← België

Arrest 198146 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.146 Rolnummer: A. 187802/XIV-30320 Zaak: Arrest 198146 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-04 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 03:54 Fiche Arrest nr 198.146 van 23 november 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 198.146 van 23 november 2009 in de zaak A. 187.802/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. DE WACHTER, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Boondaalsesteenweg 6 bus 7 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 9 april 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 8496 van 11 maart 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 2712 van 21 mei 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 11 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.320-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. DE WACHTER, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché A. VAN DE VOORDE, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het andersluidend advies van auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt en er zich op 20 februari 2006 een eerste maal vluchteling verklaart; dat die aanvraag met een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 september 2006 wordt afgesloten; dat de verzoekende partij daartegen een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring instelt, ter griffie van de Raad van State gekend onder het nummer A.177.950/XIV-27.257; Overwegende dat de verzoekende partij zich op 20 april 2007 een tweede maal vluchteling verklaart; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 29 november 2007 beslist dat de verzoekende partij niet als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) kan worden erkend en niet voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van die wet in aanmerking komt; Overwegende dat de verzoekende partij op 14 december 2007 tegen die weigeringsbeslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 27 februari 2008 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is;
  3. Overwegende dat de verzoekende partij zich op bladzijde 1 van het verzoekschrift tot cassatie tegen het bestreden arrest als dusdanig richt, doch op bladzijde 3 preciseert dat zij opkomt “tegen het tweede deel van het bestreden arrest waarbij aan verzoeker de subsidiaire beschermingsstatus wordt geweigerd” en op bladzijde 9 vraagt “het bestreden arrest (...) te vernietigen voor wat betreft de beslissing om de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen” en “de zaak terug te sturen naar de Raad voor XIV-30.320-2/7 Vreemdelingenbetwistingen om opnieuw te oordelen over de vraag om de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen met eerbiediging van dit cassatiearrest”; dat het cassatieberoep binnen die perken wordt onderzocht; 3.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in een vierde middel “aangaande een verkeerde interpretatie van artikel 1397 Ger.W.” het volgende aanvoert: “Verzoeker voert tenslotte aan dat de RvV in zijn arrest een verkeerde interpretatie geeft aan artikel 1397 Ger. W. Verzoeker meent dat de RvV dit artikel volledig buiten zijn context aanhaalt. Het bewuste artikel 1397 Ger.W. stelt : "Behoudens uitzonderingen ... schorsen verzet en hoger beroep tegen eindvonnissen daarvan de tenuitvoerlegging." Hieraan een uitleg toekennen die ertoe strekt dat "enkel de tenuitvoerlegging" wordt geschorst en daarmee aangeven dat het verzet vooralsnog geen enkele waarde heeft in de beoordeling of art. 55/4 Vw. dient te worden toegepast, schendt de wet. Verzoeker verwijst naar arrest van de Raad van State nr. 149.174 van 21 september
  5. De Minister haalde in deze zaak aan dat "de gemaakte afweging (...) - gezien de ernst van de feiten - dan ook niet anders (zou) zijn geweest indien de uitspraak op verzet zou zijn afgewacht" aangezien dat het enige verschil hier de strafmaat was (voorwaardelijk in plaats van effectief). De Raad was van oordeel dat deze stelling geen afbreuk deed aan het feit dat (in casu) de Minister op 6 december zich niet met goed gevolg kon steunen op een rechterlijke beslissing die niet definitief was om te oordelen of de openbare orde en de nationale veiligheid in gevaar waren. Verzoeker haalt hogervermeld arrest aan om te stellen dat het verstekvonnis geen definitief vonnis is en dat tijdig verzet werd aangetekend. Dit wil zeggen dat verzoeker de mogelijkheid krijgt om zijn zaak opnieuw te laten voorleggen aan de eerste rechter, ab initio, en dat het vermoeden van onschuld moet gestand worden gedaan. Het aanteken van verzet heeft dus wel een wezenlijke invloed op de vraag of de RvV zich louter op het verstekvonnis mag baseren om een oordeel overeenkomstig artikel 55/4 Vw. te vellen.”; 3.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Verweerder herhaalt nogmaals dat de toepassing van artikel 55/4 van de Vreemdelingenwet geen formeel bewijs vereist dat de betrokkene zich aan een misdrijf heeft schuldig gemaakt. Verweerder meent dan ook te kunnen stellen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich wel degelijk mocht baseren op het verstekvonnis om een oordeel overeenkomstig artikel 55/4 van de Vreemdelingenwet te vellen. Verweerder wijst er bovendien op dat verzoeker de feiten zoals deze werden omschreven in het verstekvonnis nooit ontkende noch voor de Commissaris-generaal noch voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Wat het door verzoeker geciteerde arrest van de Raad van State wijst verweerder er op dat dit arrest een vordering tot vernietiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 december 2001 tot uitsluiting van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet) betreft en dat deze beslissing werd gebaseerd op het schaden van de openbare orde. Dit arrest houdt dan ook geen enkel verband met de uitsluiting van de subsidiaire beschermingsstatus omwille van `ernstige misdaden' in de zin van artikel 55/4 van de Vreemdelingenwet. XIV-30.320-3/7 Wat betreft de interpretatie van artikel 1397 Ger. Wb. antwoordt verweerder dat aangezien het bestreden arrest op basis van het gedrag van verzoeker -hierbij verwijzend naar de feitelijke elementen, de motieven die in dit verstekvonnis werden opgenomen en naar de vaststelling dat verzoeker deze niet weerlegde- concludeerde tot het bestaan van ernstige redenen om te veronderstellen dat hij een ernstig misdrijf heeft begaan, de in dit middel geuite kritiek louter betrekking heeft op een overtollig motief dat niet tot de vernietiging kan leiden omdat het bestreden besluit voldoende steun vindt in andere motieven. Het vierde middel is niet gegrond.”; 3.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het middel herhaalt en toevoegt dat daaruit volgt dat het middel niet overtollig is, dat het bestreden besluit wel op dat motief (van het verstekvonnis) steunt en onvoldoende steun in andere motieven vindt, dat de drie zinnen uit punt 3.
  8. van het bestreden arrest onterecht staan geschreven, dat dat punt de beslissing niet mag ondersteunen en dat alleen punt 3.
  9. overblijft, waaruit blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich enkel op het verstekvonnis steunt; 3.4.
  10. Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met het bestreden arrest, binnen de perken van de voor hem opgeworpen middelen, de aanvraag om de subsidiaire beschermingsstatus te horen toekennen met volle rechtsmacht beoordeelt; Overwegende dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen met zijn beslissing van 30 november 2007 de subsidiaire beschermingsstatus niet had toegekend omdat het commissariaat-generaal, gezien de bedrieglijkheid van de verklaringen van de verzoekende partij, zich geen duidelijk beeld kon vormen van haar verblijfplaats van de laatste jaren, haar eventueel verblijfsstatuut in andere landen of de redenen waarom zij die andere landen zou hebben verlaten en omdat de verzoekende partij zich blijkens een vonnis van een Belgische rechtbank van juni 2006 aan ernstige misdrijven in de zin van artikel 55/4 van de Vreemdelingenwet schuldig heeft gemaakt; Overwegende dat de verzoekende partij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, naast elementen over de geloofwaardigheid van haar verklaringen, over haar Afghaanse afkomst en over de toestand in Afghanistan, onder meer heeft aangevoerd dat de weigering voor het verlenen van de subsidiaire beschermingsstatus niet op de veroordeling door een Belgische rechtbank tot een gevangenisstraf van 2 jaar voor feiten in verband met een poging tot afpersing, gepleegd met wapens, kon worden gesteund, dat tegen dat vonnis immers verzet werd aangetekend, dat de zaak op 19 november 2007 voor de correctionele rechtbank van Brussel zou worden gepleit, dat het ingestelde verzet het eerste vonnis teniet doet en dat in dat verband een overduidelijke motivatiefout is gemaakt; XIV-30.320-4/7 Overwegende dat in het bestreden arrest de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus als volgt wordt gemotiveerd: “3.
  11. De Raad stelt vast dat verzoeker stelt dat er verzet is ingediend tegen het verstekvonnis, maar de reden waarom hij verstek diende te laten niet naar voor brengt. De feitelijke elementen en de motieven die in dit verstekvonnis zijn opgenomen werden door verzoeker tot op heden niet weerlegd. Het aantekenen van verzet schorst in beginsel enkel de tenuitvoerlegging van het vonnis (artikel 1397 Ger.W.). 3.3.Gelet op het gedrag van verzoeker, uitvoerig toegelicht in het verstekvonnis aanwezig in het administratief dossier, besluit de Raad dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat verzoeker een ernstig misdrijf heeft gepleegd waardoor hij overeenkomstig artikel 55/4 van de Vreemdelingenwet wordt uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus.”; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich blijkens die motivering uitsluitend op het bestaan van een ernstig misdrijf heeft gesteund om tot de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus te besluiten; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich voor die vaststelling uitsluitend op “het verstekvonnis” en “het verstekvonnis aanwezig in het administratief dossier” steunt; 3.4.
  12. Overwegende dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden en zelf na te gaan of er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de verzoekende partij een ernstig misdrijf heeft gepleegd in de zin van artikel 55/4 van de Vreemdelingenwet; dat de Raad van State wel bevoegd is om na te gaan of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich daartoe op wettige wijze op het met een verzet aangevochten correctioneel verstekvonnis kon steunen, hetgeen door de verzoekende partij dus wordt betwist; Overwegende dat de verwijzing in het bestreden arrest naar artikel 1397 Ger.W. irrelevant is; dat die bepaling slechts betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van burgerlijke vonnissen en geenszins op het verzet in strafzaken, dat in het Wetboek van Strafvordering is voorzien; dat een verstekvonnis of -arrest in strafzaken door een ontvankelijk verklaard verzet in zijn geheel vervalt en dit met terugwerkende kracht; dat het verstekvonnis in dat geval als niet bestaande wordt beschouwd; Overwegende dat de raadsman van de verzoekende partij met een brief van 7 februari 2009 aan de Raad van State een kopie van het vonnis van de correctionele rechtbank van Brussel van 19 november 2008 meedeelt; dat daarin wordt verwezen naar een vonnis van dezelfde rechtbank van 19 december 2007, waarmee het verzet van de verzoekende partij ontvankelijk is verklaard; dat de verzoekende partij in het vonnis van 19 november 2008 wordt vrijgesproken van de tenlasteleggingen van het vernielen van een XIV-30.320-5/7 gebouw, in casu twee kolommen van een gebouw van de N.M.B.S., en van verboden wapendracht; dat de tenlastelegging van afpersing met datzelfde vonnis wordt geherkwalificeerd in het opzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen, dat de verzoekende partij daaraan schuldig wordt bevonden doch dat haar het voordeel van de opschorting van de veroordeling gedurende 3 jaar wordt toegekend; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich aldus niet wettig kon steunen op een verstekvonnis waartegen het verzet ontvankelijk werd verklaard om op grond daarvan tot het bestaan van een “ernstig misdrijf” te besluiten, temeer daar de verzoekende partij achteraf voor twee van de drie tenlasteleggingen werd vrijgesproken en slechts na herkwalificatie aan één misdrijf plichtig werd bevonden; dat het kwestieuze verstekvonnis immers als niet bestaande moet worden geacht; dat het bestreden arrest geen ander motief bevat, zodat zonder wettig motief tot de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus is besloten; dat het vierde middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  13. Vernietigd wordt het arrest nr. 8496 van 11 maart 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  14. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel
  15. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  16. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-30.320-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig november tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.320-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.146 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.