← België

Arrest 198174 - Gerechtsdeurwaarders - 24/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.174 Rolnummer: A. 183603/IX-5664 Zaak: Arrest 198174 - Gerechtsdeurwaarders - 24/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-02 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:54 Fiche Arrest nr 198.174 van 24 november 2009 Justitie - Gerechtsdeurwaarders Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 198.174 van 24 november 2009 in de zaak A. 183.603/IX-5664 In zake : Birgit DE TROIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves Loix kantoor houdend te Antwerpen Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Peeters kantoor houdend te Brussel Terhulpsesteenweg 177/6 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Christel GAUMIER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ingrid Opdebeek kantoor houdend te Aartselaar Karel Van de Woestijnelaan 7 en door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 24 mei 2007, strekt tot de vernietiging van: - het koninklijk besluit van 20 maart 2007 waarbij Christel Gaumier wordt benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen; - de impliciete beslissing om Birgit De Troij niet te benoemen; - de adviezen van de Raad van de Arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaar- ders te Antwerpen [van 18 september 2006] die aan de genoemde beslissingen ten grondslag liggen, in het bijzonder het advies over de kandidatuur van Birgit De Troij. IX-5664-1/24 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 21 augustus
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Adjunct-auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekster heeft een laatste memorie met verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 juni
  4. Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yves Loix, die verschijnt voor de verzoekster, advocaat Jens Mosselmans, die loco advocaat Patrick Peeters verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Alexander Van Steenberge, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. IX-5664-2/24 III. Feiten
  6. Op 4 augustus 2006 wordt in het Belgisch Staatsblad bekendge- maakt dat een betrekking van gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondisse- ment Antwerpen vacant is vanaf 29 januari
  7. Voor de genoemde betrekking stellen zich 46 personen kandidaat, waaronder de verzoekster en de tussenkomende partij.
  8. De Raad van de Arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders te Antwerpen onderzoekt de kandidaturen. Zoals in het bestreden besluit wordt vastgesteld, en zoals ook blijkt uit de technische fiches die de raad over de verzoekster en de tussenkomende partij heeft opgemaakt en uit de adviezen die hij over die kandidaten heeft gegeven, steunt zijn beoordeling in het bijzonder op de volgende criteria: - de objectief gemeten anciënniteit sinds het ogenblik waarop de kandidaat aan alle benoemingsvoorwaarden voldoet; - de continue verbondenheid aan een gerechtsdeurwaarderskantoor; - de beroepservaring als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder, binnen welk arrondissement ook; - de substantiële beroepservaring in Antwerpen; - het ontbreken van tuchtstraffen. In verband met de anciënniteit wordt in de adviezen de volgende toelichting verstrekt: “Bij een anciënniteit van minstens 7 jaar verleent de raad een “uitmuntend advies”, bij een anciënniteit van 4 tot en met 6 jaar een “zeer gunstig advies”, en bij een anciënniteit van minder dan 4 jaar een “gunstig advies”. Daarbij heeft de raad rekening gehouden met de objectief gemeten anciënniteit sinds het ogenblik waarop de kandidaat aan alle benoemingsvoorwaarden voldoet [...]. Aangezien de raad veel belang hecht aan de continue verbondenheid aan een gerechtsdeurwaarderskantoor enerzijds en ervaring als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder anderzijds, in welk gerechtelijk arrondissement ook, heeft hij de anciënniteit slechts in aanmerking genomen voor de onmiddellijk aan de kandidatuur voorafgaande periode waarin de kandidaat zonder noemenswaar- dige onderbreking verbonden was aan één of meerdere gerechtsdeurwaarders- kantoren, en voor zover de betrokkene tijdens die periode ook voldoende ervaring als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder heeft opgedaan.” IX-5664-3/24 In de adviezen wordt bovendien vermeld dat “als de sollicitant substantiële beroepservaring in Antwerpen heeft, [...] die aan het advies [wordt] toegevoegd in de vorm van een bijzondere vermelding”. Op 18 september 2006 geeft de raad een advies over elk van de kandidaten. In het advies over de verzoekster wordt onder meer vastgesteld dat zij sinds 5 december 1990 aan alle benoemingsvoorwaarden voldoet, en dat voor haar een anciënniteit wordt erkend van 15 jaar. De conclusie is dat zij een “uitmuntend advies” krijgt, “met de vermelding dat zij gedurende 6 jaar als kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam is geweest in het gerechtelijk arrondisse- ment Antwerpen”. In het advies over de tussenkomende partij wordt onder meer vastgesteld dat zij sinds 26 juli 1991 aan alle benoemingsvoorwaarden voldoet, en dat voor haar een anciënniteit wordt erkend van 15 jaar. De conclusie is dat zij een “uitmuntend advies” krijgt, “met de bijzondere vermelding dat zij gedurende 15 jaar als kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam is geweest in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen”. Uit een door de verwerende partij opgemaakte samenvattende tabel blijkt dat de arrondissementskamer over 7 kandidaten het advies “uitmuntend met bijzondere aanbeveling” heeft gegeven, over 24 kandidaten het advies “uitmuntend”, over 11 kandidaten het advies “zeer gunstig” en over 4 kandidaten het advies “gunstig”.
  9. De Procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen verleent op 17 oktober 2006 een “gunstig advies” voor alle kandidaten. Op 19 oktober 2006 verleent ook de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent een “gunstig advies” voor alle kandidaten.
  10. Bij koninklijk besluit van 20 maart 2007 wordt de tussenkomende partij benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen. IX-5664-4/24 In de motieven van dat besluit wordt vastgesteld dat 46 personen hun kandidatuur gesteld hebben. Alle kandidaten hebben een gunstig advies verkregen van de procureur des Konings en de procureur-generaal. Zeven kandidaten hebben van de raad van de arrondissementskamer een “uitmuntend advies met bijzondere vermelding” verkregen, te weten Dupont Guido, Gaumier Christel (tussenkomende partij), Pirlot Ann, Courboin Dominique, Van Audenrode Vincent, Lievesoens Inge en Wouters Jan. Die zeven kandidaten worden voor een benoeming in aanmerking genomen. Gelet op het feit dat Guido Dupont en Jan Wouters ondertussen tot gerechtsdeurwaarder zijn benoemd, respectievelijk in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen en het gerechtelijk arrondissement Mechelen, blijven er nog vijf kandidaten over. Na een nader onderzoek van de kwaliteiten van die vijf kandidaten wordt besloten dat de tussenkomende partij de meest geschikte kandidaat is, “gelet op het samenspel van adviezen, ervaring, anciënniteit, betrokkenheid met het ambt en streekgebondenheid”. Het genoemde koninklijk besluit van 20 maart 2007, dat wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 maart 2007, vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. Een ministerieel besluit van 20 maart 2007 bepaalt dat het kantoor van de tussenkomende partij gevestigd wordt te Antwerpen.
  11. Naar aanleiding van nog een andere vacante betrekking van gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, die is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 augustus 2007, heeft de verzoekster zich andermaal kandidaat gesteld. Bij koninklijk besluit van 7 juli 2008 is Ann Pirlot benoemd. Tegen dat besluit heeft de verzoekster eveneens een beroep tot nietigver- klaring ingesteld. Dat beroep, dat ingeschreven is onder nr. A. 189.689/IX-6070, is thans nog aanhangig. Ter zitting deelt de verzoekster aan de Raad van State mee dat bij koninklijk besluit van 7 juni 2009 Eric Hooft tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen is benoemd. Ondertussen heeft de verzoekster ook tegen dat besluit een beroep tot nietigverklaring ingesteld. Dat beroep, dat ingeschreven is onder nr. A. 193.651/IX-6477, is thans nog aanhangig. IX-5664-5/24 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Eerste exceptie
  12. De verwerende partij en de tussenkomende partij werpen een eerste exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, in zoverre het gericht is tegen de impliciete weigering om de verzoekster te benoemen. Zij voeren aan dat op de verwerende partij niet de rechtsplicht rust om de verzoekster te benoemen. Gelet op het groot aantal kandidaten en op het aantal zeer goede adviezen over de andere kandidaten kan evenmin worden aangenomen dat bij een eventuele vernietiging van het benoemingsbesluit uitsluitend de verzoekster in aanmerking komt voor de benoeming.
  13. Behalve indien een teleurgestelde kandidaat kan aantonen dat in hoofde van de overheid een rechtsplicht bestaat om hem te benoemen, kan een afzonderlijk beroep tegen de impliciete weigering om die kandidaat te benoemen in beginsel niet tot een ruimer herstel leiden dan het herstel dat voortvloeit uit de vernietiging van de beslissing waarbij een concurrent is benoemd. De bewijslast ter zake rust op de verzoeker. Noch uit de ter zake geldende wetgeving, noch uit de door de verzoekster aangevoerde middelen blijkt evenwel dat ter zake een dergelijke rechtsplicht zou bestaan. In beginsel heeft de verzoekster dan ook geen belang bij het beroep gericht tegen de impliciete weigering om haar tot gerechtsdeurwaarder te benoemen. Weliswaar kunnen er uitzonderlijk omstandigheden zijn die met zich brengen dat een verzoeker wel belang heeft bij het bestrijden van de impliciete beslissing om hem niet te bevorderen. De verzoekster voert echter geen dergelijke omstandigheden aan. Uit het dossier blijkt ook niet dat dergelijke omstandigheden te dezen voorhanden zijn. De exceptie is gegrond. IX-5664-6/24 Tweede exceptie
  14. De verwerende partij en de tussenkomende partij werpen een tweede exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, in zoverre het gericht is tegen de adviezen van de raad van de arrondissementskamer. Zij betogen dat adviezen van de arrondissementskamer louter voorbereidend zijn en in geen enkel opzicht de benoemende overheid binden. Die adviezen zijn dan ook geen voor vernietiging vatbare handelingen. De verwerende partij wijst er voorts op dat de verzoekster nagelaten heeft om haar grieven tegen het advies van de raad van de arrondisse- mentskamer te laten gelden na het voorlopig advies van de arrondissementskamer. De verzoekster beschikte over een termijn van tien dagen om eventuele opmerking- en mede te delen, of om te verzoeken te worden gehoord, bij gebreke waarvan het advies van de arrondissementskamer definitief werd. De verwerende partij betoogt dat de verzoekster van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt en zich niet tegen het advies van de arrondissementskamer heeft verzet. Om die redenen kan de verzoekster de grieven tegen het advies van de arrondissementskamer niet dienstig aanvoeren voor de Raad van State.
  15. De verwerende partij en de tussenkomende partij werpen terecht op dat de adviezen die in de loop van de benoemingsprocedure worden uitgebracht, niet bindend zijn. Dergelijke adviezen kunnen niet het voorwerp van een beroep tot nietigverklaring uitmaken. In zoverre is de exceptie gegrond.
  16. De verwerende partij voert aan dat de verzoekster niet enkel niet de nietigverklaring van die adviezen kan vorderen, maar dat zij zich ook niet kan beroepen op de eventuele onwettigheid van die adviezen, tot staving van haar beroep tegen het bestreden koninklijk besluit. De Raad van State herinnert eraan dat, alhoewel voorbereidende handelingen, die deel uitmaken van een complexe administratieve verrichting, in rechte niet met een annulatieberoep kunnen worden aangevochten, onwettigheden en onregelmatigheden van deze materiële handelingen in de annulatieprocedure IX-5664-7/24 tegen het eindresultaat van de complexe administratieve verrichting wel kunnen worden aangevoerd. De verzoekster kan dus de eventuele onwettigheid van de adviezen van de raad van de arrondissementskamer aanvoeren tot staving van haar beroep tegen het besluit waarbij de tussenkomende partij wordt benoemd. Het feit dat de verzoekster geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om opmerkingen te maken op het over haar door de arrondissements- kamer uitgebrachte advies, doet geen afbreuk aan de mogelijkheid om in het kader van het voorliggende annulatieberoep de onwettigheid van dat advies, en van de adviezen over de andere kandidaten, aan te voeren. De verzoekster was immers niet verplicht om gebruik te maken van de mogelijkheid om te reageren op het over haar uitgebrachte advies. Overigens moet worden vastgesteld dat de verzoekster de onwettigheid van de adviezen in ruime mate situeert in de vergelijking tussen haar titels en verdiensten en die van de tussenkomende partij, terwijl uit het administra- tief dossier niet blijkt dat de verzoekster kennis had van de adviezen die over de andere kandidaten werden gegeven. V. Onderzoek van de middelen Vierde middel Standpunt van de partijen 13.
  17. De verzoekster roept onder meer een vierde middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 33 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, artikel 512 van het Gerechtelijk Wetboek, alsmede van de in die bepalingen neergelegde of daarbij aansluitende beginselen van gelijkheid, redelijkheid, zorgvuldigheid en motivering, doordat, [eerste onderdeel,] sommige kandidaten een advies “met bijzondere vermelding” ontvingen, op basis waarvan de bestreden beslissing werd genomen, terwijl niet duidelijk is op welke wijze hiertoe werd beslist, en doordat, [tweede onderdeel,] de verzoekster geen bijzondere aanbeveling ontving, IX-5664-8/24 terwijl de verzoekster beschikt over een substantiële beroepserva- ring binnen het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, en doordat, [derde onderdeel,] de benoeming gebaseerd is op de vermeend substantiële beroepservaring binnen het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, terwijl dit criterium discriminatoir, niet deugdelijk en niet pertinent is. 13.
  18. In de toelichting bij het middel zet de verzoekster uiteen dat uit de in het middel aangevoerde bepalingen de verplichting volgt om voor alle benoemingen en bevorderingen naar keuze de titels en de verdiensten van de kandidaten te vergelijken. Uit het benoemingsbesluit, uit de daaraan voorafgaande adviezen of desnoods uit andere stukken van het dossier moet kunnen blijken dat die vergelijking heeft plaatsgevonden. In combinatie met het beginsel dat elke administratieve rechtshandeling op wettelijk aanvaardbare motieven moet berusten, houdt zulks in dat aangetoond moet kunnen worden op grond van welke criteria de overheid steunt om de voorkeur te geven aan de benoemde kandidaat boven de andere kandidaten. Uit het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij enkel een vergelijking maakt tussen de zeven kandidaten die een uitmuntend advies met bijzondere aanbeveling hebben verkregen. De verwerende partij heeft zich ten onrechte uitsluitend gebaseerd op de adviezen van de raad van de arrondissementskamer. Op basis van dit advies werden slechts 7 van de 46 kandidaten door de minister in aanmerking genomen. Het door de raad van de arrondissementskamer gehanteerde criterium om aan de verzoekster het advies “uitmuntend met bijzondere aanbeveling” te onthouden, is niet deugdelijk en niet pertinent, en het schendt het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel. De verzoekster voert aan dat de toevoeging “met bijzondere aanbeveling” gekoppeld is aan het hebben van een “substantiële beroepservaring in Antwerpen”. Het is echter allerminst duidelijk wat door de raad als “substantiële beroepservaring in Antwerpen” wordt beschouwd. Het bestreden besluit schendt aldus de in het middel ingeroepen bepalingen en beginselen, in het bijzonder de verplichting tot motivering. IX-5664-9/24 Voorts voert de verzoekster aan dat het oordeel van de raad van de arrondissementskamer dat zij niet beschikt over een substantiële beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen feitelijk onjuist is, minstens niet afdoende gemotiveerd wordt. Zij wijst erop dat zij van 14 juli 1990 tot 8 februari 1991 voltijds werkzaam was in het kantoor van gerechtsdeurwaarders (Louis) De Troij en Verheyden te Antwerpen, en dat zij sinds 1 februari 2000 opnieuw voltijds werkzaam is in hetzelfde kantoor, thans overgegaan in het kantoor van gerechtsdeurwaarders (Louis) De Troij en Weyns. Buiten de voormelde periodes, toen zij actief was in het gerechtelijk arrondissement Brussel, heeft zij bovendien vele vervangingen gedaan in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen. De verzoekster voert ook nog aan dat het belang dat wordt gehecht aan de beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen kennelijk overdreven is, zodat dit criterium niet deugdelijk en pertinent is. Uit het bestreden besluit blijkt dat kandidaten met een kleinere anciënniteit uitsluitend op basis van dit criterium een betere globale beoordeling dan de verzoekster ontvingen. Dit geldt met name voor Ann Pirlot, Dominique Courboin, de tussenkomende partij, Vincent Van Audenrode en Inge Lievesoens. Nu, en ook in de toekomst, kunnen kandidaten met slechts zeven jaar anciënniteit, maar wel behaald in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, voorgaan op de verzoekster die inmiddels over 15 jaar anciënniteit beschikt, waarvan “slechts” zes jaar in het genoemde arrondissement. De verzoekster wordt als het ware gepenaliseerd voor het feit dat zij beroepservaring heeft opgedaan in een ander gerechtelijk arrondissement. Door een overdreven belang te hechten aan de ervaring binnen het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, hanteert de raad van de arrondissementskamer een criterium dat discriminerend is ten aanzien van kandidaten die een ruime ervaring hebben binnen dat arrondissement, maar die ook een deel van hun loopbaan hebben uitgeoefend in een ander gerechtelijk arrondissement. Deze vaststelling is te dezen nog pertinenter nu blijkt dat de verzoekster meer anciënniteit heeft dan alle andere kandidaten met de beoordeling “uitmuntend met bijzondere aanbeveling”, en in het bijzonder meer dan de tussenkomende partij, dat zij over een diploma in de rechten beschikt, dat zij, in tegenstelling tot de tussenkomende partij, met succes het taalexamen Frans behaald heeft, en dat zij, in tegenstelling tot de tussenkomende partij, meer vervangingen heeft gedaan en aldus een beduidend ruimere beroepservaring heeft. De verzoekster besluit dat het door de raad van de arrondissementskamer en de verwerende partij gehanteerde criterium geen wettelijk IX-5664-10/24 aanvaardbaar motief vormt, minstens niet opweegt tegen de niet besproken verdiensten die in het voordeel van de verzoekster pleiten. Dat motief is niet deugdelijk of niet pertinent, en het daarop steunende besluit schendt het gelijkheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, of is minstens niet afdoende gemotiveerd. 13.
  19. In haar laatste memorie erkent de verzoekster dat de benoemende overheid de beoordeling van de kandidaten in twee fasen kan laten verlopen: eerst een selectie van de meest geschikte kandidaten, vervolgens een doorgedreven vergelijking van de titels en verdiensten van de meest geschikt bevonden kandidaten. De kandidaten die niet opgenomen zijn in de selectie moeten dan echter uit het benoemingsbesluit kunnen afleiden waarom zij daarvan geen deel uitmaken. Te dezen kan de verzoekster uit niets afleiden waarom de minister het raadzaam achtte enkel de kandidaten in aanmerking te nemen die een uitmuntend advies met bijzondere vermelding hadden gekregen. Alleen al om die reden is het bestreden besluit in strijd met de in het middel ingeroepen bepalingen en beginselen. In zoverre de verantwoording die door de verwerende partij in haar memorie van antwoord wordt gegeven, niet blijkt uit het bestreden besluit of uit het benoemingsdossier, kan die verantwoording niet in aanmerking worden genomen. Voorts herhaalt de verzoekster dat het criterium van het uitmuntend advies met bijzondere vermelding, voor het maken van de bedoelde selectie, kennelijk onredelijk is. In dit verband verwijst de verzoekster naar de inhoud van het advies dat de raad van de arrondissementskamer op 25 oktober 2007 over haar heeft uitgebracht in het kader van de benoemingsprocedure die geleid heeft tot het koninklijk besluit van 7 juli 2008 waarbij Ann Pirlot tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen is benoemd. Volgens de verzoekster blijkt uit dat advies duidelijk dat het criterium van de beroepservaring binnen het gerechtelijk arrondissement Antwerpen niet pertinent is. 13.
  20. Ter zitting wijst de verzoekster erop dat het criterium van de beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen nog steeds een rol blijkt te spelen. Bij koninklijk besluit van 7 juni 2009 is Eric Hooft benoemd tot gerechtsdeurwaarder in dat arrondissement. Ook de verzoekster was kandidaat voor die benoeming. Eric Hooft heeft de voorkeur gekregen boven de verzoekster, ondanks het feit dat de verzoekster op het ogenblik van de benoeming een beroepservaring van 18 jaar had, waarvan 9 jaar in Antwerpen en 9 jaar in Brussel, IX-5664-11/24 terwijl Eric Hooft een beroepservaring had van slechts 10 jaar, evenwel volledig opgedaan in Antwerpen.
  21. In haar memorie van antwoord voert de verwerende partij aan dat de benoemende overheid zich kan beperken tot een vergelijking van de titels, verdiensten en kwaliteiten van de kandidaten die van de raad van de arrondissementskamer een uitmuntend advies met een bijzondere vermelding kregen. Gelet op het groot aantal kandidaten mocht de benoemende overheid zich immers in eerste instantie baseren op het resultaat van het advies van de arrondissementskamer, alvorens over te gaan tot een vergelijking van titels en verdiensten van de kandidaten. De verwerende partij verwijst in dit verband naar de rechtspraak van de Raad van State, in het bijzonder het arrest nr. 121.985, Folcque, van 1 augustus 2003, en het arrest nr. 165.784, Devlamynck, van 12 december
  22. Het gegeven dat de benoemende overheid een overwegend belang hecht aan het advies van de arrondissementskamer is logisch. Dit advies kan beschouwd worden als objectief, waarheidsgetrouw en bepalend. De arrondissementskamer is het best geplaatst om te oordelen over de kandidaten. Uit de adviezen valt wel degelijk af te leiden waarom de verzoekster en de tussenkomende partij een verschillende beoordeling hebben gekregen. De raad van de arrondissementskamer hechtte veel belang aan de beroepservaring in het arrondissement Antwerpen. De tussenkomende partij heeft negen jaar meer anciënniteit in dat arrondissement dan de verzoekster. Uit het benoemingsbesluit blijkt dat de kandidaten die de “bijzondere vermelding” gekregen hebben, allen kunnen bogen op een anciënniteit van tien tot vijftien jaar in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen. De verzoekster beschikt slechts over een anciënniteit van zes jaar in dat arrondissement. Zij kan dan ook bezwaarlijk voorhouden dat zij beschikt over een “substantiële beroepservaring” [in dat arrondissement]. Ten slotte voert de verwerende partij aan dat zij wel degelijk belang mocht hechten aan de beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen. Dit arrondissement vertoont een specifiek karakter, wegens de mariene sector en de diamantsector. Een kandidaat-gerechtsdeurwaarder in Antwerpen moet beschikken over een grondige kennis van het havengebeuren en van handelsdocumenten, maritieme documenten en douanedocumenten, en hij kan die ervaring enkel in een gerechtsdeurwaarderskantoor in Antwerpen opdoen. De IX-5664-12/24 verwerende partij wijst erop dat in eerdere benoemingsprocedures ook in de adviezen van de procureur des Konings is gewezen op de specificiteit van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen.
  23. De tussenkomende partij antwoordt dat de verwerende partij geheel wettig een preselectie kon houden, waarna enkel de titels en verdiensten van de geselecteerde kandidaten werden vergeleken. Een dergelijk systeem is geoorloofd wanneer er veel kandidaten zijn. De tussenkomende partij verwijst in dit verband naar het arrest nr. 165.784 van de Raad van State, Devlamynck, van 12 december
  24. De verzoekster werd niet betrokken in de tweede ronde omdat ze slechts een “uitmuntend advies” kreeg. Zij heeft echter nagelaten om het over haar uitgebrachte advies om te buigen in een “uitmuntend advies met een bijzondere aanbeveling”. Zij heeft immers geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om, na ontvangst van het advies, te vragen om door de raad van de arrondissementskamer te worden gehoord. Zij kan niet ernstig staande houden dat zij niet wist dat er, naast uitmuntende adviezen, ook uitmuntende adviezen met bijzondere aanbeveling worden verstrekt. Door te berusten in het advies van de raad van de arrondissementskamer heeft de verzoekster thans geen belang meer bij het middel. In elk geval toont de verzoekster niet aan dat het kennelijk onredelijk is om de beroepservaring in Antwerpen als een bijzondere aanbeveling toe te voegen aan een uitmuntend advies. Voorts bestaat er tussen de verzoekster en de tussenkomende partij een verschil van negen jaar. Ten slotte toont de verzoekster niet aan dat dit bijkomend criterium niet op alle kandidaten op gelijke wijze zou zijn toegepast. Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel
  25. De tussenkomende partij betwist dat de verzoekster een belang zou hebben bij het middel, nu zij niet gevraagd heeft om door de raad van de arrondissementskamer te worden gehoord, na ontvangst van het advies dat door de raad over haar is gegeven. IX-5664-13/24 De Raad van State verwijst naar hetgeen hij heeft overwogen in verband met de exceptie van onontvankelijkheid van het beroep. De verzoekster kan de onwettigheid van de adviezen van de raad van de arrondissementskamer aanvoeren als middel in haar beroep tegen het bestreden benoemingsbesluit. Aan die mogelijkheid wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om opmerkingen te maken op het voorlopig advies van de raad van de arrondissementskamer of om gehoord te worden (overweging 12). Overigens oefent het vierde middel kritiek uit, niet enkel op de adviezen van de raad van de arrondissementskamer, maar ook op het benoemingsbesluit zelf. De door de tussenkomende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van het middel faalt naar recht. Ten gronde
  26. Het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen in openbare ambten, krachtens welk iedere burger gelijke toegang heeft tot de openbare ambten, houdt in dat de aanspraken en verdiensten van de kandidaten moeten worden onderzocht en vergeleken, op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria. De overheid beschikt daarbij over een ruime discretionaire bevoegdheid, die echter de redelijkheid als grens heeft. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Bij benoemingen kan in positieve zin worden gemotiveerd, in die zin dat de benoemende overheid kan vermelden waarom een bepaalde kandidaat wordt benoemd en ze niet noodzakelijk moet vermelden waarom de andere kandidaten niet worden benoemd. Dit neemt niet weg dat de benoemende overheid in het benoemingsbesluit de redenen moet aangeven die haar ertoe hebben gebracht een bepaalde kandidaat boven een andere te verkiezen. Minstens moet zij in dat IX-5664-14/24 besluit concrete gegevens opnemen die het voor de teleurgestelde kandidaten mogelijk maken de objectieve, redelijke en pertinente criteria en de concrete beoordeling ervan te achterhalen. De verplichting om de titels en verdiensten van de kandidaten te vergelijken op grond van objectieve, redelijke en pertinente criteria geldt ook wanneer een groot aantal personen zich kandidaat stellen voor een openstaande betrekking. In een dergelijk geval is het de benoemende overheid evenwel toegestaan om de beoordeling van de kandidaten in verschillende fasen te laten gebeuren, met inachtneming van de hiervóór vermelde rechtsregels en -beginselen. In een eerste fase kan de overheid dan de meest geschikte kandidaten selecteren, om de redenen die zij aangeeft, om vervolgens in een volgende fase een doorgedreven vergelijking door te voeren van de titels en de verdiensten van de meest geschikt bevonden kandidaten, waarna zij, met vermelding van de redenen die haar ertoe brengen een bepaalde kandidaat boven de anderen te verkiezen, het resultaat van die vergelijking in de benoemingsbeslissing tot uitdrukking brengt.
  27. Te dezen blijkt uit het bestreden besluit dat de verwerende partij uit de 46 personen die kandidaat waren voor de toe te kennen betrekking, er zeven geselecteerd heeft voor een nader onderzoek, met name (in alfabetische volgorde) Courboin Dominique, Dupont Guido, Gaumier Christel (tussenkomende partij), Lievesoens Inge, Pirlot Ann, Van Audenrode Vincent en Wouters Jan. De selectie van die zeven kandidaten, die de eerste fase in het beoordelingsproces vormt, steunt op de volgende redenen: “Overwegende dat alle kandidaten gunstige adviezen mochten ontvangen, zowel van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen als van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen; Overwegende dat volgende kandidaten van de Raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders van Antwerpen een uitmuntend advies met bijzondere aanbeveling mochten ontvangen: Dupont Guido, Gaumier Christel, Pirlot Ann, Courboin Dominique, Van Audenrode Vincent, Lievesoens Inge en Wouters Jan; Overwegende dat deze adviezen als objectief, waarheidsgetrouw en allesomvattend kunnen worden bestempeld aangezien de criteria om tot een globaal beoordelingsadvies te komen de volgende zijn: - de objectief gemeten anciënniteit sinds het ogenblik waarop de kandidaat aan alle benoemingsvoorwaarden voldoet; - de continue verbondenheid aan een gerechtsdeurwaarderskantoor; IX-5664-15/24 - de beroepservaring als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder binnen welk gerechtelijk arrondissement ook; - de substantiële beroepservaring te Antwerpen; - het ontbreken van tuchtstraffen.”
  28. In het eerste onderdeel verwijt de verzoekster aan de adviezen van de raad van de arrondissementskamer dat deze niet duidelijk maken op grond van welke redenen aan sommige kandidaten een advies “met bijzondere vermelding” wordt gegeven. In de adviezen wordt uitdrukkelijk vermeld dat “als de sollicitant substantiële beroepservaring in Antwerpen heeft, [...] die aan het advies [wordt] toegevoegd in de vorm van een bijzondere vermelding”. Uit de adviezen kan de verzoekster dus opmaken dat de “bijzondere vermelding” wordt toegekend aan de kandidaten waarvan de raad van de arrondissementskamer oordeelt dat zij een substantiële beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen hebben opgedaan. Ook al wordt niet nader gepreciseerd wat onder een “substantiële beroepservaring in Antwerpen” moet worden verstaan, toch volstaat die uitleg voor de regelmatigheid van de motivering. Het onderdeel kan dan ook afgedaan worden, zonder dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de raad van de arrondissementskamer in zijn advies van 25 oktober 2007 over de verzoekster, uitgebracht in het kader van de benoemingsprocedure die geleid heeft tot het koninklijk besluit van 7 juli 2008 waarbij Ann Pirlot tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen is benoemd, preciseert dat een “substantiële” beroepservaring in dat arrondissement een beroepservaring van ten minste tien jaar betekent. Het onderdeel mist feitelijke grondslag.
  29. In het tweede onderdeel voert de verzoekster in essentie aan dat, in zoverre de raad van de arrondissementskamer van oordeel is dat zij geen “bijzondere vermelding” verdient omdat zij niet beschikt over een substantiële beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, het over haar gegeven advies steunt op een gegeven dat in feite onjuist is. Volgens de verzoekster beschikt zij immers wél over een dergelijke beroepservaring. IX-5664-16/24 Uit de fiches die de arrondissementskamer over de verzoekster en de tussenkomende partij heeft opgemaakt, blijkt dat de verzoekster geacht werd een beroepservaring in Antwerpen, als kandidaat-gerechtsdeurwaarder, van 6 jaar te hebben, terwijl die beroepservaring voor de tussenkomende partij bepaald werd op 15 jaar. Uit de beschouwingen die de raad van de arrondissementskamer in zijn adviezen wijdt aan de nuttige anciënniteit die voor elke kandidaat in aanmerking kan worden genomen, kan worden afgeleid dat het gaat om het aantal jaren dat een persoon, sinds het ogenblik dat hij of zij voldoet aan alle benoemingsvoorwaarden, als kandidaat-gerechtsdeurwaarder verbonden is geweest met een gerechtsdeurwaarderskantoor in Antwerpen, voor zover de betrokkene in die periode ook voldoende actief geweest is als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder. De verzoekster betwist op zich niet de berekening van het aantal jaren beroepservaring in Antwerpen, respectievelijk 6 en 15 jaar, gemaakt door de raad van de arrondissementskamer. Uitgaande van de hiervóór vermelde interpretatie van het begrip “substantiële beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen”, kon de raad in redelijkheid tot de conclusie komen dat de verzoekster niet -en de tussenkomende partij wél- over een dergelijke beroepservaring beschikte. De vraag of de raad van de arrondissementskamer in redelijkheid ook van oordeel kon zijn dat voor de beoordeling van het substantieel karakter van de beroepservaring in Antwerpen uitsluitend rekening moest worden gehouden met de beroepservaring opgedaan in de jaren dat de kandidaat verbonden was met een gerechtsdeurwaarderskantoor in Antwerpen, is een vraag die beter beantwoord kan worden in het kader van het derde onderdeel. Het tweede onderdeel mist feitelijke grondslag. 21.
  30. In het derde onderdeel voert de verzoekster aan dat het criterium zelf van de substantiële beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, door de benoemende overheid gehanteerd om uit de 46 kandidaten een selectie te maken van zeven kandidaten waarvan de titels en de verdiensten nader onderzocht worden, discriminerend, niet deugdelijk en niet pertinent is. 21.
  31. Voor het onderzoek van het onderdeel moet in de eerste plaats worden nagegaan of het criterium van de substantiële beroepservaring in het IX-5664-17/24 gerechtelijk arrondissement Antwerpen wel degelijk het criterium is op grond waarvan de benoemende overheid de zeven meest geschikte kandidaten geselecteerd heeft. In het bestreden besluit wordt immers overwogen dat de zeven bedoelde kandidaten van de raad van de arrondissementskamer een uitmuntend advies met bijzondere vermelding hebben gekregen, en dat de adviezen van de raad steunen op vijf met name genoemde criteria. De “substantiële beroepservaring te Antwerpen” is daarbij slechts één van die vijf criteria. Uit de adviezen van de raad van de arrondissementskamer blijkt evenwel dat het “uitmuntend” advies uitsluitend steunt op het gegeven dat de betrokkene een anciënniteit heeft van meer dan zeven jaar, begrepen in de zin van een beroepservaring van ten minste zeven jaar, opgedaan als kandidaat- gerechtsdeurwaarder verbonden met een gerechtsdeurwaarderskantoor in gelijk welk arrondissement, voor zover de betrokkene in die periode ook voldoende actief geweest is als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder. Een anciënniteit van minder dan zeven jaar leidt tot een “zeer gunstig” of een “gunstig” advies, naargelang de kandidaat al dan niet een beroepservaring van ten minste vier jaar heeft. Uit die adviezen blijkt voorts dat de “bijkomende vermelding” uitsluitend steunt op het gegeven dat de betrokkene een substantiële beroepservaring heeft opgedaan als kandidaat-gerechtsdeurwaarder verbonden met een gerechtsdeurwaarderskantoor in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen (zie hiervóór, overweging 20). Het is dus de beroepservaring die in aanmerking wordt genomen om uit te maken of een kandidaat een “uitmuntend” dan wel een “zeer gunstig” of een “gunstig” advies krijgt, én om uit te maken of die kandidaat al dan niet een “bijzondere vermelding” krijgt. Aldus kan geconcludeerd worden dat de zeven meest geschikt geachte kandidaten de kandidaten zijn die een beroepservaring hebben van ten minste zeven jaar, en waarvan de beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen substantieel is. Nu de beroepservaring opgedaan in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen noodzakelijk samenvalt met, of minstens een onderdeel is van de beroepservaring in het algemeen, moet voorts geconcludeerd worden dat het onderscheid tussen een kandidaat die een “uitmuntend advies” krijgt, zonder “bijzondere vermelding”, en een kandidaat die een “uitmuntend advies met IX-5664-18/24 bijzondere vermelding” krijgt, uitsluitend steunt op het verschil in het aantal jaren beroepservaring die zijn opgedaan terwijl de kandidaat verbonden is geweest met een gerechtsdeurwaarderskantoor in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen. Dit verschil verklaart met name waarom de verzoekster geen “bijzondere vermelding” krijgt, en de tussenkomende partij wel: beiden hebben een anciënniteit van 15 jaar, waardoor zij beiden een “uitmuntend” advies krijgen, maar de verzoekster heeft slechts een anciënniteit van 6 jaar in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, terwijl de hele anciënniteit van de tussenkomende partij is opgebouwd in het genoemde arrondissement. 21.
  32. Het onderdeel doet de vraag rijzen of het criterium van de substantiële beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, begrepen als de substantiële beroepservaring opgedaan als kandidaat- gerechtsdeurwaarder verbonden met een gerechtsdeurwaarderskantoor in Antwerpen, voor zover de betrokkene in die periode ook voldoende actief geweest is als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder, een aanvaardbaar criterium is voor de selectie van de meest geschikte kandidaten. Er moet met andere woorden nagegaan worden of dat criterium wettig kan dienen voor het maken van het onderscheid, binnen de groep kandidaten die een “uitmuntend advies” hebben verkregen, tussen degenen die geselecteerd worden voor een doorgedreven vergelijking van hun titels en verdiensten (in het bijzonder de tussenkomende partij) en degenen waarvan de kandidatuur niet verder in aanmerking wordt genomen (in het bijzonder de verzoekster). 21.
  33. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet- discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 21.
  34. Het verschil in behandeling, binnen de groep kandidaten die een “uitmuntend advies” hebben verkregen, tussen degenen die geselecteerd worden voor een doorgedreven vergelijking van hun titels en verdiensten en degenen waarvan de kandidatuur niet verder in aanmerking wordt genomen, berust op een IX-5664-19/24 objectief criterium: de beroepservaring die de kandidaten gedurende een aantal jaren hebben opgedaan als kandidaat-gerechtsdeurwaarder verbonden met een gerechtsdeurwaarderskantoor in het arrondissement waarin de benoemde kandidaat zijn ambt zal moeten uitoefenen. Het bedoelde onderscheid wordt ingesteld om uit de hele groep kandidaten, of ten minste uit de groep van 31 kandidaten die een “uitmuntend” advies (of een “uitmuntend advies met bijzondere vermelding”) hebben verkregen, de meest geschikte kandidaten te selecteren. Zoals hiervóór is uiteengezet, beantwoordt de verschillende behandeling aldus aan een wettig doel (zie overweging 17). 21.
  35. Blijft dan de vraag of het genoemde criterium pertinent is om het beoogde doel te bereiken en of de toepassing ervan niet leidt tot gevolgen die onevenredig zijn met dat doel. Het criterium van de beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen kan pertinent geacht worden voor het beoordelen van de geschiktheid van de kandidaten voor een benoeming als gerechtsdeurwaarder in dat arrondissement. De adviesverlenende instanties en de benoemende overheid kunnen dat criterium hanteren om na te gaan in hoeverre de kandidaten vertrouwd zijn met de specifieke vereisten voor de uitoefening van het ambt in dat arrondissement. In verband met het bestaan van zulke specifieke vereisten sluit de Raad van State zich aan bij hetgeen daaromtrent wordt overwogen in het advies dat de raad van de arrondissementskamer op 25 oktober 2007 over de verzoekster heeft gegeven, in de procedure die geleid heeft tot de benoeming van Ann Pirlot, advies dat aangehaald wordt door de verzoekster (zie overweging 13.3). In dat advies wordt in verband met de beroepservaring het volgende gesteld: “[...] De raad realiseert zich dat een [...] kwantitatieve benadering [van de beroepservaring in Antwerpen] niet alleen zaligmakend is, maar is toch van oordeel dat ze een redelijke basis vormt om een objectieve vergelijking mogelijk te maken op het vlak van de ervaring in het arrondissement Antwerpen. Mevrouw De Troij en haar raadsman erkennen wel tot op zekere hoogte het belang van een minimum aan beroepservaring in het arrondissement waar een benoeming tot gerechtsdeurwaarder wordt geambieerd, maar mevrouw De Troij reduceert dat belang -banaliserend, zoals ze op de hoorzitting toegaf- tot de kennis van straten. De raad wijst erop dat het om veel meer dan kennis van de straten gaat, want dat is uiteindelijk een praktische kwestie waarvoor tegenwoordig technische hulpmiddelen (gps-toestellen) soelaas bieden. Het gaat om veel meer, namelijk om kennis van procedures die eigen zijn aan IX-5664-20/24 bepaalde arrondissementen (bijvoorbeeld maritieme zaken wel in Antwerpen, maar niet in Brussel), kennis van plaatselijke gewoonten, collega’s, rechtsonderhorigen, het huishoudelijk reglement, rondzendbrieven, ... De raad vindt die Antwerpse beroepservaring hoe dan ook belangrijk, en de raad is van oordeel dat tien jaar beroepservaring in Antwerpen beter is dan vijf jaar beroepservaring in Antwerpen.” Te dezen gaat het echter niet om de vraag of het bedoelde criterium gebruikt kan worden voor de beoordeling van de geschiktheid van de kandidaten. Het gaat wel om de vraag of dat criterium als het enige criterium gebruikt mag worden voor de selectie van de meest geschikte kandidaten, met het oog op een doorgedreven vergelijking van de kandidaturen. In dat opzicht komt het criterium in redelijkheid als te beperkend voor. Zoals uit de adviezen van de arrondissementskamer blijkt, kan de geschiktheid van de kandidaten beoordeeld worden aan de hand van een reeks criteria, waarvan de beroepservaring in Antwerpen er één is. Ook in de motieven van het bestreden besluit worden een reeks criteria gehanteerd, weliswaar enkel met betrekking tot de doorgedreven vergelijking van de kandidaturen van de meest geschikt bevonden kandidaten. De tussenkomende partij wordt aldus als de meest geschikte kandidaat aangewezen, “gelet op het samenspel van adviezen, ervaring, anciënniteit, betrokkenheid met het ambt en streekgebondenheid”. Als de geschiktheid het resultaat is van een “samenspel” van hoedanigheden, is een kenmerk dat uitsluitend te maken heeft met het aantal jaren dat de kandidaat een specifieke ervaring heeft opgedaan in het betrokken arrondissement niet pertinent om de meest geschikte kandidaten van de minder geschikte te onderscheiden. Het reduceren van de beroepservaring in Antwerpen tot de beroepservaring opgedaan terwijl de kandidaat verbonden is aan een gerechtsdeurwaarderskantoor in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, heeft bovendien tot gevolg dat in het geheel geen rekening wordt gehouden met andere elementen waaruit de vertrouwdheid met de specifieke vereisten voor de uitoefening van het ambt in dat arrondissement zou kunnen worden afgeleid. Zoals het criterium van de substantiële beroepservaring in Antwerpen is geïnterpreteerd door de raad van de arrondissementskamer, en zoals dit criterium door de benoemende overheid is gehanteerd, heeft het in dit geval ertoe geleid dat alleen kandidaten die gedurende een zeker aantal jaren verbonden geweest zijn aan een gerechtsdeurwaarderskantoor in het gerechtelijk IX-5664-21/24 arrondissement Antwerpen voor een benoeming in aanmerking konden komen. Kandidaten met een dergelijk verleden in Antwerpen krijgen aldus de voorkeur boven onder meer kandidaten die over een gelijke -en eventueel zelfs een grotere- anciënniteit beschikken, en zulks ongeacht de concrete beroepservaring in Antwerpen waarover die andere kandidaten beschikken. Met die concrete beroepservaring wordt dan niet enkel de ervaring bedoeld die is opgedaan terwijl de kandidaat verbonden is aan een gerechtsdeurwaarderskantoor in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, maar ook bijvoorbeeld, zoals in het geval van de verzoekster, de ervaring opgedaan in Antwerpen terwijl de kandidaat verbonden is aan een gerechtsdeurwaarderskantoor in een ander gerechtelijk arrondissement. De conclusie is dan ook dat de uitsluiting van de verzoekster uit de groep van kandidaten die voor een doorgedreven onderzoek van de aanspraken en verdiensten in aanmerking komen, berust op een criterium dat niet pertinent is, en dat die uitsluiting te dezen kennelijk onevenredig is met het beoogde doel, zijnde de selectie van de meest geschikte kandidaten. De Raad van State komt tot die conclusie zonder een beroep te moeten doen op hetgeen de raad van de arrondissementskamer heeft overwogen in zijn advies van 25 oktober 2007 over de verzoekster, in de procedure die geleid heeft tot de benoeming van Ann Pirlot. De Raad van State wenst echter wel op te merken dat dit advies een stevige steun biedt aan zijn conclusie over het gebrek aan pertinentie van het gehanteerde criterium. In dat advies, dat is gegeven na een hoorzitting waarop de verzoekster opmerkingen gemaakt heeft op dat criterium en op de toepassing ervan in haar geval, heeft de raad van de arrondissementskamer op die opmerkingen immers geantwoord als volgt: “Voor de raad geldt de beroepservaring in Antwerpen als enig criterium om de ‘bijzondere vermelding’ dan wel de ‘vermelding’ zonder meer toe te voegen aan de adviezen. Met het onderscheid tussen een ‘bijzondere vermelding’ (vanaf tien jaar beroepservaring in Antwerpen) en een ‘vermelding’ zonder meer beoogt de raad niet een afzonderlijke topklasse met het meest gunstige advies te doen ontstaan. Uiteraard is het zo [...] dat de raad positief staat tegenover ervaring die aspirant-gerechtsdeurwaarders die in Antwerpen solliciteren hebben opgedaan in Antwerpen, maar de kwalificering van die ervaring -uitgedrukt in jaren- houdt niet in dat in de groep van de kandidaten met een ‘uitmuntend advies’ de kandidaat met de meeste dienstjaren in Antwerpen ook noodzakelijk als de beste beschouwd wordt. Het is ook geenszins de bedoeling van de Antwerpse raad kandidaten die niet minstens tien jaar verbonden zijn aan een Antwerps gerechtsdeurwaarderskantoor uit te sluiten. In het oorspronkelijke advies werd verwezen naar drie gradaties (‘uitmuntend advies’ - ‘zeer gunstig advies’ - ‘gunstig advies’). De eventuele IX-5664-22/24 bijkomende vermelding houdt voor de raad geen verdere kwalificatie of classificatie in. Dat blijkt volgens de raad alleen al uit het feit dat geen vierde gradatie is vermeld.” 21.7 In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het in die artikelen gehuldigde gelijkheidsbeginsel, is het gegrond. BESLISSING
  36. De Raad van State vernietigt het koninklijk besluit van 20 maart 2007 waarbij Christel Gaumier wordt benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
  37. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  38. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 24 november 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter IX-5664-23/24 Vera Wauters Paul Lemmens IX-5664-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.174 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.