← België

Arrest 197987 - Milieuvergunningen - 19/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.987 Rolnummer: A. 187428/VII-37153 Zaak: Arrest 197987 - Milieuvergunningen - 19/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-27 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:52 Fiche Arrest nr 197.987 van 19 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 197.987 van 19 november 2009 in de zaak A. 187.428/VII-37.153. In zake: de GEMEENTE RIJKEVORSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves Loix kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN Tussenkomende partij: de BVBA HERPAL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim De Cuyper kantoor houdend te Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 11 maart 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 20 december 2007 waarbij het beroep van de BVBA Herpal ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Rijkevorsel van 19 juli 2007, houdende de weigering van de vergunning om een varkensbedrijf, gelegen aan de Salmmeirweg 15 te Rijkevorsel, verder te exploiteren, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt verleend. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-37.153-1/18 De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 28 mei 2008. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2009. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Nele Ansoms, die loco advocaat Yves Loix verschijnt voor de verzoekende partij, bestuurssecretaris Mark Michiels, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Stephanie Vanthienen, die loco advocaat Wim De Cuyper verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De tussenkomende partij baat aan de Salmmeirweg 15 te Rijkevorsel een varkensbedrijf uit. In het verleden werden voor de uitbating van de inrichting een aantal vergunningen en aktenames verleend. 3.2. Op 22 februari 2001 wordt tussen de tussenkomende partij en Frank Brosens een onderhandse verkoopovereenkomst gesloten met betrekking tot de varkensstal. De laatste varkens van de inrichting blijken verkocht te zijn op 21 augustus 2001. VII-37.153-2/18 3.3. Op 3 oktober 2001 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Rijkevorsel akte van de melding van de overname van de inrichting van de tussenkomende partij door Frank Brosens. In de aktename wordt geciteerd uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij (hierna : VLM) waarin onder meer staat te lezen: "de aangifte van het aanslagjaar 1993 werd nooit ontvangen zodat de inrichting te beschouwen is als een inrichting die noch een bestaande landbouwinrichting, noch een bestaande veeteeltinrichting is". In het beschikkend gedeelte van het aktenamebesluit staat te lezen : "Uit het advies blijkt eveneens dat de overname zonder voorwerp is, gezien deze inrichting geen bestaande veeteeltinrichting is". 3.4. Na deze aktename van de overname start Frank Brosens de procedure tot het verkrijgen van een vergunning voor de verplaatsing van de inrichting om ze samen te voegen met zijn mestkalverenbedrijf, gelegen aan de Heesbeekweg 6 te Rijkevorsel, doch bij besluit van 19 juni 2003 weigert de deputatie van de provincie Antwerpen deze vergunning op basis van de vaststelling dat de te verplaatsen inrichting een niet-bestaande veeteeltinrichting was en derhalve niet in aanmerking kwam voor verplaatsing. 3.5. In een faxbericht van 9 juli 2003 laat de NV Golufradi, die optreedt namens Frank Brosens, aan notaris Michoel weten dat de verkoopovereen- komst niet kan worden verleden. De onderhandse koopovereenkomst was, aldus het faxbericht, opgesteld onder de opschortende/opheffende voorwaarde met betrekking tot de omvorming en de samenvoeging van de milieuvergunning; de NV Golufradi meent te mogen stellen dat -buiten de wil van Frank Brosens en op volledige verantwoordelijkheid van de tussenkomende partij- niet aan de voorwaarden is voldaan; het kernprobleem zou zijn dat het bedrijf niet voldoet aan de definitie van bestaande inrichting omdat er voor het jaar 1993 geen tijdige mestbankaangifte is gedaan, wat heel wat beperkingen meebrengt voor het bedrijf. De verkoop gaat niet door. 3.6. Op 16 oktober 2003 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Rijkevorsel kennis van de melding van de overname door de tussenkomende partij van de inrichting van Frank Brosens. De stallen worden op 18 november 2003 door de tussenkomende partij effectief bezet. VII-37.153-3/18 3.7. Op 1 maart 2007 dient de tussenkomende partij de vergunningsaanvraag in die aanleiding zal geven tot de thans bestreden beslissing. De aanvraag betreft het hernieuwen van de bestaande inrichting. 3.8. Op 19 juli 2007 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning. In de beslissing van het college van burgemeester en schepenen wordt geciteerd uit het advies van de VLM, en daaruit blijkt dat er gedurende twee opeenvolgende jaren geen varkens werden gehouden op de inrichting; vermits er daarvoor, aldus het college van burgemeester en schepenen, geen overmacht kan worden ingeroepen, moet de vergunning als vervallen worden beschouwd. 3.9. De tussenkomende partij gaat in beroep tegen dit weigeringsbesluit en merkt in haar beroepschrift onder meer op dat het niet-houden van varkens gedurende meer dan twee jaar te wijten is aan overmacht. 3.10. In het raam van de adviesprocedure wordt een aantal adviezen uitgebracht. Behoudens het advies van de afdeling Ruimtelijke Ordening zijn alle adviezen ongunstig ten aanzien van het verlenen van de vergunning. 3.11. Op 20 december 2007 wordt de thans bestreden beslissing genomen waarbij de deputatie van de provincie Antwerpen het beroep inwilligt en de vergunning verleent. Deze beslissing luidt als volgt : "Gelet op het beroepschrift bij aangetekend schrijven dd. 24 augustus 2008 ingediend door BVBA Herpal; Overwegende dat het beroep werd ingediend door de exploitant zodat de beroeper de door artikel 49 van titel I van het Vlarem vereiste hoedanigheid heeft om beroep aan te tekenen; Gelet op het feit dat op datum van 28 augustus 2007 het beroepschrift door het provinciebestuur werd ontvangen zodat de beroepsprocedure op die datum werd gestart; Gelet op het feit dat op datum van 4 september 2007 het beroepschrift ontvankelijk en volledig werd verklaard; Gelet op de stukken, waarbij wordt geattesteerd dat het bestreden besluit de vereiste publiciteit verkreeg, conform artikel 31 van het Vlarem; Overwegende dat uit het attest van bekendmaking blijkt dat het beroepschrift tijdig werd ingediend; Overwegende dat het beroepschrift betrekking heeft op: - Verschillende buurtbewoners dienden een bezwaarschrift in betreffende geurhinder. De inrichting is echter gelegen in agrarisch gebied en wordt uitgebaat volgens de regels van de moderne varkenshouderij. VII-37.153-4/18 - De periode tussen de verkoop van de laatste varkens en de aankoop van de biggen bedraagt 2 jaar, 2 maanden en 28 dagen. Het gaat hier om een geval van overmacht. Gelet op het ongunstig advies dd. 1 oktober 2007 van de afdeling Milieuvergunningen (AMV) van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE) (kenmerk AMV/A/07/3197); op volgende elementen uit dit advies : 1. Het bedrijf van BVBA Herpal, gelegen aan de Salmmeirweg 15 te Rijkevorsel, is vergund voor 800 andere varkens tot 6/2/2008 en voor de opslag van 510 m³ dierlijke mest tot 15/10/2012. 2. Er wordt een hernieuwing van de milieuvergunning aangevraagd, aangezien de vergunning van de dieren vervalt op 06/02/2008. 3. Er wordt een vroegtijdige hernieuwing van de dierlijke mestopslag gevraagd om één milieuvergunning te bekomen met éénzelfde eindtermijn. 4. In het besluit d.d. 19/07/2007 van het College van Burgemeester en Schepenen van Rijkevorsel wordt de milieuvergunning geweigerd op basis van:

  1. a)de ingediende bezwaarschriften betreffende geurhinder;
  2. b)het negatieve advies van de Vlaamse Landmaatschappij, aangezien er minstens gedurende 2 opeenvolgende jaren geen varkens op de inrichting werden gehouden. 5. De beroeper wijst erop, verwijzend naar de ingediende bezwaarschriften, dat de inrichting gelegen is in agrarisch gebied en op een correcte manier wordt uitgebaat volgens de regels van de moderne varkenshouderij. 6. Het negatieve advies van de Vlaamse Landmaatschappij is gebaseerd op het feit dat er op de inrichting gedurende minstens 2 opeenvolgende jaren geen varkens werden gehouden. Volgens artikel 46 van Vlarem I is er dus geen vergunning meer voor het houden van varkens. 7. De beroeper verklaart in het beroepschrift dat de laatste varkens verkocht werden op 21/08/2001 en er op 18/11/2003 nieuwe biggen werden geleverd. De periode tussen de verkoop van de laatste varkens en de aankoop van de biggen bedraagt aldus 2 jaar, 2 maanden en 28 dagen. De beroeper stelt echter dat het hier gaat om een geval van overmacht. 8. Artikel 46 van Vlarem I stelt dat de milieuvergunning van rechtswege vervalt voor de inrichting die gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd. 9. De milieuvergunning voor het houden van 800 varkens en 510 m³ dierlijke mest is dus vervallen en kan bijgevolg niet hernieuwd worden. Gelet op het stilzwijgend gunstig advies van het Agentschap RO-Vlaanderen (ARO); op volgende elementen uit het laattijdig gunstig advies dd. 19 november 2007 van het ARO (kenmerk N/111.067): 1. Het goed ligt volgens het gewestplan Turnhout (Koninklijk besluit van 30 september 1977) in agrarisch gebied. 2. Het goed is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet-vervallen verkaveling. Het blijft de bevoegdheid van de overheid de aanvraag te toetsen aan de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het van kracht zijnde gewestplan. 3. De aanvraag is principieel in overeenstemming met het geldende plan, zoals hoger omschreven. 4. Stedenbouwkundige vergunningstoestand:
  3. a)Bouwvergunning verleend door het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Rijkevorsel d.d. 11.05.1971 voor het bouwen van een kweekvarkensstal en een open zeugenbeloop. Er dient opgemerkt dat het een tijdelijke vergunning betrof voor 1 jaar met VII-37.153-5/18 eindtermijn 11.05.1972. De termijn van 1 jaar lijkt zeer ongebruikelijk gelet op het feit dat het volwaardige stallen betreft. Inzake de tijdelijkheid van de vergunning werd contact opgenomen met de bouwdienst van de gemeente Rijkevorsel. Hieruit blijkt dat zowel in het advies van de Dienst der Stedenbouw als in de collegezitting d.d. 11.05.1971 werd beslist over een definitieve vergunning. Tevens werd vastgesteld dat in tientallen dossiers van deze periode ten onrechte de vergunning werd beperkt in termijn, terwijl dit niet de bedoeling was. Derhalve oordeel ik dat de bouwvergunning d.d. 11.05.1971 dient beschouwd te worden als een definitieve vergunning.
  4. b)De gerealiseerde stallen op het perceel zijn langer gebouwd dan vergund d.d. 11.05.1971. De lengte van de varkensstal bedraagt 57,60 m, terwijl de stal in bovenvermelde vergunning een lengte heeft van 27,50 m. Ook voor de gerealiseerde mestputten is geen stedenbouwkundige vergunning bekend. Het bedrijf is stedenbouwkundig slechts gedeeltelijk vergund. 5. De inplanting van de varkensstal komt in principe in aanmerking voor stedenbouwkundige vergunning gelet op de ligging in het agrarisch gebied. De afstand tot het woongebied bedraagt ca. 180 m. In principe is deze afstand voldoende, gelet dat het een bestaand bedrijf en een varkenshouderij met slechts 800 varkens betreft. 6. De verenigbaarheid van de inplanting met de goede ruimtelijke ordening zal ten gronde worden beoordeeld binnen de procedure van de stedenbouwkundige vergunning. Gelet op het ongunstig advies dd. 4 oktober 2007 van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) (kenmerk PH/A/AV2/2007.0181); op volgende elementen, uit dit advies: 1. De aanvraag behelst een hernieuwing van de vergunning betreffende 800 varkens. Op basis van de forfaitaire normen vermeld in artikel 33bis van het mestdecreet bedraagt de gewenste mestproductie 10.400 kg N en 4.264 kg P2O5, overeenkomstig de mestproductie van 800 andere varkens. De exploitant vraagt tevens de verdere exploitatie van 510 m³ dierlijke mestopslag, waarvan 510 m³ mengmestopslag. 2. Uitgaande van de mestbankaangifte van deze inrichting, rekening houdende met de verklaringen in de aanvullende gegevens ontvangen op 30 mei 2007 en waarin duidelijk gesteld wordt dat de laatste varkens vertrokken zijn op 21 augustus 2001 en de volgende ronde biggen terug aangeleverd werd op 18 november 2003, kan gesteld worden dat minstens gedurende 2 opeenvolgende jaren geen varkens werden gehouden op deze inrichting. Derhalve is er krachtens artikel 46 van VLAREM I geen vergunning meer voor het houden van varkens. 3. Volgens de Vlaamse Landmaatschappij kan er echter geen sprake zijn van overmacht aangezien Brosens Frank (en normaal ook BVBA Herpal) op de hoogte was dat de inrichting als niet-bestaande veeteeltinrichting werd beschouwd en hij toch de vergunning overnam met doel deze te laten samenvoegen met een andere inrichting wat wettelijk gezien niet kan bij een niet-bestaande veeteeltinrichting. Hij was in 2001 dus op de hoogte dat er weinig kans op slagen was dat de vergunning effectief zou kunnen samengevoegd worden met een andere inrichting. Dit wordt zelfs bevestigd op blz. 2 van het beroepschrift van de exploitant. Het adviesbureau DLV meldt dat er sprake is van overmacht. Er dient echter opgemerkt te worden dat op 9 juli 2003 de notaris van BVBA Herpal op de hoogte gesteld werd van het feitelijk teniet doen van de verkoop. Uitgaande van de verklaringen door het adviesbureau heeft BVBA Herpal toen werken moeten uitvoeren om de stal terug geschikt te maken voor het houden van varkens. Er werd ook geen gedeelte van de stal terug in gebruik genomen VII-37.153-6/18 zodat geconcludeerd moet worden dat de werken van die aard waren dat ze betrekking hadden op de volledige stal. Derhalve dient op basis van artikel 46 van Vlarem I gesteld te worden dat de vergunning vervallen is aangezien er gedurende meer dan 2 jaar geen exploitatie was, niet uit overmacht maar omdat de stal (standplaatsen) niet meer of onvoldoende ingericht (was) voor het houden van varkens. 4. De bepalingen van het mestdecreet omtrent deze aanvraag
  5. a)Een definitieve milieuvergunning werd verleend voor 1 januari 2000, maar sinds het aanslagjaar 2000 is er niet jaarlijks aangifte gedaan bij de Mestbank (artikel 2, 70,
  6. e)van het Mestdecreet) zodanig dat deze inrichting nog altijd niet kan beschouwd worden als een bestaande veeteeltinrichting vanaf 1 januari 2003. Derhalve wordt niet voldaan aan de voorwaarde zoals omschreven in artikel 2, 7/ van het Mestdecreet.
  7. b)De laatste drie kalenderjaren werd voldaan aan de aangifteplicht en derhalve is de aanvraag verenigbaar met artikel 33ter, §1, 3/ van het Mestdecreet.
  8. c)De af te zetten difosforpentoxide van deze inrichting, bedroeg de laatste 3 kalenderjaren (2003-2005), voorafgaand aan het jaar van de aanvraag, gemiddeld 1.609 kg P205. Deze berekening is bepaald conform de toen geldige wetgeving. De bij de Mestbank bekende wijze van afzet van difosforpentoxide van deze inrichting bedroeg de laatste 3 kalenderjaren, voorafgaand aan het jaar van de aanvraag, gemiddeld 1.467 kg P205. Derhalve werd in het verleden gemiddeld 91 % van de opgegeven mestproductie afgezet conform de bepalingen van het Mestdecreet en werd 142 kg P205 niet afgezet. Binnen de door de Vlaamse Landmaatschappij gehanteerde criteria kan dit als voldoende bestempeld worden en is de aanvraag verenigbaar met artikel 33ter, §1, 3/ van het Mestdecreet.
  9. d)De gewenste vergunde mestproductie voor deze inrichting bedraagt 10.400 kg N en 4.264 kg P205, overeenkomstig de mestproductie van 800 andere varkens. Rekening houdende met de vergunde mestproductie en het onderzoek uitgevoerd m.b.t. de mestafzet, dient de aanvraag beschouwd te worden als een aanvraag tot verdere exploitatie van de vergunning van deze inrichting met een stijging van de vergunde mestproductie tot gevolg. Derhalve is de aanvraag niet verenigbaar met artikel 33ter, §1, 3/ van het Mestdecreet. 5. Uitgaande van de inrichtingsplannen dient er een mestopslagcapaciteit van minimaal 480 m³ mengmest voorzien te worden. Aangezien er een opslagcapaciteit van 510 m³ mengmest voorzien is, is voldaan aan de bepalingen van artikel. 5.9.2.3. van VLAREM II. Gelet op het horen van de heer M. Heyrman, zaakvoerder van de BVBA Herpal en de heer J. Peelen, adviseur van DLV; Gelet op het ongunstig advies dd. 20 november 2007 van de Provinciale Milieuvergunningscommissie (PMVC); op volgende elementen uit dit advies : 1. Horen van partijen - De heer M. Heyrman, zaakvoerder van de BVBA Herpal en de heer J. Peelen, adviseur van DLV, worden gehoord. - De voorzitter licht de ongunstige adviezen van de AMV en de VLM toe. - Desgevraagd verklaart de heer Heyrman de periode van leegstand. Hij stelt dat de geplande verkoop niet is doorgegaan, hoewel er steeds gezegd was dat alles in orde ging komen. Er werd destijds

(2003)contact opgenomen met de heer Stuyckens, waarbij gemeld werd dat, indien er in 2003 nog varkens in de stallen werden gezet, de vergunning in orde zou moeten komen. - De heer Peelen stelt dat er leegstand geweest is in de periode 2001-2003. Herpal heeft de vergunning van de heer Brosens overgenomen in 2003. VII-37.153-7/18 Op 10 september 2003 verleende de VLM een gunstig advies voor de 800 varkens, terwijl op dat moment de vergunning eigenlijk reeds vervallen was. Het verbaast de heer Peelen dat er toen niet gereageerd werd door de vergunningverlenende overheid. De akte van overname dateert van 16 oktober 2003. Op 18 november 2003 zijn de eerste dieren in de stallen gegaan. De overheid heeft de exploitant in het ongewisse gelaten. - De VLM merkt op dat de heer Brosens kon exploiteren i.p.v. de stallen te laten leeg staan. - De heer Peelen merkt op dat de BVBA Herpal geen middelen had om de milieuvergunning in orde te houden. Bijkomend heeft de exploitant grote investeringen gedaan en wil hij nog investeringen doen. - Het ARO merkt op dat de stal aanzienlijk groter gebouwd is dan oorspronkelijk vergund. Er dient bijgevolg een regularisatieaanvraag ingediend te worden. - Desgevraagd antwoordt de heer Peelen dat de stedenbouwkundige aanvraag lopende is. - Desgevraagd verduidelijk(
  1. t)de heer Peelen dat er geen dieren in de stal zaten toen in juli de overeenkomst tussen de heer Brosens en Herpal verbroken werd, omdat er geen milieuvergunning was op naam van de BVBA Herpal. 2. Evaluatie voorwerp besluit - Het voorwerp van het schepencollegebesluit kan behouden blijven. 3. Stedenbouwkundige verenigbaarheid - Het advies van het ARO is principieel gunstig. - De inrichting is volgens het gewestplan Turnhout gelegen in agrarisch gebied. De aanvraag is principieel in overeenstemming met dit plan. - Het bedrijf is stedenbouwkundig slechts gedeeltelijk vergund. De inplanting van de varkensstal komt in principe in aanmerking voor stedenbouwkundige vergunning, gelet op de ligging in agrarisch gebied. De afstand tot het woongebied bedraagt circa 180 meter. In principe is deze afstand voldoende, gelet dat het een bestaand bedrijf en een varkenshouderij met slechts 800 varkens betreft. 4. Openbaar onderzoek - bezwaren - Er werden 83 schriftelijke bezwaarschriften ingediend m.b.t. stankhinder en stedenbouwkundige overtredingen. - Aan deze bezwaren wordt tegemoet gekomen door het verlenen van een ongunstig advies. 5. Milieutechnische evaluatie - Zowel de AMV als de VLM adviseren ongunstig. De laatste varkens werden verkocht op 21/08/2001 en op 18/11/2003 werden er nieuwe biggen geleverd. De periode tussen de verkoop van de laatste varkens en de aankoop van de biggen bedraagt aldus 2 jaar, 2 maanden en 28 dagen. Artikel 46 van Vlarem 1 stelt dat de milieuvergunning van rechtswege vervalt voor de inrichting die gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd. De beroeper stelt echter dat het hier gaat om een geval van overmacht. Volgens de VLM kan er echter geen sprake zijn van overmacht aangezien Brosens Frank (en normaal ook BVBA Herpal) op de hoogte was dat de inrichting als niet-bestaande veeteeltinrichting werd beschouwd en hij toch de vergunning overnam met doel deze te laten samenvoegen met een andere inrichting wat wettelijk gezien niet kan bij een niet-bestaande veeteeltinrichting. Hij was in 2001 dus op de hoogte dat er weinig kans op slagen was dat de vergunning effectief zou kunnen samengevoegd worden met een andere inrichting. Dit wordt zelfs bevestigd op blz. 2 van het beroepschrift van de exploitant. Op 9 juli 2003 werd de notaris van BVBA Herpal op de hoogte gesteld van het feitelijk VII-37.153-8/18 teniet doen van de verkoop. Uitgaande van de verklaringen door het adviesbureau heeft BVBA Herpal toen werken moeten uitvoeren om de stal terug geschikt te maken voor het houden van varkens. Er werd ook geen gedeelte van de stal terug in gebruik genomen, zodat geconcludeerd moet worden dat de werken van die aard waren dat ze betrekking hadden op de volledige stal. De PMVC volgt de ongunstige adviezen en is van mening dat de vergunning geweigerd dient te worden. 6. Watertoets - Uit de toepassing van de beoordelingsschema's m.b.t. de watertoets blijkt dat de gevraagde activiteiten van die aard zijn dat ze niet relevant zijn voor wat betreft de invloed op het watersysteem, zodanig dat geen bijkomend wateradvies vereist is, en dat derhalve de aanvraag voldoet aan de in artikel 5 opgesomde doelstellingen van het decreet integraal waterbeleid. 7. Evaluatie beroep - Het beroep is ongegrond overeenkomstig de ongunstige adviezen van de AMV en de VLM. 8. Evaluatie van het schepencollegebesluit - Het bestreden schepencollegebesluit kan worden bevestigd. Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Turnhout, waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn: agrarisch gebied; Overwegende dat gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat op 3 oktober 2001 het schepencollege van Wuustwezel akte nam van de overname van het veebedrijf van de BVBA Herpal door de heer Frank Brosens; dat laatstgenoemde daarop de procedure startte tot het verkrijgen van een vergunning voor de verplaatsing van de inrichting om ze samen te voegen met zijn mestkalverenbedrijf gelegen te Rijkevorsel, Heesbeekweg 6; dat bij besluit van 19 juni 2003 van de deputatie (ref. MLAV1/03-69) de vergunning geweigerd werd o.b.v. de vaststelling dat de te verplaatsen inrichting een niet-bestaande veeteeltinrichting was en derhalve niet in aanmerking kwam voor verplaatsing; dat op 9 juli 2003 adviesbureau Golufradi (optredend namens Frank Brosens) verklaring van tenietdoen van de verkoop stuurde t.a.v. de notaris die de verkoop begeleidde, met vraag de BVBA Herpal hiervan in kennis te stellen; dat de BVBA Herpal blijkbaar instemde met die visie en op 29 juli 2003 reeds een melding van overname indiende teneinde opnieuw zelf over de vergunningen te kunnen beschikken; dat van die melding op 16 oktober 2003 akte werd genomen, waarna de BVBA Herpal het nodige deed om de stallen opnieuw te bezetten, wat uiteindelijk op 18 november 2003 ook gebeurde; dat tevens dient te worden opgemerkt dat de aanpassingen waarvan sprake in het advies van de VLM blijkbaar (minstens gedeeltelijk) reeds tijdens de overnameprocedure werden doorgevoerd, wat blijkt uit een aantal facturen die werden bezorgd als bijlage bij het beroepschrift; Overwegende dat uit het voorgaande kan worden besloten dat de BVBA Herpal inderdaad te goeder trouw lijkt te hebben gehandeld en als dusdanig niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het niet-exploiteren van de inrichting in de periode 2001-2003, aangezien zij in die periode ingevolge de overname door Frank Brosens niet de exploitant van de inrichting was; dat de verplaatsing die Frank Brosens beoogde niet kon doorgaan bij gebrek aan de nodige vergunningen (een uitkomst die al van bij de opstart van de procedure duidelijk moet zijn geweest), kan, evenmin aan de BVBA Herpal worden verweten; dat de BVBA Herpal akkoord ging met het nietig verklaren van de verkoop o.b.v. VII-37.153-9/18 een zogenaamde opschortende voorwaarde in de verkoopsovereenkomst en aldus de vergunning opnieuw overnam van de heer Brosens, blijkt uit de chronologie van de feiten dat de BVBA Herpal er vanaf het moment dat Frank Brosens de inrichting links liet liggen, alles aan heeft gedaan om de inrichting zo snel mogelijk opnieuw operationeel te krijgen; dat de exploitant terecht stelt dat de overheid bij de overname in 2003 minstens de indruk heeft gewekt dat de vergunningen nog geldig waren; dat de exploitant reden had om aan te nemen dat er wat betreft de vergunningen niet langer een probleem was, behalve dan het feit dat de inrichting op dat moment nog steeds als een niet-bestaande veeteeltinrichting diende te worden beschouwd; Overwegende dat tevens wordt opgemerkt dat er in onderhavig dossier op het moment dat de melding van overname werd ingediend (29 juli 2003), ook nog geen sprake was van niet-exploitatie gedurende meer dan 2 opeenvolgende jaren (die termijn van 2 jaar werd pas bereikt op 21 augustus 2003) en derhalve het verval van de vergunning op basis van artikel 46 nog niet van toepassing was; dat ondanks het feit dat dit vanaf 21 augustus 2003 wel het geval was, de VLM in haar advies van 10 september 2003 toch stelt dat de vergunning voor 800 varkens nog geldig is tot 6 februari 2008; dat ter zake dan ook de billijkheid kan worden ingeroepen; Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek 83 (identieke) bezwaarschriften werden ingediend, met betrekking tot geurhinder, verkeersoverlast en bouwovertredingen; dat met betrekking tot de geurhinder dient te worden vermeld dat dit argument voornamelijk betrekking heeft op de mestopslag; dat het Vlarem daaromtrent voldoende voorwaarden bevat en dat de hinder, mits naleving van de toepasselijke voorwaarden, tot een aanvaardbaar minimum kan worden beperkt; dat de inrichting bovendien gelegen is in het agrarisch gebied, weliswaar op geringe afstand van een woongebied; dat met betrekking tot verkeersoverlast dient te worden gemeld dat dit geen milieutechnisch aspect is en derhalve niet hoeft te worden beoordeeld in het kader van de milieuvergunningsprocedure; dat van een dergelijk bedrijf met geringe omvang geen onaanvaardbare verkeershinder hoeft te worden verwacht; dat met betrekking tot de bouwovertredingen verwezen wordt naar het gunstige advies van het ARO; dat de inrichting gelegen is in agrarisch gebied en de niet-vergunde uitbreidingen blijken in aanmerking te komen voor regularisatie; dat de aanvrager bovendien verklaart deze toestand onverwijld te zullen regulariseren, indien de hernieuwing van de vergunning wordt verkregen; Overwegende dat uit de toepassing van de in artikel 3 §1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 vermelde beoordelingsschema’s blijkt dat de gevraagde activiteiten van die aard zijn dat ze niet relevant zijn voor wat betreft invloed op het watersysteem; dat derhalve de aanvraag voldoet aan de in artikel 5 opgesomde doelstellingen van het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico’s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits naleving van de in onderhavig besluit opgelegde milieuvergunnings- voorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep gegrond te verklaren en de gevraagde vergunning volledig toe te staan voor een termijn verstrijkend op 6 februari 2028. BESLUIT: ARTIKEL 1 - Voorwerp §1 Het beroep, ingediend door de BVBA Herpal tegen het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Rijkevorsel van 19 juli 2007 waarbij aan de BVBA Herpal de vergunning werd geweigerd tot het VII-37.153-10/18 exploiteren te 2310 Rijkevorsel, Salmmeirweg 15 van een varkensbedrijf, is gegrond. Het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Rijkevorsel van 19 juli 2007 wordt opgeheven. §2 Aan de BVBA Herpal gevestigd Laarstraat 115 te 2070 Zwijndrecht wordt onder de voorwaarden bepaald in onderhavig besluit vergunning verleend om een varkensbedrijf gelegen te 2310 Rijkevorsel, Salmmeirweg 15, op de kadastrale percelen (afdeling-sectie-perceelnummer) 00-H-120g, 00-H-120h verder te exploiteren omvattend stallen met plaatsen voor 800 varkens, waarvan 800 andere varkens (9.4.c 1). Akte wordt genomen van de melding m.b.t de volgende klasse 3-inrichting: - de opslag van 510 m³ dierlijke mest, waarvan 510 m³ mengmest (28.2.c.1) Vlaremrubricering: 9.4.1.c.1 - 28.2.c.1. §3 De vergunning d.d. 15 oktober 1992 wordt opgeheven vanaf datum van verstrijken van de lopende vergunning d.d. 6 februari 1978. ARTIKEL 2 - Koppeling aan de bouwvergunning §1 Deze milieuvergunning is geschorst indien voor de inrichting die er het voorwerp van uitmaakt ook een bouwvergunning vereist is krachtens de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, en deze bouwvergunning niet definitief is verleend. Deze schorsing duurt tot de bouwvergunning definitief is verleend of is geweigerd in laatste aanleg. De vergunninghouder dient het definitief verkrijgen van de bouwvergunning te melden aan de deputatie bij ter post aangetekende zending. §2 De geschorste milieuvergunning vervalt van rechtswege op de dag waarop de bouwvergunning in laatste aanleg definitief zou geweigerd worden. §3 De bouwvergunning die verkregen is voor de inrichting die het voorwerp is van de voormelde milieuvergunningsaanvraag wordt geschorst zolang de milieuvergunning niet definitief is verleend. §4 Deze geschorste bouwvergunning vervalt van rechtswege op de dag waarop de milieuvergunning in laatste aanleg definitief zou geweigerd worden. ARTIKEL 3 - Vergunningstermijn De in artikel 1 bedoelde vergunning wordt verleend voor eèn termijn: 1. die aanvangt op 6 februari 2008, samenvallend met de einddatum van de termijn van de eerder verleende vergunning dd. 6 februari 1978 behoudens wanneer:
  2. a)deze milieuvergunning is geschorst omdat de bouwvergunning op datum van deze milieuvergunning niet definitief is verleend; in dat geval vangt de vergunningstermijn aan op de datum waarop de bouwvergunning definitief is verleend; de exploitant dient deze datum bij aangetekende brief te melden aan de deputatie;
  3. b)Onderhavige milieuvergunning overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, §2 van rechtswege vervalt; in dat geval is geen enkele vergunningstermijn toegestaan. 2. die eindigt op 6 februari 2028. ARTIKEL 4 - Voorwaarden De in artikel 1 bedoelde vergunning is afhankelijk van de strikte naleving van de volgende voorwaarden (in bijlage): §1. Algemene: VOl - algemene milieuvoorwaarden: algemeen - hoofdstukken 4.1, 4.6, 4.7 V02 - algemene milieuvoorwaarden: geluid - hoofdstuk 4.5 VII-37.153-11/18 §2 Sectorale V32 - dieren - hoofdstuk 5.9 §3. Bijzondere:/ De opgesomde algemene en sectorale milieuvoorwaarden kunnen teruggevonden worden in Vlarem II (of bijgevoegde cd-rom). Deze zijn evenwel louter indicatief; bij wijzigingen van Vlarem II wordt de exploitant immers steeds geacht de meest actuele versie van de van toepassing zijnde bepalingen na te leven. ARTIKEL 5 - Onderhavige vergunning doet geen afbreuk aan de rechten van derden. ARTIKEL 6 - §1. Voor elke verandering van de vergunde inrichting gelden de bepalingen van hoofdstuk III-bis van titel I van het Vlarem. §2. Elke overname van de inrichting door een andere exploitant dient vóór de datum van inwerkingtreding van de overname gemeld aan de vergunningsverlenende overheid, overeenkomstig de bepalingen van artikel 42 van het Vlarem. §3. Een hernieuwing van de vergunning moet worden aangevraagd overeenkomstig de bepalingen van het Vlarem uiterlijk tussen de 18de en de 12de maand vóór het verstrijken van de vergunningstermijn van de lopende vergunning". IV. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen 4. De verzoekende partij roept in haar enig middel de schending in van artikel 28 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet), van artikel 46 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Zij geeft volgende toelichting bij haar middel : "26. Artikel 28 van het Milieuvergunningsdecreet dd. 28 juni 1985 stelt het volgende: 'Artikel 28. § 1 De vergunning vervalt van rechtswege wanneer zij betrekking heeft op een inrichting: 1. die niet in gebruik werd genomen binnen de krachtens artikel 17 bepaalde termijn; 2. die vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie van de inrichting; 3. die gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd uitgezonderd de inrichtingen, vermeld onder de rubriek 9. Dieren van de lijst die als bijlage 1 gevoegd is bij het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende de vaststelling VII-37.153-12/18 van het Vlaamse Reglement betreffende de milieuvergunning, die in toepassing van artikel 47, § 2, van het Mestdecreet van 22 december 2006 hun activiteiten gedurende maximaal 5 jaar geheel of gedeeltelijk stopgezet hebben; 4. die door de exploitant op vrijwillige basis volledig en definitief is stopgezet overeenkomstig de voorwaarden en regels, bedoeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en de uitvoeringsbesluiten ervan. De Vlaamse regering kan de nadere voorwaarden en regels met betrekking tot de inkennisstelling van de stopzetting en het verval van de vergunning vaststellen. § 2 Indien de in § 1 genoemde gevallen slechts betrekking hebben op een gedeelte van de inrichting, vervalt de vergunning slechts voor dat gedeelte'. 27. Artikel 46 VLAREM I stelt in dezelfde zin: 'Artikel 46. De in artikel 5 bedoelde milieuvergunning vervalt van rechtswege voor de inrichting die of voor het gedeelte van de inrichting dat: 1. niet is in gebruik genomen binnen de overeenkomstig artikel 30 vastgestelde termijn van ingebruikname; 2. vernield is wegens brand of ontploffing veroorzaakt ten gevolge van de exploitatie van de inrichting; 3. gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd; 4. niet verder wordt geëxploiteerd overeenkomstig de voorwaarden en regels, bedoeld in het decreet van 9 maart 2001 tot regeling van de vrijwillige, volledige en definitieve stopzetting van de productie van alle dierlijke mest, afkomstig van een of meerdere diersoorten, en zijn uitvoeringsbesluiten'. 28. Wanneer met andere woorden gedurende een periode van meer dan twee jaar geen gebruik gemaakt wordt van een milieuvergunning, dient deze als vervallen aanzien te worden. 29. In casu werd gedurende een termijn van meer dan twee jaar, in de periode 2001-2003 geen gebruik gemaakt van de milieuvergunning voor de inrichting. 30. Voorgaand element vormde de basis voor het negatief advies van zowel de Afdeling Milieuvergunningen (AMV) als van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM). Deze adviezen werden in de feitenlijke uiteenzetting integraal geciteerd. 31. Beide adviezen werden geciteerd in de bestreden beslissing. De Deputatie meende echter aan deze argumentatie voorbij te kunnen gaan, en motiveerde dit als volgt: 'Overwegende dat uit het voorgaande kan worden besloten dat de BVBA Herpal inderdaad te goeder trouw lijkt te hebben gehandeld en als dusdanig niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het niet exploiteren van de inrichting in de periode 2001-2003, aangezien zij in die periode ingevolge de overname door Frank Brosens niet de exploitant van de inrichting was; dat de verplaatsing die Frank Brosens beoogde niet kon doorgaan hij gebrek aan de nodige vergunningen (een uitkomst die al van bij de opstart van de procedure duidelijk moet zijn geweest) kan evenmin aan de BVBA Herpal worden verweten; dat de BVBA Herpal akkoord ging met het nietigverklaren van de verkoop op basis van een zogenaamde opschortende voorwaarde in de verkoopsovereenkomst en aldus de vergunning opnieuw overnam van de heer Brosens, blijkt uit de chronologie van de feiten dat de BVBA Herpal vanaf het moment dat Frank Brosens de inrichting links liet liggen, alles aan heeft gedaan om de VII-37.153-13/18 inrichting zo snel mogelijk opnieuw operationeel te krijgen; dat de exploitant terecht stelt dat de overheid bij de overname in 2003 minstens de indruk heeft gewekt dat de vergunningen nog geldig waren; dat de exploitant reden had om aan te nemen dat er wat betreft de vergunningen niet langer een probleem was, behalve dan het feit dat de inrichting op dat moment nog steeds als een niet-bestaande veeteeltinrichting diende te worden beschouwd; Overwegende dat tevens wordt opgemerkt dat er in onderhavig dossier op het moment dat de melding van overname werd ingediend (29 juli 2003), ook nog geen sprake was van niet-exploitatie gedurende meer dan 2 opeenvolgende jaren (die termijn van 2 jaar werd pas bereikt op 21 augustus 2003) en derhalve het verval van de vergunning op basis van artikel 46 nog niet van toepassing was; dat ondanks het feit dat dit vanaf 21 augustus 2003 wel het geval was, de VLM in haar advies van 10 september 2003 toch stelt dat de vergunning voor 800 varkens nog geldig is tot 6 februari 2008; dat terzake dan ook de billijkheid kan worden ingeroepen'. 32. De Deputatie meende met andere woorden om billijkheidsredenen, dus op basis van overmacht, voorbij te kunnen gaan aan de duidelijke bepalingen van artikel 28 MVD en artikel 46 VLAREM I. 33. Verzoekende partij kan zich niet vinden in deze motivering. Immers, noch artikel 28 MVD, noch artikel 46 VLAREM I staan een mogelijkheid tot afwijking van deze artikelen toe op grond van billijkheidsredenen. Beide artikelen zijn duidelijk en behoeven geen bijkomende interpretatie. Er kan niet van worden afgeweken. De rechtspraak van Uw Raad is duidelijk in dit verband. De artikelen 28 MVD en 46 VLAREM I laten geen beleidsruimte aan de bevoegde overheid. Zij dienen restrictief te worden geïnterpreteerd. 34. Ten onrechte wordt in de bestreden beslissing afgeweken van de artikelen 28 MVD en 46 VLAREM I. Daarenboven wordt niet gemotiveerd op basis waarvan de Deputatie van oordeel ZOU zijn dat deze afwijkingsmogelijk- heid contra legem zou bestaan. Zelfs indien dus al afgeweken zou kunnen worden van de beide genoemde bepalingen, is het bestreden besluit manifest onvoldoende gemotiveerd. 35. Het eerste en enig middel is gegrond. De bestreden beslissing dient vernietigd te worden". 5. De verwerende partij antwoordt hierop, benevens het citeren uit de bestreden beslissing, in essentie als volgt : "Hierop dient te worden gerepliceerd dat tegenpartij er blijkbaar van uitgaat dat men alleen toepassing kan maken van billijkheid, als uitdrukkelijk in die rechtsregel staat vermeld dat men in geval van billijkheid kan afwijken van een bepaalde regel. Dit is een verkeerde voorstelling van zaken. Het is uiteraard steeds mogelijk om toepassing te maken van billijkheid indien de beoordelende overheid van mening is dat, na het uiteraard zorgvuldig afwegen van de belangen van de beide partijen, een letterlijke toepassing van de rechtsregel een partij zou benadelen in die zin dat die partij er alles voor heeft gedaan om zich conform de geldende wetgeving te gedragen doch dat door een aantal feiten, geheel buiten de wil van deze partij (bijvoorbeeld in geval van overmacht), het haar helemaal onmogelijk is volledig te voldoen aan de geldende wetgeving. De deputatie was ter zake van mening dat de BVBA Herpal inderdaad volledig ter goeder trouw heeft gehandeld en dat het feit dat bedoelde inrichting VII-37.153-14/18 gedurende de periode 2001-2003 niet werd geëxploiteerd volledig te wijten was aan feiten buiten de wil van de BVBA Herpal. Het was gedurende die periode inderdaad de heer F. Brosens die na een overname de exploitant was van deze inrichting. De deputatie ging er m.a.w. van uit dat men moeilijk feiten ten laste kon leggen van de BVBA Herpal op het moment dat ze zelf geen exploitant was en oordeelde derhalve uit billijkheid dat ze niet verantwoordelijk was voor de niet-exploitatie gedurende twee jaar en twee maanden. Tevens kan aan de BVBA Herpal absoluut niet worden verweten dat ze akkoord ging met het nietig verklaren van de verkoop op grond van de opschortende voorwaarde in de verkoopsovereenkomst, de heer F. Brosens geraakte immers niet aan de nodige vergunningen om de verplaatsing te kunnen laten doorgaan, zodat voornoemde voorwaarde zeker kon worden ingeroepen. Een bijkomend element waarom de deputatie ter zake toepassing heeft gemaakt van billijkheid is dat uit alle elementen uit het dossier blijkt dat de BVBA Herpal vanaf het moment dat ze terug exploitant is van deze inrichting er werkelijk alles aan heeft gedaan om de inrichting zo snel mogelijk weer operationeel te maken, wat ontegensprekelijk aantoonde dat de BVBA Herpal ter goeder trouw was en zich alleszins zo snel mogelijk conform de wetgeving wenste te stellen en dat het er daarenboven alle schijn van had dat de BVBA Herpal er mocht van uit gaan dat de verleende vergunningen nog steeds geldig waren. Bijkomend element voor de deputatie om billijkheid toe te passen was het feit dat op het moment dat de melding van overname werd ingediend (29 juli 2003) er nog geen sprake was van niet-exploitatie gedurende meer dan 2 opeenvolgende jaren (die termijn van 2 jaar werd pas bereikt op 21 augustus 2003), zodat werd gemeend dat zelfs met een letterlijke toepassing van de wetgeving de termijn van twee jaar niet was overschreden. Ook het argument van tegenpartij dat het bestreden besluit van de deputatie onvoldoende zou zijn gemotiveerd is manifest onjuist. In bedoeld besluit worden immers integraal alle adviezen vermeld inclusief het volledige advies van de PMVC". 6. De tussenkomende partij merkt het volgende op : "Terecht heeft de Deputatie rekening gehouden met 2 argumenten, om vast te stellen dat de vergunning niet als vervallen kan worden beschouwd. Ten eerste kan men niet voorbij de vaststelling dat noch verzoekende partij, noch de Vlaamse Landmaatschappij naar aanleiding van de beslissing tot overname van de vergunning door tussenkomende partij van de heer BROSENS opgemerkt hebben dat de vergunning vervallen zou zijn. Bij besluit van 16 oktober 2003 heeft verzoekende partij zelf akte genomen van de melding tot overname niettegenstaande de vergunning op dat moment - althans volgens verzoekster - reeds vervallen was. Daar waar men wél melding maakt van de opmerking dat de inrichting geen bestaande veeteeltinrichting is (element dat inmiddels niet meer geldt gelet op de wijziging van artikel 2,7e Mestdecreet bij artikel 4 van het decreet van 22 april 2005, B.S. 13 mei 2005) wordt met geen woord gerept over het mogelijke verval van de vergunning bij gebrek aan exploitatie gedurende een periode van meer dan 2 opeenvolgende jaren. Verzoekende partij zelf heeft dus het vertrouwen gewekt dat er geen sprake was van enig verval van de vergunning. Ten tweede werd rekening gehouden met de omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode 2001 - 2003 waardoor er van verval geen sprake is. Enerzijds is er de vaststelling dat tussenkomende partij geen VII-37.153-15/18 exploitant meer was, maar wel de heer BROSENS. Ingevolge zijn handelen (of nalaten te handelen) werd veel tijd verloren met het aanvragen van vergunningen en werd nagelaten gedurende die periode effectief dieren te stallen. Anderzijds moet opgemerkt worden dat de stallen steeds in stand gehouden werden zodat er varkens gehouden konden worden. De investeringen die tussenkomende partij liet uitvoeren, hadden enkel een verhoging van de productiviteit op het oog, waarbij gebruik gemaakt werd van de opportuniteit van de leegstaande stallen. In geen geval waren de stallen op dat moment ongeschikt of onbruikbaar. Gelet op deze gegevens heeft verwerende partij terecht de weigering door verzoekende partij ongedaan gemaakt en de hernieuwing van de exploitatie vergund". 7. De verzoekende partij ten slotte stelt dat er geen discussie over kan bestaan dat gedurende meer dan twee jaar feitelijk niet werd geëxploiteerd zodat de milieuvergunning na deze twee jaar als vervallen dient te worden beschouwd; het duidelijke artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet laat geen afwijking op deze vervalregeling toe op basis van billijkheid. Ook merkt de verzoekende partij op dat het feit dat de stallen steeds gebruiksklaar bleven, onvoldoende is om aan de vervalregeling te ontkomen; er dient sprake te zijn van het feitelijk houden van het vergunde aantal dieren, hetgeen te dezen niet het geval was. Beoordeling 8. Artikel 28, § 1, 3/, van het milieuvergunningsdecreet bepaalde, op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, wat volgt : "§1. De vergunning vervalt van rechtswege wanneer zij betrekking heeft op een inrichting: (...) 3/ die gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd uitgezonderd de inrichtingen, vermeld onder de rubriek 9. Dieren van de lijst die als bijlage 1 gevoegd is bij het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende de vaststelling van het Vlaamse Reglement betreffende de milieuvergunning, die in toepassing van artikel 47, § 2, van het Mestdecreet van 22 december 2006 hun activiteiten gedurende maximaal 5 jaar geheel of gedeeltelijk stopgezet hebben". Artikel 46, 3/, van Vlarem I luidde, op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, als volgt : VII-37.153-16/18 "De in artikel 5 bedoelde milieuvergunning vervalt van rechtswege voor de inrichting die of voor het gedeelte van de inrichting dat: (...) 3/ gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd". Uit voornoemde bepalingen van het milieuvergunningsdecreet en van Vlarem I blijkt dat de milieuvergunning vervalt indien de inrichting waarop de vergunning betrekking heeft, gedurende twee opeenvolgende jaren niet wordt geëxploiteerd. In het voorliggende geval gaf de tussenkomende partij in haar beroepschrift zelf te kennen dat de laatste biggen verkocht werden op 21 augustus 2001 en dat er pas op 18 november 2003 opnieuw biggen op stal waren. Geen van de betrokken partijen of adviesverlenende overheidsinstanties trekt deze feitelijke gegevens in twijfel. Dit betekent dat de inrichting gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd, hetgeen voor gevolg heeft dat de vergunning vervallen is. Van een vervallen vergunning kan niet de hernieuwing, met het oog op verdere exploitatie, worden gevraagd. De voornoemde bepalingen laten geen beleidsruimte toe waar ze bepalen dat de vergunning van rechtswege vervalt wanneer de exploitant gedurende twee opeenvolgende jaren -om welke reden dan ook- zijn inrichting niet exploiteert. De door de verwerende partij ingeroepen billijkheidsredenen kunnen dan ook niet opwegen tegen de duidelijke tekst van het decreet en van het besluit van de Vlaamse regering. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat het louter instandhouden van de stallen zonder het houden van dieren, niet beantwoordt aan de exploitatie vereist om het verval van de vergunning af te wenden. 9. Voorzover uit de bestreden beslissing zou kunnen worden afgeleid dat de verwerende partij zich beroept op overmacht om de voornoemde bepalingen niet toe te passen, dient te worden opgemerkt dat in deze bepalingen geen sprake is van overmacht; in deze bepalingen worden trouwens toepassingen van verval van de vergunning opgesomd die precies overmacht lijken te impliceren, zoals brand of ontploffing van de inrichting. 10. Het middel is gegrond. VII-37.153-17/18 BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 20 december 2007 waarbij het beroep van de BVBA Herpal ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Rijkevorsel van 19 juli 2007, houdende de weigering van de vergunning om een varkensbedrijf, gelegen aan de Salmmeirweg 15 te Rijkevorsel, verder te exploiteren, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning wordt verleend. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien november tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.153-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.987 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.