id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.150 Rolnummer: A. 184998/X-13427 Zaak: Arrest 198150 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-03 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 03:54 Fiche Arrest nr 198.150 van 24 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Tussenkomst geweigerd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 198.150 van 24 november 2009 in de zaak A. 184.998/X-13.
- In zake: de gemeente KALMTHOUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Hugo Sebreghts en Floris Sebreghts kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Claude Marinower kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Consciencestraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
- Yvonne VAN DEN BROECK-HOSTEAUX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Emmanuel Ryckbost en Donatienne Ryckbost kantoor houdend te 8400 OOSTENDE E. Beernaertstraat 80 bij wie woonplaats wordt gekozen
- de b.v.b.a. I.C. INVEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Emmanuel Ryckbost en Donatienne Ryckbost kantoor houdend te 8400 OOSTENDE E. Beernaertstraat 80 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 30 augustus 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 8 juni 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende afgifte van een verkavelingsvergunning aan het studiebureel Stokmans namens Yvonne Van Den Broeck-Hosteaux voor een grond gelegen te Kalmthout, Augustijnendreef, kadastraal bekend sectie F, nrs. 1/p/7, 1/w/7, 1/x/7, 1/l/117, dl l/r/88 en 1/e/
- X-13.427-1/17 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 184.981 van 30 juni 2008 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 21 oktober
- De tweede tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting en een laatste memorie ingediend. De tweede tussenkomende partij heeft een verzoek tot voortzetting en een laatste memorie, met inbegrip van een verzoek tot gedinghervatting, ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 oktober
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hugo Sebreghts, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Kelly Bosmans, die loco advocaat Claude Marinower verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Donatienne Ryckbost, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Auditeur Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-13.427-2/17 III. Feiten 3.
- Op 12 juli 1999 (datum van het ontvangstbewijs) dienen Yvonne Van Den Broeck-Hosteaux, als volmachtdrager namens Louisa Mermans en Mr. Vermeulen, voorlopig bewindvoerder namens Pierre Mermans, bij het gemeentebestuur van Kalmthout een aanvraag in om een verkavelingsvergunning te bekomen voor gronden te Kalmthout, Augustijnendreef, kadastraal bekend als sectie F, nrs. 1/p/7, 1/w/7, 1/x/7, 1/l/117, dl 1/r/88 en 1/e/
- 3.
- De voornoemde gronden zijn volgens het op 30 september 1977 vastgestelde gewestplan Turnhout gelegen in woongebied. 3.
- Op 5 juni 2003 wordt de gemachtigde ambtenaar verzocht, op grond van artikel 52, § 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, te beschikken over de verkavelingsaanvraag. 3.
- Op 19 augustus 2003 stellen de aanvragers, wegens het uitblijven van een beslissing van de gemachtigde ambtenaar, administratief beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Antwerpen. 3.
- Op 23 augustus 2004 verzoekt de deputatie de verzoekende partij “het vereiste openbaar onderzoek te organiseren en (...) het vereist besluit over de voorziene verbreding van de weg ter hoogte van het betrokken terrein te nemen”. 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek, dat plaatsvindt van 31 augustus 2004 tot 30 september 2004, worden dertien bezwaarschriften ingediend. 3.
- Op 28 oktober 2004 wijst de gemeenteraad van Kalmthout de aanvraag af “wat betreft de zaak van de wegen”. In dit besluit wordt onder meer het volgende gesteld: “Overwegende dat, bij het beoordelen van de zaak van de wegen van de voorliggende aanvraag, twee elementen relevant zijn, nl. - de technische aspecten van de aanvraag enerzijds; - de gemeentelijke woonbehoeftestudie anderzijds; Overwegende, m.b.t. de technische aspecten van deze aanvraag, - dat de bedding van de Augustijnendreef, in tegenstelling tot wat het verkavelingsplan aangeeft, niet behoort tot het openbaar domein; dat de wegbedding, ter hoogte van de verkaveling, langs de zuidzijde voor ongeveer de helft gelegen is op de percelen die het voorwerp uitmaken van onderhavige aanvraag en voor de overige helft op de percelen langs X-13.427-3/17 de overzijde (zuidzijde) van de Augustijnendreef; dat ze langs de westzijde volledig gelegen is op het eigendom van degenen namens wie de onderhavige verkavelingsaanvraag werd ingediend; dat, samengevat, de Augustijnendreef een servitudewegenis is die reeds gedurende decennia door het publiek wordt gebruikt; - dat de Augustijnendreef, ter hoogte van kwestieuze aanvraag, slechts een zeer minimale, onvolledige uitrusting heeft; dat de verharde rijweg, met een breedte van slechts 2,5m, in feite niet meer is dan een bitumineuze overlaging zonder noemenswaardige onderliggende fundering; dat geen fiets- of voetpad aanwezig is; dat in de Augustijnendreef geen riolering of hemelwaterafvoer aanwezig is; dat aan de zijde van de verkaveling nagenoeg geen nutsleidingen in de weg aanwezig zijn; dat nutsleidingen enkel werden aangelegd in de berm langs de overzijde van de weg, in functie van de woningen die zich aldaar bevinden; - dat de voorliggende verkavelingsaanvraag onder de toepassing valt van art. 133 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; - dat landmeter J. Stokmans, Dorpstraat 76 te Kapellen, bij brief van 16 december 2002 aan het schepencollege mededeelde dat de verkave- laars bereid zijn om de kosten voor aanleg van riolering in de Augustij- nendreef te betalen; - dat het al decennia lang tot de vaste praktijk van het gemeentebestuur behoort dat, bij de afgifte van verkavelingsvergunningen die met wegenaanleg gepaard gaan, de nodige maatregelen worden opgelegd voor de volledige uitrusting van de wegen en voor de kosteloze overdracht van die wegen aan de gemeente met het oog op inlijving bij het openbaar domein; - dat de wegbedding van de Augustijnendreef, waar zij aansluit op de Bareelstraat, gelegen is op het perceel gekadastreerd sectie F nr. 1 f130, dat eveneens toebehoort aan degenen namens wie de onderhavige verkavelingsaanvraag werd ingediend; dat dit perceel mee gelegen is binnen de goedgekeurde en niet vervallen verkaveling nr. 056/200; dat het kwestieuze verkavelingsbesluit voorzag dat een gedeelte van dit perceel, zijnde de bedding van de Augustijnendreef, vanaf de Bareelstraat over een breedte van 12 m en over de ganse diepte van het perceel, kosteloos diende overgedragen aan de gemeente Kalmthout om ingelijfd te worden bij het openbaar domein; dat de eigenaars het kwestieuze perceeldeel nooit overdroegen; - dat het verkavelingsplan aangeeft dat de verkavelaars bereid zijn om het gedeelte van de wegbedding van de Augustijnendreef, dat toebehoort aan degenen, namens wie de onderhavige verkavelingsaanvraag werd ingediend, kosteloos over te dragen aan de gemeente Kalmthout; dat de gemeente echter niet in de mogelijkheid is om deze grond in te lijven bij het openbaar domein, nu deze grond niet kan aansluiten op het openbaar domein, noch via de Bareelstraat, noch via de Kapellensteenweg; - dat het voorliggende verkavelingsontwerp op technisch vlak summier en onvolledig is; dat het ontwerp nl. geen enkel voorstel bevat tot verdere aanleg en uitrusting van de Augustijnendreef; dat de aanduidingen van het verkavelingsplan foutief zijn voor wat betreft de rooilijnen; dat de aanwezige nutsvoorzieningen niet zijn aangeduid; dat de te realiseren uitrusting van de weg (verharding, riolering, nutsleidingen, enz.) niet zijn aangeduid; dat, samengevat, de onderhavige aanvraag op tal van punten niet voldoet aan de technische richtlijnen ter zake en de gemeenteraad niet in staat stelt om met kennis van zaken de bestaande zowel als de te realiseren toestand te beoordelen en de nodige maatregelen op te leggen; Overwegende, m.b.t. de gemeentelijke woonbehoeftestudie, X-13.427-4/17 - dat ze werd goedgekeurd door de gemeenteraad in zitting van 25 februari 1999; - dat ze o.m. een aantal strategische maatregelen bevat m.b.t. het wonen in Kalmthout, o.m. een ‘bewarende maatregel’ inzake verkavelingen die met wegenaanleg gepaard gaan in de zin van art. 133 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; - dat de gemeenteraad meer bepaald, met deze bewarende maatregel, voor zichzelf het engagement is aangegaan om, bij het nemen van een beslissing over de zaak van de wegen, - de aanvraag te toetsen aan de vaststellingen, de visie, de besluiten en de beleidsmaatregelen van de woonbehoeftestudie; - naast haar beoordeling van de technische aspecten ook de demografi- sche, sociologische, ecologische en stedenbouwkundige gevolgen vanuit de uitgangspunten van de woonbehoeftestudie te beoordelen; - dat de voorliggende verkavelingsaanvraag onder de toepassing valt van de voormelde bewarende maatregel aangezien het hier een aanvraag betreft in de zin van art. 133 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; - dat aldus dient geconcludeerd - dat de voorliggende verkaveling een toename van het aantal parti- culiere, residentiële bouwkavels zou betekenen; - dat er allerminst een behoefte is aan een toename van het aantal particuliere bouwkavels; dat integendeel het aanbod aan juridisch vastliggende bouwkavels in Kalmthout reeds zeer groot is en de reële behoefte ver overstijgt; - dat de realisatie van de voorliggende aanvraag derhalve allerminst in overeenstemming zou zijn met de visie, de besluiten en de beleids- maatregelen van de gemeentelijke woonbehoeftestudie; Overwegende, onverminderd het voorgaande, dat het gemeentebestuur momenteel, in het kader van de opmaak van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, de woonbehoeftestudie actualiseert; dat, voor zoveel als nodig, de maatregelen van de woonbehoeftestudie zullen worden bijgestuurd; dat meer bepaald in het voorontwerp van het gemeentelijke ruimtelijk structuurplan is voorzien dat de bewarende maatregel inzake verkavelingen, die met wegen- aanleg gepaard gaan, zou worden vervangen door een gedifferentieerd en gedetailleerd uitgewerkt verkavelingsbeleid; dat tot nader order de gemeen- telijke woonbehoeftestudie van kracht blijft”. 3.
- Op 18 februari 2005 wordt wegens het uitblijven van een beslissing van de deputatie namens de aanvragers administratief beroep aangetekend bij de Vlaamse regering. 3.
- Op 8 juni 2007 willigt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het voormelde beroep in en levert hij de gevraagde vergunning af. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “Overwegende dat het aangevraagde strekt tot het verkavelen, in veertien loten voor open bebouwing, van een L-vormige strook grond in het woongebied van het gewestplan Turnhout, waarvoor geen nadere stedenbouwkundige ordening geldt; X-13.427-5/17 Overwegende dat het aangevraagde kan bijdragen tot een goede ruimtelijke ontplooiing en ontwikkeling van een binnengebiedsdeel, door de realisatie van de bestemming ervan op een wijze die in overeenstemming is met de onmiddellijke omgeving; dat aan gronden die ten zuiden van het lange been van de Augustijnendreef liggen, reeds vrijstaande woningen werden gebouwd; dat de bestaande wegenis voldoende zal worden uitgerust middels het aanbrengen van een verharding en de aanleg van riolering op kosten van de verkavelaar; Overwegende dat de gemeenteraad van de gemeente Kalmthout geen beslissing heeft genomen ten aanzien van deze wegenisaangelegenheden; Overwegende dat evenwel moet worden gesteld dat voor zover het verkavelingsplan de rooilijn vaststelt, deze een louter declaratief karakter heeft; dat daaromtrent geen beslissingen van de gemeenteraad moet worden afgewacht, daar het schepencollege, er krachtens de gemeentewetgeving, meer bepaald artikel 123, 6/, van de Nieuwe Gemeentewet, zoals thans overgenomen in artikel 57, §3, 12/, van het Gemeentedecreet, toe gerechtigd is om een rooilijn af te bakenen die (alleen) als voorwerp heeft de openbare weg vast te stellen; dat deze bevoegdheid, gelet op de devolutieve aard van het georgani- seerd administratief beroep, thans tevens toekomt aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening; Overwegende daarenboven dat artikel 133, §1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, dat het afleveren van verkavelingsvergunningen waarin de aanleg van nieuwe verkeerswegen, de tracéwijziging, de verbreding c.q. de opheffing van bestaande gemeentelijke verkeerswegen is begrepen, afhankelijk maakt van een voorafgaande beslissing van de gemeenteraad, limitatief en grammaticaal dient te worden uitgelegd; dat de stedenbouwregelgeving aan het schepencollege een volle bevoegdheid inzake het verlenen van vergunningen heeft verleend, waardoor uitzonderingen op deze volle bevoegdheid logischerwijs steeds limitatief moeten worden uitgelegd; dat vanuit de ‘sens clair-doctrine’ een term slechts mag worden geïnterpreteerd indien hij op zich niet duidelijk is; dat de termen ‘aanleg van nieuwe verkeerswegen, tracéwijziging, verbreding c.q. opheffing van bestaande gemeentelijke gemeentewegen’ in de spraakgebruikelijke betekenis voldoende duidelijk zijn en geen betrekking hebben op de aanleg van nutsvoorzieningen langs deze verkeerswegen; dat deze termen aldus niet middels een analogische interpretatie kunnen worden uitgebreid tot dergelijke aanleg van nutsvoorzieningen; dat dergelijke interpretatie bij analogie zowel een inbreuk zou uitmaken op de volle bevoegdheid van het schepencollege inzake ruimtelijke ordeningsaangelegen-heden als het beginsel zou schenden volgens hetwelk de interpretatie ophoudt waar duidelijkheid heerst; Overwegende ten slotte dat openbare wegen die geopend worden door particulieren die eigenaar zijn van de wegbedding, van rechtswege behoren tot de wegenis der gemeente; dat de gemeente altijd het recht heeft om alle werken uit te voeren tot inrichting of verbetering van die wegen; dat ten aanzien van die wegen de openbare erfdienstbaarheid van doorgang kan worden verworven door het gebruik door het publiek onder de door artikel 2229 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde voorwaarden; dat de rechtspraak aanneemt dat een gemeente door dertigjarige verjaring daarenboven het eigendomsrecht van de bedding van de weg kan verwerven zo zij een voortdurend, ongestoord en openbaar en ondubbelzinnig bezit kan bewijzen; dat de in de aanvraag voorgestelde grondafstand ten bate van de gemeente kan worden gezien als een engagement om zich niet tegen bedoelde verjaring te verzetten en als een niet intrekbaar aanbod om de eigendom van de gemeente ter zake te erkennen; dat het aangevraagde voor het overige en mede gelet op de hiervoor aangehaalde beginselen niet onuitvoerbaar wordt of wezenlijk afhangt van een definitieve uitspraak van de gemeenteraad ten aanzien van de overgang van de eigendom van de betrokken gedeelten van de wegzate”. X-13.427-6/17 IV. De regelmatigheid van de rechtspleging 4.
- In haar toelichtende memorie betwist de verzoekende partij het belang van de tweede tussenkomende partij om in de zaak tussen te komen, aangezien dit belang gesteund is op een verkoopovereenkomst die geen vaste datum heeft en niet geregistreerd is en de verkoop evenmin notarieel werd verleden. Samen met haar laatste memorie legt de tweede tussenkomende partij een notariële verkoopakte van 30 april 2009 neer, waarvan ze stelt dat ze werd geregistreerd op 6 mei
- In haar laatste memorie komt de verzoekende partij niet meer terug op de ontvankelijkheid van de tussenkomst van de tweede tussenkomende partij. De tussenkomst van de b.v.b.a. I.C. Invest is ontvankelijk. 4.
- In haar laatste memorie verzoekt de tweede tussenkomende partij om gedinghervatting voor de eerste tussenkomende partij, vermits zij de eigen- domsrechten van die partij op de betrokken percelen heeft overgenomen. Er is grond om deze gedinghervatting toe te staan. Anderzijds moet worden vastgesteld dat de eerste tussenkomende partij niet meer over het vereiste belang bij haar tussenkomst beschikt. Haar verzoek tot tussenkomst is derhalve onontvankelijk. 4.
- De verwerende partij heeft geen memorie van antwoord neergelegd. Zij heeft wel een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij werpt ter terechtzitting op dat in die omstandigheden die laatste memorie uit de debatten dient te worden geweerd. Noch de gecoördineerde wetten op de Raad van State, noch het procedurereglement, ontzeggen de verwerende partij de mogelijkheid om een laatste memorie in te dienen wanneer zij heeft nagelaten een memorie van antwoord neer te leggen. De Raad van State, daargelaten de elementen die de openbare orde raken, kan evenwel geen rekening houden met argumenten die de verwerende partij reeds zinvol in een memorie van antwoord had kunnen aanvoeren, vermits de verzoekende partij daar niet schriftelijk heeft kunnen op antwoorden en het auditoraatsverslag zich daar evenmin heeft kunnen over uitspreken. De betrokken laatste memorie zal dan ook enkel als inlichting in aanmerking worden genomen. X-13.427-7/17 V. Ontvankelijkheid 5.
- Standpunt van de partijen 5.1.
- Uiteenzetting van de verzoekende partij De verzoekende partij zet het volgende uiteen inzake haar belang:
- Voor wat betreft het belang van de verzoekende partij, doet zij het navolgende opmerken. De gemeente komt ten deze op ter verdediging van haar planologische en stedenbouwkundig beleid. Dat beleid volstaat rechtens. Het gemeentelijk belang omvat alle materies die niet aan de gemeenten zijn onttrokken door de wet of het decreet.
- Er is geen betwisting mogelijk over het feit dat het een gemeente als eerste toekomt te oordelen over een verkavelingaanvraag en elk nadien vergund plan daartoe eerst vóórafgaand aan haar dient te worden voorgelegd. Het vergunde plan wijkt op dusdanig essentiële punten af van hetgeen aan de gemeente werd voorgelegd, dat de minister het ongetwijfeld niet zou hebben vergund zo hij hiervan kennis zou hebben gehad. Wanneer er wijzigingen aan een plan zijn, is vergunning niet mogelijk zonder dat de gemeente zich hierover eerst vermag uit te spreken.
- Er is geen betwisting over dat het besluit over de ‘zaak van de wegen’ een besluit is dat soeverein alleen de gemeenteraad toekomt. De gemeenteraad oordeelt discretionair of het in de verkavelingaanvraag voorgestelde tracé aanvaard kan worden, ook wanneer het betrokken gebied als woonzone is aangeduid. Zonder voorafgaande goedkeuring van een wegentracé door de gemeenteraad, kan geen verkavelingvergunning worden verleend. Uit het samen lezen van art. 133, § 1ste en 3de lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening kan geen andere conclusie worden getrokken. De Raad van State heeft zich meermaals over deze aangelegenheid gebogen en er duidelijk uitspraak over gedaan. Er is een duidelijk en uitvoerig gemotiveerd negatief besluit van de gemeenteraad over ‘de zaak van de wegen’. Dat is door niemand aangevochten. Het strekt m.a.w. alle overheid tot wet. Er was hoogstens een marginale toetsing mogelijk. Nu het besluit nooit werd aangevochten, is die zelfs niet meer mogelijk.
- Bij gebreke aan uitdrukkelijke decretale bevoegdheid verleent geen regel van administratief toezicht, noch een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, aan de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening, de bevoegdheid om in strijd met art. 133, §1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zich in de plaats te stellen van de gemeenteraad om te oordelen over de ‘zaak van de wegen’. De wijze waarop het gebeurt, en zonder dat zelfs aan de verkavelaar lasten worden opgelegd, strijdt duidelijk met het gemeentelijk belang en legt het soevereine gemeenteraadsbesluit naast zich neer.
- Het blijkt zonder meer dat er een gemeentelijk belang is”. 5.1.
- De aangevoerde excepties De eerste tussenkomende partij voert de volgende exceptie aan in haar verzoekschrift tot tussenkomst: X-13.427-8/17 “Aangezien de verzoekende partij meent te moeten stellen dat er een gemeentelijk belang is gezien zij opkomt ter verdediging van haar planologisch en stedenbouwkundig beleid, het haar als gemeente als eerste toekomt te oordelen over een verkavelingsaanvraag en een besluit over de ‘zaak van de wegen’ een besluit is dat soeverein alleen de gemeenteraad toekomt. Aangezien evenwel dient vastgesteld te worden dat de verzoekende partij in eerste instantie zonder meer heeft nagelaten enige beslissing te nemen in de haar voorziene termijn zodat ingevolge het verstrijken van deze termijn en het instellen van een administratief beroep door de tussenkomende partij bij de verwerende partij de verzoekende partij thans niet langer gevat is om zich nog uit te spreken gelet op de devolutieve werking van het administratief beroep. Aangezien het ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep immers aan de verwerende partij toekwam zich uit te spreken over de verkavelingsaanvraag met volheid van bevoegdheid zodat er geen reden is om aan te nemen dat het College van Burgemeester en Schepenen nog bevoegd zou zijn te oordelen over de oorspronkelijke verkavelingsaanvraag. Dat het vereiste belang in hoofde van de verzoekende partij dan ook ontbreekt”. De tweede tussenkomende partij betwist in haar verzoekschrift tot tussenkomst het belang van de verzoekende partij op de volgende wijze: “1.- Verzoekende partij meent haar belang te kunnen putten uit de bevoegdheden dewelke aan haar gemeenteraad zijn toegekend in het kader van het verlenen van verkavelingsvergunningen, te weten de vereiste van een voorafgaandelijke beslissing over de zaak der wegen en impliciet uit de bevoegdheden van het College van burgemeester en schepenen bij de beoordeling van een verkavelingsaanvraag. Verzoekende partij meent te kunnen stellen dat de bevoegdheid van de gemeenteraad integraal werd miskend doordat de minister met de door de gemeenteraad genomen beslissing over de zaak der wegen geen rekening heeft gehouden en in de bestreden beslissing werd gesteld dat een dergelijke beslissing niet eens voorhanden was, reden waarom de Minister bij het nemen van de bestreden beslissing als het ware zelf de bedoelde beslissing heeft genomen en hierdoor de belangen van de gemeenteraad niet langer werden gevrijwaard. 2.- Hiertegenover kan, op basis van het procedureverloop van het dossier (en zoals ook werd uiteengezet onder punt I Feiten en retroacten), worden gesteld dat de gemeente in eerste instantie zelf verantwoordelijk is geweest voor het verlies aan bevoegdheid tot het nemen van de bedoelde beslissing met betrekking tot de zaak der wegen. Uit het verloop van het aanvraagdossier blijkt immers dat de aanvraag reeds op 12 juli 1999 werd ingediend bij de dienst ruimtelijke ordening van verzoekende partij, dat verzoekende partij dan heeft getalmd om verdere stappen te ondernemen met betrekking tot de aanvraag, dat zij enkel bijkomende informatie heeft gevraagd enerzijds aan de afdeling RWO, anderzijds aan de aanvrager zelf, waar de directeur-generaal op 29 september 1999 en de aanvrager op 16 december 2002 is ingegaan, doch geen verdere beslissingen door verzoekende partij werden genomen met betrekking tot de aanvraag. Uit het schrijven van de directeur-generaal kon echter overduidelijk worden afgeleid wat de door verzoekende partij te volgen stappen waren bij de verdere behandeling van het dossier, meer nog de directeur had reeds de desbetreffende X-13.427-9/17 juridische analyses gemaakt en de onderscheiden bevoegdheden heel concreet in beeld gebracht. Voortgaand op het schrijven van de directeur-generaal diende verzoekende partij vervolgens consequent te handelen en binnen afzienbare termijn een openbaar onderzoek organiseren en een besluit over de zaak der wegen nemen. Niettegenstaande de niet mis te verstane bewoordingen in dit schrijven en de decretaal verankerde termijnen tot het nemen van een beslissing over een verkavelingsaanvraag, verzaakte verzoekende partij enig initiatief of vereiste beslissing te nemen. Bijgevolg zag de aanvrager zich genoodzaakt om in toepassing van artikel 52 § 1 van het gecoördineerd stedenbouwdecreet van 22 oktober 1996 (CDRO) op 5 juli 2003 een schrijven te richten tot de gemachtigde ambtenaar met het verzoek te beschikken over de aanvraag. Ook de gemachtigde ambtenaar liet na enige beslissing te nemen. Na het verstrijken van de beslissingstermijn van de gemachtigde ambtenaar, stelde de aanvrager op 19 augustus 2003 vervolgens administratief beroep in bij de Bestendige Deputatie. Pas op het ogenblik dat de Bestendige Deputatie diende te oordelen over het ingestelde beroep met betrekking tot de aanvraag en na uitnodiging van de bestendige deputatie voor de hoorzitting van 29 juni 2004, heeft verzoekende partij op 7 juli 2004 een stand van zaken overgemaakt met betrekking tot het aanvraagdossier. Intussen was reeds bijna een jaar verstreken sinds het instellen van het administratief beroep bij de Bestendige Deputatie en 5 jaar sinds het indienen van de aanvraag. Verzoekende partij had op dat ogenblik echter nog geen daadwerkelijke beslissing genomen met betrekking tot de zaak der wegen, doch meldde enkel aan de Bestendige Deputatie dat zij nog geen besluit had genomen over de zaak van de wegen. Gezien nog steeds geen beslissing werd genomen en door verzoekende partij hiertoe geen enkele aanzet werd gegeven, verzocht de Bestendige Deputatie uiteindelijk verzoekende partij over te gaan tot de vereiste beslissing alsook de het vereiste openbaar onderzoek. 3.- Tweede tussenkomende partij dient dan ook, gelet op het bovenstaande, vast te stellen dat verzoekende partij in de eerste plaats doch ook de Bestendige Deputatie geen enkele beslissing desbetreffend genomen binnen de wettelijk voorgeschreven termijnen De Bestendige Deputatie diende over het ingestelde beroep te beslissen binnen een termijn van zestig dagen, te weten uiterlijk tegen 19 oktober
- De Bestendige Deputatie beschikt in toepassing van artikel 133 het DRO over de mogelijkheid om in het geval zij oordeelt dat een beslissing van de gemeenteraad zich opdringt met betrekking tot de zaak der wegen om de gemeenteraad samen te roepen teneinde een dergelijke beslissing te nemen. Op 2 oktober 2003 werd het dossier overgemaakt aan de Bestendige Deputatie ter behandeling. Pas op 29 juni 2004 vond een hoorzitting plaats waarop verzoekende partij zelf mededeelt aan de bestendige deputatie dat nog geen besluit was genomen over de zaak van de wegen, zogezegd omdat de gemeente een aanvang had genomen met het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en gelet op de grondige bijsturing van het moratorium op de verkavelingen die de aanleg omvatten van nieuwe verkeerswegen. De Bestendige Deputatie is pas overgegaan tot het richten van een verzoek naar verzoekende partij tot het nemen van een beslissing met betrekking tot de zaak der wegen op 23 augustus 2004, zijnde een jaar na het indienen van het administratief beroep en op een ogenblik dat de beslissingstermijn met betrekking tot de voorliggende aanvraag reeds lang verstreken was. Uiteindelijk ging verzoekende partij pas over tot het nemen van de bedoelde beslissing op 28 oktober 2004, te weten twee maanden na het verzoek van de X-13.427-10/17 Bestendige Deputatie en na het georganiseerde openbaar onderzoek, dat liep van augustus 2004 tot 30 september
- Gelet op het bovenstaande dient te worden vastgesteld dat verzoekende partij in huidig voorliggend verzoekschrift aankaart dat haar belangen zouden zijn geschonden door het gegeven dat de minister, mits de bestreden beslissing, een beslissing met betrekking tot de zaak der wegen heeft genomen dit terwijl zijzelf herhaaldelijk gedurende het verloop van de procedure aan deze bevoegdheid heeft verzaakt door niet over te gaan tot het nemen van de beslissing binnen de wettelijk voorziene termijn of enigszins door over te gaan tot enige behandeling van de aanvraag. Hieruit blijkt dan ook dat in hoofde van verzoekende partij een duidelijk stilzitten van het bestuur kan worden afgeleid waardoor de aanvrager gedurende zeer geruime tijd in het ongewisse werd gelaten met betrekking tot een duidelijk standpunt van verzoekende partij ten aanzien van de aanvraag, dat het telkenmale de aanvrager was die de overheden diende aan te sporen tot het nemen van een vereiste beslissing, dat deze beslissing nimmer tijdig werd genomen, en dat het pas op het ogenblik van het verlenen van de vergunning is dat verzoekende partij binnen de wettelijke termijnen ageert en de bestreden beslissing, waarover zij reeds geruime tijd zelf had kunnen beschikk(en), aanvecht voor Uw Raad. Het stond immers aan verzoekende partij vrij om op meerdere tijdstippen in de procedure haar bezwaren, desgevallend opmerkingen en weigeringsbeslissing over te maken aan de aanvrager en in het verloop van de administratieve procedure de aanvraag te beoordelen. Verzoekende partij is hieraan telkenmale voorbijgegaan. Uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat bezwaarlijk een belang tot het indienen van een beroep tot schorsing of vernietiging bij Uw Raad ten aanzien van een beslissing van de Minister genomen in hogere administratieve graad kan worden gevonden, wanneer diezelfde overheid telkenmale aan haar verplichtingen en bevoegdheden heeft verzaakt die hebben geleid tot het nemen van de bestreden beslissing”. In haar memorie herneemt zij haar exceptie en vult die nog als volgt aan: “Tweede tussenkomende partij dient erop te wijzen dat het zeer contradictoir is dat een gemeente, in het verloop van de procedure telkenmale verzuimt aan het nemen van de vereiste beslissingen en hierdoor de rechtsonderhorige op onverantwoorde wijze onderwerpt aan een rechtsonzekerheid, pas op het ogenblik dat een administratieve beslissing op een hoger administratief niveau na acht jaar wordt genomen, ageert en de beslissing van de hogere administratieve overheid aanvecht middels een vernietigingsberoep voor Uw Raad en meent alsnog een belang te hebben tot het voeren van een annulatieberoep van de beslissing ten aanzien waarvan zij stelt dat haar gemeentelijke prerogatieven zouden zijn geschonden. Tweede tussenkomende partij stelt dan ook vast dat verzoekende partij in wezen die tekortkomingen die zij zelf heeft begaan middels huidige procedure ten laste legt aan verwerende partij en poogt hieruit een belang te destilleren. Zulks kan bezwaarlijk worden weerhouden. 4.- Desbetreffend kan nog worden gesteld dat, gelet op de houding van verzoekende partij, bezwaarlijk een aanfluiting van de gemeentelijke bevoegdheid inzake ruimtelijke ordening kan worden aangetoond. X-13.427-11/17 Immers dient te worden gesteld dat verzoekende partij, ter staving van het door haar geponeerde belang dient aan te tonen dat hierdoor de concrete realisatie van haar gemeentelijk beleid onmogelijk wordt. Dat hiervoor kan worden verwezen naar de desbetreffende rechtspraak van Uw Raad (...). Dat daarenboven dient te worden gewezen op het feit dat verzoekende partij zich slechts nuttig kan beroepen op de elementen waarmee zij zich als bestuursoverheid geconfronteerd weet. In elk geval kan desbetreffend worden verwezen naar het gestelde in het schorsingsarrest van Uw Raad van 30 oktober 2007 (...) waar werd gesteld dat in hoofde van een gemeentelijke overheid er slechts sprake kan zijn van benadeling indien de bestreden beslissing de uitoefening van de overheidstaak of de bestuursopdracht waarmee die overheid belast is, verhindert of in ernstige mate bemoeilijkt en indien de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de werking van haar diensten dermate in het gedrang zou brengen dat zij haar taken als gemeente niet meer zou kunnen uitoefenen. Dat, wanneer zij inroept dat de bestreden beslissing een miskenning inhoudt van het gemeentelijk beleid, zij duidelijk dient aan te tonen waarin precies zij hierdoor in de uitoefening van haar bevoegdheden wordt beknot en zij enkel in dat geval over het rechtens vereiste belang beschikt ter bestrijding van de bestreden beslissing. Door de aangenomen houding van verzoekende partij zelf kan reeds worden afgeleid dat de aanvraag geen dermate ingreep in het beleid van verzoekende partij zou worden gedaan zo niet zou van een zorgvuldige gemeente kunnen worden verwacht dat zij, ten tijde van de eigenlijke behandeling van de aanvraag en minstens na de interpellatie door de Bestendige Deputatie, zou hebben geageerd teneinde het beleid te vrijwaren. Waar de gemeente pas na acht jaar meent te kunnen vaststellen dat de vergunning alsnog een inbreuk zou maken op haar beleid is niet langer ernstig en kan geenszins worden aangewend ter staving van het rechtens vereiste belang tot het voeren van voorliggend annulatieberoep. 5.- Desbetreffend kan nog worden verwezen naar het gestelde door Uw Raad in het arrest van 30 juni 2008 (...) waarin uw Raad oordeelde dat het nadeel van de verzoekende partij, waar zij verwijst naar ‘de zonder meer grove en volledige miskenning van het omstandig negatief gemotiveerde, door niemand aangevochten, soevereine besluit van de gemeenteraad van de verzoekende partij over de zaak van de wegen’ en vervolgens ‘in het niet op verordenende wijze opleggen aan de verkavelaar van enige last, wat inhoudt dat geen enkele last afdwingbaar kan worden gemaakt door de verzoekende partij en zijzelf zal moeten opdraaien voor al deze uitgaven, waardoor meteen het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van andere verkavelingen op essentiële wijze wordt geschonden’, in wezen betrekking heeft op de onwettigheid van de bestreden beslissing. Hieruit kan worden afgeleid dat de door verzoekende partij aangebrachte staving van het belang niet worden aangewend als dusdanig aangezien zulks enkel de beweerde onwettigheid van de bestreden beslissing betreft”. 5.
- Beoordeling van de excepties Zoals blijkt uit haar verzoekschrift komt de verzoekende partij op ter vrijwaring van haar planologisch en stedenbouwkundig beleid. Zij stelt met name dat het vergunde plan op essentiële punten afwijkt van het aan de gemeente voorgelegde plan. Bovendien heeft zij zich reeds ongunstig over “de zaak van de X-13.427-12/17 wegen” uitgesproken, waarbij zij haar stedenbouwkundige bezwaren tegen de aanvraag heeft uiteengezet. Zij heeft het rechtens vereiste belang om de vernietiging te vorderen van het bestreden besluit. Het stilzitten van de gemeenteraad doet hieraan geen afbreuk. De tweede tussenkomende partij voert geen enkele bepaling aan waaruit moet blijken dat een gemeente die niet heeft beslist binnen de decretaal bepaalde termijn van orde, haar belang bij een annulatieberoep verliest. Evenmin toont zij aan dat de niet-naleving van de termijn van orde gelijkgesteld kan worden met het actief medewerking verlenen aan of het vrijwillig creëren van de aangevochten onregelmatige toestand. Het belang bij de gevraagde vernietiging mag overigens niet worden verward met de vereiste van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel eigen aan de schorsingsprocedure. De excepties worden verworpen. VI. Onderzoek van het eerste middel 6.
- Uiteenzetting van het eerste middel In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 8, §§ 1 en 2 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna: decreet integraal waterbeleid), van artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het voormelde decreet (hierna: het watertoetsbesluit), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Doordat de verkavelingsvergunning werd verleend zonder dat een watertoets werd doorgevoerd en er zelfs geen waterparagraaf is opgenomen in het aangevochten besluit, Terwijl, artikel 8, §1, DIW bepaalt: ‘De overheid die over een vergunning, een plan of programma moet beslissen, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt X-13.427-13/17 hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaarden op om het schadelijke effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren’, En terwijl, de beslissing over de in paragraaf 1 bedoelde watertoets op basis van art. 8, §2, van het voormelde decreet, verder uitgewerkt in art. 4 van het uitvoeringsbesluit van 20 juli 2006, verbonden is aan een bijzondere motiveringsplicht, En terwijl, die beoordeling in ieder geval vereist dat de overheid die over de goedkeuring van een vergunning beslist op de eerste plaats in de formeel uitgedrukte motieven van haar beslissing aangeeft of er al dan niet schadelijke effecten zijn te verwachten op het watersysteem, en in voorkomend geval vervolgens ingaat op de op te leggen voorwaarden om die schade te voorkomen, te beperken, te herstellen of te compenseren, die in het licht van de te realiseren doelstellingen en de toe te passen beginselen van integraal waterbeleid passend worden geacht door de overheid, Zodat de verwerende partij door zonder enige motivering terzake een verkavelingsvergunning af te leveren en zonder vooraf na te gaan of deze vergunning geen schadelijke effecten op het watersysteem zal hebben, de in het middel aangehaalde beginselen en bepalingen schendt. TOELICHTING VAN HET MIDDEL
- Het Decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 14 november
- Het is van toepassing sedert 24 november
- Noch uit de bestreden beslissing, noch uit andere stukken van het dossier waarmee verzoekende partij vermag rekening te houden, blijkt dat de aanvraag aan de watertoets werd onderworpen. Een substantieel voorschrift is aldus geschonden.
- De decretale bepalingen worden uitgevoerd in het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid. Het besluit is in werking sinds 1 november
- Art. 4 van het voornoemde besluit bevat een bijzondere motiveringsplicht. De motivering van de beslissing over een vergunningsaanvraag dient voor de toepassing van de watertoets een duidelijk aangegeven onderdeel te bevatten, de waterparagraaf genoemd, waarbij, eventueel rekening houdend met het wateradvies, een uitspraak wordt gedaan over: a. de verenigbaarheid van de vergunningsplichtige activiteit met het watersysteem. b. zo nodig de voorwaarden en maatregelen om het schadelijk effect dat kan ontstaan als gevolg van de vergunningsplichtige activiteit, te voorkomen, te verminderen, te herstellen, of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van het hemelwater of de vermindering van de ruimte voor het watersysteem, te compenseren; X-13.427-14/17 c. een toetsing van de beoordeling van de vergunningplichtige activiteit en de opgelegde voorwaarden en maatregelen aan de doelstellingen, bepaald in art 5 van het decreet.
- Het middel is t.a.v. de vordering tot schorsing ernstig en t.a.v. de vordering tot vernietiging tevens kennelijk gegrond”. 6.
- Beoordeling 6.2.
- Het geschonden geachte artikel 8, §§ 1 en 2 van het decreet integraal waterbeleid luidde ten tijde van het bestreden besluit als volgt: “§
- De overheid die over een vergunning, een plan of programma moet beslissen, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaarden op om het schadelijke effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren. §
- De overheid houdt bij het nemen van die beslissing rekening met de relevante door de Vlaamse regering vastgestelde waterbeheerplannen, bedoeld in hoofdstuk VI, voor zover die bestaan. De beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst”. Artikel 3, § 2, 17e van hetzelfde decreet bepaalt dat onder het begrip “schadelijk effect” moet worden verstaan: “ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstromings-gebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen”. X-13.427-15/17 Het geschonden geachte artikel 4, § 1 van het watertoetsbesluit luidt als volgt: “Met behoud van de toepassing van de andere reglementaire bepalingen die ter zake van toepassing zijn, moet de motivering van de beslissing over een vergunningsaanvraag voor de toepassing van de watertoets een duidelijk aangegeven onderdeel bevatten, de waterparagraaf genoemd, waarbij, eventueel rekening houdend met het wateradvies, een uitspraak wordt gedaan over : 1e de verenigbaarheid van de vergunningsplichtige activiteit met het watersysteem; 2e in voorkomend geval, de voorwaarden en maatregelen om het schadelijke effect dat kan ontstaan als gevolg van de vergunningsplichtige activiteit, te voorkomen, te verminderen, te herstellen, of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van het hemelwater of de vermindering van de ruimte voor het watersysteem, te compenseren; 3e een toetsing van de beoordeling van de vergunningsplichtige activiteit en de opgelegde voorwaarden en maatregelen aan de doelstellingen, bepaald in artikel 5 van het decreet”. 6.2.
- Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat een beslissing waarbij een vergunning wordt verleend een formele motivering dient te bevatten waaruit blijkt dat de in artikel 8, § 1 van het decreet integraal waterbeleid bedoelde watertoets is uitgevoerd. Uit die motivering moet meer bepaald blijken, hetzij dat uit het voorwerp van de vergunning geen schadelijke effecten kunnen ontstaan als bedoeld in artikel 3, § 2, 17/ van dit decreet, hetzij dat zulke effecten wel kunnen ontstaan, maar dat die door het opleggen van gepaste voorwaarden zoveel mogelijk worden beperkt of hersteld. Elke formele motivering in die zin ontbreekt in het bestreden besluit. 6.2.
- Het decreet integraal waterbeleid is op 24 november 2003 in werking getreden. Sinds die datum en a fortiori sinds de inwerkingtreding van het watertoetsbesluit op 1 november 2006 kon de minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening geen vergunning meer afgeven zonder zich ervan te vergewissen dat aan de vereisten van het decreet was voldaan en de motieven dienaangaande weer te geven in de beslissing over de aanvraag. Bij gebrek aan overgangsbepalingen in die zin doet de omstandigheid dat de inleidende aanvraag dateert van vóór deze data van inwerkingtreding daaraan geen afbreuk. 6.2.
- Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. X-13.427-16/17 BESLISSING
- Het verzoek tot tussenkomst van Yvonne VAN DEN BROECK-HOSTEAUX wordt afgewezen.
- De Raad van State vernietigt het besluit van het besluit van 8 juni 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende afgifte van een verkavelingsvergunning aan het studiebureel Stokmans namens Yvonne Van Den Broeck-Hosteaux voor een grond gelegen te Kalmthout, Augustijnendreef, kadastraal bekend sectie F, nrs. 1/p/7, 1/w/7, 1/x/7, 1/l/117, dl l/r/88 en 1/e/
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 250 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig november 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, met bijstand van Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-13.427-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.150 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.180.468 ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.981 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div