id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.090 Rolnummer: A. 178463/X-13076 Zaak: Arrest 198090 - Plannen van aanleg - 23/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-30 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 03:54 Fiche Arrest nr 198.090 van 23 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 198.090 van 23 november 2009 in de zaak A. 178.463/X-13.076. In zake : de gemeente ZEDELGEM, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Baron Ruzettelaan 27 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Y. FRANÇOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat 10. tussenkomende partij : de n.v. DE RESE ROGER, die woonplaats kiest bij advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CAREME, kantoor houdende te 3001 HEVERLEE, Industrieweg 4, bus 1. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente ZEDELGEM op 13 november 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 15 september 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende de onthouding van goedkeuring van de gedeeltelijke herziening van het bijzonder plan van aanleg “Sint-Elooi IIb” van de gemeente Zedelgem, bestaande uit een plan van de bestaande toestand en een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 17 januari 2007 ingediend door de n.v. DE RESE ROGER; Gelet op de beschikking van 14 februari 2007 die de tussenkomst van de n.v. DE RESE ROGER toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; X-13.076-1/21 Gezien de memorie van de tussenkomende partij Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partij en de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 20 mei 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 juni 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN WYNSBERGE, die loco advocaat A. LUST verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat E. DE VYLDER, die loco advocaat Y. FRANCOIS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat M. van DIEVOET, die loco advocaat P. LUYPAERS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De tussenkomende partij exploiteert “op de terreinen gelegen aan de Torhoutsesteenweg 237 te Zedelgem, kadastraal gekend onder afdeling I, sectie F, nr. 1099/w en 1135/S/d1, een slachthuis”. De tussenkomende partij heeft voor deze exploitatie een milieuvergunning verkregen die geldt tot 14 mei 2012. De voornoemde terreinen zijn, volgens het gewestplan Brugge - Oostkust, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977, gelegen in woongebied. Volgens het bijzonder plan van aanleg “Sint-Elooi II”, goedgekeurd bij ministerieel X-13.076-2/21 besluit van 9 juni 1992, zijn deze terreinen evenwel gelegen in een nijverheidszone omringd door een bufferzone. 1.2. De gemeente Zedelgem beschikt nog niet over een goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. 1.3. Op 19 mei 2005 beslist de gemeenteraad van Zedelgem “(h)et ontwerp van het herziene deel van het BPA Sint-Elooi IIb Zedelgem” voorlopig te aanvaarden en het ontwerp aan een openbaar onderzoek te onderwerpen. 1.4. Volgens de toelichtingsnota bij het voornoemde ontwerp van bijzonder plan van aanleg omvat het plangebied “hoofdzakelijk residentiële bebouwing met langs de Torhoutse steenweg een verwevenheid van functies. Op de hoek van de Hoge Vautestraat en de Torhoutse steenweg is een slachthuis gesitueerd binnen het woongebied volgens het gewestplan, doch binnen een geëigende bestemmingszone volgens het vigerend BPA”. Nog volgens deze nota bestaat het “Basisopzet van het plan” in het “(c)onsolideren van een aantal bestaande toestandsituaties die grotendeels vergund zijn op basis van het oude BPA dat een aantal van het gewestplan afwijkende mogelijkheden bood betreffende de invulling van industriegebied en woongebied”. Voorts bestaat het opzet erin “(d)uidelijkheid (
- te)verschaffen betreffende de toekomstmogelijkheden voor het slachthuis in functie van de huidige bedrijfsexploitatie en in functie van het bieden van zekerheid voor de buurt” en een duidelijk kader te creëren “waarbinnen de toekomstige ontwikkelingen voor de omgeving van het slachthuis worden vastgelegd”. Tot slot wordt nog gesteld dat “(h)et plan (...) geen bijkomende afwijkingen (bevat) ten opzichte van het gewestplan” en het “de bedoeling (heeft) de afwijkende industriële bestemming op te heffen”. 1.5. Ten aanzien van het slachthuis, geëxploiteerd door de tussenkomende partij, bevatten de stedenbouwkundige voorschriften van het voornoemd ontwerp van bijzonder plan van aanleg onder meer het volgende: “3. PROJECTZONE IN FUNCTIE VAN RECONVERSIE VAN SLACHTHUIS NAAR VERDICHT WONEN 3.1. Bestemmingsomschrijving 3.1.1. Projectzone in functie van de reconversie van slachthuis naar verdicht wonen: Zone waar het slachthuis kan bestendigd worden tot ten laatste 14 mei 2012 en waarbij, na stopzetting van deze activiteit, een project rond verdicht wonen, X-13.076-3/21 eventueel aangevuld met woon- en centrumondersteunende functies zoals handel, kantoren en horeca, kan worden gerealiseerd. Deze ondersteunende nevenfuncties kunnen alleen op het gelijkvloers worden gerealiseerd. 3.1.2. Bestemming: Bestendiging van de huidige activiteiten van het slachthuis tot uiterlijk 14 mei 2012. Zodra de activiteiten worden stopgezet kan een totaalproject in functie van een woonbestemming eventueel aangevuld met woon- en centrumondersteunende functies zoals handel, kantoren en horeca worden gerealiseerd. In functie van de bestendiging van het slachthuis zijn enkel verbouwingen en/of uitbreidingen toegelaten die een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg zijn van regelgeving in verband met milieu, veiligheid en/of hygiëne”. 1.6. Tijdens het openbaar onderzoek omtrent het ontwerp van bijzonder plan van aanleg wordt één bezwaar ingediend, uitgaande van de tussenkomende partij. Een deel van dit bezwaar wordt door de Gecoro besproken en weerlegd als volgt : “Punt 2 van het bewaar. De stedenbouwkundige voorschriften voor de projectzone in functie van de reconversie van het slachthuis naar verdicht wonen - algemene beschouwingen Ingevolge de stedenbouwkundige voorschriften voor de projectzone in functie van de reconversie van het slachthuis naar verdicht wonen, wordt het slachthuis slechts t.e.m. 14 mei 2012 bestendigd (= einde van het huidige milieuvergunning). Op grond van de nabestemming krachtens onderhavig BPA zal onmogelijk nog een milieuvergunning kunnen worden verleend. Het maatschappelijk doel van de bezwaarindiener strekt nochtans tot alle handel-, nijverheids-, en financiële verrichtingen in verband met slachthuis, slachten van dieren bestemd voor de consumptie (uitgezonderd pluimvee), groothandel in vlees- en veehandel, diepgevroren vlees en vleesconserven, dit alles in de ruimste zin van het woord. De bezwaarindiener exploiteert een slachthuis voor slachtdieren - thans uitsluitend varkens - te 8210 Zedelgem, Torhoutsesteenweg 237, waarvoor zij eerst op 23 april 1986 een erkenning met goedgekeurde plannen heeft gekregen, en op 17 december 1996 een definitieve erkenning EEG 111 heeft verkregen. Zij beschikt over een milieuvergunning tot en met 14 mei 2012. De bezwaarindiener stelt voltijds 3I werknemers tewerk, alsmede een 10-tal personen op zelfstandige basis. Bovendien doet zij quasi fulltime beroep op 13 veerartsen-keurders. Ingevolge de wijziging van het BPA wordt de bezwaarindiener genoodzaakt om te herlokaliseren, zulks in de mate dat o.a. de gemeente Zedelgem en/of het WVI en/of enige andere administratieve overheid hiertoe gronden ter beschikking stelt. De bezwaarindiener heeft alleszins nood aan 3 ha teneinde de exploitatie op een rendabele manier en op een wijze die aan de huidige vereisten voor nieuwe inrichtingen voldoet, te kunnen voortzetten. Niettegenstaande de administratieve overheden minstens sinds juni 2004 de noden en behoeften van herlocatie goed kennen, kan tot op heden niemand aan de bezwaarindiener verzekeren dat er aan de bezwaarindiener daadwerkelijk gronden zullen ter beschikking worden gesteld. Er wordt nog steeds niet verzekerd wanneer, waar en onder welke voorwaarden de inrichting zou kunnen worden geherlokaliseerd. X-13.076-4/21 Eén en ander strookt niet met het basisopzet van het plan (duidelijkheid verschaffen betreffende de toekomstmogelijkheden voor het slachthuis in functie van de huidige bedrijfsexploitatie... (cf. toelichtingsnota bij het BPA)). De bezwaarindiener formuleert derhalve uitdrukkelijk voorbehoud voor het vorderen van schadevergoeding op grond van artikelen 1382 e.v. B.W. en/of artikel 35 van het decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening (planschade) en/of de leer van de quasi-onteigening (art. 1 van het Eerste Aanvullend Protocol van het EVRM). Antwoord van de Gecoro op punt 2 van het bezwaar:
- a)De Gecoro stelt vast dat het slachthuis ruimtelijk bijzonder slecht gelegen is op de huidige plaats. Het slachthuis is langs alle zijden omgeven door woningen. Sinds geruime tijd stelt zich daar dan ook een ernstig probleem van vooral geur-, lawaai- en verkeershinder (aan- en afvoer).Herhaaldelijk was er protest vanwege de omwonenden. Ruimtelijk ligt het slachthuis pal in het centrum van het kerkdorp Zedelgem Sint-Elooi. Het is de bedoeling de woonfunctie binnen dit kerkdorp te verstevigen. Om al deze redenen is een verder bestendigen van het slachthuis op die plaats ruimtelijk niet meer verantwoord en dringt een herlocalisatie zich op.
- b)Terecht werd er door het gemeentebestuur voor geopteerd om de wijziging in de bestemming lang genoeg op voorhand door te voeren, ten einde de uitbater lang genoeg op voorhand de gelegenheid te geven zich te herlokaliseren op een niet-storende plaats, buiten bebouwde kernen. Het plan beoogt dus wel duidelijkheid te verschaffen omtrent de toekomst van het slachthuis en licht de uitbater tijdig in van de onmogelijkheid om ter plekke de uitbating te kunnen verder zetten. De overheid is zelf niet verplicht om aan de uitbater een andere plaats te bezorgen. Dergelijke plaatsen zijn in de streek nochtans zeker aanwezig.
- c)De uitbater stelt zelf dat om de exploitatie op een rendabele wijze te kunnen verder zetten, en op een wijze die aan de huidige vereisten voor een nieuwe inrichting voldoet, er minstens nood is aan 3 ha. De huidige vestigingsplaats bedraagt slecht ongeveer 1 ha. Daarmee toont de uitbater dus zelf aan dat het huidig terrein hoe dan ook niet meer geschikt is voor een uitbating die nog rendabel en volgens de nieuwe inrichtingsvereisten kan verlopen. Nu uitbreiding ter plekke volstrekt onmogelijk is (overal omgeven door woningen), bewijst dit precies dat herlocalisatie aangegeven is.
- d)Het is niet de taak noch de bevoegdheid van de Gecoro om zich uit te spreken over mogelijke schadevergoeding die de uitbater al dan niet kan eisen. Het plan wil in elk geval wel de belangen van de uitbater tegemoet komen door hen zoveel mogelijk alternatieve gebruiksmogelijkheden van de site aan te bieden binnen hetgeen ruimtelijk wenselijk en mogelijk is”. 1.7. Op 16 maart 2006 beslist de gemeenteraad van Zedelgem “(h)et ontwerp van het herziene deel van het BPA Sint-Elooi IIb” definitief te aanvaarden. 1.8. Op 4 mei 2006 verstrekt de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een gunstig advies, waarin zij stelt dat “in hoofdzaak een bestendiging van de bestaande toestand (wordt) beoogd” en dat “aan het daar gevestigde slachthuis een uitdovend karakter (wordt) gegeven (bestendiging van het slachthuis tot 14 mei 2012)”. X-13.076-5/21 1.9. Bij een op 3 augustus 2006 ter post verzonden aangetekend schrijven verzoekt het college van burgemeester en schepenen van Zedelgem de bevoegde Vlaamse minister “zo spoedig mogelijk een beslissing te laten geworden” omtrent het bijzonder plan van aanleg “Sint-Elooi IIb”, vermits “de decretaal voorziene termijn van 60 dagen (...) inmiddels (
- is)verstreken”. 1.10. Op 13 september 2006 legt de secretaris-generaal van de afdeling Ruimtelijke Planning van het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed aan de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijk ordening een ontwerp van goedkeuringsbesluit voor, waarin wordt gesteld dat “(h)et voor ministerieel besluit voorgelegde BPA (voornamelijk) wordt opgemaakt (...) om een woonproject mogelijk te maken op de site van het slachthuis”. Als besluit stelt de afdeling Ruimtelijke Planning de goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg voor “omdat er geen inhoudelijke tegenstrijdigheden zijn met het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen”. Inzake het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen stelt de afdeling Ruimtelijke Planning: “Er kan in de huidige stand van zaken vanuit gegaan worden dat delen van de gemeente Zedelgem binnen de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Brugge zullen liggen. Voor de kern Sint Elooi (waar het plangebied deel van uitmaakt) is in het voorstel van afbakening opgenomen dat de woonfunctie moet worden versterkt, dit met behoud van de identiteit van het gebied. Een afstemming tussen wonen en werken is prioritair, voornamelijk voor het oostelijk deel. Er worden in het voorstel van afbakening verder geen specifieke uitspraken gedaan voor het plangebied van het BPA. De opties van de gemeente zijn van lokaal belang. Het voorzien van kernverdichting is niet strijdig (...) met de principes van het RSV”. Inzake het slachthuis stelt de afdeling Ruimtelijke Planning nog specifiek: “De gemeente heeft ervoor geopteerd om op termijn de functie van het slachthuis niet langer te behouden op de huidige locatie waar ze als hinderlijk ervaren wordt. In het dossier wordt niet duidelijk gemaakt waarom de opmaak van dit plan op vandaag noodzakelijk is. Op basis van de milieuvergunning kan het slachthuis (...) nog 8 jaar blijven verder functioneren. Tot zolang is de betekenis van de wijziging uiterst beperkt tenzij het slachthuis uit eigen wil herlocaliseert. Rekening houdend met het bezwaarschrift van de eigenaars lijkt dat echter weinig waarschijnlijk. Bovendien is het standpunt van de gemeente dat er voor dit bedrijf in de gemeente geen geschikte locatie ter beschikking is, op zijn minst opmerkelijk. Uiteraard moet een bedrijf met dergelijke milieu-impact met de grootste zorg ingeplant worden. Anderzijds is het onwaarschijnlijk dat in het grote (toekomstige) aanbod aan bedrijvigheid in de gemeente geen geschikte locatie zou kunnen gevonden worden. Daarbij speelt ook de nood tot uitbreiding van X-13.076-6/21 het slachthuis een rol. Op lange termijn kan het slachthuis niet op de huidige locatie blijven omdat er een behoefte is aan een terrein van 3ha terwijl op het huidige terrein slechts 1ha ter beschikking is. Bij de verdere uitwerking van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zal de gemeente hier de nodige aandacht aan moeten besteden. Hoewel er vragen kunnen gesteld worden bij de opportuniteit van de bestemmingswijziging, de noodzaak om deze wijziging nu door te voeren en het ontbreken van een geschikte alternatieve locatie zijn de inhoudelijke opties van het plan vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar. Ook bij het voorontwerp zij(
- n)vanuit het beleidsdomein RO geen fundamentele opmerkingen geformuleerd. Het wijzigingsplan komt derhalve in aanmerking voor goedkeuring. Anderzijds lijkt het wel aangewezen deze problematiek grondig te onderzoeken bij de verdere uitwerking van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat bestaande activiteiten geen ontwikkelingsmogelijkheden krijgen terwijl er wel voldoende ruimtelijke mogelijkheden zijn”. 1.11. Op 15 september 2006 reageert de bevoegde Vlaamse minister als volgt: “Bovenvermelde dossier omvat in hoofdzaak de herbestemming van bestaande ‘nijverheidszone’ naar ‘projectzone in functie van reconversie van slachthuis naar verdicht wonen’. De gemeente opteert in dit BPA om op termijn de functie van slachthuis niet langer te behouden. Zoals u in uw nota stelt wordt in het dossier niet duidelijk gemaakt waarom de opmaak van dit plan op vandaag noodzakelijk is. Het BPA heeft immers voor gevolg dat het slachthuis slechts tot 2012 verder kan blijven functioneren. In u(
- w)nota stelt u tevens dat er vragen kunnen gesteld worden bij de opportuniteit van de bestemmingswijziging, de noodzaak (
- om)deze wijziging nu door te voeren en het ontbreken van een geschikte alternatieve locatie voor het bestaande slachthuis. In dit kader lijkt het aangewezen om alvorens over te gaan tot bestemmingswijzigingen, deze problematiek grondig te onderzoeken bij de verdere uitwerking van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Gelieve het ministerieel besluit aan te passen in functie van bovenvermelde argumenten en een ministerieel besluit aangaande (het) onthouden van goedkeuring voor te leggen ten laatste tegen donderdag 14 september 2006 gelet op de ingestelde rappel”. 1.12. Bij het bestreden besluit van 15 september 2006 beslist de Vlaamse minister dat “(h)et bijzonder plan van aanleg ‘Sint-Elooi IIb’ van de gemeente Zedelgem, bestaande uit een plan van de bestaande toestand, uit een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften, wordt onthouden van goedkeuring”. X-13.076-7/21 2. Rechtspleging 2.1. De tussenkomende partij stelt in haar verzoekschrift tot tussenkomst omtrent haar belang onder meer dat “(d)e bestreden beslissing (haar) rechtstoestand (beïnvloedt) aangezien zodoende de herbestemming van haar bedrijfsterrein wordt gehandhaafd, minstens goedkeuring wordt onthouden aan de herbestemming van het bedrijfsterrein waarbij de exploitatie na 14 mei 2012 onmogelijk zou worden gemaakt doordat de bestemming van het terrein als nijverheidszone zou worden verlaten ten voordele van de bestemming woonzone”. 2.2. De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord dat “(d)e eventuele afwijzing van het annulatieberoep (...) de rechtspositie van de tussenkomende partij (...) alleen maar (kan) schaden en haar toestand van rechtsonzekerheid (kan) bestendigen”, terwijl het bijzonder plan van aanleg tot doel had “binnen de perken van de bevoegdheid van de gemeente, het delocalisatieprobleem van de tussenkomende partij maximaal te ondersteunen”. Bovendien staat het volgens de verzoekende partij “met een aan de zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast dat de tussenkomende partij geen hernieuwing van haar milieuvergunning op die site meer zal bekomen”. Voorts stelt de verzoekende partij dat de tussenkomende partij de “hervestiging (van haar bedrijf) door de verzoekende partij definitief opgelost (wil) zien op haar gemeentelijk grondgebied (...) doch (dat) dit (...) in rechte niet mogelijk (
- is)gezien het erkende bovenlokaal karakter van de bedrijvigheid van de tussenkomende partij”. Hieruit besluit de verzoekende partij dat “(d)e tussenkomst van de nv De Rese (...) apert strijdig met haar eigen belang en mitsdien onontvankelijk (is)”. 2.3. Het wordt niet betwist dat aan de tussenkomende partij een milieuvergunning werd verleend die geldt tot 14 mei 2012, noch dat zij de exploitant is van het desbetreffende slachthuis. De rechtstoestand van de tussenkomende partij wordt in ongunstige zin beïnvloed door het bijzonder plan van aanleg, dat door het bestreden besluit van goedkeuring wordt onthouden. De tussenkomende partij heeft aldus het rechtens vereiste belang bij haar tussenkomst. De exceptie is niet gegrond. X-13.076-8/21 3. Ontvankelijkheid van het beroep 3.1. In haar laatste memorie stelt de tussenkomende partij dat, “(g)elet op de opmaak van een gewijzigd ontwerp van BPA Sint-Elooi IIb in de loop van onderhavige procedure”, de verzoekende partij niet langer een belang heeft “indien zou blijken dat het (...) opgemaakte ontwerp (...) een tegemoetkoming aan de bestreden beslissing inhoudt”, in welk geval er sprake zou zijn van een impliciete instemming met de bestreden beslissing. 3.2. Er blijkt niet dat de door de tussenkomende partij vermelde hypothese zich inmiddels heeft voltrokken. De exceptie is niet gegrond. 4. Ten gronde 4.1. Eerste middel Standpunten van de partijen 4.1.1. In het eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van : “. art. 14, eerste t.e.m. vierde lid, van het coördinatiedecreet ruimtelijk ordening van 22 oktober 1996 en de artikelen 171 en 187, tweede lid, van het ruimtelijk ordeningsdecreet van 18 mei 1999; . art. 18, eerste lid, art. 18, tweede lid, 3/, art. 18, derde lid en art. 19, §§ 2 en 3 van het ruimtelijk ordeningsdecreet van 18 mei 1999; . art. 21, vierde lid, van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996, het materieel motiveringsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel; . art. 2, § 1 van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 en het beginsel van de onmiddellijke uitvoerbaarheid van een administratieve handeling; . het BVR d.d. 17 december 1997 houdende de definitieve vaststelling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, gewijzigd op 19 december 2003, wat betreft de richtinggevende bepalingen ervan, inzonderheid omtrent het subsidiariteitsbeginsel (...) en de taakstelling tot afbakening van bedrijventerreinen (...); . het decreet van 17 december 1997 houdende bekrachtiging van de bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, te dezen omtrent de afbakening van de bedrijventerreinen (...); . het BVR d.d. 6 maart 2002 van de houdende goedkeuring van het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan West-Vlaanderen, inzonderheid wat de richting-gevende voorzieningen aangaat betreffende de kenmerken van nieuwe lokale bedrijventerreinen (...)”. X-13.076-9/21 Het middel wordt als volgt ontwikkeld : “De verzoekende partij heeft nog geen goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zodat zij voor de opmaak of de herziening van een bijzonder plan van aanleg alsnog moet handelen overeenkomstig art. 12 e.v. van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 en niet overeenkomstig art. 37 e.v. van het ruimtelijk ordeningsdecreet van 18 mei 1999. Desalniettemin is zij daarbij onderworpen aan de bepalingen van zowel het RSV als het PRS-WV, vermits het definitief aanvaarden van een bijzonder plan van aanleg een ‘beslissing’ is als bedoeld door art. 19, §3 en het decreet van 18 mei 1999. Door de goedkeuring vanwege de Vlaamse Regering bekomt een door de gemeenteraad vastgesteld bijzonder plan van aanleg verordenende kracht (art. 2, §1 en art. 21, derde lid, coördinatiedecreet). De goedkeuring, een daad van medebewind zijnde, kan derhalve door de Vlaamse Regering worden geweigerd. In dat geval moet het besluit echter formeel met redenen zijn omkleed (art. 21, vierde lid, coördinatiedecreet), redenen die enkel ‘met de stedenbouw en de ruimtelijke ordening verband (mogen) houden’ (...) en die krachtens het algemeen beginsel van de materiële motiveringsplicht in feite juist moeten zijn én in rechte draagkrachtig, d.w.z. dat ze de genomen beslissing rechtens moeten kunnen rechtvaardigen. Kortom: de weigeringsmotieven moeten deugdelijk zijn in feite en in rechte. Die motivering moet des te overtuigender zijn wanneer de beslissing, zoals te dezen het geval is, indruist tegen alle ingewonnen adviezen, zelfs van de eigen ministeriële diensten (zie het advies van ARP d.d. 17 januari 2005 en van het departement RWO van 13 september 2006). Te dezen is de minister ingegaan tegen alle verstrekte adviezen omdat niet zou blijken dat de voorgestelde ‘bestemmingswijziging’ praktisch uitvoerbaar zou zijn en dit in elk geval maar zo zou zijn eenmaal de nabestemming een feit is, d.w.z. wanneer het bestaande slachthuis vrijwillig delokaliseert en, uiterlijk, in 2012 wanneer de milieuvergunning vervalt. Voorts wordt de goedkeuring geweigerd omdat er voor het betrokken bedrijf alsnog geen alternatieve locatie is voorzien. De minister acht het daarom aangewezen een en ander te heronderzoeken in het kader van de lopende gemeentelijke structuurplanning. Deze redengeving is echter totaal naast de kwestie en kan de beslissing rechtens onmogelijk schragen in het licht van de als geschonden aangegeven bepalingen en beginselen. Het bestreden besluit gaat er alvast ten onrechte van uit dat de nabestemming voor de zone 3 ‘projectzone in functie van reconversie van slachthuis naar verdicht wonen’ zou neerkomen op een bestemmingswijziging. Deze projectzone heeft immers in het gewestplan Brugge-Oostkust van 5 februari 1979 de bestemming woongebied gekregen. Weliswaar is daarvan met het bpa van 17 februari 1981 afgeweken. Maar daargelaten de vraag of die afwijking wel legitiem is gebeurd, staat vast dat het door de gemeenteraad vastgesteld bpa Sint-Elooi IIb de door het gewestplan ingestelde bestemming herstelt. Het betreft, zoals het departement R.W.O. in zijn nota van 13 september 2006 aan de minister in herinnering brengt, ‘een verdere verfijning van de gewestplanbestemming’. Wanneer de decreetgever de Vlaamse Regering heeft opgedragen de door de gemeenten vastgestelde bijzondere plannen van aanleg goed of af te keuren, is dit in de eerste plaats ingegeven door de bekommernis te voorkomen dat de gemeenten het beleid van het Vlaams niveau zouden doorkruisen o.m. door plannen aan te nemen die indruisen tegen de hiërarchisch hogere gewestelijke plannen. Daaruit, alsmede uit het subsidiariteitsbeginsel, volgt dat de Vlaamse Regering bijzonder goede redenen moet hebben om een aanlegplan dat een ‘verdere verfijning is’ van haar eigen gewestplan, af te keuren. Dit klemt des te meer wanneer het plan in zijn voorschriften ‘geen directe relatie (heeft) met de activiteiten van bovenlokaal niveau in Sint-Elooi’, X-13.076-10/21 zoals de Afdeling Ruimtelijke Planning in haar advies van 17 januari 2005 heeft vastgesteld. In zulk geval moet blijkens het als geschonden aangegeven subsidiariteitsbeginsel de beslissing in de allereerste plaats worden genomen ‘op het meest geschikte niveau’, te dezen het gemeentelijk niveau. Zeggen dat de verzoekende partij met de verdere verfijning van die site overeenkomstig het geldend gewestplan moet wachten tot er in het kader van de lopende structuurplanning een concrete herlokalisatieplaats voor het slachthuis is gevonden, die dan ook nog aan de eigenaar behaagt, komt noch min noch meer neer op het schrappen van de artikel 14 van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 en van de artikelen 171 en 187, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999, die door de decreetgever uitdrukkelijk gehandhaafd, resp. ingesteld werden in afwachting van het finaliseren van het nieuw planningsinstrumentarium. De verzoekende partij het recht ontzeggen alsnog een verfijnend bijzonder plan van aanleg vast te stellen onder het mom dat zij later via een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan moet werken, is ingaan tegen de wil van de decreetgever van 18 mei 1999. Het aangegeven motief is des te ondeugdelijker omdat het uitgesloten is dat het probleem van de herlokalisatie van het slachthuis tot de bevoegdheid van de verzoekende partij zou behoren en een concrete oplossing zou kunnen krijgen in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Naar luidt van art. 18 van het decreet van 18 mei 1999 is een structuurplan immers slechts een beleidsdocument dat het ruimer kader aangeeft van de gewenste ruimtelijke structuur. De structuurplannen geven voor ieder planningsniveau de van belang zijnde structuurbepalende elementen aan. Art. 18 zegt dat dit enkel ‘de hoofdlijnen van de ruimtelijke structuur van het niveau in kwestie’ zijn. Niemand weet precies wat die hoofdlijnen in concreto te betekenen hebben en nu sedert art. 3 van het decreet van 26 april 2000 de Vlaamse Regering daaromtrent geen uitvoeringsbesluit meer moet nemen, maar nog enkel kan nemen, moet men zich ook niet meer aan veel bruikbare en rechtszekerheid biedende concretisatie verwachten. De indicaties die aan te treffen zijn in de voorbereidende werken van het planningsdecreet van 24 juli 1996 (Vl. Parl, 1995-96, 360/1, 6-7), de omzendbrief RO 97/02 van 14 maart 1997 over het gemeentelijk structuurplanningsproces en de parlementaire werken van het decreet van 18 mei 1999 (Vl. Parl, 1998-99, nr. 1332/8, 47) zijn louter indicatief en vaak weinig zeggend of tautologisch. Wat de economische en industriële activiteit betreft, beperken de structuurbepalende elementen op gemeentelijk niveau zich in elk geval tot de louter gemeentelijke economische activiteiten, zoals kleinhandelszones en/of locale bedrijventerreinen. Het RSV gaat ervan uit dat de oppervlakte van een lokaal bedrijventerrein in principe beperkt moet blijven tot 5ha (...) en het PRS-WV voegt er aan toe dat de individuele bedrijfspercelen ten hoog(s)te 5000m² mogen bedragen (...). Men weet dat het kwestieus slachthuis De Rese naar eigen rapportering een capaciteit heeft van 2000 varkens per dag en behoefte heeft aan een terrein van minstens 3ha. De verzoekende partij, als gemeente, is derhalve rechtens nooit bij machte om hoe dan ook, en zeker niet via een GRS, een concrete herlokalisatieplaats aan het bedrijf te bezorgen vermits het zonder meer om een bedrijfsactiviteit van bovenlokaal belang gaat, zonder dat hier moet worden uitgemaakt of het regionaal bedrijventerrein, waarop het uiteindelijk zal moeten terechtkomen, er moet komen op initiatief van het Vlaamse Gewest dan wel van de provincie West-Vlaanderen. Het behoort in elk geval niet tot de taakstelling en de bevoegdheid van de verzoekende partij. De betrokken exploitant weet dit zeer goed, zoals blijkt uit zijn brief van 13 maart 2006 waarin hij aandringt dat verzoekster aan tafel zou gaan met de provincie en het Vlaamse gewest om tot een oplossing te komen. De verzoekende partij wil dit allemaal wel graag doen, maar staat wel machteloos wanneer die hogere niveaus zelf geen initiatief nemen. Met enkel het voorgesteld bijzonder plan van aanleg af te keuren, komt noch het Vlaamse Gewest noch de slachthuisuitbater een stap verder. X-13.076-11/21 Integendeel, de eigenaar wordt belet de actuele site voor een woonverdichtingsproject te valoriseren en aldus een herlokalisatie mede te financieren. De redengeving van het bestreden besluit is derhalve naast de kwestie en kan het besluit rechtens niet rechtvaardigen. Dat het door de gemeenteraad vastgesteld bpa niet praktisch uitvoerbaar zou zijn, is een onbegrijpelijke beschouwing. De zone 3 laat toe dat het slachthuis ‘kan bestendigd worden tot ten laatste 14 mei 2012’, waarna ze wordt bestemd voor een project rond verdicht wonen. Die nabestemming treedt dus in werking hetzij wanneer het slachthuis eerder vrijwillig delokaliseert, hetzij uiterlijk op 14 mei 2012. De techniek van de nabestemming is honderden keren toegepast en staat er niet aan in de weg dat het plan onmiddellijk uitvoerbaar is (le privilège du préalable). Een nabestemming is geen hypothetische of potestatieve bestemming, maar te dezen een bestemming die alleszins op een zeer concreet ogenblik in de tijd werkelijkheid wordt, nl. ten laatste op 14 mei 2012. Art. 21, derde lid van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 laat de Vlaamse Regering zelf toe haar goedkeuring afhankelijk te stellen ‘van een tijdsgebonden uitvoeringsplan’. De decreetgever heeft dus geen enkel bezwaar tegen een plan dat een bestemming voorziet die niet meteen gerealiseerd wordt. Waar zit dan het probleem?”. 4.1.2. De verwerende partij repliceert dat “(de Vlaamse Minister) van oordeel (
- is)dat het van belang is dat één en ander in een ruimer kader wordt bekeken, onder meer bij de opmaak van het GRS” en dat “vooraleer het slachthuis gedwongen moet verhuizen, er (...) voldoende alternatieven moeten aangeboden kunnen worden, wat zou kunnen via het GRS”. Volgens de verwerende partij “spreekt (het) voor zich dat dergelijke beleidsvisie verband houdt met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening” en moet de “(o)verige kritiek van verzoekende partij op zogenaamde tegenstrijdige of foutieve overwegingen (...) als overtollige motieven beschouwd worden”. Verder stelt de verwerende partij dat “(de Vlaamse Minister) enkel (heeft) gezegd dat de huidige bestemming krachtens het BPA wijzigt, wat inderdaad een bestemmingswijziging is”. Tot slot voert de verwerende partij nog aan dat het “voorgestelde BPA niet zomaar een verfijning (
- is)van het Gewestplan, maar in eerste instantie een fundamentele wijziging van het bestaande BPA, met verregaande gevolgen voor het slachthuis”. 4.1.3. De verzoekende partij dupliceert dat “er geen sprake van (
- is)dat er in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan een bedrijventerrein zou kunnen worden afgebakend (...). Vooreerst omdat een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan hoegenaamd geen bestemmingsplan is en mitsdien geen bedrijventerreinen kan afbakenen. Vervolgens omdat een slachthuis van 3 ha van bovenlokale aard is en X-13.076-12/21 mitsdien enkel thuishoort op een regionaal bedrijventerrein, tot de afbakening waarvan een gemeente geen enkele bevoegdheid heeft”. Volgens de verzoekende partij is “(h)et substantieel motief om het bijzonder plan van aanleg van goedkeuring te onthouden (...) dus kennelijk onwettig” en volstaat die vaststelling “om het annulatieberoep in te willigen”. “Ten overvloede” stelt de verzoekende partij nog dat “het voor zichzelf (spreekt) dat zelfs een beleidsvisie, die erop neerkomt een bestemmingsvoorschrift te behouden dat strijdig is met het eigen destijds goedgekeurd gewestplan, geen afdoende motief kan zijn vermits niet begrijpelijk wordt gemaakt, noch kan worden gemaakt, hoe een beleidsvisie het destijds in bindende normen neergelegd beleid zou kunnen tegenspreken, tenzij er deugdelijke redenen worden opgegeven waarom van de eigen beleidslijn, vastgelegd in het gewestplan, ‘desnoods’ kan worden afgeweken”. 4.1.4. In haar memorie doet de tussenkomende partij gelden dat “ook opportuniteitsoverwegingen (...) een rol (kunnen) spelen bij het nemen van de beslissing om het gemeentelijk plan van aanleg al dan niet goed te keuren” en dat “(i)n casu (...) de bevoegde minister (...) van oordeel is dat het om redenen die verband houden met de ruimtelijke ordening niet opportuun is om (het) BPA thans goed te keuren (...) en dat het aangewezen is om de problematiek van het slachthuis te onderzoeken in het kader van de verdere uitwerking van het GRSP”, vermits het bestreden besluit overweegt dat: “het voorziene woonproject slechts gerealiseerd zal kunnen worden na het vervallen van de milieuvergunning voor het slachthuis in 2012 of op initiatief van de eigenaar van het slachthuis; dat uit het bezwaarschrift en uit het dossier als geheel niet blijkt dat de voorgestelde bestemmingswijziging in de praktijk uitvoerbaar is; dat vragen gesteld kunnen worden bij het doorvoeren van deze bestemmingswijziging vermits op dit ogenblik geen duidelijkheid is over een alternatieve inplantingsplaats voor het betrokken bedrijf; dat het om die reden aangewezen is de problematiek van het slachthuis, de afstemming tussen wonen en bedrijvigheid en de inplanting van het slachthuis voldoende te onderzoeken; dat dit kan gebeuren in het kader van de verdere uitwerking van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan; dat het wijzigingsplan derhalve niet voor goedkeuring in aanmerking komt; (...)”. Verder stelt de tussenkomende partij dat de aangehaalde redenen “afdoende” zijn en “verband houden met de ruimtelijk ordening” en dat “(d)e verzoekende partij (...) geenszins aan(toont) dat het beleidsoordeel van de bevoegde minister kennelijk onredelijk is”, noch dat “de bevoegde minister geen goede redenen heeft om het door de gemeente vastgestelde plan af te keuren”. Wat betreft de “bestemmingswijziging” stelt de tussenkomende partij dat deze term verwijst naar “de wijziging van de bestemming waarin het X-13.076-13/21 bestaande B.P.A. Sint-Elooi II (...) voorziet voor wat betreft de site van het slachthuis”. Aangaande het subsidiariteitsbeginsel voert de tussenkomende partij aan dat hiermee “in casu (...) geen rekening (diende) te worden gehouden (...), te meer omdat de gemeente Zedelgem nog niet beschikt over een GRSP”. Het standpunt van de verzoekende partij waar deze stelt dat “de bestreden beslissing haar het recht om alsnog een verfijnend bijzonder plan van aanleg vast te stellen” ontzegt, wordt door de tussenkomende partij niet begrepen, vermits de verwerende partij “enkel uit welbepaalde overwegingen van oordeel (
- is)dat het kwestieuze BPA niet kan worden goedgekeurd” en dat “(d)e bevoegde minister (...) derhalve geen absoluut verbod (heeft) opgelegd om alsnog een BPA voor de omgeving van het slachthuis op te stellen”. Met betrekking tot de bevoegdheid voor de herlokalisatie van het bedrijf verwijst de tussenkomende partij naar het richtinggevend gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen dat stelt dat “lokale bedrijventerreinen door middel van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) kunnen worden ontwikkeld indien herlokalisatie van bestaande lokale bedrijven binnen de eigen gemeente vanuit ruimtelijk oogpunt onvermijdelijk is”. Evenwel moet “(d)e oppervlakte (...) worden beperkt tot 5 ha omdat het een lokale problematiek betreft. De beperking van 5 ha is daarbij evenwel richtinggevend en kan niet als norm worden opgevat”. De tussenkomende partij verwijst eveneens naar het richtinggevende gedeelte van het provinciaal ruimtelijk structuurplan West-Vlaanderen dat voorziet dat “de lokale bedrijventerreinen minimaal 20 bedrijfspercelen voorzien waarbij het individuele bedrijfsperceel ten hoogste 5000 m² kan bedragen”, maar dat “evenwel een uitzondering mogelijk (
- is)wat betreft het aantal bedrijfspercelen voor bedrijventerreinen waar herlokaliserende bedrijven terecht komen”. De tussenkomende partij leidt hieruit af dat het voor de gemeente Zedelgem, op basis van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en het provinciaal ruimtelijk structuurplan West-Vlaanderen “geenszins zondermeer uitgesloten (
- is)om voor het kwestieuze slachthuis een herlokalisatieplaats te voorzien”. Sowieso kan volgens de tussenkomende partij “niet worden voorbijgegaan aan het feit dat de gemeente in haar GRSP een eigen visie dient uit te werken op de ruimtelijk ontwikkeling van haar grondgebied en aandachtspunten dient te formuleren bij de structuurbepalende elementen van bovenlokaal en/of gewestelijk niveau op het grondgebied van de gemeente”. X-13.076-14/21 Voorts verwijst de tussenkomende partij naar de “Omzendbrief RO 97/02 van 14 maart 1997 over het gemeentelijk structuurplanningsproces” waarin onder meer staat te lezen: “Omwille van de belangrijke inhoudelijke taken die de gemeente heeft inzake ruimtelijk beleid, ligt het voor de hand dat iedere gemeente een eigen visie uitwerkt op de ruimtelijk ontwikkeling van haar grondgebied. Conform het subsidiariteitsbeginsel behoeft de gemeente voor het uitwerken van die visie niet te wachten op initiatieven van de hogere overheden. In afwachting van de uitvoering van de planningstaken door de hogere overheden, is het aangewezen - vanuit de ruimtelijke visie - in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan desgevallend aandachtspunten te formuleren bij de structuurbepalende elementen van bovenlokaal en/of gewestelijk niveau op het grondgebied van de gemeente. (...)”. Aangaande het subsidiariteitsbeginsel voert de tussenkomende partij aan dat “de verzoekende partij zichzelf tegenspreekt, wanneer zij enerzijds van oordeel is dat de beslissing inzake het slachthuis (...) moet genomen worden ‘op het meest geschikte niveau, te dezen het gemeentelijk niveau’ om dan later in het kader van de herlokalisatie van datzelfde slachthuis te stellen dat ‘het uitgesloten is dat het probleem van de herlokalisatie (...) tot de bevoegdheid van de verzoekende partij zou behoren (...)’”. Tot slot stelt de tussenkomende partij nog dat het “niet voor redelijke betwisting vatbaar (
- is)dat het kwestieuze BPA actueel niet voor uitvoering vatbaar is”. Volgens de tussenkomende partij heeft “(d)e bevoegde minister (...) terecht besloten thans zijn goedkeuring te onthouden aan een BPA dat naar alle waarschijnlijkheid pas vanaf 14 mei 2012 realiseerbaar zal zijn vermits er nog geen duidelijkheid bestaat over de herlokalisatie van het slachthuis”. Daardoor acht “de bevoegde minister uit redenen van goede ruimtelijk ordening relevant om vooraleer tot de vaststelling van een BPA over te gaan, een oplossing te zoeken voor de herlokalisatie van het bedrijf”. 4.1.5. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat “het (...) geenszins om een herziening (gaat) waartoe de verzoekende partij na 1 mei 2000 heeft beslist en vóór de definitieve vaststelling van haar GRS, maar waartoe door de minister voorheen reeds was beslist”. Daarnaast komt “de verwijzing naar art. 187 (van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening) als niet relevant over”, vermits het “gaat (...) om een bpa art. 14, vierde lid, en niet om een bpa art. 14, vijfde lid, zijnde een bpa dat van het bestaande gewestplan afwijkt en waarvoor uiteraard bijzondere regels en voorwaarden gelden”. X-13.076-15/21 De verzoekende partij stelt verder dat “aan de bestemming van het grondgebied (...) weinig of niets (
- is)veranderd”, maar dat, wanneer men de “voorschriften betreffende de plaatsing, de grootte en de welstand van de gebouwen en afsluitingen, alsmede die betreffende de binnenplaatsen en tuinen” vergelijkt, “er wel aanzienlijke wijzigingen en verfijningen in opgenomen” zijn, terwijl “wat het vroeger nijverheidsgebied betreft, (...) de wijziging bezwaarlijk nog groter (kan) zijn”. Voorts stelt de verzoekende partij dat uit “Punt 2.4 van de Omzendbrief RO 2000/1 van 29 september 2000 over het planologisch attest, het bedrijfs-bpa en het sectorale BPA” blijkt dat “noch een beslissing, noch zelfs maar een optie betreffende de herlokalisatie van het slachthuis tot de bevoegdheid van de gemeente” behoort, vermits “het slachthuis een bovenlokaal bedrijf is” en dat voor “de lokalisatie daarvan (...) de gemeente niet bevoegd is”. Tot slot doet de verzoekende partij gelden dat het subsidiariteitsbeginsel te dezen wel degelijk van toepassing was. Beoordeling 4.1.6. In de toelichtingsnota bij het bijzonder plan van aanleg wordt het “Basisopzet van het plan” als volgt omschreven: “Consolideren van een aantal bestaande toestandsituaties die grotendeels vergund zijn op basis van het oude BPA dat een aantal van het gewestplan afwijkende mogelijkheden bood betreffende de invulling van industriegebied en woongebied; (...)”. Tevens wordt evenwel in de bestreden beslissing ook gesteld dat “het plan voornamelijk wordt opgemaakt om op de huidige site van het slachthuis een woonproject mogelijk te maken”. Er dient te worden vastgesteld dat het niet-goedgekeurde bijzonder plan van aanleg wel degelijk in een bestemmingswijziging voorziet, met name ten aanzien van het vigerend bijzonder plan van aanleg, bijzonderlijk wat de percelen van de tussenkomende partij betreft. Voorts is het contradictorisch enerzijds voor te houden dat het bijzonder plan van aanleg Sint-Elooi IIb voorziet in “een verdere verfijning van de gewestplanbestemming”, en anderzijds dat enkele “bestaande toestandsituaties die grotendeels vergund zijn op basis van het oude BPA dat een aantal van het gewestplan afwijkende mogelijkheden bood” worden “geconsolideerd”. X-13.076-16/21 4.1.7. Het bestreden besluit overweegt onder meer : “Overwegende dat het plan voornamelijk wordt opgemaakt om op de huidige site van het slachthuis een woonproject mogelijk te maken; dat voor het te ontwikkelen woonproject wordt gestreefd naar voldoende dichtheid en een menging van woningtypologieën, met de mogelijkheid voor de vestiging van aan wonen ondersteunende functies; dat voor de ontwikkeling van dit gebied in de stedenbouwkundige voorschriften is voorzien in de opmaak van een totaalvisie; dat de bebouwing langs de Torhoutsesteenweg wordt aangeduid als centrumgebied, waar naast woongelegenheden ook ruimte is voor het voorzien van detailhandel, diensten en horeca en beperkte ambachtelijke activiteiten, waarbij voor detailhandel een beperking wordt opgelegd van de maximale verkoopsoppervlakte (200m²) om de vestiging van grootschalige kleinhandelszaken te vermijden; dat de overige bebouwde zone wordt aangeduid als residentiële zone voor open en halfopen bebouwing; Overwegende dat er op basis van de huidige kennis vanuit gegaan mag worden dat delen van Zedelgem zullen opgenomen worden binnen de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Brugge; dat met name de kern Sint-Elooi waar het plangebied deel van uitmaakt in het voorstel van afbakening gelegen is binnen het regionaalstedelijk gebied; dat in de gewenste ruimtelijke structuur van het regionaalstedelijk gebied voor Sint Elooi is bepaald dat een afstemming tussen wonen en bedrijvigheid noodzakelijk is; Overwegende dat het voorziene woonproject slechts gerealiseerd zal kunnen worden na het vervallen van de milieuvergunning voor het slachthuis in 2012 of op initiatief van de eigenaar van het slachthuis; dat uit het bezwaarschrift en uit het dossier als geheel niet blijkt dat de voorgestelde bestemmingswijziging in de praktijk uitvoerbaar is; dat vragen gesteld kunnen worden bij het doorvoeren van deze bestemmingswijziging vermits op dit ogenblik geen duidelijkheid is over een alternatieve inplantingsplaats voor het betrokken bedrijf; dat het om die reden aangewezen is de problematiek van het slachthuis, de afstemming tussen wonen en bedrijvigheid en de inplanting van het slachthuis voldoende te onderzoeken; dat dit kan gebeuren in het kader van de verdere uitwerking van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan; dat het wijzigingsplan derhalve niet voor goedkeuring in aanmerking komt”. 4.1.8. Het motief dat “het (...) aangewezen is de problematiek van het slachthuis, de afstemming tussen wonen en bedrijvigheid en de inplanting van het slachthuis voldoende te onderzoeken”, houdt verband met de ruimtelijke ordening. Het bestreden besluit vermocht ook rekening te houden met het gegeven dat de voorziene bestemmingswijziging in feite ten vroegste in 2012 uitwerking zal krijgen. De overweging dat het onderzoek naar “de problematiek van het slachthuis, de afstemming tussen wonen en bedrijvigheid en de inplanting van het slachthuis (...) kan gebeuren in het kader van de verdere uitwerking van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan”, vormt evenmin een onwettig motief. Het probleem van de herlocalisatie van het bedrijf van de tussenkomende partij en de bevoegdheid terzake doet geen afbreuk van het gegeven dat de verwerende partij vermocht te oordelen dat het aangewezen is de toestand van het bedrijf te gepasten X-13.076-17/21 tijde te beoordelen in een globale context, rekening houdend met de dan voorliggende planningsinstrumenten. Het bestreden besluit is derhalve deugdelijk gemotiveerd. 4.1.9. In zoverre de verzoekende partij tot slot de schending aanvoert van het subsidiariteitsbeginsel, dient te worden vastgesteld dat dit beginsel enkel betrekking heeft op de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen, en niet op plannen van aanleg die worden aangenomen en goedgekeurd overeenkomstig de bepalingen van artikel 12 tot 22 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet). Het middel is in zoverre niet dienstig. 3.1.10. Het middel is ongegrond. 4.2. Tweede middel Standpunten van de partijen 4.2.1. In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 2, § 1 van het gecoördineerde decreet, alsook van het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarnaast voert de verzoekende partij nog machtsafwending aan. De verzoekende partij doet gelden dat “het verschaffen, resp. weigeren van het algemeen geldend karakter aan de voorschriften van een aanlegplan (...) uitsluitend het algemeen stedenbouwkundig belang op het oog (mag) hebben”. Volgens de verzoekende partij worden “(i)n de kabinetsnota van 15 september 2006” en ook in “het uiteindelijk aangenomen ministerieel besluit” “uitsluitend verwezen naar het slachthuis De Rese om het gehele bpa van goedkeuring te onthouden”. Voorts stelt de verzoekende partij dat “het bestreden besluit in zijn laatste en beslissende fase onzorgvuldig is behandeld en (...) door een plotse overhaasting is ingegeven”. Tot slot stelt de verzoekende partij dat “(h)et geheel van de gebeurtenissen” erop wijst dat “de verwerende partij (...) enkel de behartiging van de individuele belangen van één (...) bedrijf op het oog heeft gehad”, waardoor de overheid machtsafwending begaat. X-13.076-18/21 4.2.2. De verwerende partij repliceert onder meer dat “(u)it het administratief dossier (...) zeer duidelijk (blijkt) dat de afdeling Ruimtelijke Planning van in den beginne vragen had naar de opportuniteit”, doch uiteindelijk vond dat “toch goedkeuring moest gegeven worden aangezien het BPA niet strijdt met het Gewestplan”. De verwerende partij stelt verder dat de minister het niet eens was met het gegeven dat “om de loutere reden dat het BPA in overeenstemming is met het Gewestplan” het bijzonder plan van aanleg diende te worden goedgekeurd, vermits “(g)oede ruimtelijke ordening (...) meer (
- is)dan alleen maar nagaan of iets zone-eigen is of niet”. De verwerende partij voegt daar nog aan toe dat “(h)et loutere feit dat in casu het belang van slechts één nijverheidsbedrijf een rol heeft gespeeld tegenover andere maatschappelijke activiteiten (wonen) (geenszins) impliceert (...) dat er sprake is van machtsafwending”. Voorts repliceert de verwerende partij nog dat “geen wettelijke bepaling (
- is)geschonden door het feit dat een beslissing op langere of kortere termijn genomen wordt”. 4.2.3. De verzoekende partij dupliceert onder meer dat het opportuniteitsoordeel van de minister is “beperkt tot één bedrijf , nl. het slachthuis De Rese, waarvan iedereen, ook de administratie, akkoord is dat het ter plekke niet op zijn plaats is en de actuele toestand haaks staat op de goede plaatselijke aanleg”, terwijl “(h)et bpa Sint-Elooi II (...) nu precies een afweging (heeft) gemaakt van de verschillende maatschappelijke activiteiten”. De verzoekende partij stelt verder dat het bestreden besluit “‘het recht van de sterkste of grootste’ (heeft) laten voorgaan op die afweging tussen de verschillende maatschappelijke activiteiten. Voorts stelt de verzoekende partij nog dat de overheid “in enkele minuten (mag) beslissen, op voorwaarde dat die beslissing correct is, wat inhoudt dat ze zorgvuldig is voorbereid en alle ingewonnen andersluidende adviezen op consistente manier weerspreekt”. 4.2.4. In haar memorie stelt de tussenkomende partij dat de bestreden beslissing “geenszins onzorgvuldig” is, vermits “(r)eeds in haar nota van 13 september 2006 (...) het departement R.W.O. van de Vlaamse Overheid ernstige bedenkingen (maakte) bij de opportuniteit van het kwestieuze BPA” en dat de minister, “(z)ich aansluitend bij de opportuniteitsoverwegingen die reeds door de administratie werden aangehaald, besloot (...) zijn goedkeuring aan het BPA te onthouden”. X-13.076-19/21 Verder stelt de tussenkomende partij dat “(u)it de toelichting bij het eerste middel blijkt (...) dat de bestreden beslissing is ingegeven door redenen van goede ruimtelijke ordening en dus ook door het algemeen stedenbouwkundig belang” en dat “economische overwegingen niet uitgesloten (zijn) bij de afweging van het algemeen stedenbouwkundig belang”. Voorts voert de tussenkomende partij aan dat de verzoekende partij in gebreke blijft om de aangevoerde machtsafwending te bewijzen. Tot slot stelt de tussenkomende partij nog een tegenstrijdigheid vast in de uiteenzetting van de verzoekende partij, vermits deze laatste in haar eerste middel van oordeel was dat de bestreden beslissing “in het nadeel van de N.V. DE RESE Roger was”, terwijl zij in het tweede middel “het tegendeel beweert”. Beoordeling 4.2.5. Uit het onderzoek van het eerste middel is reeds gebleken dat het bestreden besluit deugdelijk is gemotiveerd. Noch het feit dat het bestreden besluit ten goede komt aan de tussenkomende partij, noch snelle besluitvorming, noch het gegeven dat bepaalde niet bindende adviezen niet werden gevolgd, wijzen op zichzelf genomen op een schending van de aangevoerde rechtsregelen. In casu worden geen elementen aangebracht die van aard zijn de zaak te verwijzen naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hieruit volgt dat er te dezen evenmin machtsafwending aanwezig kan zijn. Het tweede middel is eveneens ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. X-13.076-20/21 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig november 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-13.076-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.090 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div