← België

Arrest 197988 - Natuurbehoud - Vergunningen - 19/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.988 Rolnummer: A. 143886/VII-31032 Zaak: Arrest 197988 - Natuurbehoud - Vergunningen - 19/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-01 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:52 Fiche Arrest nr 197.988 van 19 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 197.988 van 19 november 2009 in de zaak A. 143.886/VII-31.

  1. In zake:
  2. de VZW HUBERTUSVERENIGING VLAANDEREN
  3. de NV BLAUWMOLEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Bouckaert kantoor houdend te Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Bergé kantoor houdend te Leuven Naamsestraat 165 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 12 november 2003, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 2003 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van natuurreservaten en van terreinbeherende natuurverenigingen en houdende toekenning van subsidies. II. Verloop van de rechtspleging
  5. Bij arrest nr. 185.810 van 28 augustus 2008 werden de debatten heropend, werd aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag gesteld of artikel 44 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in de mate dat het de subsidiëring van de aankoop van gebieden met het oog op natuurbehoud verbindt aan de oprichting van erkende reservaten door erkende terreinbeherende natuurverenigingen en de subsidiëring aldus mogelijk maakt ongeacht de bestemming die aan de desbetreffende terreinen overeenkomstig de wetgeving op de ruimtelijke ordening wordt verleend, met uitzondering van de beperkingen die in VII-31.032-1/6 artikel 44, § 2, lid 2, voorzien werden, werd het tweede middel ongegrond verklaard en werd het door de auditeur-generaal aan te wijzen lid van het auditoraat ermee gelast om, na de ontvangst van het antwoord van het Grondwettelijk Hof op de voormelde prejudiciële vraag, het onderzoek van het eerste middel voort te zetten. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 90/2009 van 28 mei 2009 de bovenvermelde prejudiciële vraag ontkennend beantwoord. Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 oktober
  6. Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jan Bouckaert, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Justin Simenon, die loco advocaat Jan Bergé verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten
  8. Er wordt, wat de feitelijke uiteenzetting betreft, verwezen naar het arrest van de Raad van State nr. 178.906 van 24 januari
  9. VII-31.032-2/6 IV. Onderzoek van de middelen 4.
  10. Het tweede middel werd ongegrond bevonden in het arrest nr. 185.810 van 28 augustus
  11. Eerste middel Standpunt van de partijen 4.
  12. De verzoekende partijen voeren een eerste middel aan, afgeleid uit de schending van artikel 9 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna : natuurbehouddecreet), van het gelijkheidsbeginsel neergelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het materiële motiverings-, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, in zoverre het bestreden besluit inzake subsidiëring een onderscheid maakt tussen degenen die de mogelijkheid hebben om de planbestemming van hun terrein te realiseren, en degenen die die mogelijkheid niet hebben, zonder hiervoor een objectief en redelijk verantwoord criterium aan te geven. In essentie heeft het middel betrekking op de voorwaarde bepaald in het voormelde artikel 9, betreffende het feit dat, opdat bepaalde maatregelen gebruiks- en eigendomsbeperkingen in het belang van het natuurbehoud kunnen opleggen, die beperkingen in principe niet absoluut werken of handelingen verbieden of onmogelijk maken die overeenstemmen met de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen, noch de realisatie van die plannen en hun bestemmingsvoorschriften verhinderen. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de artikelen 5 tot 9 van het bestreden besluit een onderscheid hadden moeten maken tussen, enerzijds, gronden die in de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen, van kracht in de ruimtelijke ordening, als natuurreservaat of natuurgebied met wetenschappelijke waarde zijn aangeduid en, anderzijds, gronden die in de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen, van kracht in de ruimtelijke ordening, een andere bestemming hebben. Zij menen dat het bestreden besluit zodanig hoge subsidiebedragen vastlegt dat, zelfs buiten de gebieden die als natuurreservaat of natuurgebied met wetenschappelijke waarde zijn aangewezen in de plannen van aanleg of in de ruimtelijke uitvoeringsplannen, gebieden kunnen worden aangekocht met het oog op de erkenning ervan als natuurreservaat. Het realiseren van een beleid inzake natuurbehoud en -beheer zou volgens hen geen objectieve en redelijke VII-31.032-3/6 verantwoording kunnen vormen voor het uithollen van bepaalde functies die ook bijdragen tot natuurbehoud, zoals de jacht, in gebieden die als natuurreservaat worden erkend na te zijn verworven door erkende terreinbeherende natuurverenigingen met subsidies, verkregen met toepassing van het bestreden besluit. De erkenning van een gebied als natuurreservaat zou volgens hen evenmin een objectieve en redelijke verantwoording kunnen uitmaken voor de uitholling van de functies van de gebieden, overeenkomstig de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen. 4.
  13. De verwerende partij brengt hier in haar memorie van antwoord vooreerst tegen in dat het middel niet ontvankelijk is voor zover het steunt op artikel 9 van het natuurbehouddecreet, omdat de verzoekende partijen niet aantonen dat artikel 9, § 1, van dat decreet van toepassing is. Volgens de verwerende partij gaat het hierbij in essentie om gebruiksbeperkingen, daar waar de geviseerde aankoopsubsidies een tegemoetkoming vormen bij de eigendomsverwerving. Voorts meent de verwerende partij dat de subsidieregeling in het bestreden besluit in grote lijnen hetzelfde is voor elk van de bestemmingsgebieden vermeld in artikel 8, § 2, a) tot en met f), van dat besluit en dat de subsidie telkens in principe 90 % bedraagt van het aankoopbedrag voor de schijf kleiner dan of gelijk aan 10.000 euro per hectare. Volgens de verwerende partij vloeien de gebruiksbeperkingen ten slotte rechtstreeks voort uit artikel 35 van het natuurbehouddecreet, en niet uit het bestreden besluit. 4.
  14. De verzoekende partijen repliceren in hun memorie van wederantwoord dat de aankoopsubsidies weliswaar een tegemoetkoming vormen bij de eigendomsverwerving, doch dat het bestreden besluit zich daar niet toe beperkt. Zij menen dat de aangevoerde ongelijkheid er precies in bestaat dat op verschillende bestemmingsgebieden dezelfde subsidiepercentages worden toegepast. 4.
  15. In hun laatste memorie betogen de verzoekende partijen dat het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 90/2009 van 28 mei 2009 niet betekent dat de Raad van State is "vrijgesteld van enig onderzoek van het bestreden subsidiebesluit zelf in het licht van het aangevoerde middel". VII-31.032-4/6 Beoordeling 4.
  16. De artikelen 5 tot 9 van het bestreden besluit voeren artikel 44 van het natuurbehouddecreet uit. Het is op grond van deze bepaling dat het door de verzoekende partijen vooropgestelde criterium van onderscheid, afgeleid uit de planologische of ruimtelijke bestemming van de gronden, niet wordt aangewend voor de aankoopsubsidies van gronden met het oog op de oprichting van erkende reservaten. De artikelen 5 tot 9 van het bestreden besluit bevatten geen maatregelen "bedoeld in artikel 8, artikel 13, artikel 36ter, §§1, 2 en 5, tweede lid en Hoofdstuk VI" van het natuurbehouddecreet. Artikel 9 van dit decreet is dan ook niet van toepassing. In zoverre het middel de schending aanvoert van artikel 9 van het natuurbehouddecreet is het ongegrond. Over artikel 44 van het natuurbehouddecreet heeft het Grondwettelijk Hof, als antwoord op een prejudiciële vraag die de Raad van State in zijn arrest nr. 185.810 van 28 augustus 2008 heeft gesteld, met zijn arrest nr. 90/2009 van 28 mei 2009 voor recht gezegd dat het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. Daarbij wordt onder meer in overweging B van het arrest gesteld dat de maatregel waarbij de mogelijkheid tot subsidiëring van de aankoop van onroerende goederen wordt beperkt tot de aankoop van gebieden met het oog op de oprichting van erkende reservaten, met alle beperkingen die deze erkenning met zich meebrengt wat betreft de uitgeoefende rechten op de goederen en hun gebruik, redelijk verantwoord is, ongeacht de stedenbouwkundige bestemming van de aangekochte gronden. Om dezelfde reden kan worden aangenomen dat een dergelijke maatregel, vervat in het bestreden uitvoeringsbesluit, redelijk verantwoord is en de in het middel aangehaalde bepalingen of beginselen niet schendt. De niet onderbouwde bewering in de laatste memorie als zouden de bepalingen van het bestreden besluit zelf het gelijkheidsbeginsel schenden, wordt reeds tegengesproken door het voornoemde arrest van het Grondwettelijk Hof en kan de Raad van State niet tot een ander oordeel brengen. Het eerste middel is dan ook niet gegrond. VII-31.032-5/6 BESLISSING
  17. De Raad van State verwerpt het beroep.
  18. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien november tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Dieter Decock, griffier. De griffier De voorzitter Dieter Decock Luc Hellin VII-31.032-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.988 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.178.906 ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.810 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.