering om een rundveebedrijf met stallen voor 32 runderen, waarvan 32 andere runderen, en de opslag van 213 m³ dierlijke mest en bijhorigheden verder in bedrijf te houden; Overwegende dat de exploitant een hernieuwing vraagt voor stallen voor 32 runderen, waarvan 32 andere runderen, wat overeenkomt met een te vergunnen mestproductie van 960 kg P2O5 en 3.104 kg N; dat de inrichting vergund is bij besluit van het college van burgemeester en schepenen van 17 januari 1978 voor stallen voor 30 stuks rundvee, waarvan 20 melkkoeien en 10 kalveren, en 2 paarden; dat dit overeenkomt met een vergunde mestproductie van 880 kg P2O5 en 2.680 kg N; dat er volgens het artikel 33ter, §1,
- c)van het decreet van 23 januari 1991 slechts vergunning kon worden verleend indien ten VII-37.137-6/12 gevolge van de aanvraag er geen stijging is van de vergunde mestproductie; dat, zoals hierboven vermeld, de aanvraag een stijging van de vergunde mestproductie tot gevolg heeft; dat, teneinde te voldoen aan de bepalingen van het vermeld decreet, er slechts vergunning zou kunnen verleend worden voor 27 stuks runderen, overeenkomstig een te vergunnen mestproductie van 810 kg P2O5 en 2.680 kg N; Overwegende dat bij plaatsbezoek van een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen eveneens werd vastgesteld dat in de 2 stallen, vermeld op het uitvoeringsplan als stallen voor het huisvesten van elk 12 koeien, minstens 80 koeien worden gehouden; dat dit gebeurt in stallen waarvoor noch een milieuvergunning, noch een stedenbouwkundige vergunning werd verleend; Overwegende dat bij besluit van de deputatie van de provincieraad van 5 maart 1992 een aanvraag voor de uitbreiding tot stallen voor l38 grote zoogdieren werd geweigerd; dat bij ministerieel besluit van 5 mei 1993 dit besluit werd bevestigd; dat het beroep tegen dit ministerieel besluit bij arrest van 30 mei 2000 van de Raad van State werd verworpen; Overwegende dat bij besluit van 8 februari 1996 van de deputatie van de provincieraad de vergunning werd geweigerd voor de uitbreiding met stallen voor 143 grote runderen; dat bij ministerieel besluit van 30 juli 1996 dit besluit werd bevestigd; dat het beroep tegen dit ministerieel besluit bij arrest van 13 maart 2003 van de Raad van State werd verworpen; Overwegende dat bij besluit van 22 september 2004 van het college van burgemeester de gevraagde uitbreiding met stallen voor 143 runderen opnieuw werd geweigerd; Overwegende dat de weigeringen voornamelijk gebaseerd zijn op de stedenbouwkundige onverenigbaarheid gezien de ligging in een woongebied met residentieel karakter en, gezien er voor de gevraagde stallen geen bouwvergunningen zijn, de exploitant zijn bedrijf op wederrechtelijke wijze heeft uitgebouwd vanaf 1978 toen het residentieel karakter van de omgeving reeds gevestigd was; Overwegende dat de motivering van de weigering bij het ministerieel besluit van 30 juli 1996 voornamelijk gebaseerd is op volgende overweging: slechts de vergunningen van 18 april 1958 'verbouwen der stallingen' en van 3 april 1964 'bouwen van een werkplaats' zijn effectief verleend en kunnen dus maar als de werkelijke bouwvergunningen beschouwd worden; dat de bouwvergunning van 1964 geen betrekking heeft op een stal; dat de vergunning van 1985 betrekking had op de woning van de ouders waarin een zeer kleine stal van 5 meter op 8 meter was getekend; dat deze ruimte in huidige aanvraag niet meer als stal is aangeduid; dat voor de stallen die in huidige aanvraag voor runderen bestemd zijn, geen enkele bouwvergunning voorhanden is; dat voor wat betreft deze aanvraag er voor de gevraagde stallen er geen definitieve bouwvergunning is verleend vóór 1 september 1991 zodat de inrichting niet als een bestaande inrichting kan beschouwd ingevolge artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM en er dus overeenkomstig artikel 5.9.3.1, §1 van titel II van het VLAREM geen vergunning kan verleend worden, gezien er slechts vergunning kan verleend worden voor het exploiteren en/of veranderen van een bestaande inrichting, wat hier niet het geval is; Overwegende dat bij plaatsbezoek van een vertegenwoordiger van de afdeling Milieuvergunningen op 30 augustus 2007 werd vastgesteld dat in de stal, palend aan de ouderlijke woning, en aangegeven op het bijhorend uitvoeringsplan als een stal voor plaatsen voor 8 koeien, welke stedenbouwkundig vergund is dd. 18 maart 1958, geen dieren aanwezig waren en er volgens de exploitant al geruime tijd geen dieren meer werden gehouden; dat deze stal nu dienst doet als hondenhok; dat de voorgaande aanvragen betrekking hadden op het exploiteren van stalplaatsen in wederrechtelijk VII-37.137-7/12 gebouwen en niet op stallen waarvoor de basisvergunning voor stallen voor 30 stuks rundvee, waarvan 20 koeien en 10 kalveren en 2 paarden werd verleend; dat uit het voorgaande blijkt dat de eigenlijk vergunde stallen meer dan 2 jaar buiten gebruik zijn zodat derhalve kan gesteld worden dat de vergunning voor het houden van dieren in deze stal van rechtswege is vervallen overeenkomstig artikel 46 van titel I van het VLAREM; Overwegende dat de aanvraag betrekking heeft op het exploiteren van in een inrichting in stallen die noch beschikken over de nodige milieuvergunningen, noch over de stedenbouwkundige vergunningen; Overwegende dat de aanspraken aangehaald door de beroepindiener als volgt kunnen worden geëvalueerd : zoals blijkt uit het voorgaande dient zelfs gesteld te worden dat de basisvergunning vervallen is, dat de inrichting ook niet kan beschouwd worden als een bestaande inrichting, zodat de inrichting in het geheel niet voldoet aan de bepalingen van het VLAREM; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen". IV. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen 4. De verzoeker roept in zijn eerste middel de schending in van artikel 13, § 3, laatste lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet), van artikel 28, § 4, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) en van de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De verzoeker geeft de inhoud weer van de geschonden geachte bepalingen en van de hoorplicht, en hij betoogt dat hij er in zijn beroepschrift uitdrukkelijk om had gevraagd om tijdens de beroepsprocedure te worden gehoord; het feit dat hij dit reeds in zijn beroepschrift zelf had aangegeven en dit niet meer had herhaald op het moment dat hij bericht kreeg dat zijn beroep ontvankelijk was, doet geen afbreuk aan zijn hoorrecht. Voorts betoogt de verzoeker dat hij van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie nooit een uitnodiging heeft ontvangen om te worden gehoord; bijgevolg kreeg hij niet de gelegenheid om zijn belangen te verdedigen en zijn argumenten naar voor te brengen; een nauwkeurige belangenafweging kan niet worden gegarandeerd indien de aanvrager niet wordt gehoord. VII-37.137-8/12 5. In haar memorie van antwoord zet de verwerende partij de inhoud uiteen van de geschonden geachte bepalingen; zij wijst erop dat de verzoeker geen afzonderlijk schrijven richtte aan de voorzitter van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie met de vraag om te worden gehoord, zodat hij eigenlijk zelf de duidelijke bepaling van artikel 28, § 4, van Vlarem I heeft geschonden; de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie moest de verzoeker dan ook niet horen. Voorts stelt zij dat in het licht van de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur het geenszins kennelijk onredelijk is om in de reglementering te voorzien dat de vraag om te worden gehoord, moet worden gericht aan de voorzitter van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, zelfs indien deze vraag reeds opgenomen zou zijn in het beroepschrift; er anders over oordelen zou betekenen dat de bevoegde overheid in beroep steeds nauwgezet en binnen korte termijn moet nagaan of er ergens in het beroepschrift wordt gevraagd om te worden gehoord; de verzoeker diende te weten dat een vraag in zijn beroepschrift gericht aan de Vlaamse regering, niet volstond. De hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur geldt trouwens, aldus de verwerende partij, enkel indien er maatregelen worden getroffen die gebaseerd zijn op een persoonlijke tekortkoming van de betrokkene. Ten slotte beklemtoont de verwerende partij dat de verzoeker in zijn beroepschrift zelf zijn argumentatie nauwkeurig had dienen uiteen te zetten. 6. In zijn memorie van wederantwoord merkt de verzoeker op dat uit de regelgeving niet blijkt dat het verzoek om te worden gehoord slechts kan worden ingediend vanaf het ogenblik dat de aanvrager de kennisgeving van de ontvankelijkheid van het beroep heeft ontvangen; geen enkele wettelijke bepaling zou verhinderen dat het verzoek tot horen reeds eerder wordt geformuleerd. Voorts, aldus de verzoeker, voorziet de reglementering er evenmin in dat het verzoek om te worden gehoord op straffe van niet-ontvankelijkheid moet worden ingediend bij een afzonderlijk schrijven; uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt hierover geen al te groot formalisme. De verzoeker voert aan dat het niet opgaat te stellen dat hij geen nuttige elementen meer zou kunnen aanvoeren op het ogenblik dat hij wordt VII-37.137-9/12 gehoord; de overheid kan niet oordelen over de opportuniteit van een verzoek om de aanvrager te horen. Ten slotte, aldus de verzoeker, was de verwerende partij verplicht hem te horen op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur vermits de bestreden beslissing een negatieve invloed heeft op zijn rechtstoestand. 7. In haar laatste memorie betwist de verwerende partij de conclusie van het auditoraatsverslag dat het eerste middel gegrond bevindt. Uit geen enkel stuk blijkt, aldus de verwerende partij, dat de verzoeker gehoord wilde worden door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie en niet door de minister; de verzoeker heeft zijn vraag om gehoord te worden enkel overgemaakt aan de minister; de minister was niet verplicht om de verzoeker te horen. Beoordeling 8. Artikel 13, § 3, derde lid, van het milieuvergunningsdecreet luidt als volgt : "Op zijn verzoek wordt de aanvrager gehoord door de commissies bedoeld in § 1 en § 2". De commissies bedoeld in de §§ 1 en 2 zijn de Provinciale of de Gewestelijke Milieuvergunningscommissies. Artikel 28, § 4, van Vlarem I, dat betrekking heeft op de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, luidt als volgt : "Op zijn verzoek wordt de aanvrager van een milieuvergunning door de commissie gehoord. De aanvrager dient dit verzoek schriftelijk te richten tot de voorzitter van de gewestelijke milieuvergunningscommissie uiterlijk twintig kalenderdagen na de datum van de verzending voor de kennisgeving tot ontvankelijkheid van het beroep bedoeld in artikel 52, 1/, c). De commissie kan ook andere partijen horen". Uit die bepalingen dient te worden afgeleid dat de aanvrager dient te worden gehoord door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie indien hij hierom heeft gevraagd. VII-37.137-10/12 9. Te dezen werd met een aangetekende brief van 10 juli 2007, gericht aan de Vlaamse regering, door de CBVA Sertius namens de verzoeker een administratief beroep ingesteld tegen de weigering van de milieuvergunning door de deputatie van de provincie Antwerpen. In fine van het beroepschrift wordt vermeld : "De heer Marc Vervloet verzoekt hierbij tevens uitdrukkelijk om te worden gehoord". De verzoeker heeft dit beroepschrift gestuurd naar het adres van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie, dat hetzelfde adres is als dit van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. De verzoeker heeft, nadat hij bericht ontvangen had dat zijn beroep ontvankelijk was, geen afzonderlijk schrijven gericht aan de voorzitter van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie met de vraag gehoord te worden. 10. Het argument van de verwerende partij dat de verzoeker middels zijn beroepschrift zijn argumenten dient bij te brengen, leidt niet tot de vaststelling dat de verzoeker zich niet kan beroepen op de hoorplicht, daar het niet aan de beroepsinstantie is te oordelen of een verzoek tot horen zinvol is. 11. Het argument van de verwerende partij dat het verzoek tot horen niet gericht was aan de voorzitter van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie gaat evenmin op nu uit de feiten blijkt dat dit verzoek werd gericht aan het adres waar de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie gevestigd is; een zinvolle, contextuele interpretatie geven aan de vraag van de verzoeker om gehoord te worden kan te dezen slechts leiden tot de vaststelling dat het gaat om een verzoek gehoord te worden door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Voorts valt ook niet in te zien waarom een beroepsindiener pas geldig zou kunnen verzoeken om te worden gehoord over zijn beroep nadat eerst kennis werd gegeven van het ontvankelijk bevinden ervan. 12. Uit dit alles dient te worden afgeleid dat het verzoek om gehoord te worden zoals geformuleerd in het beroepschrift niet anders kan beschouwd worden dan als een vraag om gehoord te worden in het kader van de administratieve VII-37.137-11/12 beroepsprocedure en dat de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie aan dit verzoek een passend gevolg had dienen te geven, hetgeen te dezen niet het geval was. Aldus staat het vast dat het decretaal aan de vergunningsaanvrager toegekende hoorrecht werd miskend. 13. Het eerste middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 5 december 2007 waarbij het beroep van Marc Vervloet ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen van 16 mei 2007, houdende de weigering van de vergunning om een rundveebedrijf, gelegen aan de Reepkenslei 17 te Kontich, verder in bedrijf te houden, ongegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt bevestigd en de vergunning wordt geweigerd. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien november tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.137-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.986 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div