id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.205 Rolnummer: A. 77980/VII-37429 Zaak: Arrest 198205 - Monumenten en Landschappen - 26/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-07 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 03:55 Fiche Arrest nr 198.205 van 26 november 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 198.205 van 26 november 2009 in de zaak A. 77.980/VII-37.
- In zake: Julien VAN DAMME (overleden) rechtsgeding hervat door :
- Monique VANDEMOORTELE (overleden)
- Brigitte VAN DAMME
- Philip VAN DAMME die woonplaats kiezen te Zele Dijkstraat 7 tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 23 maart 1998, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn van 13 november 1997 waarbij tot de definitieve bescherming is beslist van de villa gelegen te Zele, Dijkstraat 7, met inbegrip van de interieurinrichting onroerend door bestemming, het bijgebouw aan de straat, de poort en de afsluitende straatmuur. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Emiel Haesbrouck heeft een verslag opgesteld. VII-37.429-1/9 De verzoekende partijen in gedinghervatting hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 oktober
- Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Philip Van Damme, die in persoon verschijnt, en advocaat Saartje Callens, die loco advocaat Bart Staelens, verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- In een nota van 14 september 1994 stelt de afdeling Monumenten en Landschappen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap voor om de villa gelegen te Zele, Dijkstraat 7, met inbegrip van de interieurinrichting onroerend door bestemming, het bijgebouw aan de straat, de poort en de afsluitende straatmuur als monument te beschermen. De verzoekende partijen zijn eigenaar van de percelen bekend ten ste kadaster : Zele, 1 afdeling, sectie B, nrs. 1613 c, 1611 d2 en deel van 1613 h, waarop voornoemde villa en toebehoren staan. 3.
- Bij besluit van de verwerende partij van 1 oktober 1994 wordt een voorontwerp van lijst aangelegd om voornoemde villa met inbegrip van de interieurinrichting onroerend door bestemming, het bijgebouw aan de straat, de poort en de afsluitende straatmuur als monument te beschermen. Een afschrift van voornoemd besluit wordt bij aangetekende brief van 22 februari 1995, onder meer, naar de oorspronkelijke verzoeker verstuurd, die geen bezwaar aantekent tijdens het openbaar onderzoek. VII-37.429-2/9 3.
- Op 5 mei 1995 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zele een gunstig advies voor de bescherming als monument. In een nota van 10 juni 1996 geeft de afdeling Monumenten en Landschappen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap hetzelfde advies als op 14 september
- 3.
- Bij besluit van de verwerende partij van 24 september 1996 wordt een ontwerp van lijst vastgesteld van voornoemd voor bescherming vatbaar monument. Een afschrift van voornoemd besluit wordt bij aangetekende brief van 28 november 1996, onder meer, naar de oorspronkelijke verzoeker verstuurd. 3.
- Op 5 juni 1997 brengt de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen een gunstig advies uit. 3.
- Op 13 november 1997 neemt de verwerende partij het thans bestreden besluit, dat luidt als volgt : "Artikel
- Gezien het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, wordt beschermd: - als monument, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 3 maart 1976, De villa gelegen Dijkstraat 7 te Zele met inbegrip van de interieurinrichting onroerend door bestemming, het bijgebouw aan de straat, de poort en de afsluitende straatmuur, bekend ten kadaster: Zele, 1ste afdeling, sectie B nummers 1613 c, 1611 d 2, deel van 1613 h; omwille van het algemeen belang gevormd door de: - Historische waarde als Art Nouveau villa en poort gebouwd in 1900, bijgebouw in Cottagestijl daterend van 1903, en domein afsluitende bakstenen muur opgetrokken in opdracht van Eugeen Burm, houthandelaar. De site was oorspronkelijk een oude handelsvestigingsplaats van de Baudeloo-abdij langs de Schelde, overgenomen door een particulier in
- Uitgebreid en aangepast, zodat het de grondslag vormde van een zeer voorspoedige ambachtelijke en industriële wijk 'Zele-dijk'. - Artistieke waarde als zeldzaam voorbeeld van Art Nouveau villa met poort en bijgebouw in Cottagestijl. Het bijgebouw is opgebouwd in een rijke Cottagestijl, volledig geïnspireerd op de Engelse voorbeelden. De poort is een verfijnde Art Nouveau schepping met zwierig gebruik van het zweepslagmotief bij het smeedijzeren hek. De Art Nouveau villa is wat stijl betreft schatplichtig aan de Engelse l9de-eeuwse Cottagestijl. Diverse elementen zoals het pseudovakwerk, de erkers, vensters, alsook het bouwmateriaal en ook in enige mate de interieurafwerking vinden hun inspiratie bij deze stijl. Deze inspiratiebron werd op een zeer gelukkige manier gecombineerd met de principes van de Art Nouveau, die toen haar hoogtepunt kende. De functionele inbreng, de organisatie van de ruimtes, het gebruik van glas in lood, ornamenten en interieurelementen zijn aanwinsten uit de Art Nouveau. Van groot belang is de binnenaankleding gerealiseerd door de werklieden van de scheepswerf van VII-37.429-3/9 Eugeen Burm. Met prachtige materialen werd een gepersonaliseerde binneninrichting verwezenlijkt die haar inspiratie vond in de neo-Vlaamse renaissancestijl, de Art Nouveau en de Engelse Cottagestijl. - Socio-culturele namelijk stedenbouwkundige waarde omwille van de ligging aan de Scheldedijk omringd door weilanden en bij het gehucht Dijk waarmee het historisch nauw verwant is. Het gehucht Dijk dankt zijn ontstaan grotendeels aan de activiteiten van Eugeen Burm, zijn familie en voorouders. Artikel
- - Met het oog op de bescherming zijn van toepassing:
- De beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van de monumenten en de stads- en dorpsgezichten". IV. Hervatting van het geding
- De oorspronkelijke verzoeker is op 25 oktober 2002 overleden. De echtgenote van de verzoeker, Monique Vandemoortele, en beide kinderen, Philip en Brigitte Van Damme, delen bij schrijven van 18 april 2003 aan het auditoraat van de Raad van State mee dat zij, in hun hoedanigheid van erfgenamen van de verzoeker, het geding verderzetten en zij bevestigen dit nogmaals in hun laatste memorie. Bij schrijven van 11 oktober 2006 aan de griffie van de Raad van State deelt Philip Van Damme mee dat zijn moeder, Monique Vandemoortele, op 21 juli 2006 overleden is en dat Philip en Brigitte Van Damme de procedure verderzetten.
- De verwerende partij werpt in haar laatste memorie op dat de erfgenamen van de verzoeker artikel 56 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna : algemeen procedurereglement) niet nageleefd hebben doordat zij de verderzetting van het geding enkel aan het auditoraat bevestigd hebben, zodat de afstand van het geding moet worden vastgesteld. Zij wijst er bovendien op dat de woonplaats van de erfgenamen niet in de laatste memorie is opgenomen, zodat deze onontvankelijk moet worden verklaard. Beoordeling
- Uit het dossier blijkt dat de rechthebbenden van de oorspronke- lijke verzoeker het rechtsgeding niet hervat hebben overeenkomstig artikel 56 van het algemeen procedurereglement, aangezien zij bij gewone briefwisseling gericht aan het auditoraat hun intentie hebben meegedeeld. VII-37.429-4/9 Te dezen kan echter worden vastgesteld dat de zaak reeds ingeschreven is op de rol, dat een goede rechtsbedeling niet verhinderd is, dat de procesgang evenmin werd verstoord en dat de verwerende partij de gelegenheid heeft gehad op alle argumenten te antwoorden. Een hervatting van het geding na het overlijden van de echtgenote van de oorspronkelijke verzoeker was overbodig aangezien de rechthebbenden reeds betrokken waren in het geding. Het verzuim de woonplaats van voornoemde rechthebbenden te vermelden in de laatste memorie heeft evenmin tot een bemoeilijking van de rechtsgang geleid. De excepties worden bijgevolg verworpen. V. Ontvankelijkheid van het beroep
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat de middelen niet voldoen aan artikel 2 van het algemeen procedurereglement omdat zij uiterst vaag en onduidelijk zijn. Zij stelt dat het verzoekschrift geen voldoende duidelijke omschrijving geeft van de rechtsregels en de wijze waarop die rechtsregels zouden zijn geschonden, noch worden er gegevens meegedeeld die gebeurlijke schendingen staven.
- De verzoekende partijen repliceren dat zij hun argumentatie van hun inleidend verzoekschrift hernemen en zich voor het overige gedragen naar de wijsheid van de Raad van State. Beoordeling
- Uit het verzoekschrift kan de essentie van de wettigheidsbezwaren zonder meer worden afgeleid, met name dat de verzoekende partijen het niet eens zijn met de inhoudelijke motivering van het bestreden besluit en dat zij het ontbreken van specifieke vormvoorschriften inzake instandhouding en onderhoud als een ontbreken van wettelijk opgelegde vormvoorschriften beschouwen. De exceptie wordt derhalve verworpen. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen VII-37.429-5/9
- De verzoekende partijen voeren in een eerste middel aan dat het bestreden besluit niet voldoende aanwijsbare elementen bevat om op concrete en relevante wijze te motiveren wat het cultureel belang is om hun villa en toebehoren als monument te beschermen. Zij stellen dat in verscheidene adviezen wordt verwezen naar het gebruik van allerlei houtsoorten en harde bouwmaterialen terwijl de materiaalkeuze volgens hen niet relevant is bij een artistiek-architectonisch onderbouwde beschermingsmotivatie. Zij wijzen er voorts op dat het bestreden besluit feitelijke grondslag mist doordat in voornoemde adviezen verwezen wordt naar een, volgens hun informatie, verkeerde architect waardoor de veronderstelling van Art Nouveau en Engelse Cottagestijlinvloeden aan waarde verliest. De verzoekende partijen argumenteren verder dat de omschrijving van de Engelse Cottagestijl in voornoemde adviezen te algemeen is zodat hieruit geen grondslag tot bescherming voor algemeen belang kan worden gehaald en dat ook het zogenaamde algemeen sfeerbeeld in het bestreden besluit niet als beschermingsmotief kan worden aanvaard. Volgens de verzoekende partijen zijn de Art Nouveau-decoratieve elementen ten slotte enkel aangebracht als verwijzingen naar het beroep van de bouwheer - scheepsbouwer - en beheersen zij niet het totale gebouw, zodat zij niet moeten worden beschermd als een, vanuit cultuurhistorisch oogpunt, waardevol geachte stroming.
- De verwerende partij verwijst voor de definitie en omschrijving van het begrip monument naar het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, respectievelijk naar rechtsleer. Zij verwijst naar het bestreden besluit en stelt dat zowel in het bestreden besluit als in de motiveringsnota uitgebreid wordt ingegaan op de beschermingswaarden van de villa, met inbegrip van bijgebouw, poort en afsluitende muur. Volgens haar heeft het gebouwencomplex een historische, artistieke en socio-culturele waarde en komt het daarom in aanmerking om beschermd te worden als monument. Zij antwoordt dat de gebruikte houtsoorten en bouwmaterialen deel uitmaken van de kwaliteit en artistieke waarde van het gebouw en dat het al dan niet bekend zijn van de architect niets afdoet aan de monumentale waarden van het complex. De verwerende partij antwoordt voorts dat de "Art Nouveau villa" de Art Nouveau, de neo-Vlaamse renaissancestijl en de Engelse Cottagestijl combineert in het interieur met materialen van uitzonderlijke kwaliteit, dat het bijgebouw is opgericht in rijke Cottagestijl en dat het complex wel degelijk een stedenbouwkundige waarde heeft. VII-37.429-6/9
- In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat de verwerende partij niet aanduidt welke concrete stijlelementen zij in welke mate herkent van de in het bestreden besluit aangehaalde stromingen, waardoor het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is. Zij stellen voorts dat de omschrijving van het beschermde goed onduidelijk, minstens irrelevant is.
- De verwerende partij antwoordt in haar laatste memorie dat de argumentatie van de verzoekende partijen in hun laatste memorie een nieuw middel uitmaakt dat niet voor het eerst in een laatste memorie kan worden aangevoerd. Beoordeling
- In het bestreden besluit wordt uitgebreid ingegaan op de beschermingswaarden van de villa, met inbegrip van bijgebouw, poort en afsluitende muur. De verzoekende partijen betwisten eigenlijk de opportuniteit van het bestreden besluit en tonen niet aan dat de inhoudelijke motivering kennelijk onredelijk of onjuist is. Het eerste middel is bijgevolg ongegrond. In zoverre de verzoekende partijen in hun laatste memorie argumenteren dat de omschrijving van het beschermde goed onduidelijk, minstens irrelevant is, stelt de Raad van State vast dat, alhoewel het bestreden besluit zelf niet excelleert in duidelijkheid, de beschrijving van het goed bij het voorontwerp van lijst van 1 oktober 1994 toelaat om te achterhalen wat onder de beschermingsmaatregel valt. Niettemin is het argument van de verzoekende partijen als nieuw middel laattijdig aangevoerd aangezien het reeds probleemloos in het inleidend verzoekschrift te berde had kunnen worden gebracht. Dit nieuw middel wordt bijgevolg als niet-ontvankelijk verworpen. VII-37.429-7/9 B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- De verzoekende partijen voeren in een tweede middel het ontbreken van wettelijk opgelegde vormvoorschriften in het bestreden besluit aan, met name de aanduiding van algemene en specifieke voorschriften inzake instandhouding en onderhoud. Het bestreden besluit houdt volgens de verzoekende partijen een belangrijke beperking in van hun volle eigendomsrecht en mist hierbij zowel vormelijk als inhoudelijk aan relevantie en wettelijke grondslag.
- De verwerende partij antwoordt dat door de verwijzing in het bestreden besluit naar de beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van de monumenten en de stads- en dorpsgezichten, duidelijk vermeld wordt welke erfdienstbaarheden van toepassing zijn. Beoordeling
- Door de verwijzing naar voornoemd besluit van 17 november 1993 heeft de verwerende partij duidelijk gesteld welke bepalingen van toepassing zijn inzake instandhouding en onderhoud. De verzoekende partijen tonen niet aan dat gebeurlijke, wettelijk opgelegde vormvoorschriften niet zijn nageleefd. Het tweede middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De gedinghervattende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 173,53 euro. VII-37.429-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig november tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.429-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.205 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div