← België

Arrest 198176 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 24/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.176 Rolnummer: A. 191018/IX-6181 Zaak: Arrest 198176 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 24/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-11-30 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:54 Fiche Arrest nr 198.176 van 24 november 2009 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 198.176 van 24 november 2009 in de zaak A. 191.018/IX-6181 In zake : Jan DE KEYE wonend te Mechelen Koningin Astridlaan 112 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 9 januari 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de waarnemend secretaris-generaal van het departement Economie, Wetenschap en Innovatie van 12 november 2008 houdende beëindiging van het mandaat van afdelingshoofd van Jan De Keye. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 mei
  3. Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. IX-6181-1/34 De verzoeker en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Sinds 1 januari 2002 en tot op het ogenblik van het bestreden besluit is de verzoeker afdelingshoofd in het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw, sinds 1 juli 2006 het departement Economie, Wetenschap en Innovatie, van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Tot het eind van 2006 heeft de verzoeker de effectieve leiding over de afdeling algemene administratieve diensten van het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw. Sindsdien is hij met andere taken belast, zonder evenwel zijn mandaat van afdelingshoofd te verliezen.
  6. De operatie “Beter Bestuurlijk Beleid” (“BBB”) is in 2006 in het nieuw opgerichte departement Economie, Wetenschap en Innovatie afgerond. De verzoeker maakt deze operatie mee als afdelingshoofd. Ingevolge de pensionering van de waarnemend secretaris-generaal is de verzoeker sinds 1 januari 2006 bovendien belast met bepaalde taken van de secretaris-generaal.
  7. Op 25 juli 2006 beslist de Vlaamse regering om een reeks personen aan te wijzen in een managementfunctie. Zo wordt onder meer Rudy Aernoudt, op dat ogenblik kabinetschef van de Vlaamse minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel, aangewezen als secretaris-generaal bij het nieuwe beleidsdomein Economie, Wetenschapsbeleid en Innovatie. IX-6181-2/34 Het dossier bevat aanwijzingen dat de relaties tussen de nieuwe secretaris-generaal en de verzoeker vanaf begin 2007 verre van goed zijn. De secretaris-generaal ontneemt de verzoeker zijn verantwoordelijkheid als hoofd van een afdeling (met ongeveer 50 personen), en belast hem vanaf begin 2007 met een programma voor de uitwisseling van ambtenaren en personen uit de privé-sector (volgens de verzoeker met de medewerking van één juridisch medewerker en één secretaresse). Op 3 maart 2007 stelt de verzoeker onder meer tegen de aanwijzing van Rudy Aernoudt als secretaris-generaal een beroep in bij de Raad van State, beroep dat bij arrest nr. 173.312 van 9 juli 2007 wegens laattijdigheid onontvankelijk wordt verklaard. Ondertussen maakt de secretaris-generaal op 24 mei 2007 een schriftelijke opmerking, bestemd voor het persoonlijk dossier van de verzoeker. Hij stelt daarin vast dat de verzoeker op 22 mei 2007 aanleiding heeft gegeven tot een incident waarbij hij zich in het bijzijn van getuigen verbaal agressief heeft gedragen tegenover een collega. Uit het dossier blijkt dat het incident te maken heeft met de vaststelling door de verzoeker dat zijn enige medewerker naar een ander team werd overgeheveld. Op 1 juni 2007 dient de verzoeker klacht in tegen Rudy Aernoudt wegens pesterijen op het werk. Op 26 juni 2007 stellen de preventieadviseurs daarover een verslag op, dat wordt meegedeeld aan de Vlaamse Vice-Minister-President en Minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel. Het verslag is voor de minister aanleiding om op 16 augustus 2007 aan Rudy Aernoudt mede te delen dat zij voorneemt om hierover tegen hem een persoonlijke nota op te stellen. Op 14 september 2007 beslist de Vlaamse regering de tewerkstelling van Rudy Aernoudt te beëindigen. Bij besluit van de Vlaamse regering van dezelfde dag wordt Eric Stroobants, voorzitter van het College van ambtenaren-generaal, belast met de tijdelijke leiding van het departement.
  8. Op 4 oktober 2007 heeft een gesprek plaats tussen waarnemend secretaris-generaal Stroobants en de verzoeker. Aan de verzoeker wordt gevraagd om tegen 12 oktober 2007 twee à drie voorstellen van projecten uit te werken waarmee hij zich verder zou kunnen bezighouden. De waarnemend secretaris- generaal deelt voorts mee dat hij zich genoodzaakt ziet ten aanzien van de verzoeker een tuchtprocedure in te stellen. Aan de verzoeker wordt ten laste gelegd dat hij, als afdelingshoofd van de algemene administratieve diensten, op 27 november 2006 aan zichzelf een managementtoelage (1.643,90 euro netto) voor het jaar 2005 heeft toegekend, alhoewel er over hem over dat jaar geen evaluatie is geweest, zoals IX-6181-3/34 nochtans vereist. De verzoeker verklaart zich akkoord om het bedrag terug te betalen, al betwist hij, gelet op de toenmalige omstandigheden, dat zijn gedrag een tuchtstraf verdient. Op 5 oktober 2007 dient de waarnemend leidend ambtenaar het aangekondigde voorstel van tuchtstraf (blaam) in bij het managementcomité van het beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie. De tuchtprocedure wordt ingezet kort voordat de Vlaamse regering, bij besluit van 19 oktober 2007, Veerle Lories als nieuwe waarnemend secretaris-generaal aanstelt. Nadat de verzoeker op 8 november 2007 gehoord is, beraadslaagt het managementcomité op 23 november 2007 over het voorstel van tuchtstraf. In het verslag van de vergadering van het managementcomité van 23 november 2007 staat onder meer te lezen dat de leden wensen dat de volgende bedenkingen genotuleerd worden: “ - Het [managementcomité] tilt zwaar aan de zich voorgedane feiten. - Als afdelingshoofd vervult Jan De Keye een voorbeeldfunctie. - De gestelde daden door betrokkene zijn van die aard dat hem in de toekomst niet langer een leidinggevende functie kan worden gegeven.” Bij besluit van 23 november 2007 verklaart het managementcomité de tenlastelegging bewezen, en legt het aan de verzoeker de tuchtstraf van de blaam op. Dit besluit wordt door de verzoeker niet bestreden.
  9. Op 20 december 2007 vindt het evaluatiegesprek over het mandaat van de verzoeker als afdelingshoofd (periode 2002-2007) plaats. Veerle Lories, de eerste evaluator, stelt op 21 december 2007 een evaluatieverslag op. Bij wijze van inleiding geeft zij aan dat een evaluatie in de gegeven omstandigheden niet evident is, gelet op het feit dat zij pas als evaluator is aangewezen, zodat zij voor de periode 2002-2006 moet terugvallen op documenten opgesteld door andere personen die niet langer tewerkgesteld zijn bij de Vlaamse overheid. Na een korte evaluatie van elk van de werkingsjaren van 2002 tot 2006 gaat zij uitvoerig in op het evaluatiejaar
  10. Er wordt gewezen op de hiervóór genoemde persoonlijke nota en op de genoemde tuchtstraf. In verband met het uitwisselingsprogramma waarmee de verzoeker was belast wordt gewezen op het beperkt aantal gerealiseerde uitwisselingen en op gebreken in de rapportering. De conclusie van het evaluatieverslag luidt als volgt: “Over de globale periode beschouwd geeft de evaluatie van Jan De Keye een genuanceerd positief beeld. IX-6181-4/34 Door een aantal meer recente vaststellingen is het vertrouwen in de persoonlijke competenties van de heer Jan De Keye bij de huidige leidinggevende echter geschaad. Het betreft in het bijzonder de feiten die aanleiding gaven tot het uitspreken door het managementcomité van een ‘blaam’ en ook de beperkte wijze waarop hij instond voor de opvolging en rapportering van het uitwisselingsprogramma. Deze elementen zullen in overweging worden genomen bij de beslissing over de verlenging van het mandaat.” Het verslag eindigt zonder een globale beoordeling. Wel wordt uitdrukkelijk aangevinkt dat er geen einduitspraak “onvoldoende” is. Bij het verslag is een niet-ingevulde bijlage gevoegd, bestemd voor eventuele opmerkingen van de functiehouder op het evaluatieverslag. Bovenaan die bijlage komt de volgende mededeling voor: “De functiehouder kan binnen 15 kalenderdagen na ontvangst van het evaluatieverslag eventuele opmerkingen op dit verslag formuleren. Hij of zij stuurt die opmerkingen samen met het evaluatieverslag naar de evaluatoren. Zij tekenen de opmerkingen voor kennisneming en voegen ze aan het evaluatiedossier toe.” Dezelfde dag, 21 december 2007, wordt het verslag voor kennisgeving en ontvangst, doch uitdrukkelijk niet voor akkoord, door de verzoeker ondertekend.
  11. Met een aangetekend schrijven van 24 december 2007 geeft de waarnemend secretaris-generaal aan de verzoeker kennis van haar besluit van dezelfde dag waarbij zij diens mandaat als afdelingshoofd, eindigend op 31 december 2007, niet hernieuwt. Tegen dit besluit stelt de verzoeker op 20 februari 2008 een vordering tot schorsing en een beroep tot vernietiging in bij de Raad van State. Met arrest nr. 185.206 van 8 juli 2008 schorst de Raad van State de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, op grond dat een middel in verband met de schending van de hoorplicht ernstig is. Bij besluit van 28 juli 2008 trekt waarnemend secretaris-generaal Lories het voormelde besluit van 24 december 2007 in, als gevolg van het genoemde schorsingsarrest van de Raad van State. IX-6181-5/34
  12. Met een brief van 29 juli 2008 vraagt de waarnemend secretaris- generaal aan de verzoeker om vóór 13 augustus 2008 zijn opmerkingen met betrekking tot het evaluatieverslag van 21 december 2007 mede te delen. Die termijn wordt later verlengd tot 20 augustus 2008, op welke datum de verzoeker een uitvoerige nota met opmerkingen overhandigt. Op 3 september 2008 deelt de waarnemend secretaris-generaal haar voornemen mee om verzoekers mandaat van afdelingshoofd niet te verlengen. Zij nodigt hem uit tot een gesprek naar aanleiding van dat voornemen. De argumenten voor de beëindiging van het mandaat zijn de volgende: “Eerst en vooral is een mandaat van afdelingshoofd tijdelijk. Het Vlaams personeelsstatuut geeft in artikel V 46 §1 de diverse situaties aan wanneer een dienstaanwijzing in een mandaatgraad van afdelingshoofd wordt beëindigd. Het tweede lid van ditzelfde artikel stelt bovendien: ‘de dienstaanwijzing in een mandaatgraad van afdelingshoofd en projectleider kan beëindigd worden na telkens 6 jaar’. De elementen die ik bij het nemen van de beslissing over de al dan niet verlenging van uw mandaat in overweging neem, maken deel uit van de evaluatie van de voorbije periode van 2002-2007 en betreffen meer bepaald enkele van de meer recente vaststellingen. Als afdelingshoofd heeft u op 27 november 2006 eigenmachtig opdracht gegeven tot uitbetaling aan uzelf van een managementtoelage, hierbij heeft u uw positie van afdelingshoofd gebruikt om een personeelslid een opdracht te geven die niet reglementair correct was. In uw opmerkingen op het evaluatieverslag bevestigt u dat een goedkeuringsdocument ontbrak voor de uitbetaling. U haalt in uw betoog op pag. 9 aan dat er bijzondere omstandigheden waren waarin de premie tot stand is gekomen. U verwijst daarbij in het bijzonder naar de pensionering van uw vroegere leidinggevende en het ontbreken van een goed functionerende directieraad in de overgangsperiode bij de opstart van de nieuwe BBB-structuren. Deze situatie kan ik bevestigen, maar dit kan onder geen enkel beding een verantwoording zijn voor het vertoonde gedrag. Integendeel, onder dergelijke moeilijke omstandigheden werd van u verwacht bijzonder zorgvuldig om te springen met de basisregels en zeker geen misbruik te maken van de situatie. Bovendien situeert uw opdracht tot uitbetaling van de premie zich eind november 2006 wanneer u wel degelijk opnieuw een secretaris-generaal als rechtstreekse leidinggevende had. Op 22 mei 2007 deed zich een voorval voor waarbij u zich op een ongepaste wijze, verbaal agressief heeft gedragen tegenover een collega. Verschillende andere collega's waren hiervan getuige en bevestigden het ongepaste gedrag. Het verslag van het voorval werd met inbegrip van uw mondelinge reactie en de diverse getuigenissen in een persoonlijke nota toegevoegd aan uw dossier. In uw opmerkingen op het evaluatieverslag ontkent u niet dat deze situatie zich heeft voorgedaan. Ook hier verwijst u naar de omstandigheden waarin het voorval plaatsvond, kort nadat de toenmalige secretaris-generaal beslist had dat IX-6181-6/34 één van de personeelsleden van uw team zou worden overgeplaatst zonder dat dit vooraf met u was besproken. Het is te begrijpen dat u ontstemd was over deze situatie, maar dit kan op geen enkele wijze uw verbaal agressief en ongepast gedrag ten aanzien van uw collega die niet verantwoordelijk was voor deze situatie, verantwoorden. Ook de wijze waarop u instond voor de uitbouw, [de] opvolging en de rapportering over het uitwisselingsprogramma tussen overheid en bedrijfswereld is een belangrijk element in de overweging over het al dan niet verlengen van uw mandaat. Het evaluatierapport stelt hierover: ‘Jan De Keye heeft in overleg met Rudy Aernoudt de algemene modaliteiten voor het uitwisselingsprogramma vastgesteld, hij heeft blijken van interesse bij de potentiële deelnemers in het departement ingewacht en heeft ook bij enkele agentschappen gepeild naar mogelijke belangstelling. Het programma werd door Jan geformaliseerd door in samenwerking met één van de juristen van het departement een aanmeldingsformulier en een standaard uitwisselingsovereenkomst op te maken en beschikbaar te stellen. Het aantal uitwisselingen bleef echter erg beperkt. In totaal werden er slechts drie gerealiseerd. Enkel voor één van deze uitwisselingen heeft Jan een intermediaire rol gespeeld en werd een overeenkomst afgesloten. Bepaalde kandidaten die bij de start hun interesse hadden betoond, hoorden maandenlang niets van de stand van zaken van hun dossier. Jan werd enkele malen gevraagd om te rapporteren over het uitwisselingsprogramma. De mondelinge rapportering in het EWI-managementcomité was OK, de schriftelijke verslaggeving aan de beleidsraad (juli 2007) en aan het kabinet (november 2007) was echter bijzonder onzorgvuldig en bevatte zeer veel fouten. Doordat Jan De Keye niet de gebruikelijke weg volgde om de informatie via de secretaris-generaal aan het kabinet te bezorgen maar dit rechtstreeks deed zonder dat eerst een kwaliteitscontrole had kunnen plaatsvinden gaf dit aanleiding tot een bijzondere negatieve reactie vanwege het kabinet. Om dit snel recht te kunnen zetten heeft Veerle Lories vervolgens zelf voor de rapportering aan het kabinet moeten zorgen. Eén van de redenen van de slechte kwaliteit van de rapportering is het feit dat Jan in de loop van het jaar te beperkte initiatieven nam om het verloop van het programma op te volgen. Hij informeerde nooit naar de voorziene verslaggeving, enz.’ In uw opmerkingen over het evaluatieverslag vermeldt u in verband met de uitbouw van het uitwisselingsprogramma dat de samenwerking met de heer Aernoudt moeilijk verliep. Ik zal deze situatie niet ontkennen, maar er blijft het feit dat er binnen het departement voldoende belangstelling was en dat er uiteindelijk slechts 3 uitwisselingen werden gerealiseerd, waarvan slechts één, nl. degene die ikzelf uitvoerde, volgens de afspraken is verlopen (met afsluiten van een overeenkomst en met verslaggeving na afloop van het project). Wanneer ik verwijs naar de slechte kwaliteit van de rapportering, verwijs ik niet naar het eventuele misverstand over de benaming van het project waar u het in uw reactie op het verslag over heeft, maar naar de tabellen en de informatie die u rechtstreeks aan het kabinet bezorgde. Het feit dat u het rechtstreeks doorstuurde was blijkbaar op uitdrukkelijke vraag van de heer V. Dit is voor mij een aanvaarbare uitleg. Maar het blijft voor mij onaanvaardbaar dat u een rapport van dergelijke abominabele kwaliteit bezorgde. Het rapport dat u in november 2007 afleverde was identiek aan wat u in juli 2007 produceerde voor rapportering aan de beleidsraad, maar dat ook toen niet kon worden gebruikt wegens het gebrek aan correctheid. U weerlegt trouwens het gebrek aan IX-6181-7/34 kwaliteit en correctheid van het rapport helemaal niet in uw reactie. U verschuilt zich enkel achter de problemen die er waren met de heer Aernoudt. De feiten waar het hierover gaat dateren echter van eind november op een moment dat de heer Aernoudt reeds twee maanden het departement verlaten had. Ik kan dit gebrek aan zorgvuldigheid en inzet van uw kant enkel interpreteren als ofwel een flagrant gebrek aan competentie ofwel een gebrek aan wil om binnen de organisatie constructief mee te werken. De reden kan zeker niet liggen bij de opdracht tot opvolging van het uitwisselingsprogramma zelf aangezien het verderzetten ervan juist één van uw eigen voorstellen was voor taakinvulling vanaf november 2008.” Uit het proces-verbaal van het gesprek van 12 september 2008 tussen de verzoeker en de waarnemend secretaris-generaal blijkt dat beide partijen de argumenten herhalen die zij reeds hebben laten gelden in respectievelijk de nota van 20 augustus 2008 en de brief van 3 september
  13. Bij besluit van 12 november 2008 beslist de waarnemend secretaris-generaal om het mandaat van afdelingshoofd van de verzoeker te beëindigen op de datum van ondertekening van het besluit. Dit besluit wordt gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat een mandaat van afdelingshoofd voor zes jaar wordt toegekend en derhalve tijdelijk is; Overwegende dat de heer Jan De Keye geen voorbeeldgedrag vertoont rond basisregels, afspraken en ethische normen, zoals toen hij op 27 november 2006 als afdelingshoofd eigenmachtig opdracht gaf tot uitbetaling aan zichzelf van een managementtoelage en daarbij zijn positie als afdelingshoofd gebruikt heeft om een personeelslid een opdracht te geven die niet reglementair correct is. Ook al waren de omstandigheden door de overgangssituatie tijdens de opstart van de nieuwe BBB-structuren moeilijk, er werd van de heer Jan De Keye als afdelingshoofd juist onder dergelijke moeilijke omstandigheden verwacht bijzonder zorgvuldig om te springen met de basisregels en zeker geen misbruik te maken van de bijzondere situatie; Overwegende dat de heer Jan De Keye bij het voorval van 24 mei 2007 dat aanleiding gaf tot de toevoeging van een persoonlijke nota in zijn dossier zich verbaal agressief gedroeg en niet het gewenste respect vertoonde ten aanzien van een collega; het feit dat de heer Jan De Keye kort voor het voorval werd geconfronteerd met de overplaatsing van één van zijn teamleden zonder dat hij daarover was geraadpleegd, kan op geen enkele wijze het verbaal agressief en ongepast gedrag ten aanzien van zijn collega die niet verantwoordelijk was voor de situatie, verantwoorden. Overwegende dat de heer Jan De Keye in 2007 zijn opdracht tot de uitbouw van een uitwisselingsprogramma tussen overheid en bedrijfswereld slechts in beperkte mate heeft vervuld, hij heeft bij de opvolging van de geplande uitwisselingen te weinig initiatief getoond en heeft de schriftelijke rapporteringen bijzonder onzorgvuldig uitgevoerd; het feit dat de samenwerking tussen de heer Jan De Keye en de voormalige secretaris-generaal moeizaam IX-6181-8/34 verliep kan hiervoor geen afdoende verantwoording zijn temeer daar de gebrekkige rapportering waarnaar in het evaluatieverslag werd verwezen dateert van eind november 2007 toen de voormalige secretaris-generaal reeds twee maanden het departement verlaten had.” Dit besluit, dat met een ter post aangetekend schrijven van 13 november 2008 aan de verzoeker wordt betekend, vormt het voorwerp van de voorliggende vordering. IV. Onderzoek van de vordering
  14. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Ernst van de middelen
  15. Eerste middel Standpunt van de partijen
  16. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 32tredecies van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (hierna: de wet van 4 augustus 1996). Hij voert aan dat, ingevolge de klacht die hij op 1 juni 2007 tegen de toenmalige secretaris-generaal Rudy Aernoudt had ingediend wegens pesterijen op het werk, de verwerende partij zijn arbeidssituatie niet op een negatieve wijze mag veranderen, behalve om redenen die vreemd zijn aan die klacht. De verzoeker erkent dat Rudy Aernoudt sinds oktober 2007 ontslagen is, maar hij meent dat de maatregelen die nadien door de opvolgers tegen hem werden genomen, te weten het opleggen van een tuchtstraf “blaam” en de weigering om zijn mandaat van afdelingshoofd te verlengen, het rechtstreeks gevolg IX-6181-9/34 zijn van de door Rudy Aernoudt op de sporen gezette procedure, wat onder meer blijkt uit het feit dat de maatregelen gesteund zijn op dezelfde feiten. De verzoeker preciseert dat het thans bestreden besluit weliswaar dateert van 12 november 2008 en bijgevolg van meer dan twaalf maanden na het indienen van voormelde klacht, maar hij voert aan dat het bestreden besluit gebaseerd is op dezelfde feiten als het eerdere, door de Raad van State geschorste en daarna ingetrokken, besluit van 24 december 2007, en dat de procedure bovendien is hernomen met het evaluatieverslag van 21 december
  17. Zulks impliceert volgens de verzoeker dat het bestreden besluit wel werd genomen binnen de twaalf maanden na het indienen van de klacht, zodat het aan de werkgever staat om te bewijzen dat de bestreden maatregel gesteund is op redenen die vreemd zijn aan zijn klacht. 12.
  18. De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het middel op. Zij voert aan dat de verzoeker in de administratieve procedure nooit gewag heeft gemaakt van de wet van 4 augustus
  19. Hij heeft dat met name niet gedaan in zijn opmerkingen op het evaluatieverslag, en ook niet toen hij gehoord werd door de waarnemend secretaris-generaal over haar voornemen om zijn mandaat niet te verlengen. Uit de “algemene beginselen van behoorlijk burgerschap” volgt dat de verzoeker niet voor de eerste maal in de procedure voor de Raad van State een middel gesteund op de schending van de genoemde wet kan inroepen. Hij heeft integendeel het recht verwerkt om zich te beroepen op de rechten afgeleid uit die wet. Dat de verzoeker in de vorige procedure voor de Raad van State een dergelijk middel heeft ingeroepen doet daaraan geen afbreuk, aangezien de besluitvorming na het arrest werd hernomen vanaf het ogenblik waarop de procedure volgens de Raad van State ontspoord is. 12.
  20. Subsidiair is de verwerende partij van oordeel dat er te dezen in elk geval geen sprake kan zijn van een schending van artikel 32tredecies van de wet van 4 augustus 1996: IX-6181-10/34 - Het betwiste besluit stelt als zodanig geen einde aan het mandaat van de verzoeker, maar houdt alleen in dat dit mandaat, dat ten einde liep, niet meer wordt hernieuwd. Bijgevolg heeft de verwerende partij de arbeidsvoorwaarden van de verzoeker niet eenzijdig gewijzigd. De verzoeker kan niet eisen, op grond van de genoemde wetsbepaling, dat de overheid specifieke redenen zou moeten aangeven om zijn mandaat niet te hernieuwen. - De houding van de verzoeker leidt ertoe dat de ingeroepen wet van haar doel wordt afgewend. Het is niet omdat iemand, om welke reden ook, een klacht indient in het kader van de welzijnswet, dat hij vervolgens elke mogelijke bestuurshandeling van zijn bestuur zou kunnen betwisten. De ingeroepen wet strekt tot bescherming, maar niet tot het verlenen van een immuniteit aan de werknemer tegen elke handeling van de werkgever die hem niet zint. - De verzoeker gaat eraan voorbij dat de motieven waarop het bestreden besluit steunt, volstrekt vreemd zijn aan de klachten die hij tegen Rudy Aernoudt heeft ingediend. Het eerste schragende motief betreft het zichzelf toekennen van een premie door de verzoeker. De moeilijkheden tussen de verzoeker en Rudy Aernoudt impliceren volgens de verwerende partij geenszins dat het bestuur tegen dergelijke manier van handelen niet meer kan optreden. Het tweede motief betreft een voorval waarbij de verzoeker agressief gedrag heeft vertoond jegens collega’s. Onder deze collega’s bevond zich niet Rudy Aernoudt. Het derde motief betreft de gebrekkige uitvoering en rapportering in het kader van het uitwisselingsprogramma waarmee de verzoeker werd belast. In dat verband wordt uitdrukkelijk aangestipt dat de gebrekkige samenwerking tussen de verzoeker en de vorige secretaris-generaal daarvoor geen afdoende verantwoording biedt, temeer daar de kwestieuze rapportering dateert van eind november 2007, toen Rudy Aernoudt het departement reeds twee maanden had verlaten. - Voor de omkering van de bewijslast is vereist dat de maatregel is genomen binnen twaalf maanden na het indienen van de klacht. Het bestreden besluit is genomen meer dan twaalf maanden na het indienen van de klacht wegens pesterijen op het werk. - Ten slotte wijst de verwerende partij erop dat de verzoeker enkel tegen Rudy Aernoudt een klacht heeft ingediend, niet tegen zijn werkgever als zodanig, niet tegen Veerle Lories en dus ook niet tegen de hiërarchie die het bestreden besluit heeft genomen. Rudy Aernoudt heeft wel een voorstel gedaan tot het opleggen van een tuchtstraf, maar niet een voorstel tot het niet verlengen van het mandaat. IX-6181-11/34 Beoordeling
  21. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het middel acht de Raad van State het niet nodig, zeker niet in dit stadium van de procedure, om zich uit te spreken over de vraag in hoeverre de verzoeker verplicht was om reeds in de administratieve procedure met betrekking tot het al dan niet hernieuwen van zijn mandaat de onwettigheid in te roepen die hij thans in zijn beroep tot nietigverklaring en zijn vordering tot schorsing inroept. In de veronderstelling dat een dergelijke verplichting te dezen van toepassing was, moet worden nagegaan of de verzoeker aan het bestuur de mogelijkheid heeft geboden om de bedoelde onwettigheid te vermijden of ongedaan te maken. Te dezen heeft de verzoeker de schending van artikel 32tredecies van de wet van 4 augustus 1996 reeds aangevoerd in het beroep dat hij bij de Raad van State heeft ingesteld tegen het besluit van 24 december 2007 waarbij zijn mandaat als afdelingshoofd niet werd verlengd. Aldus was de verwerende partij op de hoogte van het wettigheidsbezwaar dat tegen een niet-hernieuwing van het mandaat kon worden ingeroepen. Toen zij besloot om, na de schorsing van het genoemde besluit en de intrekking ervan, de procedure te hervatten vanaf het punt waarop die volgens de Raad van State misgelopen was, bevond zij zich dus in de mogelijkheid om met de aangevoerde onregelmatigheid rekening te houden en daaruit eventueel de nodige gevolgen te trekken. De exceptie van onontvankelijkheid van het middel is niet ernstig. 14.
  22. Artikel 32tredecies, §§ 1 en 2, van de wet van 4 augustus 1996 luidt als volgt: “§
  23. De werkgever mag, behalve om redenen die vreemd zijn aan de klacht, de rechtsvordering of de getuigenverklaring, de arbeidsverhouding van de volgende werknemers niet beëindigen, en hij mag evenmin de arbeidsvoorwaarden van die werknemers op ongerechtvaardigde wijze eenzijdig wijzigen : 1° de werknemer die op het vlak van de onderneming of instelling die hem tewerkstelt, overeenkomstig de vigerende procedures, een met redenen omklede klacht heeft ingediend; 2° de werknemer die een klacht heeft ingediend bij de met het toezicht belaste ambtenaar bedoeld in artikel 80; IX-6181-12/34 3° de werknemer die een klacht heeft ingediend bij de politiediensten, een lid van het openbaar ministerie of de onderzoeksrechter; 4° de werknemer die een rechtsvordering instelt of voor wie een rechtsvordering wordt ingesteld op grond van dit hoofdstuk; 5° de werknemer die optreedt als getuige doordat hij, in het kader van het onderzoek van de met redenen omklede klacht, in een ondertekend en gedateerd document de feiten die hij zelf heeft gezien of gehoord en die betrekking hebben op de toestand die het voorwerp is van de met redenen omklede klacht, ter kennis brengt van de preventieadviseur of doordat hij optreedt als getuige in rechte. §
  24. De bewijslast van de in § 1 bedoelde redenen en rechtvaardiging berust bij de werkgever, wanneer de werknemer wordt ontslagen of de arbeidsvoorwaarden eenzijdig worden gewijzigd binnen twaalf maanden volgend op het indienen van de klacht of het afleggen van de getuigenverklaring. Deze bewijslast berust eveneens bij de werkgever in geval van ontslag of eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden nadat een rechtsvordering werd ingesteld, en dit tot drie maanden na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.” 14.
  25. Volgens de verwerende partij stelt het betwiste besluit als zodanig geen einde aan het mandaat van de verzoeker, maar beslist het slechts dat het mandaat niet hernieuwd wordt. De verwerende partij wijst erop dat het mandaat van de verzoeker van rechtswege is afgelopen, en dat er geen sprake is van een eenzijdige en negatieve wijziging van de arbeidsvoorwaarden van de verzoeker. Het bestreden besluit houdt een beslissing in over het al dan niet hernieuwen van het mandaat van de verzoeker. Het feit dat het mandaat van de verzoeker beëindigd wordt, is het gevolg van de uitdrukkelijke beslissing van de verwerende partij. Anders dan de verwerende partij aanvoert, lijkt er dan ook wel degelijk gesproken te kunnen worden van een eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden door de werkgever, in de zin van artikel 32tredecies, § 1, van de wet van 4 augustus
  26. 14.
  27. Het indienen van een klacht wegens pesterijen verbiedt niet gelijk welke wijziging van de arbeidsvoorwaarden van de werknemer. De wet legt wel een beperking op ten aanzien van de motieven die aan een eenzijdige wijziging ten grondslag mogen liggen. Met name mag de werkgever enkel steunen op “redenen die vreemd zijn aan de klacht”. Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, die artikel 32tredecies heeft ingevoegd in de wet van 4 augustus 1996, is het de bedoeling van de wetgever geweest om het slachtoffer te IX-6181-13/34 beschermen tegen ontslag, omdat hij “een einde wil maken aan de schrik en aan het isolement van het slachtoffer (dat ervoor beducht kan zijn dat het door te spreken een reactie op gang brengt die tot zijn of haar ontslag kan leiden)” (Parl. St., Kamer, 2001-02, nr. 1583/5, p. 34). De bescherming van artikel 32tredecies geldt dus slechts ten aanzien van maatregelen waarvan kan worden aangenomen dat ze een reactie zijn op de ingediende klacht. Tegen een werknemer kan daarentegen nog steeds een maatregel worden opgelegd “voor elk feit dat niets te maken heeft met de pesterijen of het geweld waarvan hij/zij het slachtoffer is geweest” (ibid.). Om uit te maken of de bestreden maatregel al dan niet beschouwd kan worden als een reactie op de door de verzoeker ingediende klacht, moet het voorwerp van de klacht vergeleken worden met de redenen waarop de bestreden maatregel steunt. 14.
  28. Als tegen een werknemer een maatregel wordt genomen “binnen twaalf maanden volgend op het indienen van de klacht”, geldt er een vermoeden dat die maatregel een reactie is op de klacht. Op grond van artikel 32tredecies, § 2, van de wet van 4 augustus 1996 staat het dan aan de werkgever om het tegenbewijs te leveren, met andere woorden om te bewijzen dat de maatregel geen reactie is op de klacht. Voorshands gaat de Raad van State ervan uit dat de regel van artikel 32tredecies, § 2, blijft gelden als de procedure in verband met het opleggen van een maatregel wordt hernomen na de schorsing of de intrekking van een eerdere maatregel, die zelf is genomen binnen de termijn van twaalf maanden. In de huidige stand van de procedure gaat de Raad van State er dus van uit dat de bewijslast op de verwerende partij rust. 14.
  29. Uit het administratief dossier blijkt dat de verzoeker op 1 juni 2007 een klacht heeft ingediend tegen Rudy Aernoudt, toen deze bekleed was met de functie van secretaris-generaal van het departement Economie, Wetenschap en Innovatie. De klacht van de verzoeker was niet gericht tegen Eric Stroobants, die nadien de tuchtprocedure tegen hem heeft gestart, noch tegen Veerle Lories, die nog later als waarnemend secretaris-generaal het bestreden besluit heeft genomen. Reeds op het ogenblik dat de eerste beslissing om het mandaat van de verzoeker niet te verlengen is genomen (24 december 2007), was de tewerkstelling van Rudy Aernoudt beëindigd. IX-6181-14/34 Het bestreden besluit steunt op een beoordeling van de wijze waarop de verzoeker zijn mandaat van afdelingshoofd heeft uitgeoefend. Die beoordeling is ongunstig, gelet op drie feiten: het zichzelf toekennen van een managementtoelage, verbaal agressief gedrag ten opzichte van een collega, en de wijze waarop de verzoeker zijn opdracht tot de uitbouw van een uitwisselingsprogramma heeft uitgevoerd. Het bestreden besluit steunt niet op de houding die de verzoeker ten aanzien van Rudy Aernoudt heeft aangenomen. Aldus lijkt te kunnen worden aangenomen dat het bestreden besluit steunt op redenen die vreemd zijn aan de door de verzoeker ingediende klacht. De verzoeker betwist het voorgaande niet, doch stelt dat de maatregelen die door de opvolgers van Rudy Aernoudt zijn genomen, te weten het opleggen van de tuchtstraf “blaam” en de bestreden weigering om zijn mandaat van afdelingshoofd te verlengen, het rechtstreeks gevolg zijn van de door Rudy Aernoudt op de sporen gezette procedure, en dat die maatregelen gesteund zijn op dezelfde feiten, in het bijzonder het zichzelf toekennen van een managementtoelage. Het is inderdaad zo dat het bestreden besluit gedeeltelijk steunt op het zichzelf toekennen van een premie door de verzoeker, feit waarvoor hem een tuchtstraf is opgelegd, waartoe Rudy Aernoudt de aanzet heeft gegeven. Dit neemt echter niet weg dat dit feit, samen met de twee andere tegen de verzoeker ingeroepen feiten, wordt beoordeeld door een persoon die niet het voorwerp is geweest van de klacht, op een ogenblik dat de tuchtprocedure een einde heeft genomen en de tuchtstraf definitief is geworden. De door de verzoeker aangehaalde omstandigheden lijken geen afbreuk te doen aan de vaststelling dat het bestreden besluit lijkt te steunen op redenen die vreemd zijn aan de tegen Rudy Aernoudt ingediende klacht. 14.
  30. Het middel is niet ernstig.
  31. Tweede middel Stelling van de partijen IX-6181-15/34
  32. De verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij voert aan dat het zorgvuldigheidsbeginsel voor de overheid de plicht inhoudt om te komen tot een zorgvuldige feiten- en informatiegaring en om alle elementen, aspecten of belangen van een dossier in ogenschouw te nemen, met het oog op een zorgvuldige besluitvorming. Volgens de verzoeker is de verwerende partij op verscheidene wijzen tekort gekomen aan die verplichting. Hij wijst in de eerste plaats op de in het bestreden besluit voorkomende overweging dat “een mandaat van afdelingshoofd voor zes jaar wordt toegekend en derhalve tijdelijk is”. Volgens de verzoeker suggereert deze vermelding ten onrechte dat de niet-verlenging van het mandaat van afdelingshoofd een louter organisatorische aangelegenheid is. Hij wijst ten tweede op de overweging in verband met het verbaal agressief gedrag, die volledig voorbijgaat aan de ware proporties en de ware toedracht van het protest dat hij heeft geuit en aan het feit dat de desbetreffende nota door de secretaris-generaal werd opgesteld zonder de verzoeker gehoord te hebben. De verzoeker voert ten derde aan dat het besluit nergens vermeldt dat hem na de intrekking van het besluit van 24 december 2007 geen afdeling werd toegewezen. Ten vierde wijst de verzoeker op het feit dat het over hem opgestelde evaluatieverslag globaal zorgvuldigheid mist, zoals onder meer blijkt uit de volgende gegevens: - de negatieve connotatie rond de persoon van de verzoeker wordt ten onrechte opgevoerd met vernietigde besluiten van de voormalige secretaris-generaal R.D. Er wordt geen rekening gehouden met elementen in het dossier die aantonen dat secretaris-generaal R.D. pestgedrag vertoonde ten opzichte van de verzoeker; - de huidige samenstelling van het persoonlijk dossier van de verzoeker bestaat nog steeds voor ongeveer 70% uit kladversies van de besluiten van secretaris-generaal R.D. - het dossier van de verzoeker werd niet opgeschoond door de HRM- verantwoordelijke, E.M.; - er is nergens sprake van de verwijdering van het arrest van de Raad van State tot vernietiging van deze besluiten, in zoverre dat de Interne Audit, tijdens zijn onderzoek bij het departement Economie, Wetenschap en Innovatie, tot de conclusie kwam dat de verzoeker al sinds 2002 geen afdelingshoofd meer was; IX-6181-16/34 - de evaluatie voor het werkjaar 2006, opgesteld door Rudy Aernoudt, beperkt zich ertoe te vermelden dat 2007 een moeilijke transitieperiode was voor de verzoeker, terwijl die evaluatie principieel over het betrokken jaar moet handelen; - nergens wordt vermeld dat de verzoeker in 2007 de facto de taken van afdelingshoofd uitoefende wegens het volledig buiten spel zetten van zijn collega A.D.S. door Rudy Aernoudt; - het evaluatieverslag wordt besloten met een genuanceerd positief beeld, dat volledig verdwijnt door de recente blaam; - de nota van eresecretaris-generaal W.T., waarbij deze meldt dat hij aan de verzoeker een premie zou hebben toegekend indien hij daarom was verzocht, werd volledig genegeerd. Ten vijfde voert de verzoeker aan dat het bestreden besluit, op twee alinea’s na, volledig voorbijgaat aan de inhoud van zijn nota met opmerkingen op het evaluatieverslag.
  33. De verwerende partij gaat in haar nota in op een aantal elementen die de verzoeker tot staving van het gebrek aan zorgvuldigheid aanvoert. In verband met het eerste element antwoordt zij dat de verzoeker de bevestiging van het tijdelijk karakter van een mandaat van afdelingshoofd ten onrechte als een onzorgvuldigheid in het bestreden besluit beschouwt. Deze overweging wordt immers gevolgd door drie motieven die verduidelijken waarom de verwerende partij heeft besloten het mandaat van de verzoeker niet te verlengen. Zulks toont volgens de verwerende partij duidelijk aan dat het bestuur er zelf van uitgaat dat het niet om een puur organisatorische aangelegenheid gaat. In verband met het vierde element wijst de verwerende partij erop dat de evaluatie van de verzoeker “als zodanig niet ongunstig” is, maar dat het onderscheid dient gemaakt te worden tussen een niet-ongunstige evaluatie en de appreciatie inzake het al dan niet verlengen van een mandaat. Zij herhaalt dat drie elementen aanleiding hebben gegeven tot het besluit om het mandaat van de verzoeker niet te verlengen. Het bestuur hoeft in het desbetreffende besluit niet in te gaan op elk conflict dat de verzoeker in het verleden heeft gehad met zijn hiërarchische oversten. Beoordeling IX-6181-17/34
  34. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden wat betekent dat de beslissing moet steunen op een volledig en grondig uitgevoerd onderzoek, te weten een zorgvuldige feitenvinding en een nauwgezette belangenafweging.
  35. Te dezen blijkt dat het bestreden besluit is genomen op basis van drie motieven die moeten aantonen dat het, omwille van het persoonlijk gedrag van de verzoeker, niet aangewezen is om diens mandaat van afdelingshoofd te verlengen. Zoals hiervóór reeds is aangehaald, hebben die motieven betrekking op het zichzelf toekennen van een managementtoelage, verbaal agressief gedrag ten opzichte van een collega, en de wijze waarop de verzoeker zijn opdracht tot de uitbouw van een uitwisselingsprogramma heeft uitgevoerd. De Raad van State ziet niet in hoe aan de verwerende partij een onzorgvuldigheid verweten kan worden, in zoverre in het bestreden besluit wordt overwogen, in overeenstemming met de desbetreffende regelgeving, “dat een mandaat van afdelingshoofd voor zes jaar wordt toegekend”, en dat het “derhalve tijdelijk is”. De verzoeker voert aan dat de overweging in verband met het verbaal agressief gedrag volledig voorbijgaat aan de ware proporties van zijn protest en aan het feit dat de nota daarover werd opgesteld door de secretaris-generaal, zonder dat deze de verzoeker evenwel gehoord heeft. De Raad van State stelt vast dat de verzoeker het incident op zich niet ontkent. De waarnemend secretaris- generaal blijkt bovendien niet voorbij te gaan aan de omstandigheden waarin het voorval zich heeft voorgedaan. Zij oordeelt echter dat de omstandigheid dat de laatste medewerker van de verzoeker hem even voordien werd afgenomen, zijn gedrag niet kon verantwoorden, nu het gericht was tegen een collega die daarvoor niet verantwoordelijk was. Ook het niet vermelden van het feit dat, na de intrekking van het besluit van 24 december 2007, aan de verzoeker geen afdeling werd toegewezen, doet vooralsnog niet blijken van een gebrek aan zorgvuldigheid. Wat betreft het beweerde gebrek aan zorgvuldigheid bij het opstellen van het evaluatieverslag, stelt de Raad van State vooreerst vast dat de evaluatie niet eindigt met de vermelding “onvoldoende”, maar dat ze besluit tot “een IX-6181-18/34 genuanceerd positief beeld”. Bovendien steunt het bestreden besluit niet op een evaluatie “onvoldoende”, maar op drie concrete feiten die het vertrouwen in de persoonlijke competenties van de verzoeker hebben geschaad. Zelfs indien het evaluatieverslag door bepaalde gebreken zou zijn aangetast, zou dit nog niet noodzakelijk tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit op een onzorgvuldige wijze tot stand gekomen is. Ten slotte kan de verzoeker niet ernstig voorhouden dat het feit dat door de waarnemend secretaris-generaal niet wordt ingegaan op alle argumenten die hij tegenover haar liet gelden in zijn nota van 20 augustus 2008, getuigt van een onzorgvuldige feitenvinding. De verzoeker heeft tal van documenten neergelegd die zijns inziens een meer correct beeld geven van zijn functioneren tijdens de periode 2002-
  36. Bijgevolg waren alle feitelijke gegevens bekend op het ogenblik dat werd besloten om zijn mandaat niet te verlengen, zonder dat de verzoeker van de waarnemend secretaris-generaal kon verwachten dat deze zou antwoorden op alle elementen die werden aangevoerd. Dat niet op elk argument van de verzoeker is geantwoord, doet geen afbreuk aan de zorgvuldigheid van de feitenvinding.
  37. Het middel is niet ernstig.
  38. Derde middel Standpunt van de partijen
  39. De verzoeker roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Hij voert in de eerste plaats aan dat zijn vertrouwen werd beschaamd doordat hem geen kennis is gegeven van het verslag van het onderhoud dat waarnemend secretaris-generaal Stroobants op 4 oktober 2007 met hem had. Pas later krijgt hij kennis van dat verslag, in het kader van zijn beroep tegen het besluit van 24 december 2007 om zijn mandaat niet te verlengen, en pas dan wordt het voor hem duidelijk dat in dat verslag niet is vermeld dat hij niet wenste dat de terugbetaling van de premie als een schuldbekentenis zou worden uitgelegd, noch dat hij beloofd had geen beroep in te stellen bij de raad van beroep. Hij voert voorts aan dat hij in het kader van het genoemde beroep ook kennis gekregen heeft van het verslag van de vergadering van het managementcomité waarop over zijn tuchtzaak IX-6181-19/34 is beraadslaagd. Pas dan leest hij dat het managementcomité heeft laten optekenen dat de verzoeker nooit nog een leidinggevende rol als afdelingshoofd mag vervullen. De verzoeker meent dat de tuchtprocedure en de procedure in verband met de verlenging van zijn mandaat een andere wending genomen zouden kunnen hebben indien deze tekortkomingen zich niet hadden voorgedaan.
  40. De verwerende partij antwoordt dat de verzoeker terugkomt op de blaam die hem als tuchtstraf is opgelegd. Zij stelt dat hij de tuchtstraf niet heeft aangevochten, en dat hij het proces daarover niet kan overdoen in het kader van de voorliggende betwisting. Beoordeling
  41. Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat de aangevoerde schending van het vertrouwensbeginsel zich in essentie situeert in de procedure voorafgaand aan het opleggen van de blaam. Het besluit van het managementcomité van 23 november 2007 waarbij de bedoelde tuchtstraf is opgelegd, is een individuele beslissing die intussen definitief is geworden. Een verzoeker kan de eventuele onwettigheid die kleeft aan een definitief geworden individuele beslissing niet meer inroepen als middel tot schorsing of vernietiging van een latere beslissing, tenzij die individuele beslissing tezamen met de latere beslissing deel uitmaakt van eenzelfde complexe administratieve verrichting. Opdat er sprake zou zijn van een complexe verrichting is vereist dat de eerdere beslissing beschouwd moet worden als uitsluitend en noodzakelijk voorbereidend op de latere in het geding zijnde beslissing. Het is niet voldoende dat de eerdere beslissing noodzakelijk voorhanden moet zijn opdat de latere beslissing rechtsgeldig genomen kan worden, noch zelfs dat zij het bestuur tot het nemen van die latere beslissing bindt. Te dezen lijken de aan de verzoeker opgelegde tuchtstraf en de thans bestreden beslissing geen onderdelen te zijn van eenzelfde complexe rechtshandeling. De blaam is geen voorbeslissing in een procedure die leidt tot een beslissing over het al dan niet verlengen van het mandaat. Het opleggen van de IX-6181-20/34 blaam is integendeel de eindbeslissing van een tuchtprocedure die geen ander doel had dan de verzoeker in geval van gegrondverklaring van de tenlastelegging te bestraffen voor een welbepaald gedrag. Ten overvloede dient te worden opgemerkt dat het niet is omdat het vertrouwen van de verzoeker zou zijn beschaamd in het kader van de tuchtprocedure, die op een ander tijdstip en voor een ander orgaan is gevoerd, dat ook het bestreden besluit door een onregelmatigheid is aangetast. De informatie die volgens de verzoeker is achtergehouden in de tuchtprocedure, heeft hijzelf immers uitdrukkelijk meegedeeld in zijn opmerkingen van 20 augustus 2008 aan de waarnemend secretaris-generaal. Deze laatste heeft dus met de aangevoerde elementen rekening kunnen houden bij het nemen van het thans bestreden besluit. Het middel is niet ernstig.
  42. Vierde middel
  43. De verzoeker roept een vierde middel in, afgeleid uit de schending van het materiële motiveringsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. De verzoeker voert aan dat de materiële motiveringsplicht onder meer inhoudt dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen. De verzoeker benadrukt vooreerst zijn opmerkingen ten aanzien van het evaluatieverslag voor de periode 2002-
  44. Hij voert aan dat de materiële onjuistheid van de evaluatie van het werkjaar 2002 evident is, doordat in dit verband gewezen wordt op een aantal negatieve opmerkingen van voormalig secretaris- generaal R.D., terwijl de daarop gesteunde beslissingen van voormalig secretaris- generaal R.D. door de Raad van State vernietigd zijn, precies omwille van die opmerkingen. Voor wat betreft de evaluatie van het werkjaar 2006 wordt gesteld dat 2006 een “moeilijke transitieperiode was voor Jan”, terwijl de transitie plaatsvond in
  45. De verzoeker stelt vervolgens dat de overweging dat “een mandaat van afdelingshoofd voor zes jaar wordt toegekend en derhalve tijdelijk is” ten onrechte suggereert dat de niet-verlenging een louter organisatorische aangelegen- IX-6181-21/34 heid is. Volgens de verzoeker is met de BBB-overgang geen enkel mandaat van afdelingshoofd niet verlengd. Zeker in het beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie zijn alle collega’s van de verzoeker opnieuw aangewezen in hun mandaat van afdelingshoofd. Ten slotte betwist de verzoeker de feitelijke juistheid van een aantal vaststellingen in het evaluatieverslag, met betrekking tot de evaluatie van het werkjaar 2007, vaststellingen die aanleiding hebben gegeven tot overwegingen in het bestreden besluit: - in verband met het uitbetalen van de premie, en de blaam die daarvoor is opgelegd, herhaalt de verzoeker dat nauwelijks rekening is gehouden met de omstandigheden waarin de premietoekenning tot stand kwam; - in verband met zijn verbaal agressief gedrag benadrukt hij dat zijn laatste personeelslid hem werd ontnomen en gevoegd bij de diensten van een collega, zonder dat de verzoeker daarvan op de hoogte werd gebracht. Dat gaf aanleiding tot een hevige woordenwisseling met de betrokken collega. Achteraf vond iedereen, inclusief de collega, dat het niet opging de verzoeker niet vooraf te verwittigen. Toch kreeg de verzoeker een nota voor verbaal agressief gedrag. De verzoeker stelt de vraag of het ontnemen van zijn laatste personeelslid geen gegronde reden was om zich te verzetten; - in verband met de uitbouw van het uitwisselingsprogramma voert de verzoeker aan dat de mislukking van het programma te wijten was aan Rudy Aernoudt; geen collega was nog bereid om deel te nemen nadat Rudy Aernoudt had aangekondigd dat de geïnteresseerden naar Wallonië zouden worden gestuurd; bovendien regelde Rudy Aernoudt een aantal uitwisselingen zelf, buiten toedoen van de verzoeker. In verband met de rapportage aan het kabinet wijst de verzoeker erop dat hij de gevraagde gegevens dringend moest bezorgen, dat anderen zijn verslag daarna wel hebben aangevuld, maar dat hij in zijn nota aan de waarnemend secretaris-generaal daarover een rechtzetting heeft gegeven. Ten slotte wijst de verzoeker erop dat de agentschappen zelf niet enthousiast waren om in het uitwisselingsprogramma te stappen.
  46. De verwerende partij stelt vooreerst dat het feit dat de verzoeker opmerkingen heeft over de evaluatie over het werkjaar 2002 niet impliceert dat het opnemen van een verwijzing naar die evaluatie in de aanhef van het bestreden besluit zou getuigen van enige onredelijkheid. IX-6181-22/34 Zoals voorts uit de motivering van het bestreden besluit blijkt, heeft het bestuur begrip voor een aantal specifieke moeilijkheden waarmee de verzoeker geconfronteerd is geweest. De vraag is echter hoe de verzoeker als afdelingshoofd met die moeilijkheden is omgegaan. Uit de in het bestreden besluit beschreven feiten blijkt dat de verwerende partij van oordeel is dat de verzoeker niet heeft kunnen aantonen dat hij in moeilijke tijden passend reageerde. In verband met de toekenning van de managementspremie mag volgens de verwerende partij niet uit het oog verloren worden dat, zo de omstandigheden inderdaad bijzonder waren (ten gevolge van de organisatorische problemen na de pensionering van secretaris-generaal W.T.), de verzoeker geen misbruik mocht maken van de toestand om zichzelf te bedienen. Ook in verband met de verbale agressie betwist de verzoeker volgens de verwerende partij verkeerdelijk de materialiteit van het motief, terwijl hij voorbijgaat aan de vraag of hij, gelet op de concrete omstandigheden, op een adequate manier heeft gereageerd op de situatie. De verzoeker betwist ten slotte ook niet dat het resultaat van het uitwisselingsprogramma bijzonder bedroevend was, maar hij legt de verantwoordelijkheid daarvoor bij anderen. Hij dient evenwel te beseffen dat van hem verwacht werd dat hij ook in moeilijke omstandigheden het uitwisselingsprogramma tot een goed einde kon brengen. Daarenboven slaagde de verzoeker er niet in om er op een bevredigende wijze over te rapporteren toen Rudy Aernoudt reeds uit het departement was verdwenen. Beoordeling
  47. De Raad van State begrijpt het middel van de verzoeker in die zin dat hij aanvoert dat de feiten die ter ondersteuning van het bestreden besluit worden aangevoerd onjuist zijn of althans op een onredelijke wijze zijn beoordeeld. In dit verband herinnert de Raad van State eraan dat hij niet bevoegd is zijn beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid. Hij beschikt ter zake enkel over een marginaal toetsingsrecht. In het kader van die marginale toetsing kan hij alleen nagaan of de IX-6181-23/34 overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten. IX-6181-24/34 26.
  48. In zoverre de verzoeker wijst op fouten in het evaluatieverslag met betrekking tot hetgeen daarin gezegd wordt over de werkjaren 2002 en 2006, stelt de Raad van State vast dat de desbetreffende vaststellingen geen motieven vormen voor het bestreden besluit. Het bestreden besluit steunt integendeel op drie feiten, die in het evaluatieverslag alle drie worden besproken onder het opschrift “Evaluatie werkjaar 2007”. De verzoeker lijkt dan ook geen belang te hebben bij de bedoelde grieven, zodat het middel in dit opzicht onontvankelijk lijkt. 26.
  49. In zoverre de verzoeker aanvoert dat de overweging dat “een mandaat van afdelingshoofd voor zes jaar wordt toegekend en derhalve tijdelijk is” ten onrechte suggereert dat de niet-verlenging een louter organisatorische aangelegenheid is, ziet de Raad van State niet in hoe aan de bedoelde overweging een feitelijke onjuistheid verweten zou kunnen worden. De enkele omstandigheid dat de mandaten in de praktijk in de regel verlengd worden, zoals door de verzoeker wordt aangevoerd, doet immers geen afbreuk aan het feit dat ze wel degelijk slechts van tijdelijke aard zijn. 26.
  50. Met betrekking tot de kritiek van de verzoeker op de vaststellingen in het evaluatieverslag over het werkjaar 2007, vaststellingen die aan de basis liggen van de drie feiten waarop het bestreden besluit steunt, overweegt de Raad van State het volgende. In verband met verzoekers opwerping dat bij het opleggen van de blaam nauwelijks rekening is gehouden met de concrete omstandigheden waarin de premietoekenning tot stand kwam, overweegt het bestreden besluit dat, “ook al waren de omstandigheden door de overgangssituatie tijdens de opstart van de nieuwe BBB-structuren moeilijk, er [...] van de heer Jan De Keye als afdelingshoofd juist onder dergelijke moeilijke omstandigheden [werd] verwacht bijzonder zorgvuldig om te springen met de basisregels en zeker geen misbruik te maken van de bijzondere situatie”. Hieruit blijkt dat de waarnemend secretaris-generaal wel rekening heeft gehouden met de omstandigheden, maar dat zij van mening was dat die geen verantwoording konden bieden voor het feit dat de verzoeker zichzelf, in overtreding van de regels, een premie heeft laten uitbetalen. Dit kan op het eerste zicht niet als een kennelijk onredelijke beoordeling worden beschouwd. IX-6181-25/34 In verband met verzoekers opwerping dat bij de beoordeling van zijn verbaal agressief gedrag geen rekening is gehouden met de concrete omstandigheden, overweegt het bestreden besluit dat “het feit dat de heer Jan De Keye kort voor het voorval werd geconfronteerd met de overplaatsing van één van zijn teamleden zonder dat hij daarover was geraadpleegd, [...] op geen enkele wijze het verbaal agressief en ongepast gedrag ten aanzien van zijn collega die niet verantwoordelijk was voor de situatie, [kan] verantwoorden”. Ook hier dient te worden vastgesteld dat de waarnemend secretaris-generaal wel rekening heeft gehouden met de omstandigheden die door de verzoeker worden aangehaald, maar dat zij opnieuw van oordeel is dat deze het gedrag van de verzoeker niet kunnen verantwoorden. Zelfs rekening houdend met de escalatie van de toestand tussen de verzoeker en de toenmalige secretaris-generaal kan ook dit oordeel op het eerste zicht niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd. In verband met verzoekers opwerping dat bij de beoordeling van de uitvoering van de opdracht inzake uitwisselingsprogramma’s geen rekening is gehouden met een aantal concrete omstandigheden, erkent het bestreden besluit “dat de samenwerking tussen de heer Jan De Keye en de voormalige secretaris-generaal moeilijk verliep”. Het besluit vervolgt evenwel met de vaststelling dat dit gegeven noch de gebrekkige uitvoering van het uitwisselingsprogramma, noch de gebrekkige rapportering -na het vertrek van Rudy Aernoudt- kan verantwoorden. De verzoeker betwist niet dat er voldoende belangstelling was voor de uitwisseling en reageert evenmin op de aantijging dat zijn rapportering kwalitatief ondermaats was. Bijgevolg lijkt het niet kennelijk onredelijk dat de waarnemend secretaris-generaal heeft geoordeeld dat de verzoeker bij de opvolging van het project niet het initiatief heeft vertoond dat men van een afdelingshoofd verwachtte, zonder dat het beperkte resultaat verantwoord kon worden door de moeilijke verhouding tussen de verzoeker en Rudy Aernoudt, temeer daar laatstgenoemde het departement reeds had verlaten op het tijdstip van de rapportering. 26.
  51. Het middel is niet ernstig. IX-6181-26/34
  52. Vijfde middel Standpunt van de partijen
  53. De verzoeker roept een vijfde middel in, afgeleid uit de schending van de rechten van de verdediging. Hij laat gelden dat het bestreden besluit, zoals het eerder ingetrokken besluit van 24 december 2007, zijn rechtstreekse basis vindt in het evaluatieverslag over de periode 2002-2007, dat op zijn beurt voor het overgrote deel is gebaseerd op de blaam die hem is opgelegd. De schendingen van de rechten van de verdediging die zich hebben voorgedaan in de tuchtprocedure, in het bijzonder het niet mededelen van het verslag van het onderhoud dat waarnemend secretaris-generaal Eric Stroobants [op 4 oktober 2007] had met de verzoeker en van het verslag van de vergadering van het managementcomité [van 23 november 2007] waarop besloten is dat de verzoeker niet meer voor een functie als afdelingshoofd in aanmerking mocht komen, kunnen volgens de verzoeker worden ingeroepen als middel tegen het thans bestreden besluit.
  54. De verwerende partij antwoordt vooreerst dat er bij de besluitvorming aangaande de mandaatsfunctie van een afdelingshoofd geen rechten van verdediging gelden, met uitzondering van de hoorplicht, die te dezen werd gerespecteerd. Voorts merkt zij op dat de verzoeker in feite aanvoert dat zijn rechten van verdediging niet zijn geëerbiedigd in de procedure die geleid heeft tot de tuchtstraf. Vermits die straf echter definitief is geworden, heeft het geen zin om daarop alsnog wettigheidskritiek uit te oefenen. Beoordeling
  55. Het vijfde middel lijkt uitsluitend betrekking te hebben op de eerbiediging van het recht van verdediging tijdens de procedure die beëindigd is met het besluit van het managementcomité van 23 november 2007 waarbij aan de verzoeker een blaam is opgelegd. De verzoeker lijkt in dit middel geen grieven aan te voeren die specifiek te maken hebben met de procedure die geleid heeft tot het thans bestreden besluit. IX-6181-27/34 Zoals bij de bespreking van het derde middel reeds is uiteengezet (overweging 22), kan de eventuele onregelmatigheid van de tuchtstraf niet meer als middel worden aangevoerd tegen de latere beslissing om het mandaat als afdelingshoofd niet te hernieuwen. In elk geval heeft de verzoeker de gelegenheid gehad om in de procedure met betrekking tot het al dan niet hernieuwen van zijn mandaat als afdelingshoofd, zijn standpunt naar voor te brengen met betrekking tot de verslagen die in het middel worden genoemd. Het middel is niet ernstig.
  56. Zesde middel Standpunt van de partijen
  57. De verzoeker roept een zesde middel in, afgeleid uit de schending van het onafhankelijkheids- en het onpartijdigheidsbeginsel. De verzoeker stelt vooreerst dat het managementscomité, waartoe ook de waarnemend secretaris-generaal behoorde, toen het zich op 23 november 2007 heeft uitgesproken over de tuchtstraf, de wens heeft uitgedrukt dat de verzoeker nooit meer met een mandaat van afdelingshoofd zou worden belast. De verzoeker voert in het bijzonder aan dat hij tegenkandidaat was voor de N-functies die nu door twee van de drie stemgerechtigde leden, waaronder de actuele waarnemend secretaris-generaal, worden uitgeoefend. Ook voert hij aan dat niet duidelijk is welke rol de drie adviserende leden hebben gespeeld. Voorts voert de verzoeker aan dat uit de feiten blijkt dat de vroegere secretaris-generaal Rudy Aernoudt de aanzet heeft gegeven tot al de acties die geleid hebben tot beslissingen die hijzelf of zijn opvolgers tegen de verzoeker hebben genomen, waaronder het thans bestreden besluit. De verzoeker vindt dat deze situatie “absoluut niet kan”. Ten slotte betoogt hij dat ook huidig waarnemend secretaris- generaal Veerle Lories niet onafhankelijk en onpartijdig is, omdat zij de tegenkandidaat is geweest van de verzoeker, zij in het managementcomité reeds IX-6181-28/34 heeft gestemd voor de tuchtstraf en voor de verzwaring van die straf, te weten dat de verzoeker in de toekomst niet meer belast mag worden met een mandaat van afdelingshoofd, en zij ten slotte ook beslist heeft om het mandaat van de verzoeker niet te verlengen. In verband met die laatste beslissing wijst de verzoeker erop dat thans weliswaar niet meer wordt overwogen, zoals in het geschorste en nadien ingetrokken besluit van 24 december 2007, dat het managementcomité heeft beslist dat de verzoeker niet meer in aanmerking mocht komen voor een mandaat als afdelingshoofd, maar dit neemt niet weg dat het managementcomité, waarvan de waarnemend secretaris-generaal deel uitmaakte, wel degelijk de bedoelde beslissing heeft genomen. De verzoeker wijst er ook op dat Veerle Lories, als waarnemend secretaris-generaal, in een precaire situatie zit, die het haar moeilijk maakt om een eventueel andere mening [dan het managementcomité] te uiten. Ten slotte merkt de verzoeker op dat het perfect mogelijk was geweest voor Veerle Lories om zich te laten vervangen door een collega die houder was van een functie van het N-niveau.
  58. De verwerende partij antwoordt dat het in de voorliggende zaak enkel gaat over het besluit van de waarnemend secretaris-generaal om het mandaat van de verzoeker niet te verlengen. Het is dan ook enkel de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van Veerle Lories die te dezen onderzocht moet worden. Voorts voert de verwerende partij aan dat het evident is dat binnen de overheid over een ambtenaar wordt beslist door mensen met wie de betrokkene iets te maken heeft. De waarnemend secretaris-generaal is in zekere mate een collega van de verzoeker, en zij hoeft niet de onafhankelijkheid te hebben die een rechter heeft. Ingaand op de rol die Veerle Lories in de procedure heeft gespeeld, is de verwerende partij van oordeel dat haar onafhankelijkheid of onpartijdigheid niet in het gedrang is gekomen doordat de verzoeker conflicten heeft gehad met vroegere secretarissen-generaal, doordat zij zich bevindt in een precaire situatie, doordat zij als lid van het managementcomité mee geoordeeld heeft over de tuchtstraf die aan de verzoeker is opgelegd, of doordat zij als lid van het managementcomité mee de mening heeft geuit dat de verzoeker in de toekomst niet meer met een leidende functie als afdelingshoofd kon worden belast. In dit verband wijst de verwerende partij erop dat de waarnemend secretaris-generaal de enige is die bevoegd is om te beslissen over het al dan niet verlengen van het mandaat van afdelingshoofd, en dat zij daarbij niet gebonden is door wat het managementcomité IX-6181-29/34 heeft overwogen in het kader van de tuchtprocedure. Aangezien de organisatie van het departement impliceert dat de waarnemend secretaris-generaal zowel deelneemt aan de beraadslaging inzake tuchtvorderingen als beslist over de verlenging van het mandaat van afdelingshoofd, kan er te dezen geen sprake zijn van de schending van het onafhankelijkheids- of het onpartijdigheidsbeginsel. Beoordeling
  59. Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, dient het middel enkel onderzocht te worden in zoverre het betrekking heeft op de waarnemend secretaris- generaal Veerle Lories. In zoverre het middel betrekking heeft op het managementcomité, lijkt het onontvankelijk, omdat het vreemd is aan het bestreden besluit. 33.
  60. Wat betreft het door de verzoeker ingeroepen onafhankelijkheidsbeginsel, moet opgemerkt worden dat, buiten de gevallen waarin uit de regelgeving zelf blijkt dat een bepaald orgaan is opgevat als een onafhankelijk orgaan, het bedoelde beginsel binnen het bestuur slechts een beperkte draagwijdte kan hebben. Ambtenaren zijn in de regel niet onafhankelijk, in die zin dat zij zijn georganiseerd in een hiërarchische structuur, waarin zij onderworpen zijn aan de orders van hun hiërarchische oversten en van de personen die, zoals de leden van de Vlaamse regering, de politieke verantwoordelijkheid dragen voor de werking van de dienst. Wel kan voorshands aangenomen worden dat het onafhankelijkheidsbeginsel onder meer inhoudt dat de overheid die bevoegd is om een bepaalde beslissing te nemen, die beslissing ook zelf moet nemen, zonder ongeoorloofde druk van buitenaf. 33.
  61. Te dezen voert de verzoeker onder meer aan dat het voor Veerle Lories, ten gevolge van haar precaire situatie als waarnemend secretaris-generaal, quasi onmogelijk was om in verband met het mandaat van de verzoeker een andere houding aan te nemen dan het managementcomité. Die grief kan begrepen worden als een grief die steunt op de schending van het onafhankelijkheidsbeginsel. IX-6181-30/34 In het thans bestreden besluit wordt, in tegenstelling tot het geschorste en later ingetrokken besluit van 24 december 2007, niet meer verwezen naar de verwachtingen van het managementcomité in verband met de verdere uitoefening van een mandaat door de verzoeker. De Raad van State ziet hierin de uiting van de wil van de waarnemend secretaris-generaal om de kwestie zelf te beoordelen. De gegevens van de zaak brengen de Raad er voor het overige niet toe om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van de waarnemend secretaris-generaal. In dit opzicht is het middel niet ernstig. 34.
  62. Wat betreft het door de verzoeker ingeroepen onpartijdigheidsbeginsel, wordt aangenomen dat dit beginsel van toepassing is in administratieve procedures, voor zover de toepassing verenigbaar is met de eigen aard, inzonderheid de eigen structuur van het bestuur. Zo mag de toepassing van het onpartijdigheidsbeginsel er niet toe leiden dat het nemen van een regelmatige beslissing onmogelijk wordt, met name doordat dit beginsel het optreden van het bevoegde orgaan onmogelijk zou maken. 34.
  63. De verzoeker betwist niet dat de beslissing over het al dan niet verlengen van zijn mandaat als afdelingshoofd behoorde tot de bevoegdheid van de secretaris-generaal van het departement Economie, Wetenschap en Innovatie, en dat die bevoegdheid te dezen in handen was van waarnemend secretaris-generaal Veerle Lories. Hij voert wel aan dat Veerle Lories die bevoegdheid in zijn geval niet mocht uitoefenen, gelet op het feit dat hij haar tegenkandidaat was geweest, en gelet op het feit dat zij betrokken was geweest bij de beslissing over de hem opgelegde tuchtstraf. Volgens de verzoeker moest Veerle Lories zich in zijn geval laten vervangen. Het feit dat de verzoeker en Veerle Lories tegenkandidaat zijn geweest voor hetzelfde mandaat van afdelingshoofd, lijkt geen voldoende reden te zijn om te twijfelen aan de onpartijdigheid van Veerle Lories, bekeken vanuit een subjectief oogpunt. Beiden zijn immers tot afdelingshoofd aangewezen. Op het ogenblik dat Veerle Lories het bestreden besluit nam, was de verzoeker ook geen concurrent meer van haar. IX-6181-31/34 In zoverre de verzoeker Veerle Lories ten kwade duidt dat zij het bestreden besluit heeft genomen, na als waarnemend secretaris-generaal het managementcomité te hebben voorgezeten en in die hoedanigheid te hebben deelgenomen aan de beslissing in de tuchtzaak tegen de verzoeker, merkt de verwerende partij terecht op dat het de organisatie van het departement Economie, Wetenschap en Innovatie is die impliceert dat de waarnemend secretaris-generaal zowel deelneemt aan de beraadslaging inzake tuchtvorderingen als beslist over de verlenging van het mandaat van afdelingshoofd. Daargelaten de vraag of het optreden van Veerle Lories binnen het managementcomité wel een voldoende reden is om te twijfelen aan haar onpartijdigheid, bekeken vanuit een objectief oogpunt, lijkt in elk geval vastgesteld te moeten worden dat de bedoelde organisatiestructuur de onverkorte toepassing van het onpartijdigheidsbeginsel in de weg staat. Ook in dit opzicht is het middel niet ernstig.
  64. Zevende middel Standpunt van de partijen
  65. De verzoeker roept een zevende middel in, afgeleid uit de schending aan van het beginsel “non bis in idem”. Hij voert aan dat de vermeende onrechtmatige toekenning van een premie voor het jaar 2005 aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van een blaam, terwijl hem bij het thans bestreden besluit een tweede straf wordt opgelegd voor deels dezelfde feiten, te weten de niet-verlenging van zijn mandaat. In dit verband stipt de verzoeker ook aan dat het managementcomité in zijn besluit van 23 november 2007 heeft overwogen dat de blaam “als voldoende en passend voorkomt”, maar dat het comité in werkelijkheid heeft geoordeeld dat de verzoeker ook de bijkomende straf van het niet-verlengen van zijn mandaat moest krijgen. De verzoeker heeft pas later kennis gekregen van dat standpunt van het managementcomité, en toen kon hij zich daartegen niet meer verdedigen.
  66. De verwerende partij werpt in de eerste plaats op dat het beginsel “non bis in idem” geen rechtsregel is, en dat daarvan dus niet de schending kan worden ingeroepen. IX-6181-32/34 Subsidiair antwoordt zij dat het evident is dat een tuchtstraf mee in aanmerking wordt genomen bij de beslissing over het al dan niet verlengen van een mandaat. Beide regelgevingen hebben een andere finaliteit en bijgevolg is er geen sprake van “non bis in idem”. Zij stelt verder nog dat de verzoeker ten onrechte beweert dat het managementcomité het thans bestreden besluit zou hebben gedetermineerd. Het managementcomité kon enkel oordelen over de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van een tuchtsanctie, en het heeft zich daartoe ook beperkt. Beoordeling 37.
  67. Anders dan de verwerende partij aanvoert, is het beginsel “non bis in idem” wel degelijk een algemeen rechtsbeginsel waarvan de schending kan worden ingeroepen. Dat beginsel houdt in dat eenzelfde feit geen tweemaal mag worden bestraft met straffen van dezelfde aard. Het verbiedt daarentegen niet dat voor eenzelfde feit maatregelen van verschillende aard worden opgelegd. 37.
  68. Te dezen voert de verzoeker aan dat hij tweemaal werd gestraft wegens “de vermeende onrechtmatige toekenning van een premie voor het jaar 2005”, enerzijds met een blaam en anderzijds met de niet-verlenging van zijn mandaat als afdelingshoofd. Het niet verlengen van het mandaat van de verzoeker is echter geen maatregel van tuchtrechtelijke aard, en bijgevolg kan die maatregel niet beschouwd worden als een maatregel van dezelfde aard als de blaam. Bovendien steunt het bestreden besluit slechts gedeeltelijk op de feiten waarvoor de blaam werd opgelegd. 37.
  69. Het middel is niet ernstig. Conclusie
  70. Nu blijkt dat de verzoeker geen ernstig middel aanvoert, is niet voldaan aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen. IX-6181-33/34 Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 24 november 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Paul Lemmens IX-6181-34/34 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.176 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.276 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.