id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.172 Rolnummer: A. 178861/IX-5484 Zaak: Arrest 198172 - Gerechtsdeurwaarders - 24/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-02 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 03:54 Fiche Arrest nr 198.172 van 24 november 2009 Justitie - Gerechtsdeurwaarders Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 198.172 van 24 november 2009 in de zaak A. 178.861/IX-5484 In zake : Piet DE SMET bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te Brussel Jan Jacobsplein 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Peeters kantoor houdend te Brussel Terhulpsesteenweg 177/6 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- Het beroep, ingesteld op 24 november 2006, strekt tot de vernietiging van het koninklijk besluit van 15 september 2006 waarbij Ann Van Den Daele wordt benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Brussel. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een laatste memorie met verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. IX-5484-1/19 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 juni
- Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Jongbloet, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Jens Mosselmans, die loco advocaat Patrick Peeters, verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Alexander Van Steenberge, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 10 juni 2005 wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt dat een betrekking van gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Brussel vacant is. Voor die betrekking stellen zich 33 personen kandidaat, waaronder de verzoeker en Ann Van Den Daele.
- Over Ann Van Den Daele worden de volgende adviezen uitgebracht: - op 12 augustus 2005 door de Raad van de Arrondissementskamer van Gerechtsdeurwaarders te Brussel: uitmuntend; - op 26 augustus 2005 door de Procureur des Konings te Brussel: gunstig; - op 12 september 2005 door de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel: zeer gunstig. Over de verzoeker worden de volgende adviezen uitgebracht: IX-5484-2/19 - op 12 augustus 2005, door de Raad van de Arrondissementskamer van Gerechtsdeurwaarders te Brussel: zeer gunstig; dit advies wordt na bezwaar van de verzoeker bevestigd op 7 september 2005; - op 26 augustus 2005 door de Procureur des Konings te Brussel: gunstig; - op 31 augustus 2005 door de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel: gunstig tot zeer gunstig. Uit een door de verwerende partij opgemaakte samenvattende tabel blijkt dat de arrondissementskamer over vijf kandidaten het advies “uitmuntend” heeft gegeven, dat de procureur des Konings over alle kandidaten een gunstig advies heeft gegeven, en dat de procureur-generaal over vier kandidaten een “zeer gunstig” advies heeft gegeven. Bij koninklijk besluit van 15 september 2006 wordt Ann Van Den Daele benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het arrondissement Brussel. In de motieven van dat besluit wordt vastgesteld dat twee van de 33 kandidaten ondertussen reeds zijn benoemd tot gerechtsdeurwaarder, zodat er nog 31 overblijven. Van die 31 kandidaten hebben enkel Thierry Van Diest en Ann Van Den Daele zowel een “zeer gunstig” advies van de procureur-generaal als een “uitmuntend” advies van de arrondissementskamer verkregen. Die twee kandidaten worden voor een benoeming in aanmerking genomen. Gelet op de anciënniteit van die twee kandidaten, wordt Thierry Van Diest als eerste kandidaat gerangschikt, en Ann Van Den Daele als tweede kandidaat. Er wordt vastgesteld dat Thierry Van Diest in aanmerking komt voor benoeming in een ambt waarvoor de oproeping tot de kandidaten op 4 april 1995 heeft plaatsgevonden; Ann Van Den Daele wordt benoemd in het ambt dat het voorwerp vormt van de voorliggende procedure, en waarvoor de oproeping tot de kandidaten op 10 juni 1995 heeft plaatsgevonden. Het genoemde koninklijk besluit van 15 september 2006 waarbij Ann Van Den Daele wordt benoemd, dat wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 september 2006, vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. Een ministerieel besluit van 15 september 2006 bepaalt dat het kantoor van Ann Van Den Daele gevestigd wordt te Brussel. IX-5484-3/19
- Bij drie andere koninklijke besluiten van 15 september 2006, eveneens bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 26 september 2006, worden ook Thierry Van Diest, Quentin Debray en Jules Callebaut benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Brussel. De verzoeker heeft tegen die drie besluiten eveneens beroep ingesteld. Het beroep tegen het besluit waarbij Thierry Van Diest wordt benoemd (zaak 178.862/IX-5485), wordt bij arrest nr. 198.171 van heden verworpen; het beroep tegen het besluit waarbij Quentin Debray wordt benoemd (zaak 178.859/V-1728) en het beroep tegen het besluit waarbij Jules Callebaut wordt benoemd (zaak 178.860/IX-5483) zijn thans nog aanhangig bij de Raad van State. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 6.
- De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en de daarmee verbonden gelijke toegang tot de openbare ambten, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de artikelen 510, 512 en 555quater van het Gerechtelijk Wetboek, doordat de bevoegde minister in het bestreden besluit de afweging van de titels, verdiensten en kwaliteiten van de onderscheiden kandidaten beperkt tot het aantal kandidaten dat is geselecteerd op basis van de door de adviesverlenende instanties uitgebrachte adviezen, zoniet exclusief het door de arrondissementskamer uitgebrachte advies, zonder daarbij na te gaan of deze uitgebrachte adviezen gebaseerd zijn op een objectieve afweging van de verschillende verdiensten, titels en kwaliteiten van de kandidaten, terwijl de in het middel aangehaalde bepalingen vereisen dat de benoemende overheid een benoeming baseert op een objectieve afweging van de titels, verdiensten en kwaliteiten van de onderscheiden kandidaten, waarbij de door de adviesverlenende instanties uitgebrachte adviezen uiteraard een beoordelingselement vormen, doch waarbij de door deze instanties uitgebrachte adviezen en doorgevoerde rangschikking geen selectievoorwaarde kunnen vormen IX-5484-4/19 om tot de afweging van titels, verdiensten en kwaliteiten te kunnen worden toegelaten, zodat het bestreden besluit, door de afweging van de onderscheiden titels, verdiensten en kwaliteiten van de verschillende kandidaten te beperken tot deze kandidaten die door de arrondissementskamer zijn begiftigd met een uitmuntend advies, zonder na te gaan of de verleende adviezen zijn gebaseerd op een objectieve vergelijking van de titels, verdiensten en kwaliteiten van de kandidaten, en zonder aldus na te gaan of bepaalde kandidaten in weerwil van het gebrek aan dit uitmuntend advies niet beschikken over kwaliteiten, verdiensten en titels die hun benoeming objectief kunnen verantwoorden, de in het middel aangehaalde bepalingen schendt. 6.
- In de toelichting bij het middel benadrukt de verzoeker dat de bevoegde minister de onderlinge afweging van de titels, verdiensten en kwaliteiten van de onderscheiden kandidaten beperkt tot die kandidaten die een uitmuntend advies hebben gekregen van de raad van de arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders en een zeer gunstig advies van de procureur-generaal, en dat zij in het benoemingsbesluit de afweging van de titels, kwaliteiten en verdiensten, zoals opgenomen in het advies van de raad van de arrondissementskamer, reproduceert, zonder na te gaan of de door de raad van de arrondissementskamer uitgebrachte adviezen berusten op een objectieve afweging van de titels, verdiensten en kwaliteiten van de kandidaten. Aldus delegeert de minister de bevoegdheid tot onderlinge afweging van de verdiensten en kwaliteiten van de kandidaten op een onwettige wijze aan de raad van de arrondissementskamer en aan de procureur- generaal. Bovendien verheft zij het verkrijgen van het meest gunstige advies tot een benoemingsvoorwaarde die niet in de wet is bepaald. De minister laat ook na om zélf over te gaan tot een objectieve afweging van de verdiensten en kwaliteiten van de onderscheiden kandidaten. Voorts stelt de verzoeker dat het zeer gunstige advies van de procureur-generaal over Ann Van Den Daele niet gemotiveerd is. Ten slotte wijst de verzoeker op een aantal van zijn titels en verdiensten, die in het bestreden besluit niet worden afgewogen tegen die van Ann Van Den Daele. Met name voert hij aan dat hij al langer dan de voornoemde kandidaat werkzaam is in het vak, dat hij al langer vervangingen doet, en dat hij, in tegenstelling tot die kandidaat, ook ervaring heeft opgedaan in andere IX-5484-5/19 arrondissementen. Ondanks deze elementen verkrijgt hij slechts een zeer gunstig advies, en Ann Van Den Daele een uitmuntend advies. 6.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker dat de verwerende partij zich ten onrechte beroept op het arrest Devlamynck, nr. 165.784, van 12 december 2006, om aannemelijk te maken dat het de benoemende overheid toegestaan zou zijn de meer doorgedreven vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten zonder meer te beperken tot die kandidaten die door de adviesverlenende instanties het meest geschikt worden geacht, zonder op welke wijze dan ook maar na te gaan of deze adviezen werden gevormd op basis van een objectieve vergelijking van de titels, verdiensten en kwaliteiten van de onderscheiden kandidaten. In dit verband benadrukt hij dat het advies dat de arrondissementskamer uitbracht over zijn kandidatuur, volgend op zijn bezwaar, volstrekt ongewijzigd bleef. In het definitieve advies wordt niet naar voor gebracht waarom de kamer van oordeel was dat de elementen die de verzoeker en zijn raadsman op de hoorzitting naar voren brachten niet van aard waren om het oorspronkelijke advies bij te stellen. Voorts blijkt uit het advies van de arrondissementskamer dat de “extra-professionele” kwaliteiten van Ann Van Den Daele worden geroemd, terwijl die van de verzoeker worden verzwegen. Ook van de langere beroepservaring van de verzoeker in vergelijking met die van Ann Van Den Daele wordt geen gewag gemaakt. Door de verzoeker op basis van zijn slechts “zeer gunstig” advies van de arrondissementskamer uit te sluiten van de afweging van de titels, verdiensten en kwaliteiten van de onderscheiden kandidaten, sluit de benoemende overheid, aldus de verzoeker, uit dat bijvoorbeeld zijn langere beroepsloopbaan, in vergelijking met die van Ann Van Den Daele, bij de beoordeling van de kandidaturen wordt betrokken. De verzoeker voert aan dat wanneer de overheid eerst de kandidaten selecteert die zij het meest geschikt acht, om vervolgens over te gaan tot een meer doorgedreven vergelijking van de titels, verdiensten en kwaliteiten van die aldus geselecteerde kandidaten, deze “preselectie” net als de uiteindelijke selectie gebaseerd moet zijn op concrete en precieze parameters die het de kandidaten mogelijk moet maken te weten te komen op basis van welk criterium zij niet bij de “meest geschikte” kandidaten worden gerekend. De benoemende overheid kan de preselectie immers niet baseren op een niet-bindend advies zonder daarbij IX-5484-6/19 inhoudelijk na te gaan of dit advies op zich aan de hand van een objectieve vergelijking van de titels en verdiensten van de onderscheiden kandidaten is gevormd. Zoniet delegeert de benoemende overheid de preselectie van de te benoemen kandidaten naar de instanties die een niet-bindend advies verlenen. IX-5484-7/19 Vervolgens gaat de verzoeker in op het verweer van de verwerende partij, in zoverre die in haar memorie van antwoord gesteld heeft dat uit het bestreden besluit kan worden afgeleid op grond van welke motieven Ann Van Den Daele als de meest geschikte kandidaat wordt beschouwd. Bepaalde kwaliteiten van deze kandidaat worden volgens de verzoeker wel als feit vermeld, maar uit het bestreden besluit blijkt niet dat net deze kwaliteiten, na afweging tegenover de kwaliteiten van de overige kandidaten, de benoemende overheid ertoe hebben gebracht Ann Van Den Daele ten nadele van de andere kandidaten te benoemen. Zo blijkt uit het bestreden besluit bijvoorbeeld niet dat de “grote academische bagage” van Ann Van Den Daele, waarop de verwerende partij in haar memorie van antwoord wijst, een benoemingsmotief, laat staan een benoemingsmotief van doorslaggevende aard is geweest. Overigens mag uit de memorie van antwoord worden afgeleid dat de verwerende partij erkent dat Ann Van Den Daele enkel voor de zogenaamde “academische bagage” beter scoort dan de verzoeker. Op de andere kwaliteiten scoort de verzoeker even goed of beter. Uit de rechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld het arrest Barla, nr. 125.571, van 21 november 2003) komt nochtans duidelijk naar voor dat bij de beoordeling van de kwaliteiten en de verdiensten van de kandidaten voor een ambt van gerechtsdeurwaarder het behalen van een diploma van licentiaat in de rechten niet zwaarder mag doorwegen dan het verkrijgen van een stagecertificaat na een andere opleiding. Verder is er nog het feit, zo vervolgt de verzoeker, dat hij, in tegenstelling tot de benoemde kandidaat, werkzaam geweest is in verschillende arrondissementen, wat een verrijking betekent. In verband met die laatste vaststelling verwijst de verzoeker naar het advies van de raad van de arrondissementskamer over Quentin Debray, in de benoemingsprocedure die geleid heeft tot het besluit dat de verzoeker aanvecht in de zaak A. 178.859/V-
- In dat advies wordt het werken in verschillende arrondissementen uitdrukkelijk als een positief element aangehaald. De verzoeker besluit dat in het bestreden besluit op geen enkele wijze een afweging wordt gedaan van de titels en verdiensten van de benoemde kandidaat met enige andere kandidaat, omwille van de preselectie louter op basis van de adviesverlening van de arrondissementskamer, en omwille van het feit dat de overige kandidaten in de preselectie inmiddels reeds zijn benoemd of bij besluit van dezelfde datum worden benoemd. In ieder geval kan hij in het bestreden besluit allerminst concrete en precieze elementen terugvinden die het hem mogelijk maken IX-5484-8/19 na te gaan op basis van welke objectieve redelijke en pertinente criteria Ann Van Den Daele te zijnen nadele wordt benoemd. 6.
- In zijn laatste memorie erkent de verzoeker dat het volgens het genoemde arrest Devlamynck aan de benoemende overheid toegestaan is om de beoordeling van de kandidaten in verschillende fases te laten gebeuren. De benoemende overheid moet dan wel met betrekking tot elke fase de redenen aangeven die haar ertoe hebben gebracht bepaalde kandidaten of een bepaalde groep van kandidaten te verkiezen boven een andere kandidaat of een andere groep van kandidaten. Indien zij bepaalde adviezen hanteert om de verschillende kandidaten te selecteren, zonder de redenen te verifiëren op grond waarvan de adviesverlenende instantie voor de ene kandidaat in een bepaalde zin oordeelt en voor de andere kandidaat in een andere zin, en zonder na te gaan of deze adviesverlening op objectieve wijze is gebeurd, wordt dit advies een selectievoorwaarde. Het aanvaarden van adviezen als selectiecriterium, zonder controle op de objectiviteit ervan, gaat, aldus de verzoeker, in tegen de voorwaarde die de Raad van State in het arrest Devlamynck stelt voor de gefaseerde selectie, met name dat in elke fase de overheid objectief moet oordelen en uitdrukkelijk moet motiveren waarom zij bepaalde groepen kandidaten voor een benoeming meer geschikt vindt dan andere groepen. In verband met de wijze waarop de raad van de arrondissementskamer de kandidaturen van de kandidaten heeft beoordeeld, en met name de wijze waarop deze aan de verzoeker een “zeer gunstig” advies en aan Ann Van Den Daele een “uitmuntend” advies heeft gegeven, herhaalt de verzoeker dat de “extra-professionele” kwaliteiten van de benoemde kandidate worden geroemd, terwijl er over zijn extra-professionele kwaliteiten wordt gezwegen, en dat er in de adviesverlening wordt gezwegen over het feit dat hij, anders dan de benoemde kandidate, ervaring opdeed in verschillende gerechtelijke arrondissementen. In verband met die laatste vaststelling verwijst de verzoeker nogmaals naar het genoemde advies van de raad van de arrondissementskamer over Quentin Debray. Hij beklemtoont dat de selectiecriteria voor alle kandidaten gelijk dienen te zijn. Wanneer het de raad van de arrondissementskamer uitkomt om een welbepaalde kandidaat een uitmuntend advies te verlenen, wordt de werkzaamheid in verschillende arrondissementen wel degelijk in aanmerking genomen voor de ondersteuning van dit advies. Hieruit blijkt, zo stelt de verzoeker, dat de criteria die de raad van de arrondissementskamer hanteert om over de kandidaten een “zeer IX-5484-9/19 gunstig” dan wel een “uitmuntend” advies te geven, niet voor alle kandidaten gelijk zijn, maar worden gehanteerd afhankelijk van de voorliggende kandidatuur. Beoordeling 7.
- Het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen in openbare ambten, krachtens welk iedere burger gelijke toegang heeft tot de openbare ambten, houdt in dat de aanspraken en verdiensten van de kandidaten moeten worden onderzocht en vergeleken, op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria. De overheid beschikt daarbij over een ruime discretionaire bevoegdheid, die echter de redelijkheid als grens heeft. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Bij benoemingen kan in positieve zin worden gemotiveerd, in die zin dat de benoemende overheid kan vermelden waarom een bepaalde kandidaat wordt benoemd en ze niet noodzakelijk moet vermelden waarom de andere kandidaten niet worden benoemd. Dit neemt niet weg dat de benoemende overheid in het benoemingsbesluit de redenen moet aangeven die haar ertoe hebben gebracht een bepaalde kandidaat boven een andere te verkiezen. Minstens moet zij in dat besluit concrete gegevens opnemen die het voor de teleurgestelde kandidaten mogelijk maken de objectieve, redelijke en pertinente criteria en de concrete beoordeling ervan te achterhalen. De verplichting om de titels en verdiensten van de kandidaten te vergelijken op grond van objectieve, redelijke en pertinente criteria geldt ook wanneer een groot aantal personen zich kandidaat stellen voor een openstaande betrekking. In een dergelijk geval is het de benoemende overheid evenwel toegestaan om de beoordeling van de kandidaten in verschillende fasen te laten gebeuren, met inachtneming van de hiervóór vermelde rechtsregels en -beginselen. IX-5484-10/19 In een eerste fase kan de overheid dan de meest geschikte kandidaten selecteren, om de redenen die zij aangeeft, om vervolgens in een volgende fase een doorgedreven vergelijking door te voeren van de titels en de verdiensten van de meest geschikt bevonden kandidaten, waarna zij, met vermelding van de redenen die haar ertoe brengen een bepaalde kandidaat boven de anderen te verkiezen, het resultaat van die vergelijking in de benoemingsbeslissing tot uitdrukking brengt. 7.
- Te dezen blijkt uit het bestreden besluit dat de verwerende partij uit de 31 personen die nog effectief kandidaat waren voor de toe te kennen betrekking, er twee geselecteerd heeft voor een nader onderzoek, met name Thierry Van Diest en Ann Van Den Daele. De selectie van die twee kandidaten, die de eerste fase in het beoordelingsproces vormt, steunt op de volgende redenen: “Overwegende dat alle eenendertig kandidaten gunstige adviezen mochten ontvangen van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zodat op basis hiervan geen onderscheid tussen de kandidaten onderling kan gemaakt worden; Overwegende dat de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel enkel zeer gunstige adviezen verleent aan mevr. Van Den Daele Ann en de heer Van Diest Thierry; Overwegende dat enkel mevr. Van Den Daele Ann en de heren Debray Quentin en Van Diest Thierry een uitmuntend advies mochten verkrijgen van de arrondissementskamer van de Gerechtsdeurwaarders van Brussel; Overwegende dat de adviesvorming van de arrondissementskamer van de Gerechtsdeurwaarders van Brussel als een zeer belangrijke parameter kan worden beschouwd, gelet op het feit dat deze immers best vertrouwd is met en best geplaatst is om te oordelen over de bekwaamheid, ervaring, streekgebondenheid, anciënniteit en kennis van de respectievelijke kandidaten. Overwegende dat bijgevolg gelet op de beste adviezen in globo, twee kandidaten kunnen worden geselecteerd: mevr. Van Den Daele Ann en de heer Van Diest Thierry.” 7.2.
- De verzoeker verwijt aan het bestreden besluit in de eerste plaats dat het steunt op de door de adviesverlenende instanties uitgebrachte adviezen, zoniet exclusief op het door de raad van de arrondissementskamer uitgebrachte advies, om het aantal nader te onderzoeken kandidaturen te beperken, in strijd met het beginsel dat de kandidaturen -alle kandidaturen- moeten worden onderzocht en vergeleken. IX-5484-11/19 Het komt de benoemende overheid toe om de meest geschikte kandidaat te benoemen. In de niet-bindende adviezen wordt een beoordeling gegeven omtrent de titels en verdiensten van de onderscheiden kandidaten. Het staat de verwerende partij vrij om deze adviezen al dan niet te volgen. Het is niet kennelijk onredelijk om een groot belang te hechten aan die adviezen en op basis daarvan te oordelen welke kandidaten geselecteerd worden voor een doorgedreven vergelijking van titels en verdiensten. Als de benoemende overheid op die manier te werk gaat, zoals de verwerende partij in het voorliggende geval gedaan heeft, wil dit niet zeggen dat zij haar benoemingsbevoegdheid aan de adviesverlenende instanties delegeert, en evenmin dat zij het verkrijgen van de meest gunstige adviezen als een “selectie- of benoemingsvoorwaarde” aanziet. Uit de aangehaalde motieven van het bestreden besluit blijkt voorts dat een vergelijking van de titels en verdiensten van alle kandidaten wel degelijk heeft plaatsgevonden, ook al gebeurt dat in dit stadium van het beoordelingsproces enkel op basis van één criterium en enkel met het oog op de selectie van een groep kandidaten voor een nader onderzoek van hun titels en verdiensten. Bovendien blijkt uit die motieven ook welk het criterium is dat voor die selectie wordt gehanteerd, met name het verkrijgen van het meest gunstige advies van elk van de adviesverlenende instanties. De aangehaalde motivering volstaat ten slotte om de selectie van de twee meest geschikte kandidaten te dragen. 7.2.
- De verzoeker verwijt aan het bestreden besluit ook dat de verwerende partij niet heeft nagegaan of de adviezen van de raad van de arrondissementskamer wel gebaseerd zijn op een objectieve afweging van de titels en verdiensten van de kandidaten. Noch het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen in openbare ambten, noch de formele motiveringsplicht vereist dat de benoemende overheid, als zij steunt op adviezen die afkomstig zijn van bepaalde instanties, verifieert of die adviezen zelf steunen op een behoorlijk onderzoek van de kandidaturen, als er geen onmiddellijk zichtbare aanleiding is om daaraan te twijfelen. 7.
- Het voorgaande neemt niet weg dat de verzoeker de onwettigheid van het door hem bestreden benoemingsbesluit kan steunen op het feit dat de adviezen waarop dat besluit steunt, onder meer voor de selectie van een eerste groep IX-5484-12/19 kandidaten, niet gebaseerd zijn op een objectief onderzoek van de aanspraken en verdiensten van de onderscheiden kandidaten. 7.3.
- In de betrokken adviezen van de raad van de arrondissementskamer worden volgens een vast schema eerst de volgende punten onderzocht: studie en diploma's; stage; beroepservaring; strafrechtelijk verleden en/of tuchtsancties. Na een beschrijving van de elementen die met deze punten verband houden, volgt telkens een beoordeling, die resulteert in een besluit. Van Ann Van Den Daele wordt vastgesteld dat zij licentiaat in de rechten is en dat zij een “licence spéciale en droit économique” heeft behaald. Zij heeft haar stage gelopen van 1993 tot 1996, en haar stageboekje is gehomologeerd in
- Zij is sedert haar stage zonder onderbreking als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder actief in een bepaald gerechtsdeurwaarderskantoor in het arrondissement Brussel. De raad van de arrondissementskamer stipt in dit verband aan dat zij daar een belangrijke verantwoordelijkheid draagt en in haar opdrachten een grote beoordelingsvrijheid geniet. De raad noteert ook dat haar maatschappelijke betrokkenheid verder gaat dan haar professionele inzet, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat zij als vrijwilligster juridische bijstand verleent in dossiers inzake aanneming, aanbesteding, erfpacht, erfdienstbaarheden, huur, brandbeveiliging, en dergelijke. De conclusie is dat Ann Van Den Daele “over meer dan voldoende verdiensten en bekwaamheden beschikt om het ambt van gerechtsdeurwaarder uit te oefenen”, zodat zij een “uitmuntend advies” krijgt. Van de verzoeker wordt vastgesteld dat hij kandidaat in de rechten is en het getuigschrift van kandidaat-gerechtsdeurwaarder heeft behaald. Hij heeft zijn stage gelopen in het arrondissement Antwerpen, van 1991 tot 1994, en zijn stageboekje is gehomologeerd in
- Hij is sedert zijn stage zonder onderbreking als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder actief in verscheidene gerechtsdeurwaarderskantoren, eerst nog een korte tijd in het arrondissement Antwerpen (van 1994 tot 1996), nadien in het arrondissement Brussel (sinds 1996). De raad van de arrondissementskamer stelt vast dat het kantoor waar hij werkzaam was van 1997 tot 2004 van oordeel is dat hij klaar is voor het ambt en dat hij een kantoor kan leiden in al zijn facetten; de raad voegt daaraan echter toe dat hij sedert 2004 werkzaam is in een ander kantoor, “alwaar hem de mogelijkheid wordt geboden om zijn bekwaamheden te vervolledigen als kandidaat, om alzo de laatste knepen van het vak aan te leren”. De conclusie is dat de verzoeker “bekwaam is het IX-5484-13/19 ambt van gerechtsdeurwaarder uit te oefenen”, zodat hij een “zeer gunstig advies” krijgt. 7.3.
- In het kader van het wettigheidstoezicht op grond van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State komt het de Raad van State niet toe om zijn beoordeling over de titels en verdiensten van de kandidaten in de plaats te stellen van die van de benoemende overheid. Hij moet echter wel nagaan of de benoemende overheid bij het uitoefenen van de beoordelingsbevoegdheid die de hare is, uitgegaan is van gegevens die in feite en in rechte juist zijn en of zij daarbij de grenzen van de redelijkheid niet te buiten is gegaan. Het redelijkheidsbeginsel zou geschonden zijn indien de verwerende partij de grotere aanspraken van de verzoeker terzijde geschoven zou hebben op grond van criteria die kennelijk geen verband houden met de te begeven functie of die kennelijk geen groter belang vertonen dan de criteria waarop de verzoeker beter scoort. De Raad van State beschikt ter zake slechts over een marginaal toezicht. In zijn verzoekschrift voor de Raad van State voert de verzoeker aan dat hij over een ruimere ervaring beschikt dan Ann Van Den Daele, dat hij al sinds langer dan haar vervangingen doet, en dat hij in tegenstelling tot haar ervaring opgedaan heeft buiten het gerechtelijk arrondissement Brussel. De verzoeker verwijt aan de raad van de arrondissementskamer dat deze, ondanks de genoemde elementen, voor Ann Van Den Daele een uitstekend advies en voor hem slechts een zeer gunstig advies heeft gegeven. In zoverre de verzoeker zich beroept op een ruimere beroepservaring, moet vastgesteld worden dat hij, op het ogenblik dat de raad van de arrondissementskamer zijn advies gaf, een anciënniteit had van 14 jaar, terwijl Ann Van Den Daele een anciënniteit had van 11 jaar. Het verschil in anciënniteit bedraagt dus drie jaar. In zoverre de verzoeker wijst op zijn ervaring in meer dan één arrondissement, gaat het om een ervaring van vijf jaar. Gesteld dat de door de verzoeker in zijn voordeel ingeroepen kwaliteiten, die alle te maken hebben met de opgedane beroepservaring, hem op dat punt een voorsprong zouden verlenen op Ann Van Den Daele, volgt hieruit nog niet dat de raad van de arrondissementskamer is tekort gekomen aan zijn verplichting om de aanspraken en verdiensten van Ann Van Den Daele en van de verzoeker te onderzoeken op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria, met IX-5484-14/19 eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel. De beroepservaring is immers slechts één van de elementen die de raad bij de beoordeling van de aanspraken en verdiensten van de kandidaten in aanmerking heeft genomen. Wat betreft de andere elementen, wordt bijvoorbeeld vastgesteld dat Ann Van Den Daele houdster is van een diploma van licentiaat in de rechten en van een bijkomende bijzondere licentie, terwijl de verzoeker slechts houder is van het diploma van kandidaat in de rechten en van het getuigschrift van kandidaat-gerechtsdeurwaarder. Wat betreft de uitoefening van het beroep wordt vastgesteld dat Ann Van Den Daele haar hele professionele loopbaan ontwikkeld heeft in hetzelfde kantoor, wat ertoe geleid heeft dat zij op het ogenblik van de beoordeling van haar kandidatuur een belangrijke verantwoordelijkheid draagt en een grote beoordelingsvrijheid geniet, terwijl de ervaring van de verzoeker is gespreid over verscheidene kantoren, wat volgens de raad meebrengt dat hij de “laatste knepen van het vak” nog heeft aan te leren. Ten slotte wordt vastgesteld dat Ann Van Den Daele blijk geeft van een maatschappelijke betrokkenheid, terwijl in verband met de verzoeker een dergelijke betrokkenheid niet is opgevallen. De verzoeker voert overigens niet aan dat hij bepaalde “extra-professionele activiteiten” uitoefent die in de beoordeling van zijn kandidatuur betrokken zouden kunnen worden. Gelet op het geheel van de elementen die door de raad van de arrondissementskamer in aanmerking worden genomen, en waarvan de verzoeker niet aanvoert dat die in feite of in rechte onjuist zouden zijn, kan niet worden besloten dat verzoekers kwaliteiten op het vlak van de beroepservaring van die aard zijn dat het “zeer gunstig” advies voor hem en het “uitmuntend” advies voor Ann Van Den Daele berusten op een kennelijk onredelijke beoordeling van de respectieve aanspraken en verdiensten. 7.
- In zoverre in het middel de schending wordt aangevoerd van het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen in openbare ambten en van de formele motiveringsplicht, kan het, om de hiervóór ontwikkelde redenen, niet worden aangenomen.
- In zoverre in het middel voorts de schending wordt aangevoerd van de artikelen 510, 512 en 555quater van het Gerechtelijk Wetboek, wordt niet gepreciseerd waarin die schending zou bestaan. IX-5484-15/19 Ambtshalve moet worden vastgesteld dat het middel in zoverre onontvankelijk is. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 9.
- De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van artikel 512, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en de daarmee verbonden gelijke toegang tot de openbare ambten, en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat in het bestreden besluit de afweging van de verdiensten, titels en kwaliteiten van de onderscheiden kandidaten wordt beperkt tot het aantal kandidaten dat door de arrondissementskamer meest gunstig is geklasseerd, en zonder dat de wijze waarop dit klassement tot stand is gekomen door de benoemende overheid op zijn objectiviteit wordt beoordeeld, terwijl artikel 512, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek voorschrijft dat de minister van Justitie het met redenen omklede advies inwint van de procureur-generaal, de procureur des Koning en de raad van de arrondissementskamer over de verdiensten en de bekwaamheid van de kandidaten, maar niet voorschrijft dat deze instanties de uitgebrachte adviezen (lees: de kandidaten) kwalitatief dienen te rangschikken, laat staan dat de benoemende overheid zich door deze kwalitatieve rangschikking zou mogen laten leiden bij de (voor-)selectie van te benoemen kandidaten, zonder na te gaan of deze rangschikking doorgevoerd is op basis van een objectieve afweging van de verdiensten en bekwaamheden van de kandidaten, zodat de bevoegde minister, door zich bij de “selectie” van te benoemen kandidaten exclusief te laten leiden door een door de raad van de arrondissementskamer doorgevoerde kwalitatieve rangschikking van de kandidaten, terwijl artikel 512, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek enkel een advies, doch geen rangschikking voorschrijft, en zonder dat wordt nagegaan of deze rangschikking objectief is gebeurd, de in het middel aangehaalde bepalingen schendt. 9.
- In zijn memorie van wederantwoord en zijn laatste memorie repliceert de verzoeker op de stelling van de verwerende partij dat de lijst van kandidaten met de erbij vermelde adviezen slechts in alfabetische volgorde aan de IX-5484-16/19 minister van Justitie is overgemaakt. Hij stelt dat uit het benoemingsdossier duidelijk blijkt dat bij de beoordeling van de kandidaturen door de benoemende overheid uitsluitend wordt voortgegaan op de kwalificatie van deze adviezen van “uitmuntend” over “zeer gunstig” tot “gunstig”, zonder dat ook maar uit één element van het bestreden besluit naar voor komt dat de benoemende overheid zich zou hebben gebogen over de inhoud van deze adviezen of over de motieven ter verantwoording van de verleende kwalificatie. Hij wijst erop dat de verwerende partij zelf erkent dat de benoemende overheid slechts is overgegaan tot de vergelijking van de titels, verdiensten en kwaliteiten van de kandidaten “op basis van” de verstrekte adviezen. Uit geen van de in het middel ingeroepen bepalingen blijkt, zo besluit de verzoeker, dat de benoemende overheid zich bij de beoordeling van de kandidaturen mag beperken tot een vergelijking van de titels, verdiensten en kwaliteiten van de kandidaten die op basis van de adviezen als besten gerangschikt blijken te zijn. Dit mag zeker niet als de benoemende overheid op geen enkele wijze concreet en precies nagaat of de rangschikking op basis waarvan zij het aantal te benoemen (lees: te beoordelen?) kandidaten beperkt zelf tot stand is gekomen op basis van een objectieve afweging van de titels, verdiensten en kwaliteiten van de onderscheiden kandidaten. Beoordeling
- Artikel 512, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de minister van Justitie het met redenen omkleed advies inwint van de procureur-generaal, van de procureur des Konings en van de raad van de arrondissementskamer over de verdiensten en de bekwaamheid van de kandidaten. Deze adviezen vormen een essentieel onderdeel van de benoemingsprocedure, waarmee de benoemende overheid, ook al is zij door de adviezen niet gebonden, bij haar beslissing rekening dient te houden.
- In zoverre de verzoeker aanvoert dat de bevoegdheid van de adviesverlenende instanties is beperkt tot het geven van een advies over de kandidaten, moet opgemerkt worden dat geen bepaling zich ertegen verzet dat die instanties hun advies over elk van die kandidaten zo opstellen dat uit het naast elkaar leggen van die adviezen in feite een bepaalde rangschikking blijkt tussen de kandidaten, of tussen groepen van kandidaten. Geen wetsbepaling verbiedt met andere woorden dat de raad van de arrondissementskamer zijn beoordeling besluit IX-5484-17/19 met een advies dat “gunstig”, “zeer gunstig” of “uitmuntend” is. Overigens verbiedt ook geen wetsbepaling dat de procureur-generaal zijn beoordeling besluit met een advies dat “gunstig”of “zeer gunstig”is. De benoemende overheid, die rekening moet houden met de uitgebrachte adviezen, mag bijgevolg ook rekening houden met de uit de adviezen blijkende rangschikking van de kandidaten in onderscheiden groepen, om op grond van die rangschikking te komen tot een selectie van de meest geschikte kandidaten. In dit opzicht faalt het middel naar recht.
- In zoverre de verzoeker aanvoert dat de benoemende overheid haar selectie van de meest geschikte kandidaten steunt op de adviezen van de raad van de arrondissementskamer, zonder na te gaan of de uit die adviezen blijkende rangschikking van de kandidaten op een objectieve wijze tot stand is gekomen, valt het middel samen met een grief die het voorwerp vormt van het eerste middel. Om de aldaar ontwikkelde redenen (zie in het bijzonder overweging 7.2.2) faalt het tweede middel ook in dit opzicht naar recht. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 175 euro. IX-5484-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 24 november 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Paul Lemmens IX-5484-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.172 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div