← België

Arrest 198173 - Gerechtsdeurwaarders - 24/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.173 Rolnummer: A. 181803/IX-5606 Zaak: Arrest 198173 - Gerechtsdeurwaarders - 24/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-02 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 03:54 Fiche Arrest nr 198.173 van 24 november 2009 Justitie - Gerechtsdeurwaarders Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 198.173 van 24 november 2009 in de zaak A. 181.803/IX-5606 In zake : Birgit DE TROIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves Loix kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Peeters kantoor houdend te Brussel Terhulpsesteenweg 177/6 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Guido DUPONT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jo Stevens kantoor houdend te Antwerpen Justitiestraat 31 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 19 maart 2007, strekt tot de vernietiging van: - het koninklijk besluit van 15 december 2006 waarbij Guido Dupont wordt benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen; - de impliciete beslissing om Birgit De Troij niet te benoemen; - de adviezen van de Raad van de Arrondissementskamer van de gerechtsdeur- waarders te Antwerpen [van 16 mei 2006] die aan de genoemde beslissingen ten grondslag liggen, in het bijzonder het advies over de kandidatuur van Birgit De Troij. IX-5606-1/26 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 16 mei
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekster heeft een laatste memorie met verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 juni
  4. Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yves Loix, die verschijnt voor de verzoekster, advocaat Jens Mosselmans, die loco advocaat Patrick Peeters verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Bob Delbaere, die loco advocaat Jo Stevens verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Alexander Van Steenberge, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. IX-5606-2/26 III. Feiten
  6. Op 27 maart 2006 wordt in het Belgisch Staatsblad bekendge- maakt dat een betrekking van gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondisse- ment Antwerpen vacant is vanaf 26 september
  7. Deze vacature is het gevolg van het feit dat gerechtsdeurwaarder Louis De Troij, vader van de verzoekster, op de laatstgenoemde datum de leeftijdsgrens bereikt. Voor de genoemde betrekking stellen zich 56 personen kandidaat, waaronder de verzoekster en de tussenkomende partij.
  8. De Raad van de Arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders te Antwerpen onderzoekt de kandidaturen. Uit de technische fiches die de raad over de verzoekster en de tussenkomende partij heeft opgemaakt en uit de adviezen die hij over die kandidaten heeft gegeven, blijkt dat zijn beoordeling in het bijzonder steunt op de volgende criteria: - de objectief gemeten anciënniteit sinds het ogenblik waarop de kandidaat aan alle benoemingsvoorwaarden voldoet; - de continue verbondenheid aan een gerechtsdeurwaarderskantoor; - de beroepservaring als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder, binnen welk arrondissement ook; - de substantiële beroepservaring in Antwerpen; - het ontbreken van tuchtstraffen. In verband met de anciënniteit wordt in de adviezen de volgende toelichting verstrekt: “Bij een anciënniteit van minstens 7 jaar verleent de raad een “uitmuntend advies”, bij een anciënniteit van 4 tot en met 6 jaar een “zeer gunstig advies”, en bij een anciënniteit van minder dan 4 jaar een “gunstig advies”. Daarbij heeft de raad rekening gehouden met de objectief gemeten anciënniteit sinds het ogenblik waarop de kandidaat aan alle benoemingsvoorwaarden voldoet [...]. Aangezien de raad veel belang hecht aan de continue verbondenheid aan een gerechtsdeurwaarderskantoor enerzijds en ervaring als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder anderzijds, in welk gerechtelijk arrondissement ook, heeft hij de anciënniteit slechts in aanmerking genomen voor de onmiddellijk aan de kandidatuur voorafgaande periode waarin de kandidaat zonder noemenswaar- dige onderbreking verbonden was aan één of meerdere gerechtsdeurwaarders- kantoren, en voor zover de betrokkene tijdens die periode ook voldoende ervaring als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder heeft opgedaan.” IX-5606-3/26 In de adviezen wordt bovendien vermeld dat “als de sollicitant substantiële beroepservaring in Antwerpen heeft, [...] die aan het advies [wordt] toegevoegd in de vorm van een bijzondere vermelding”. Op 16 mei 2006 geeft de raad een advies over elk van de kandidaten. In het advies over de verzoekster wordt onder meer vastgesteld dat zij sinds 5 december 1990 aan alle benoemingsvoorwaarden voldoet, en dat voor haar een anciënniteit wordt erkend van 15 jaar. De conclusie is dat zij een “uitmuntend advies” krijgt, “met de vermelding dat zij gedurende 6 jaar als kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam is geweest in het gerechtelijk arrondisse- ment Antwerpen”. In het advies over de tussenkomende partij wordt onder meer vastgesteld dat zij sinds 26 januari 1991 aan alle benoemingsvoorwaarden voldoet, en dat voor haar een anciënniteit wordt erkend van 15 jaar. De conclusie is dat zij een “uitmuntend advies” krijgt, “met de bijzondere vermelding dat zij gedurende 15 jaar als kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam is geweest in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen”. Uit een door de verwerende partij opgemaakte samenvattende tabel blijkt dat de arrondissementskamer over 6 kandidaten het advies “uitmuntend met bijzondere aanbeveling” heeft gegeven, over 33 kandidaten het advies “uitmuntend”, over 13 kandidaten het advies “zeer gunstig” en over 4 kandidaten het advies “gunstig”.
  9. De Procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen verleent op 8 juni 2006 een “gunstig advies” voor alle kandidaten. Op 9 juni 2006 verleent ook de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent een “gunstig advies” voor alle kandidaten.
  10. Bij koninklijk besluit van 15 december 2006 wordt de tussen- komende partij benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen. IX-5606-4/26 In de motieven van dat besluit wordt vastgesteld dat 56 personen hun kandidatuur gesteld hebben. Alle kandidaten hebben een gunstig advies verkregen van de procureur des Konings en de procureur-generaal. Zes kandidaten hebben van de raad van de arrondissementskamer een “uitmuntend advies met bijzondere vermelding” verkregen, te weten (in alfabetische volgorde) Courboin Dominique, Dupont Guido (tussenkomende partij), Gaumier Christel, Pirlot Ann, Somers Bart en Wouters Jan. Die zes kandidaten worden voor een benoeming in aanmerking genomen. Gelet op het feit dat Bart Somers ondertussen tot gerechts- deurwaarder is benoemd in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen en dat Jan Wouters bij koninklijk besluit van dezelfde dag wordt benoemd tot gerechtsdeur- waarder in het gerechtelijk arrondissement Mechelen, blijven er nog vier kandidaten over. Na een nader onderzoek van de kwaliteiten van die vier kandidaten wordt besloten dat de tussenkomende partij de meest geschikte kandidaat is, “gelet op het samenspel van adviezen, ervaring, anciënniteit, betrokkenheid met het ambt en streekgebondenheid”. Het genoemde koninklijk besluit van 15 december 2006, dat wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 januari 2007, vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. Een ministerieel besluit van 15 januari 2007 bepaalt dat het kantoor van de tussenkomende partij gevestigd wordt te Antwerpen.
  11. Naar aanleiding van een andere vacante betrekking van gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, die is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 augustus 2006, heeft de verzoekster zich onder-tussen opnieuw kandidaat gesteld. Bij koninklijk besluit van 20 maart 2007 is Christel Gaumier benoemd. Tegen dat besluit heeft de verzoekster eveneens een beroep tot nietigverklaring ingesteld. Dat beroep wordt bij arrest nr. ... van heden gegrond verklaard. Naar aanleiding van nog een andere vacante betrekking van gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, die is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 augustus 2007, heeft de verzoekster zich andermaal kandidaat gesteld. Bij koninklijk besluit van 7 juli 2008 is Ann Pirlot benoemd. Tegen dat besluit heeft de verzoekster eveneens een beroep tot nietigver- IX-5606-5/26 klaring ingesteld. Dat beroep, dat ingeschreven is onder nr. A. 189.689/IX-6070, is thans nog aanhangig. Ter zitting deelt de verzoekster aan de Raad van State mee dat bij koninklijk besluit van 7 juni 2009 Eric Hooft tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen is benoemd. Ondertussen heeft de verzoekster ook tegen dat besluit een beroep tot nietigverklaring ingesteld. Dat beroep, dat ingeschreven is onder nr. A. 193.651/IX-6477, is thans nog aanhangig. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Eerste exceptie
  12. De verwerende partij werpt een eerste exceptie van onont- vankelijkheid van het beroep op, in zoverre het gericht is tegen de impliciete weigering om de verzoekster te benoemen. Zij voert aan dat op de verwerende partij niet de rechtsplicht rust om de verzoekster te benoemen. Gelet op het groot aantal kandidaten en op het aantal zeer goede adviezen over de andere kandidaten kan evenmin worden aangenomen dat bij een eventuele vernietiging van het benoemingsbesluit uitsluitend de verzoekster in aanmerking komt voor de benoeming.
  13. Behalve indien een teleurgestelde kandidaat kan aantonen dat in hoofde van de overheid een rechtsplicht bestaat om hem te benoemen, kan een afzonderlijk beroep tegen de impliciete weigering om die kandidaat te benoemen in beginsel niet tot een ruimer herstel leiden dan het herstel dat voortvloeit uit de vernietiging van de beslissing waarbij een concurrent is benoemd. De bewijslast ter zake rust op de verzoeker. Noch uit de ter zake geldende wetgeving, noch uit de door de verzoekster aangevoerde middelen blijkt evenwel dat ter zake een dergelijke rechtsplicht zou bestaan. In beginsel heeft de verzoekster dan ook geen belang bij het beroep gericht tegen de impliciete weigering om haar tot gerechtsdeurwaarder te benoemen. IX-5606-6/26 Weliswaar kunnen er uitzonderlijk omstandigheden zijn die met zich brengen dat een verzoeker wel belang heeft bij het bestrijden van de impliciete beslissing om hem niet te bevorderen. De verzoekster voert echter geen dergelijke omstandigheden aan. Uit het dossier blijkt ook niet dat dergelijke omstandigheden te dezen voorhanden zijn. De exceptie is gegrond. Tweede exceptie
  14. De verwerende partij werpt een tweede exceptie van onont- vankelijkheid van het beroep op, in zoverre het gericht is tegen de adviezen van de raad van de arrondissementskamer. Zij betoogt dat adviezen van de arrondissementskamer louter voorbereidend zijn en in geen enkel opzicht de benoemende overheid binden. Die adviezen zijn dan ook geen voor vernietiging vatbare handelingen.
  15. De verwerende partij werpt terecht op dat de adviezen die in de loop van de benoemingsprocedure worden uitgebracht, niet bindend zijn. Dergelijke adviezen kunnen niet het voorwerp van een beroep tot nietigverklaring uitmaken. De exceptie is gegrond. V. Onderzoek van de middelen Derde middel Standpunt van de partijen 12.
  16. De verzoekster roept onder meer een derde middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 33 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen, artikel 512 van het Gerechtelijk Wetboek, alsmede van de in die bepalingen neergelegde of daarbij aansluitende beginselen van gelijkheid, redelijkheid, zorgvuldigheid en motivering, IX-5606-7/26 doordat, [eerste onderdeel,] sommige kandidaten een advies “met bijzondere vermelding” ontvingen, op basis waarvan de bestreden beslissing werd genomen, terwijl niet duidelijk is op welke wijze hiertoe werd beslist, en doordat, [tweede onderdeel,] de verzoekster geen bijzondere aanbeveling ontving, terwijl de verzoekster beschikt over een substantiële beroepserva- ring binnen het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, en doordat, [derde onderdeel,] de benoeming gebaseerd is op de vermeend substantiële beroepservaring binnen het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, terwijl dit criterium discriminatoir, niet deugdelijk en niet pertinent is. 12.
  17. In de toelichting bij het middel zet de verzoekster uiteen dat uit de in het middel aangevoerde bepalingen de verplichting volgt om voor alle benoemingen en bevorderingen naar keuze de titels en de verdiensten van de kandidaten te vergelijken. Uit het benoemingsbesluit, uit de daaraan voorafgaande adviezen of desnoods uit andere stukken van het dossier moet kunnen blijken dat die vergelijking heeft plaatsgevonden. In combinatie met het beginsel dat elke administratieve rechtshandeling op wettelijk aanvaardbare motieven moet berusten, houdt zulks in dat aangetoond moet kunnen worden op grond van welke criteria de overheid steunt om de voorkeur te geven aan de benoemde kandidaat boven de andere kandidaten. Uit het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij enkel een vergelijking maakt tussen de zes kandidaten die een uitmuntend advies met bijzondere aanbeveling hebben verkregen. De verwerende partij heeft zich ten onrechte uitsluitend gebaseerd op de adviezen van de raad van de arrondissements- kamer. Op basis van dit advies werden slechts 6 van de 56 kandidaten door de minister in aanmerking genomen. Het door de raad van de arrondissementskamer gehanteerde criterium om aan de verzoekster het advies “uitmuntend met bijzondere aanbeveling” te onthouden, is niet deugdelijk en niet pertinent, en het schendt het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel. De verzoekster voert aan dat de toevoeging “met bijzondere aanbeveling” gekoppeld is aan het hebben van een “substantiële beroepservaring in IX-5606-8/26 Antwerpen”. Het is echter allerminst duidelijk wat door de raad als “substantiële beroepservaring in Antwerpen” wordt beschouwd. Het bestreden besluit schendt aldus de in het middel ingeroepen bepalingen en beginselen, in het bijzonder de verplichting tot motivering. Voorts voert de verzoekster aan dat het oordeel van de raad van de arrondissementskamer dat zij niet beschikt over een substantiële beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen feitelijk onjuist is, minstens niet afdoende gemotiveerd wordt. Zij wijst erop dat zij van 14 juli 1990 tot 8 februari 1991 voltijds werkzaam was in het kantoor van gerechtsdeurwaarders (Louis) De Troij en Verheyden te Antwerpen, en dat zij sinds 1 februari 2000 opnieuw voltijds werkzaam is in hetzelfde kantoor, thans overgegaan in het kantoor van gerechtsdeurwaarders (Louis) De Troij en Weyns. Buiten de voormelde periodes, toen zij actief was in het gerechtelijk arrondissement Brussel, heeft zij bovendien vele vervangingen gedaan in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen. De verzoekster voert ook nog aan dat het belang dat wordt gehecht aan de beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen duidelijk overdreven is, zodat dit criterium niet deugdelijk en pertinent is. Uit het bestreden besluit blijkt dat kandidaten met een kleinere anciënniteit uitsluitend op basis van dit criterium een betere globale beoordeling dan de verzoekster ontvingen. Dit geldt met name voor Ann Pirlot, Dominique Courboin en Christel Gaumier. Nu, en ook in de toekomst, kunnen kandidaten met slechts zeven jaar anciënniteit, maar wel behaald in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, voorgaan op de verzoekster die inmiddels over 15 jaar anciënniteit beschikt, waarvan “slechts” zes jaar in het genoemde arrondissement. De verzoekster wordt als het ware gepenaliseerd voor het feit dat zij beroepservaring heeft opgedaan in een ander gerechtelijk arrondissement. Door een overdreven belang te hechten aan de ervaring binnen het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, hanteert de raad van de arrondissementskamer een criterium dat discriminerend is ten aanzien van kandidaten die een ruime ervaring hebben binnen dat arrondissement, maar die ook een deel van hun loopbaan hebben uitgeoefend in een ander gerechtelijk arrondissement. Deze vaststelling is te dezen nog pertinenter nu blijkt dat de verzoekster meer anciënniteit heeft dan alle andere kandidaten met de beoordeling “uitmuntend met bijzondere aanbeveling”, en in het bijzonder meer dan de tussenkomende partij, dat zij een duidelijk grotere betrokkenheid heeft met het kantoor dan alle andere kandidaten, dat zij over een diploma in de rechten beschikt, in tegenstelling tot de tussenkomende partij, dat zij IX-5606-9/26 afkomstig is uit en woonachtig is in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, en dat zij, in tegenstelling tot de tussenkomende partij, met succes het taalexamen Frans behaald heeft. De verzoekster besluit dat het door de raad van de arrondissementskamer en de verwerende partij gehanteerde criterium geen wettelijk aanvaardbaar motief vormt, minstens niet opweegt tegen de niet besproken verdiensten die in het voordeel van de verzoekster pleiten. Dat motief is niet deugdelijk of niet pertinent, en het daarop steunende besluit schendt het gelijkheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, of is minstens niet afdoende gemotiveerd. 12.
  18. In haar memorie van wederantwoord geeft de verzoekster een gedetailleerd overzicht, per jaar, van het aantal dagen dat zij vervangingen heeft gedaan. Zij komt tot een totaal van 1518 dagen, waarvan 1161 in Antwerpen en 357 in Brussel. Hieruit blijkt een substantiële beroepservaring, niet alleen in het gerechtelijk arrondissement Brussel, maar bovenal ook in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen. De verzoekster benadrukt dat zij, ook toen zij verbonden was aan een gerechtsdeurwaarderskantoor in Brussel, vervangingen in Antwerpen heeft gedaan. De verzoekster gaat ook in op de vergelijking die de tegenpartijen in hun memories gemaakt hebben tussen het zogenaamde aantal vervangingen gedaan door de tussenkomende partij en die gedaan door de verzoekster, namelijk 207 tegen 47 (zie hierna, overwegingen 13 en 14.1). Deze cijfers hebben evenwel betrekking, niet op het aantal vervangingen, maar op het aantal aanstellingen door de procureur des Konings. Welnu, een aanstelling geldt voor een bepaalde periode (een dag, twee weken, een maand, ...), en uit het aantal aanstellingen kan dus niet afgeleid worden op hoeveel dagen die aanstellingen betrekking hebben, noch hoeveel vervangingen er in de betrokken periodes effectief geweest zijn. In zoverre de tegenpartijen aanvoeren dat de beroepservaring binnen het gerechtelijk arrondissement Antwerpen een pertinent criterium is omwille van de materies diamant en maritiem transport (zie hierna, overwegingen 13 en 14.1), repliceert de verzoekster dat de overheid zelf is teruggekomen op het criterium van de beroepservaring in het betrokken arrondissement, nu zij in het koninklijk besluit van 20 maart 2007, waarbij Christel Gaumier ondertussen tot IX-5606-10/26 gerechtsdeurwaarder is benoemd, het criterium hanteert van de “beroepservaring in welk gerechtelijk arrondissement ook”. In elk geval heeft ook de verzoekster een substantiële beroepservaring opgebouwd met de materies diamant en maritiem transport. Ten slotte wijst de verzoekster erop dat de beroepservaring met de genoemde materies op geen enkele wijze wordt gecontroleerd door de benoemende overheid, en dat trouwens niet blijkt dat de verzoekster op dit punt minder ervaring zou hebben dan de tussenkomende partij. 12.
  19. In haar laatste memorie erkent de verzoekster dat de benoemende overheid de beoordeling van de kandidaten in twee fasen kan laten verlopen: eerst een selectie van de meest geschikte kandidaten, vervolgens een doorgedreven vergelijking van de titels en verdiensten van de meest geschikt bevonden kandidaten. De kandidaten die niet opgenomen zijn in de selectie moeten dan echter uit het benoemingsbesluit kunnen afleiden waarom zij daarvan geen deel uitmaken. Te dezen kan de verzoekster uit niets afleiden waarom de minister het raadzaam achtte enkel de kandidaten in aanmerking te nemen die een uitmuntend advies met bijzondere vermelding hadden gekregen. Alleen al om die reden is het bestreden besluit in strijd met de in het middel ingeroepen bepalingen en beginselen. Voorts herhaalt de verzoekster dat het criterium van het uitmuntend advies met bijzondere vermelding, voor het maken van de bedoelde selectie, kennelijk onredelijk is. In dit verband verwijst de verzoekster naar de inhoud van het advies dat de raad van de arrondissementskamer op 25 oktober 2007 over haar heeft uitgebracht in het kader van de benoemingsprocedure die geleid heeft tot het koninklijk besluit van 7 juli 2008 waarbij Ann Pirlot tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen is benoemd. Dat advies is gegeven na een hoorzitting waarop de verzoekster opmerkingen gemaakt heeft op dat criterium en op de toepassing ervan in haar geval. In het bedoelde advies heeft de raad van de arrondissementskamer op die opmerkingen geantwoord als volgt: “Voor de raad geldt de beroepservaring in Antwerpen als enig criterium om de ‘bijzondere vermelding’ dan wel de ‘vermelding’ zonder meer toe te voegen aan de adviezen. Met het onderscheid tussen een ‘bijzondere vermelding’ (vanaf tien jaar beroepservaring in Antwerpen) en een ‘vermelding’ zonder meer beoogt de raad niet een afzonderlijke topklasse met het meest gunstige advies te doen ontstaan. Uiteraard is het zo [...] dat de raad positief staat tegenover ervaring die aspirant-gerechtsdeurwaarders die in Antwerpen solliciteren hebben opgedaan in Antwerpen, maar de kwalificering van die ervaring -uitgedrukt in jaren- houdt niet in dat in de groep van de kandidaten met een ‘uitmuntend advies’ de kandidaat met de meeste dienstjaren in IX-5606-11/26 Antwerpen ook noodzakelijk als de beste beschouwd wordt. Het is ook geenszins de bedoeling van de Antwerpse raad kandidaten die niet minstens tien jaar verbonden zijn aan een Antwerps gerechtsdeurwaarderskantoor uit te sluiten. In het oorspronkelijke advies werd verwezen naar drie gradaties (‘uit- muntend advies’ - ‘zeer gunstig advies’ - ‘gunstig advies’). De eventuele bijkomende vermelding houdt voor de raad geen verdere kwalificatie of classificatie in. Dat blijkt volgens de raad alleen al uit het feit dat geen vierde gradatie is vermeld.” Voor de verzoekster blijkt uit dat advies duidelijk dat de “bijkomende vermelding” die voor een aantal kandidaten wordt toegevoegd, geen bijkomende waardering van die kandidaten ten nadele van de overige kandidaten inhoudt, of met andere woorden dat die vermelding niet betekent dat de eerste groep kandidaten beter gerangschikt zou zijn dan de tweede groep kandidaten. 12.
  20. Ter zitting wijst de verzoekster erop dat het criterium van de beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen nog steeds een rol blijkt te spelen. Bij koninklijk besluit van 7 juni 2009 is Eric Hooft benoemd tot gerechtsdeurwaarder in dat arrondissement. Ook de verzoekster was kandidaat voor die benoeming. Eric Hooft heeft de voorkeur gekregen boven de verzoekster, ondanks het feit dat de verzoekster op het ogenblik van de benoeming een beroepservaring van 18 jaar had, waarvan 9 jaar in Antwerpen en 9 jaar in Brussel, terwijl Eric Hooft een beroepservaring had van slechts 10 jaar, evenwel volledig opgedaan in Antwerpen.
  21. In haar memorie van antwoord voert de verwerende partij aan dat de benoemende overheid zich kan beperken tot een vergelijking van de titels, verdiensten en kwaliteiten van de kandidaten die van de raad van de arrondissementskamer een uitmuntend advies met een bijzondere vermelding kregen. Gelet op het groot aantal kandidaten mocht de benoemende overheid zich immers in eerste instantie baseren op het resultaat van het advies van de arrondissementskamer, alvorens over te gaan tot een vergelijking van titels en verdiensten van de kandidaten. De verwerende partij verwijst in dit verband naar de rechtspraak van de Raad van State, in het bijzonder het arrest nr. 121.985, Folcque, van 1 augustus 2003, en het arrest nr. 165.784, Devlamynck, van 12 december
  22. Het gegeven dat de benoemende overheid een overwegend belang hecht aan het advies van de arrondissementskamer is logisch. Dit advies kan beschouwd worden als objectief, waarheidsgetrouw en bepalend. De arrondissementskamer is het best geplaatst om te oordelen over de kandidaten. IX-5606-12/26 Uit de adviezen valt wel degelijk af te leiden waarom de verzoekster en de tussenkomende partij een verschillende beoordeling hebben gekregen. De raad van de arrondissementskamer hechtte veel belang aan de beroepservaring in het arrondissement Antwerpen. De tussenkomende partij had een anciënniteit van vijftien jaar in dat arrondissement, en zij heeft er maar liefst 207 vervangingen verricht, terwijl de verzoekster slechts kon bogen op een anciënniteit van zes jaar in dat arrondissement en zij er slechts 47 plaatsvervangingen heeft verricht. Uit het benoemingsbesluit blijkt dat de kandidaten die de “bijzondere vermelding” gekregen hebben, allen kunnen bogen op een anciënniteit van veertien of vijftien jaar in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen. De verzoekster beschikt slechts over een anciënniteit van zes jaar in dat arrondissement. Zij kan dan ook bezwaarlijk voorhouden dat zij beschikt over een “substantiële beroepservaring” [in dat arrondissement]. Ten slotte voert de verwerende partij aan dat zij wel degelijk belang mocht hechten aan de beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen. Dit arrondissement vertoont een specifiek karakter, wegens de mariene sector en de diamantsector. Een kandidaat-gerechtsdeurwaarder in Antwerpen moet beschikken over een grondige kennis van het havengebeuren en van handels- documenten, maritieme documenten en douanedocumenten, en hij kan die ervaring enkel in een gerechtsdeurwaarderskantoor in Antwerpen opdoen. De verwerende partij wijst erop dat ook in de adviezen van de procureur des Konings en de procureur-generaal wordt gewezen op de specificiteit van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen. Het is trouwens om die reden dat die overheden het diploma van de tussenkomende partij van licentiaat in de economische weten- schappen als een belangrijke meerwaarde hebben beschouwd. 14.
  23. De tussenkomende partij werpt op dat, in zoverre het middel opkomt tegen de adviezen van de arrondissementskamer, het onontvankelijk is. Zij voert voorts aan dat de kritiek tegen een trapsgewijze selectie, waarbij eerst de meest geschikte kandidaten worden geselecteerd, en nadien de titels en verdiensten van die kandidaten worden vergeleken, onaanvaardbaar is wanneer er 56 kandidaten zijn. De tussenkomende partij verwijst in dit verband naar het genoemde arrest nr. 121.985, Folcque, van 1 augustus
  24. Anders oordelen zou van de benoemingsprocedure een “papieren martelgang” maken. IX-5606-13/26 Uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekster, in tegenstelling tot wat zij suggereert, het systeem van het advies “uitmuntend met bijzondere vermelding” kende. De pertinentie van een onderscheid tussen de kandidaten die 6 jaar ervaring in het ambtsgebied hebben en de kandidaten die 14 tot 15 jaar ervaring in het ambtsgebied hebben, is evident. Dit wordt te dezen nog gesteund door de grotere praktijkervaring van de tussenkomende partij, die eveneens blijkt uit 207 tegenover 47 aanstellingen aldaar. Die laatste cijfers wijzen erop dat de beroepservaring van de verzoekster, in welk arrondissement ook opgedaan, in elk geval beperkter was dan die van de tussenkomende partij. Het komt aan de benoemende overheid toe om de criteria en het gewicht ervan te bepalen. Het criterium van de beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen is niet onredelijk of willekeurig. De specificiteit van het ambtsgebied Antwerpen blijkt ook uit de adviezen van de procureur des Konings en de procureur-generaal. 14.
  25. In haar laatste memorie gaat de tussenkomende partij in op het door de verzoekster besproken advies van de raad van de arrondissementskamer van 25 oktober 2007 in de procedure die geleid heeft tot de benoeming van Ann Pirlot (zie opmerking 12.4). Volgens de tussenkomende partij is dat advies, dat geen deel uitmaakt van het administratief dossier in de voorliggende zaak, van geen enkel belang. Dat stuk bestond immers niet op het ogenblik dat het thans bestreden besluit werd genomen. De benoemende overheid kon daarmee dus geen rekening houden, en ook de Raad van State mag daarmee geen rekening houden. De mening van de raad van de arrondissementskamer op 16 mei 2006 (toen hij adviezen uitbracht in het kader van de thans voorliggende procedure) hoeft niet dezelfde te zijn als diens mening op 25 oktober
  26. Die laatste mening is voor de voorliggende zaak zelfs irrelevant. Overigens is de tussenkomende partij van oordeel dat het advies van 25 oktober 2007 steun biedt aan het thans bestreden besluit. In dat advies wordt immers in verband met de beroepservaring het volgende gesteld: IX-5606-14/26 “[...] De raad realiseert zich dat een [...] kwantitatieve benadering [van de beroepservaring in Antwerpen] niet alleen zaligmakend is, maar is toch van oordeel dat ze een redelijke basis vormt om een objectieve vergelijking mogelijk te maken op het vlak van de ervaring in het arrondissement Antwerpen. Mevrouw De Troij en haar raadsman erkennen wel tot op zekere hoogte het belang van een minimum aan beroepservaring in het arrondissement waar een benoeming tot gerechtsdeurwaarder wordt geambieerd, maar mevrouw De Troij reduceert dat belang -banaliserend, zoals ze op de hoorzitting toegaf- tot de kennis van straten. De raad wijst erop dat het om veel meer dan kennis van de straten gaat, want dat is uiteindelijk een praktische kwestie waarvoor tegenwoordig technische hulpmiddelen (gps-toestellen) soelaas bieden. Het gaat om veel meer, namelijk om kennis van procedures die eigen zijn aan bepaalde arrondissementen (bijvoorbeeld maritieme zaken wel in Antwerpen, maar niet in Brussel), kennis van plaatselijke gewoonten, collega’s, rechtsonderhorigen, het huishoudelijk reglement, rondzendbrieven, ... De raad vindt die Antwerpse beroepservaring hoe dan ook belangrijk, en de raad is van oordeel dat tien jaar beroepservaring in Antwerpen beter is dan vijf jaar beroepservaring in Antwerpen.” In dat advies maakt de raad van de arrondissementskamer aldus zeer duidelijk welk groot belang hij hecht aan de beroepservaring in Antwerpen. Weliswaar stelt de raad dat zulks naar zijn oordeel niet inhoudt dat een kandidaat met 13 jaar beroepservaring, waarvan 5 jaar in Antwerpen, een minder geschikte kandidaat is dan iemand met 10 jaar beroepservaring, die volledig in Antwerpen is opgedaan. Het is evenwel niet de raad, maar de minister die de benoeming doet. In haar benoemingsbesluit houdt de benoemende overheid uiteindelijk zes kandidaten over, namelijk diegenen die meer dan 10 jaar beroepservaring in Antwerpen hebben. Het is de benoemende overheid die terecht veel belang hecht aan dit criterium. Dit is altijd zo geweest, en dat is nooit een geheim geweest. De verzoekster toont niet aan dat het belang dat aan het bedoelde criterium wordt gehecht, kennelijk onredelijk is. Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel
  27. In verband met de ontvankelijkheid van het middel herinnert de Raad van State eraan dat, alhoewel voorbereidende handelingen, die deel uitmaken van een complexe administratieve verrichting, in rechte niet met een annulatieberoep kunnen worden aangevochten, onwettigheden en onregelmatigheden van deze materiële handelingen in de annulatieprocedure tegen IX-5606-15/26 het eindresultaat van de complexe administratieve verrichting wel kunnen worden aangevoerd. De verzoekster kan dus de eventuele onwettigheid van de adviezen van de raad van de arrondissementskamer aanvoeren tot staving van haar beroep tegen het besluit waarbij de tussenkomende partij wordt benoemd. Overigens oefent het derde middel kritiek uit, niet enkel op de adviezen van de raad van de arrondissementskamer, maar ook op het benoemingsbesluit zelf. De door de tussenkomende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van het middel faalt naar recht. Ten gronde
  28. Het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen in openbare ambten, krachtens welk iedere burger gelijke toegang heeft tot de openbare ambten, houdt in dat de aanspraken en verdiensten van de kandidaten moeten worden onderzocht en vergeleken, op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria. De overheid beschikt daarbij over een ruime discretionaire bevoegdheid, die echter de redelijkheid als grens heeft. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Bij benoemingen kan in positieve zin worden gemotiveerd, in die zin dat de benoemende overheid kan vermelden waarom een bepaalde kandidaat wordt benoemd en ze niet noodzakelijk moet vermelden waarom de andere kandidaten niet worden benoemd. Dit neemt niet weg dat de benoemende overheid in het benoemingsbesluit de redenen moet aangeven die haar ertoe hebben gebracht een bepaalde kandidaat boven een andere te verkiezen. Minstens moet zij in dat besluit concrete gegevens opnemen die het voor de teleurgestelde kandidaten IX-5606-16/26 mogelijk maken de objectieve, redelijke en pertinente criteria en de concrete beoordeling ervan te achterhalen. De verplichting om de titels en verdiensten van de kandidaten te vergelijken op grond van objectieve, redelijke en pertinente criteria geldt ook wanneer een groot aantal personen zich kandidaat stellen voor een openstaande betrekking. In een dergelijk geval is het de benoemende overheid evenwel toegestaan om de beoordeling van de kandidaten in verschillende fasen te laten gebeuren, met inachtneming van de hiervóór vermelde rechtsregels en -beginselen. In een eerste fase kan de overheid dan de meest geschikte kandidaten selecteren, om de redenen die zij aangeeft, om vervolgens in een volgende fase een doorgedreven vergelijking door te voeren van de titels en de verdiensten van de meest geschikt bevonden kandidaten, waarna zij, met vermelding van de redenen die haar ertoe brengen een bepaalde kandidaat boven de anderen te verkiezen, het resultaat van die vergelijking in de benoemingsbeslissing tot uitdrukking brengt.
  29. Te dezen blijkt uit het bestreden besluit dat de verwerende partij uit de 56 personen die kandidaat waren voor de toe te kennen betrekking, er zes geselecteerd heeft voor een nader onderzoek, met name (in alfabetische volgorde) Courboin Dominique, Dupont Guido (tussenkomende partij), Gaumier Christel, Pirlot Ann, Somers Bart en Wouters Jan. De selectie van die zes kandidaten, die de eerste fase in het beoordelingsproces vormt, steunt op de volgende redenen: “Overwegende dat alle kandidaten gunstige adviezen mochten ontvangen, zowel van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen als van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen; dat bijgevolg op basis van deze adviezen geen uitsluitsel kan worden gegeven inzake rangschikking naar de verdiensten van de respectievelijke kandidaten; Overwegende dat volgende kandidaten van de Raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders van Antwerpen een uitmuntend advies met bijzondere aanbeveling mochten ontvangen: Courboin Dominique, Dupont Guido, Gaumier Christel, Pirlot Ann, Somers Bart en Wouters Jan; Overwegende dat deze adviezen als objectief, waarheidsgetrouw en bepalend kunnen worden beschouwd aangezien de kandidaten beoordeeld werden op basis van acht [sic] criteria teneinde tot een globaal beoordelingsadvies te komen, met name: - opmerkingen omtrent de samenstelling van het dossier; - verbondenheid aan het kantoor in het desbetreffende arrondissement; - beroepservaring binnen het desbetreffende gerechtelijk arrondissement; IX-5606-17/26 - adviezen van syndici; - datum sedert wanneer aan de benoemingsvoorwaarden werd voldaan; - anciënniteit; - beroepservaring als kandidaat-gerechtsdeurwaarder in het desbetreffende arrondissement.”
  30. In het eerste onderdeel verwijt de verzoekster aan de adviezen van de raad van de arrondissementskamer dat deze niet duidelijk maken op grond van welke redenen aan sommige kandidaten een advies “met bijzondere vermelding” wordt gegeven. In de adviezen wordt uitdrukkelijk vermeld dat “als de sollicitant substantiële beroepservaring in Antwerpen heeft, [...] die aan het advies [wordt] toegevoegd in de vorm van een bijzondere vermelding”. Uit de adviezen kan de verzoekster dus opmaken dat de “bijzondere vermelding” wordt toegekend aan de kandidaten waarvan de raad van de arrondissementskamer oordeelt dat zij een substantiële beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen hebben opgedaan. Ook al wordt niet nader gepreciseerd wat onder een “substantiële beroepservaring in Antwerpen” moet worden verstaan, toch volstaat die uitleg voor de regelmatigheid van de motivering. Het onderdeel kan dan ook afgedaan worden, zonder dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de raad van de arrondissementskamer in zijn advies van 25 oktober 2007 over de verzoekster, uitgebracht in het kader van de benoemingsprocedure die geleid heeft tot het koninklijk besluit van 7 juli 2008 waarbij Ann Pirlot tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen is benoemd, preciseert dat een “substantiële” beroepservaring in dat arrondissement een beroepservaring van ten minste tien jaar betekent. Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
  31. In het tweede onderdeel voert de verzoekster in essentie aan dat, in zoverre de raad van de arrondissementskamer van oordeel is dat zij geen “bijzondere vermelding” verdient omdat zij niet beschikt over een substantiële beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, het over haar gegeven advies steunt op een gegeven dat in feite onjuist is. Volgens de verzoekster beschikt zij immers wél over een dergelijke beroepservaring. IX-5606-18/26 Uit de fiches die de arrondissementskamer over de verzoekster en de tussenkomende partij heeft opgemaakt, blijkt dat de verzoekster geacht werd een beroepservaring in Antwerpen, als kandidaat-gerechtsdeurwaarder, van 6 jaar te hebben, terwijl die beroepservaring voor de tussenkomende partij bepaald werd op 15 jaar. Uit de beschouwingen die de raad van de arrondissementskamer in zijn adviezen wijdt aan de nuttige anciënniteit die voor elke kandidaat in aanmerking kan worden genomen, kan worden afgeleid dat het gaat om het aantal jaren dat een persoon, sinds het ogenblik dat hij of zij voldoet aan alle benoemingsvoorwaarden, als kandidaat-gerechtsdeurwaarder verbonden is geweest met een gerechtsdeurwaarderskantoor in Antwerpen, voor zover de betrokkene in die periode ook voldoende actief geweest is als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder. Anders dan de verwerende partij en de tussenkomende partij suggereren, is het aantal plaatsvervangingen niet als zodanig in aanmerking genomen om te bepalen of de kandidaat al dan niet een substantiële beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen heeft opgedaan. De verzoekster betwist op zich niet de berekening van het aantal jaren beroepservaring in Antwerpen, respectievelijk 6 en 15 jaar, gemaakt door de raad van de arrondissementskamer. Uitgaande van de hiervóór vermelde interpretatie van het begrip “substantiële beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen”, kon de raad in redelijkheid tot de conclusie komen dat de verzoekster niet -en de tussenkomende partij wél- over een dergelijke beroepservaring beschikte. De vraag of de raad van de arrondissementskamer in redelijkheid ook van oordeel kon zijn dat voor de beoordeling van het substantieel karakter van de beroepservaring in Antwerpen uitsluitend rekening moest worden gehouden met de beroepservaring opgedaan in de jaren dat de kandidaat verbonden was met een gerechtsdeurwaarderskantoor in Antwerpen, is een vraag die beter beantwoord kan worden in het kader van het derde onderdeel. Het tweede onderdeel mist feitelijke grondslag. 20.
  32. In het derde onderdeel voert de verzoekster aan dat het criterium zelf van de substantiële beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, door de benoemende overheid gehanteerd om uit de 56 kandidaten een IX-5606-19/26 selectie te maken van zes kandidaten waarvan de titels en de verdiensten nader onderzocht worden, discriminerend, niet deugdelijk en niet pertinent is. 20.
  33. Voor het onderzoek van het onderdeel moet in de eerste plaats worden nagegaan of het criterium van de substantiële beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen wel degelijk het criterium is op grond waarvan de benoemende overheid de zes meest geschikte kandidaten geselecteerd heeft. In het bestreden besluit wordt immers overwogen dat de zes bedoelde kandidaten van de raad van de arrondissementskamer een uitmuntend advies met bijzondere vermelding hebben gekregen, en dat de adviezen van de raad steunen op zeven (niet acht) met name genoemde criteria. De “beroepservaring binnen het desbetreffende gerechtelijk arrondissement” en de “beroepservaring als kandidaat-gerechtsdeurwaarder in het desbetreffende arrondissement” zijn daarbij slechts twee van die zeven criteria. De vraag of het werkelijk gaat om twee verschillende criteria kan hier buiten beschouwing blijven. Uit de adviezen van de raad van de arrondissementskamer blijkt evenwel dat het “uitmuntend” advies uitsluitend steunt op het gegeven dat de betrokkene een anciënniteit heeft van meer dan zeven jaar, begrepen in de zin van een beroepservaring van ten minste zeven jaar, opgedaan als kandidaat- gerechtsdeurwaarder verbonden met een gerechtsdeurwaarderskantoor in gelijk welk arrondissement, voor zover de betrokkene in die periode ook voldoende actief geweest is als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder. Een anciënniteit van minder dan zeven jaar leidt tot een “zeer gunstig” of een “gunstig” advies, naargelang de kandidaat al dan niet een beroepservaring van ten minste vier jaar heeft. Uit die adviezen blijkt voorts dat de “bijkomende vermelding” uitsluitend steunt op het gegeven dat de betrokkene een substantiële beroepservaring heeft opgedaan als kandidaat-gerechtsdeurwaarder verbonden met een gerechtsdeurwaarderskantoor in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen (zie hiervóór, overweging 19). Het is dus de beroepservaring die in aanmerking wordt genomen om uit te maken of een kandidaat een “uitmuntend” dan wel een “zeer gunstig” of een “gunstig” advies krijgt, én om uit te maken of die kandidaat al dan niet een “bijzondere vermelding” krijgt. Aldus kan geconcludeerd worden dat de zes meest geschikt geachte kandidaten de kandidaten zijn die een beroepservaring hebben van ten IX-5606-20/26 minste zeven jaar, en waarvan de beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen substantieel is. Nu de beroepservaring opgedaan in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen noodzakelijk samenvalt met, of minstens een onderdeel is van de beroepservaring in het algemeen, moet voorts geconcludeerd worden dat het onderscheid tussen een kandidaat die een “uitmuntend advies” krijgt, zonder “bijzondere vermelding”, en een kandidaat die een “uitmuntend advies met bijzondere vermelding” krijgt, uitsluitend steunt op het verschil in het aantal jaren beroepservaring die zijn opgedaan terwijl de kandidaat verbonden is geweest met een gerechtsdeurwaarderskantoor in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen. Dit verschil verklaart met name waarom de verzoekster geen “bijzondere vermelding” krijgt, en de tussenkomende partij wel: beiden hebben een anciënniteit van 15 jaar, waardoor zij beiden een “uitmuntend” advies krijgen, maar de verzoekster heeft slechts een anciënniteit van 6 jaar in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, terwijl de hele anciënniteit van de tussenkomende partij is opgebouwd in het genoemde arrondissement. 20.
  34. Het onderdeel doet de vraag rijzen of het criterium van de substantiële beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, begrepen als de substantiële beroepservaring opgedaan als kandidaat- gerechtsdeurwaarder verbonden met een gerechtsdeurwaarderskantoor in Antwerpen, voor zover de betrokkene in die periode ook voldoende actief geweest is als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder, een aanvaardbaar criterium is voor de selectie van de meest geschikte kandidaten. Er moet met andere woorden nagegaan worden of dat criterium wettig kan dienen voor het maken van het onderscheid, binnen de groep kandidaten die een “uitmuntend advies” hebben verkregen, tussen degenen die geselecteerd worden voor een doorgedreven vergelijking van hun titels en verdiensten (in het bijzonder de tussenkomende partij) en degenen waarvan de kandidatuur niet verder in aanmerking wordt genomen (in het bijzonder de verzoekster). 20.
  35. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet- discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende IX-5606-21/26 beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 20.
  36. Het verschil in behandeling, binnen de groep kandidaten die een “uitmuntend advies” hebben verkregen, tussen degenen die geselecteerd worden voor een doorgedreven vergelijking van hun titels en verdiensten en degenen waarvan de kandidatuur niet verder in aanmerking wordt genomen, berust op een objectief criterium: de beroepservaring die de kandidaten gedurende een aantal jaren hebben opgedaan als kandidaat-gerechtsdeurwaarder verbonden met een gerechtsdeurwaarderskantoor in het arrondissement waarin de benoemde kandidaat zijn ambt zal moeten uitoefenen. Het bedoelde onderscheid wordt ingesteld om uit de hele groep kandidaten, of ten minste uit de groep van 39 kandidaten die een “uitmuntend” advies (of een “uitmuntend advies met bijzondere vermelding”) hebben verkregen, de meest geschikte kandidaten te selecteren. Zoals hiervóór is uiteengezet, beantwoordt de verschillende behandeling aldus aan een wettig doel (zie overweging 16). 20.
  37. Blijft dan de vraag of het genoemde criterium pertinent is om het beoogde doel te bereiken en of de toepassing ervan niet leidt tot gevolgen die onevenredig zijn met dat doel. Het criterium van de beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen kan pertinent geacht worden voor het beoordelen van de geschiktheid van de kandidaten voor een benoeming als gerechtsdeurwaarder in dat arrondissement. De adviesverlenende instanties en de benoemende overheid kunnen dat criterium hanteren om na te gaan in hoeverre de kandidaten vertrouwd zijn met de specifieke vereisten voor de uitoefening van het ambt in dat arrondissement. In verband met het bestaan van zulke specifieke vereisten sluit de Raad van State zich aan bij hetgeen daaromtrent wordt overwogen in het advies dat de raad van de arrondissementskamer op 25 oktober 2007 over de verzoekster heeft gegeven, in de procedure die geleid heeft tot de benoeming van Ann Pirlot, advies dat aangehaald wordt door de tussenkomende partij (zie overweging 14.2): “Het gaat om [de] kennis van procedures die eigen zijn aan bepaalde arrondissementen (bijvoorbeeld maritieme zaken wel in Antwerpen, maar niet in Brussel), kennis van plaatselijke IX-5606-22/26 gewoonten, collega’s, rechtsonderhorigen, het huishoudelijk reglement, rondzendbrieven, ...” IX-5606-23/26 Te dezen gaat het echter niet om de vraag of het bedoelde criterium gebruikt kan worden voor de beoordeling van de geschiktheid van de kandidaten. Het gaat wel om de vraag of dat criterium als het enige criterium gebruikt mag worden voor de selectie van de meest geschikte kandidaten, met het oog op een doorgedreven vergelijking van de kandidaturen. In dat opzicht komt het criterium in redelijkheid als te beperkend voor. Zoals uit de adviezen van de arrondissementskamer blijkt, kan de geschiktheid van de kandidaten beoordeeld worden aan de hand van een reeks criteria, waarvan de beroepservaring in Antwerpen er één is. Ook in de motieven van het bestreden besluit worden een reeks criteria gehanteerd, weliswaar enkel met betrekking tot de doorgedreven vergelijking van de kandidaturen van de meest geschikt bevonden kandidaten. De tussenkomende partij wordt aldus als de meest geschikte kandidaat aangewezen, “gelet op het samenspel van adviezen, ervaring, anciënniteit, betrokkenheid met het ambt en streekgebondenheid”. Als de geschiktheid het resultaat is van een “samenspel” van hoedanigheden, is een kenmerk dat uitsluitend te maken heeft met het aantal jaren dat de kandidaat een specifieke ervaring heeft opgedaan in het betrokken arrondissement niet pertinent om de meest geschikte kandidaten van de minder geschikte te onderscheiden. Het reduceren van de beroepservaring in Antwerpen tot de beroepservaring opgedaan terwijl de kandidaat verbonden is aan een gerechtsdeurwaarderskantoor in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, heeft bovendien tot gevolg dat in het geheel geen rekening wordt gehouden met andere elementen waaruit de vertrouwdheid met de specifieke vereisten voor de uitoefening van het ambt in dat arrondissement zou kunnen worden afgeleid. Zoals het criterium van de substantiële beroepservaring in Antwerpen is geïnterpreteerd door de raad van de arrondissementskamer, en zoals dit criterium door de benoemende overheid is gehanteerd, heeft het in dit geval ertoe geleid dat alleen kandidaten die gedurende een zeker aantal jaren verbonden geweest zijn aan een gerechtsdeurwaarderskantoor in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen voor een benoeming in aanmerking konden komen. Kandidaten met een dergelijk verleden in Antwerpen krijgen aldus de voorkeur boven onder meer kandidaten die over een gelijke -en eventueel zelfs een grotere- anciënniteit beschikken, en zulks ongeacht de concrete beroepservaring in Antwerpen waarover die andere kandidaten beschikken. Met die concrete beroepservaring wordt dan niet enkel de ervaring bedoeld die is opgedaan terwijl de IX-5606-24/26 kandidaat verbonden is aan een gerechtsdeurwaarderskantoor in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, maar ook bijvoorbeeld, zoals in het geval van de verzoekster, de ervaring opgedaan in Antwerpen terwijl de kandidaat verbonden is aan een gerechtsdeurwaarderskantoor in een ander gerechtelijk arrondissement. De conclusie is dan ook dat de uitsluiting van de verzoekster uit de groep van kandidaten die voor een doorgedreven onderzoek van de aanspraken en verdiensten in aanmerking komen, berust op een criterium dat niet pertinent is, en dat die uitsluiting te dezen kennelijk onevenredig is met het beoogde doel, zijnde de selectie van de meest geschikte kandidaten. De Raad van State komt tot die conclusie zonder een beroep te moeten doen op hetgeen de raad van de arrondissementskamer heeft overwogen in zijn advies van 25 oktober 2007 over de verzoekster, in de procedure die geleid heeft tot de benoeming van Ann Pirlot. De Raad van State wenst echter wel op te merken dat dit advies een stevige steun biedt aan zijn conclusie over het gebrek aan pertinentie van het gehanteerde criterium. In het deel van het advies dat aangehaald wordt door de verzoekster (zie overweging 12.4) preciseert de raad van de arrondissementskamer immers dat hij met het geven van een “bijzondere vermelding” niet beoogt “een afzonderlijke topklasse met het meest gunstige advies te doen ontstaan”, en dat “de kwalificering van [de ervaring opgedaan in Antwerpen] -uitgedrukt in jaren- [...] niet [inhoudt] dat in de groep van de kandidaten met een ‘uitmuntend advies’ de kandidaat met de meeste dienstjaren in Antwerpen ook noodzakelijk als de beste beschouwd wordt”. 20.
  38. In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het in die artikelen gehuldigde gelijkheidsbeginsel, is het gegrond. BESLISSING
  39. De Raad van State vernietigt het koninklijk besluit van 15 december 2006 waarbij Guido Dupont wordt benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen. Het beroep wordt voor het overige verworpen. IX-5606-25/26
  40. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  41. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 24 november 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Paul Lemmens IX-5606-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.173 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.