← België

Arrest 198147 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.147 Rolnummer: A. 189124/XIV-30482 Zaak: Arrest 198147 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-04 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:54 Fiche Arrest nr 198.147 van 23 november 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 198.147 van 23 november 2009 in de zaak A. 189.124/XIV-30.482 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. MOSKOFIDIS, kantoor houdende te 3600 GENK, Rootenstraat 21/18 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Chinese nationaliteit, op 28 juli 2008 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 13.149 van 26 juni 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 3253 van 22 augustus 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 11 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-30.482-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. MOSKOFIDIS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché A. VAN DE VOORDE, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 19 december 2005 en zich dezelfde dag vluchteling verklaart; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 29 januari 2007 een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus neemt; Overwegende dat de verzoekende partij op 12 februari 2007 tegen die weigeringsbeslissing beroep bij de toenmalige Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, in opvolging van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, het beroep met een arrest van 26 juni 2008 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij in het enige middel onder meer de schending van artikel 39/76 van de Vreemdelingenwet opwerpt en dienaangaande aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet op basis van “algemene informatie” kan veronderstellen dat de verblijfssituatie van de verzoekende partij niet precair zou zijn omdat het “algemeen geweten” zou zijn dat India zich niet met repatriëringen naar China zou inlaten en dat Tibetanen in India in het bezit van een “temporary residence permit” zouden worden gesteld, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich daarbij niet op het persoonlijk administratief dossier van de verzoekende partij steunt, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet op basis van die zogenaamd algemeen bekende informatie tot dergelijke vèrstrekkende conclusie kon komen nu geen enkel concreet element uit het administratieve dossier erop wijst dat de verzoekende partij in India wèl een verblijfsvergunning zou hebben gehad, dat daar minstens bijkomende onderzoekshandelingen voor hadden moeten worden gesteld, dat de verzoekende partij daar ook over had moeten worden gehoord, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aldus de motiveringsplicht en het feit dat hij niet over een eigen onderzoeksbevoegdheid beschikt heeft geschonden, dat essentiële elementen in het dossier ontbraken om tot de verregaande XIV-30.482-2/5 conclusie te komen dat India geen repatriëringen van Tibetanen naar China uitvoert, dat Tibetanen in India niet het slachtoffer van arrestaties door de politie zijn en dat alle Tibetanen in India een “temporary residence permit” krijgen, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen na vernietiging van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het dossier voor aanvullend onderzoek naar de commissaris-generaal had moeten terugsturen en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte heeft gehandeld alsof hij een eigen onderzoeksbevoegdheid zou hebben; 2.
  3. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat artikel 39/76 van de Vreemdelingenwet de voorwaarden bepaalt waaronder nieuwe elementen kunnen worden aangebracht, dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij aan de deze procedurele voorwaarden voldeed noch dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die bepaling zou hebben miskend, dat de verzoekende partij blijkbaar artikel 39/2, § 1, van de Vreemdelingenwet bedoelt omdat deze bepaling de omvang van de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bepaalt en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de ogen van de verzoekende partij zijn bevoegdheid zou hebben overschreden, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn bevoegdheid niet te buiten is gegaan door te oordelen dat de beweringen van de verzoekende partij niet overeenstemmen met hetgeen algemeen bekend is over de Tibetaanse gemeenschap in India, vermits de verzoekende partij zelf haar langdurig verblijf in India had aangehaald, dat het om een antwoord op het middel van de verzoekende partij en niet om een nieuw element gaat, dat de feitenrechter de algemene bekendheid van een feit beoordeelt en dat algemeen bekende feiten niet aan de tegenspraak van partijen moeten worden onderworpen; 2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord toevoegt dat zij niet betwist dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich op algemeen bekende feiten kan steunen, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet kan stellen dat het “een algemeen bekend feit” zou zijn dat (alle) Tibetanen in India over een verblijfsvergunning zouden beschikken en dat geen enkele Tibetaan naar China zou worden gerepatrieerd, dat niet blijkt waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich baseert om tot die conclusie te komen en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet telkens achter het citaat “algemeen bekend feit” kan steunen om niet op een middel te moeten antwoorden; XIV-30.482-3/5 2.
  5. Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege de regels van het tegensprekelijk debat dient te eerbiedigen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de beroepen met volle rechtsmacht tegen de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, zoals in casu, in zijn beoordelingsbevoegdheid door het rechtsplegingsdossier is beperkt en geen eigen onderzoeksbevoegdheid heeft, zodat hij geen onderzoeksdaden kan stellen; dat, wanneer de feitelijke toestand in die mate zou zijn gewijzigd dat de beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daardoor zou kunnen worden beïnvloed, hij zich daarbij slechts kan steunen op de door de partijen verstrekte gegevens; dat, wanneer die gegevens uit het rechtsplegingsdossier niet zouden volstaan, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan vernietigen en de zaak terugsturen naar de commissaris-generaal; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich buiten het rechtsplegingsdossier wel op algemeen bekende feiten kan steunen; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in casu in punt 3.1.
  6. van het bestreden arrest stelt dat het “algemeen geweten” is dat India zich niet met repatriëringen naar China inlaat, dat het evenmin Tibetanen willekeurig zou arresteren, dat zich in Dharamsala een uitgebreide en bloeiende Tibetaanse gemeenschap bevindt, dat Tibetanen bij aankomst in India in het bezit van een “temporary residence permit” worden gesteld die zij kunnen laten verlengen en dat de verklaringen van de verzoekende partij “dus loze beweringen (zijn) die niet stroken met wat algemeen bekend is”; dat de partijen niet betwisten dat de informatie waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich steunt, zich niet in het administratief dossier bevindt noch door één van de partijen werd meegedeeld en aldus evenmin van het rechtsplegingsdossier deel uitmaakt; dat het motief van de situatie van de Tibetanen in India nochtans een determinerend motief van het bestreden arrest vormt; dat de Raad van State als administratieve cassatierechter nagaat of hetgeen de eerste rechter als een feit van algemene bekendheid beschouwt, wel als dusdanig kan worden beschouwd; dat het repatriërings- en vergunningenbeleid van India tegenover Tibetanen niet als een algemeen bekend feit of een algemene ervaringsregel kan worden beschouwd maar als een feit dat de eerste rechter uit eigen wetenschap bekend was en waarover geen tegenspraak werd gevoerd; dat het middel in die mate gegrond is, XIV-30.482-4/5 BESLUIT: Artikel
  7. Vernietigd wordt het arrest nr. 13.149 van 26 juni 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  8. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel
  9. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig november tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.482-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.147 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.