← België

Arrest 198241 - Tucht (openbaar ambt) - 26/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.241 Rolnummer: A. 162261/XII-5737 Zaak: Arrest 198241 - Tucht (openbaar ambt) - 26/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-04 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:56 Fiche Arrest nr 198.241 van 26 november 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 198.241 van 26 november 2009 in de zaak A. 162.261/XII-

  1. In zake : Jack GAYSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Defreyne kantoor houdend te Izegem Papestraat 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
  2. het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN DE STAD ROESELARE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Coppens kantoor houdende te Roeselare Westlaan 358 bij wie woonplaats wordt gekozen
  3. de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdende te Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 4 mei 2005, strekt tot de nietigverklaring van: - het besluit van 22 september 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (hierna “OCMW”) van Roeselare, waarbij Jack Gayse bij tuchtmaatregel met ingang van 5 juli 2004 van ambtswege wordt ontslagen; - het besluit van 15 maart 2005 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, waarbij het hoger beroep van Jack Gayse tegen het besluit van 2 december 2004 van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen, houdende de goedkeuring van het voormelde tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Roeselare, niet wordt ingewilligd. XII-5737-1/32 II. Verloop van de rechtspleging
  5. Bij arrest nr. 151.211 van 14 november 2005 wordt de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten verworpen. Verzoeker heeft de voortzetting van de procedure gevraagd. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Bart Weekers heeft een verslag opgemaakt. Verzoeker en de verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 mei
  6. De zaak is verder in behandeling genomen op de zitting van 22 september
  7. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Defreyne, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Alain Coppens, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en advocaat Pieter-Jan Staelens, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Bart Weekers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. III. Feiten 3.
  9. Verzoeker staat als directeur aan het hoofd van de sociale dienst van het OCMW van Roeselare. XII-5737-2/32 3.
  10. Op 11 mei 2004 stelt de secretaris van het OCMW ten laste van verzoeker een tuchtverslag op, waarin hij hem verscheidene financiële onregelmatig-heden op de sociale dienst ten laste legt. De secretaris vermeldt in dat verslag dat hij eind november 2001 op de hoogte is gebracht van “al dan niet onwettige geldtransacties” binnen de sociale dienst, dat hij een intern onderzoek heeft opgestart waarvan de resultaten in aanwezigheid van verzoeker werden voorgesteld op een vergadering van 15 januari 2002, dat vervolgens door het OCMW een klacht werd neergelegd bij de procureur des Konings te Kortrijk, welke aanleiding heeft gegeven tot een opsporings- onderzoek, dat verzoeker op 11 maart 2004 is gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, dat aan de procureur-generaal inmiddels machtiging werd gevraagd om het strafdossier aan te wenden in een tuchtprocedure, dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten worden geput uit het strafdossier. De secretaris stelt dat uit de resultaten van het intern onderzoek en het opsporingsonderzoek het volgende is gebleken : “De heer Gayse zou de zwarte kas hebben gestart en beheerd. Over de periode van 20 november 1997 tot en met 5 februari 2002 zou er minstens 1.133.340 BEF in de zwarte kas zijn terecht gekomen. Dit geld zou op systematische wijze in de zwarte kas terecht gekomen zijn via een 6-tal geldstromen, het zou meer bepaald gaan om gelden inzake overleden steuntrekkers, afgeschreven steuntrekkers of uitgewezen politieke vluchtelingen, huurwaarborgen, verwarmingskosten, artikel 60 § 7 OCMW-wet en treinticketten. De heer Gayse zou zich trouwens schuldig hebben gemaakt aan valse verklaringen en valsheid in geschrifte. De heer Gayse zou tevens in het bezit zijn geweest van 2 toestellen die waren aangekocht met gelden van de zwarte kas (cfr. PV nr. 1349/2003, stuk 3)”. Na een nadere uiteenzetting van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten, besluit de secretaris dat deze feiten als tuchtfeiten kunnen worden gekwalificeerd. Hij stelt aan de raad voor maatschappelijk welzijn voor om verzoeker voor de ten laste gelegde feiten die hij heeft bekend, bij tuchtmaatregel van ambtswege te ontslaan. 3.
  11. Met een aangetekende brief van 13 mei 2004, die verzoeker een dag later in ontvangst neemt, wordt hij uitgenodigd om op 2 juni 2004 door de raad voor maatschappelijk welzijn over deze feiten te worden gehoord. XII-5737-3/32 3.
  12. Met een brief van 18 mei 2004 deelt de raadsman van verzoeker mee dat zijn cliënt verzaakt aan de mogelijkheid getuigen te laten verhoren, mits hem op de hoorzitting wordt toegestaan vragen te stellen over het tuchtverslag. 3.
  13. Op 19 mei 2004 neemt de raadsman inzage van het tuchtdossier. 3.
  14. Op 2 juni 2004 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn tegen verzoeker een tuchtprocedure in te leiden. Tijdens dezelfde vergadering wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, door de raad voor maatschappelijk welzijn gehoord. Verzoeker legt besluiten neer. Van het verhoor wordt een proces-verbaal opgesteld, dat verzoeker voor goedkeuring ondertekent. 3.
  15. Op 30 juni 2004 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn verzoeker met ingang van 5 juli 2004 bij tuchtmaatregel af te zetten. 3.
  16. Het college van burgemeester en schepenen verleent geen advies binnen de door de OCMW-wet voorgeschreven termijn. De deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van haar kant besluit op 2 september 2004 de aan verzoeker opgelegde tuchtmaatregel niet goed te keuren, daarbij inzonderheid steunend op de volgende overwegingen : “Overwegende [...] dat evenwel uit de bestreden beslissing niet afdoende blijkt waarom de tuchtoverheid de tuchtstraf van afzetting oplegde en dit terwijl betrokkene in zijn conclusies voor de raad voor maatschappelijk welzijn stelde dat een ontslag van ambtswege een te zware en te verregaande sanctie is en bovendien verzachtende omstandigheden had ingeroepen; Overwegende dat in het tuchtverslag door de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn een strafvoorstel wordt gedaan namelijk het ontslag van ambtswege en dat er bovendien in het administratief dossier geen stuk voorhanden is waaruit betrokkene kan afleiden waarom werd geopteerd voor een afzetting in plaats van een ontslag van ambtswege; dat bijgevolg het opleggen van de tuchtstraf afzetting tevens geen steun vindt in het administratief dossier; Overwegende dat bij de geheime stemming in de raadzitting van 30 juni 2004, 10 ja-stemmen werden bekomen voor afzetting en 3 ja-stemmen voor ontslag van ambtswege; Overwegende dat de feiten bijgevolg, alhoewel ze als ernstig kunnen worden bestempeld, geen dermate graad van ernst vertonen dat het meteen voor ieder redelijk denkend mens duidelijk is dat ze enkel met de tuchtstraf van afzetting konden worden bestraft; dat bijgevolg gemotiveerd diende te worden waarom een afzetting en geen ontslag van ambtswege werd opgelegd; Overwegende dat het besluit van 30 juni 2004 in strijd is met artikel 305, §3 van de nieuwe gemeentewet en tevens in strijd is met de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en aldus de wet heeft geschonden”. XII-5737-4/32 3.
  17. Met een brief van 7 september 2004 informeert de raadsman van verzoeker naar de intenties van het OCMW na de niet-goedkeuring van het tucht- besluit. Hij verzoekt er akte van te willen nemen dat, ingeval het bestuur zou overwegen een nieuw tuchtbesluit te nemen, zijn cliënt gehoord wenst te worden over het dossier en in het bijzonder ook over de tussen de raadszittingen van 2 en 30 juni 2004 afgenomen getuigenverklaringen in de tuchtdossiers van mede- beklaagden B. D. en H. V. 3.
  18. Op 22 september 2004 neemt de raad voor maatschappelijk welzijn akte van de niet-goedkeuring van zijn tuchtbesluit van 30 juni 2004 door de deputatie. De raad neemt tevens, zonder verzoeker of zijn raadsman nog te horen, een nieuw tuchtbesluit, waarbij verzoeker ditmaal met ingang van 5 juli 2004 van ambtswege wordt ontslagen. Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.
  19. Op 4 oktober 2004 verleent het college van burgemeester en schepenen een gunstig advies. De deputatie besluit op 2 december 2004 om het tuchtbesluit goed te keuren. 3.
  20. Verzoeker stelt tegen dit goedkeuringsbesluit hoger beroep in bij de Vlaamse minister die het binnenlands bestuur onder zijn bevoegdheid heeft. Nadat hij werd gehoord door een gemachtigde ambtenaar van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, besluit de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering op 15 maart 2005 om het beroep van verzoeker niet in te willigen. Deze beslissing maakt het tweede voorwerp uit van het voorliggend beroep. IV. De ontvankelijkheid van het beroep 4.
  21. De eerste verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat “men zich [kan] afvragen” of verzoeker, gelet op de strafrechtelijke veroordeling die hij voor de hem ten laste gelegde feiten inmiddels heeft opgelopen, wel over een wettig belang bij zijn beroep beschikt. Voorts “begrijpt [zij] ook niet” waarom verzoeker het goedkeuringsbesluit van 2 december 2004 van de deputatie niet XII-5737-5/32 aanvecht. Zij meent dat indien de Raad van State één van de bestreden akten zou “censureren”, dit goedkeuringsbesluit onverminderd zou blijven gelden. 4.
  22. Deze op het eerste gezicht vrijblijvende beschouwingen van de eerste verwerende partij, kunnen hoe dan ook niet worden bijgevallen. Vooreerst staat de tuchtvordering ten laste van verzoeker los van de strafvordering die tegen hem wordt gevoerd. Het loutere feit dat verzoeker inmiddels strafrechtelijk is veroordeeld voor de hem ten laste gelegde feiten, ontneemt hem niet het rechtens vereiste wettig belang om bij de Raad van State op te komen tegen de tuchtmaatregel die, weliswaar op grond van dezelfde feiten, ingrijpt in zijn ambtelijke rechtspositie en dus andere rechtsgevolgen heeft dan de strafrechtelijke veroordeling. Voorts zou een annulatieberoep van verzoeker tegen het goedkeuringsbesluit van 2 december 2004 van de deputatie zonder voorwerp zijn, vermits het bedoelde besluit door de devolutieve werking van het hoger beroep dat verzoeker bij de minister heeft ingediend, volledig is opgeslorpt door de wel bestreden beslissing van 15 maart 2005 van de minister tot verwerping van dat beroep. V. Onderzoek van de middelen
  23. In het inleidend verzoekschrift formuleert verzoeker elf grieven tegen het eerste bestreden besluit en twee grieven tegen het tweede bestreden besluit. Eerste middel tegen het tuchtbesluit
  24. Verzoeker voert in een eerste middel tegen het tuchtbesluit van 22 september 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn de schending aan van het recht van verdediging en de hoorplicht en van de artikelen 301 en 302 van de nieuwe gemeentewet, samen met artikel 300 van dezelfde wet welke verplicht tot samenstellen van een volledig tuchtdossier, doordat de raad voor maatschappelijk welzijn na het verhoor van verzoeker op 2 juni 2004 en vóór het opleggen van een tuchtmaatregel op 30 juni 2004 en vervolgens op 22 september 2004, nog kennis heeft genomen van een aantal gegevens die zijn oordeel over de tuchtvordering ten laste van verzoeker noodzakelijkerwijze hebben beïnvloed, zonder dat die gegevens ter kennis van verzoeker zijn gebracht en verzoeker daarover tegenspraak heeft kunnen voeren. Die gegevens betreffen vooreerst de verklaringen van B. D. en H. V. XII-5737-6/32 in het kader van de tuchtprocedure die ook tegen hen werd gevoerd, op grond van feiten die eveneens aan verzoeker ten laste zijn gelegd en in de strafprocedure samenhangend zijn behandeld, en voorts ook de verklaringen van de getuigen die in het kader van de voormelde tuchtprocedure werden opgeroepen. Verzoeker vreest dat voornoemde personeelsleden en hun getuigen de schuld voor de ten laste gelegde feiten maximaal in zijn richting hebben geschoven. Hij stelt dat hij de mogelijkheid moest hebben gehad om kennis te nemen van en te repliceren op de strafverzwarende elementen, maar ook op de gunstige zaken die door hen ter sprake zijn gebracht. Voorts stelt hij vast dat de tuchtoverheid in het tuchtbesluit akte neemt van het vonnis van 29 juni 2004 van de correctionele rechtbank te Kortrijk, waarbij hij strafrechtelijk werd veroordeeld. Hij betoogt dat hij op de hoorzitting van 2 juni 2004 uiteraard nog geen kennis had van dat vonnis, zodat hij zijn standpunt dienaangaande niet aan de tuchtoverheid kenbaar heeft kunnen maken. Verzoeker voert ten slotte aan dat hij na de niet-goedkeuring van het initiële tuchtbesluit van 30 juni 2004, op grond van artikel 299 van de nieuwe gemeentewet door de tuchtoverheid alleszins opnieuw had moeten worden gehoord over de feiten en de strafmaat; daarvoor verwijst hij naar het arrest nr. 51.701 van 21 februari 1995 van de Raad van State en naar punt III 4, van de omzendbrief BA-G-92/12 van 9 september 1992 van de gemeenschapsminister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden houdende toelichtingen inzake de toepassing van de wet van 24 mei 1991 tot wijziging van de nieuwe gemeentewet wat de tuchtregeling betreft en van het decreet van 24 juli 1991 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de handelingen betreffende tucht- en sommige ordemaatregelen genomen ten opzichte van het gemeentepersoneel bedoeld in de nieuwe gemeentewet. In de memorie van wederantwoord wijst verzoeker er nogmaals op dat de verklaringen die zijn afgelegd in de tuchtdossiers H.V. en B.D. verklaringen zijn die betrekking hebben op feiten waarvoor ook hijzelf strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld werd. B.D. werd vervolgd als mededader, zodat een getuigenverklaring in haar dossier noodzakelijk een verklaring moet zijn over feiten die hem worden verweten om ze samen met B.D. gepleegd te hebben. Een dergelijke getuigenverklaring betreft dus feiten waarvoor ook hij tuchtrechtelijk vervolgd werd; hij had er kennis van moeten krijgen en ze aan tegenspraak moeten kunnen onderwerpen. Voorts wijst hij er op dat de tuchtprocedure niet is hernomen waar zij eerst ontspoorde - namelijk vanaf de stemming over de bepaling van de strafmaat - maar wel bij de daar aan voorafgaande stemming over de vraag óf een XII-5737-7/32 tuchtsanctie moest worden opgelegd. De tuchtoverheid vermocht dat te doen, maar moest hem in dat geval blijkens artikel 299 van de nieuwe gemeentewet ook vooraf horen. Bij dit horen zou verzoeker belang hebben gehad, bij voorbeeld door in zijn verdediging de overschrijding van de redelijke termijn naar voren te brengen, wat een element is dat zich op 22 september 2004 anders laat beoordelen dan op 2 juni
  25. In zijn laatste memorie volhardt verzoeker er in dat gezien de tuchtoverheid, vooraleer de bestreden beslissing werd genomen, kennis heeft gekregen van verklaringen die betrekking hebben op feiten waarvoor verzoeker tuchtrechtelijk vervolgd werd, hij kennis ervan had moeten krijgen welke ook de inhoud ervan mogen zijn. Ter terechtzitting verwijst verzoeker naar het tuchtbesluit dat is genomen jegens H.V., dat hij ondertussen dan toch heeft kunnen inkijken. Er is in te lezen dat in de procedure lastens H.V. talrijke getuigen verklaren dat H.V. “onder een zware druk stond” van verzoeker, wat aantoont dat in die getuigenverklaringen sprake is van zijn aandeel bij de feiten. Verzoeker stelt vast dat H.V. uiteindelijk niet tuchtrechtelijk gestraft werd. Volgens hem is er dus een afweging gemaakt van ieders aandeel in het gebeuren op basis van getuigenverklaringen die niet in zijn dossier te vinden zijn. Beoordeling
  26. Geen rechtsregel verplicht het bestuur ertoe de tuchtvordering lastens verscheidene personeelsleden die zich schuldig hebben gemaakt aan feiten die door de strafrechter als samenhangend zouden zijn beschouwd, samen te voegen en gezamenlijk te behandelen. Voorts blijkt noch uit het bestreden tuchtbesluit, noch uit de stukken van het administratief dossier dat het bestreden tuchtbesluit rekening zou hebben gehouden met gegevens waarvan verzoeker ter gelegenheid van zijn verhoor door de tuchtoverheid op 2 juni 2004 nog geen kennis zou hebben gehad, te weten verklaringen die hetzij door personeelsleden, hetzij door opgeroepen getuigen in andere tuchtzaken zijn afgelegd. Vastgesteld wordt dat het tuchtbesluit van 22 september 2004 exact dezelfde feiten in aanmerking neemt als dat van 20 juni 2004, dat het daaromtrent een vrijwel identieke motivering bevat en dat het enkel XII-5737-8/32 wat de gewijzigde strafmaat betreft verschillend is gemotiveerd. De tuchtoverheid overweegt dat verzoeker “weliswaar geen individuele dossiers beheerde” maar dat hij “in zijn hoedanigheid van Directeur Sociale Dienst wel de zwarte kas heeft opgestart [en] de geldstromen [...] liet toepassen” en dat hij daarom “tuchtrechtelijk vervolgd wordt voor zijn verantwoordelijkheid, als hiërarchische overste, in voornoemde systemen”. Aldus maakt de tuchtoverheid effectief een afweging van verzoekers verantwoordelijkheid, die zij preponderant acht. De tuchtoverheid komt evenwel niet tot die afweging op grond van verklaringen van getuigen in de andere tuchtprocedure, maar op grond van, onder meer, de vaststelling dat verzoeker “in het intern onderzoek (zie verslagen naar aanleiding van de vergaderingen van 15 en 23 januari 2002 die de heer Jack Gayse heeft ondertekend) zelf verklaard [heeft] dat hij de zwarte kas heeft opgestart en fout bekend in de dossiers artikel 60 § 7”; zij houdt ook rekening met de verklaring van verzoeker : “Met uitzondering van het fraudesysteem van de treinticketten, heb ik de andere systemen laten toepassen” en zij wijst op het gegeven dat verzoeker leiding geeft aan het voltallig personeelsbestand van de sociale dienst. In het bestreden tuchtbesluit wordt uitdrukkelijk overwogen dat de gevoerde tuchtprocedure enkel verzoeker betreft en dat er geen beïnvloeding is vanwege andere tuchtprocedures. Verzoeker overtuigt de Raad van State niet om het tegendeel aan te nemen. Het bestreden tuchtbesluit vermeldt dat akte werd genomen van het vonnis van 29 juni 2004 van de correctionele rechtbank te Kortrijk. De tucht- overheid is er echter niet toe gehouden haar beslissing uit te stellen totdat de uitspraak van de strafrechter definitief is geworden. Nergens blijkt dat het bestreden tuchtbesluit op dat vonnis zou zijn gesteund. Het tuchtbesluit komt op grond van een eigen redengeving, hoofdzakelijk gebaseerd op de verklaringen die verzoeker in het kader van het opsporingsonderzoek heeft afgelegd, tot de conclusie dat de aan verzoeker ten laste gelegde feiten bewezen zijn. Overigens heeft het Hof van Cassatie bij arrest van 19 december 2006 het cassatieverzoek tegen de strafrechtelijke veroordeling van verzoeker verworpen. Het antwoord op de vraag of de tuchtoverheid na de niet- goedkeuring van het initiële tuchtbesluit verplicht is om het betrokken personeelslid opnieuw te horen, hangt in principe af van het motief dat tot de niet-goedkeuring heeft geleid. Zij kan de tuchtprocedure hernemen vanaf het punt waarop ze, volgens het niet-goedkeuringsmotief, is ontspoord. In de voorliggende zaak betrof dat motief, blijkens het besluit van 2 september 2004 van de deputatie van de XII-5737-9/32 provincieraad van West-Vlaanderen, enkel de ontoereikende motivering van de tuchtstraf van de afzetting. Het niet-goedkeuringsbesluit stond er derhalve niet aan in de weg dat de tuchtoverheid de tuchtprocedure ten laste van verzoeker hernam vanaf de beraadslaging -inclusief de vraag of op grond van de vastgestelde tuchtfeiten een tuchtsanctie zou worden opgelegd- zonder verzoeker opnieuw te horen. De verwijzing naar het arrest nr. 51.701 van 21 februari 1995 inzake Tierenteyn-Pauwels is in de huidige zaak niet dienstig, omdat in de bedoelde zaak de minister in het niet-goedkeuringsbesluit “van oordeel was dat sommige door de gemeenteraad in aanmerking genomen feiten niet als voldoende bewezen voorkwamen”, dat de schending van het evenredigheidsbeginsel daarom “moet worden gelezen in die zin dat de opgelegde tuchtsanctie van ontslag van ambtswege niet evenredig was met de feiten welke de gemeenteraad voor bewezen had kunnen houden” zodat de vastgestelde onregelmatigheid “zich situeerde, of zoals geheten ‘ontspoord’ was, bij het vaststellen van het bestaan van de feiten zelf en niet alleen bij het afwegen van de strafmaat ten opzichte van die feiten”. Punt III, 4, van de omzendbrief BA-G-92/12 van 9 september 1992 van de gemeenschapsminister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden, waarnaar verzoeker ook verwijst, luidt : “Wanneer de tuchtprocedure, na niet-goedkeuring door de beroepsinstantie wordt hernomen, betekent de bepaling van het artikel 305, § 2, van de nieuwe gemeentewet omtrent de samenstelling van de tuchtoverheid met het oog op het onderzoek, de beraadslaging en de stemming over de op te leggen straf, niet dat het tuchtcollege dat opnieuw de zaak herneemt, dezelfde samenstelling hoeft te hebben als de eerste maal. Vermits voor het treffen van het nieuwe besluit alle procedurewaarborgen opnieuw moeten in acht genomen worden, volstaat het dat de samenstelling van het tuchtorgaan dezelfde blijft vanaf het moment waarop de nieuwe procedure wordt gestart, dus vanaf het opnieuw oproepen van de betrokkene om voor de tuchtrechtelijke overheid te verschijnen. Hieruit vloeit uiteraard voort dat de betrokkene opnieuw moet gehoord worden. Het is wel zo dat enkel geldig kan gestemd worden door de leden van de tuchtoverheid die de volledige hoorzitting hebben bijgewoond”. De betrokken passage van de omzendbrief viseert in de eerste plaats de gevallen waar om de hiervoor vermelde reden het betrokken personeelslid opnieuw gehoord moet worden: wat dat betreft stelt de minister dat de samenstelling niet dezelfde hoeft te zijn als toen de niet-goedgekeurde beslissing werd genomen, maar preciseert hij, in overeenstemming met de geldende beginselen van het tuchtrecht, dat enkel degenen die de volledige hoorzitting hebben bijgewoond aan de besluitvorming kunnen deelnemen. Wanneer uit het niet-goedkeuringsbesluit niet volgt dat de tuchtoverheid de betrokkene opnieuw dient te horen, vereisen dezelfde XII-5737-10/32 beginselen dat het tuchtcollege enkel een nieuwe beslissing kan nemen ingeval het uitsluitend samengesteld is uit personen die de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar gehoord hebben vooraleer de niet-goedkeurde beslissing genomen werd. In de tweede plaats kan de omzendbrief geacht worden het geval te viseren waar het tuchtcollege niet in dezelfde samenstelling bijeen kan komen, bijvoorbeeld na een verkiezing: in die hypothese moet de betrokken ambtenaar opnieuw worden gehoord omdat anders aan de besluitvorming personen zouden deelnemen die zijn verdediging niet hebben aanhoord. Ter zake blijkt niet dat de raad voor maatschappelijk welzijn die het bestreden besluit van 22 september 2004 heeft genomen anders was samengesteld dan die welke het door de deputatie niet goedgekeurde tuchtbesluit van 30 juni 2004 heeft genomen. Uit wat voorafgaat volgt dat het eerste middel in geen van zijn aspecten gegrond is. Tweede middel tegen het tuchtbesluit
  27. In een tweede middel voert verzoeker onregelmatigheid aan bij de stemming, alsook een schending van het onpartijdigheidsbeginsel. Hij doet gelden dat de tuchtoverheid een aantal van de hem ten laste gelegde feiten bewezen acht en andere dan weer niet, maar dat uit het bestreden tuchtbesluit niet blijkt dat daarover is gestemd op de wijze voorgeschreven door artikel 33 van de OCMW-wet. Hij betoogt voorts dat het onpartijdigheidsvereiste manifest is geschonden, doordat aan de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn de mogelijkheid is onthouden om hem de tuchtsanctie van inhouding van wedde op te leggen, nu de stembiljetten geen melding maakten van deze tuchtsanctie. Volgens verzoeker kan de niet-vermelding van deze mogelijke tuchtsanctie daarenboven een gewilde vergetelheid geweest zijn, aangezien de secretaris van het OCMW na de niet- goedkeuring van het initiële tuchtbesluit en voordat het thans bestreden tuchtbesluit werd genomen, tegen de pers heeft verklaard dat “we zullen zoeken naar een uitweg waarbij [verzoeker] niet kan terugkeren naar het OCMW”. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker er nog aan toe dat een stemming maar afdoende is, wanneer de verschillende alternatieven afgewogen worden, wat te dezen niet is gebeurd. Uit de motivering van het tuchtbesluit kan helemaal niet worden afgeleid dat de tuchtoverheid bij de stemming op de hoogte was van de mogelijkheid om ook inhouding van wedde op te leggen XII-5737-11/32 als sanctie. Verzoeker is van oordeel dat aldus artikel 283 van de nieuwe gemeentewet is geschonden, omdat één wettelijk voorziene sanctie niet aan het oordeel van de raadsleden werd onderworpen. Beoordeling
  28. Artikel 33 van de OCMW-wet regelt de wijze waarop de raad voor maatschappelijk welzijn beslissingen neemt, namelijk bij volstrekte meerderheid van stemmen, bij geheime stemming als het over personen gaat, zonder rekening te houden met onthoudingen, blanco of nietige stembiljetten. Het verplicht de tuchtoverheid niet tot een afzonderlijke stemming over het al dan niet bewezen zijn van de aan het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid ten laste gelegde feiten. Een andere zaak is, dat uit de formele motivering van het tuchtbesluit wel moet blijken welke van de ten laste gelegde feiten door de tucht- overheid bewezen worden geacht en als tuchtfeiten in aanmerking worden genomen. Te dezen is dat echter genoegzaam het geval. Uit de omstandigheid dat de raad voor maatschappelijk welzijn op grond van de veruitwendigde motieven van het tucht- besluit uiteindelijk met volstrekte meerderheid van de stemmen beslist om verzoeker voor de in aanmerking genomen tuchtfeiten een tuchtsanctie op te leggen, blijkt impliciet, maar zeker, dat de raad de desbetreffende motieven, met inbegrip van deze betreffende het al dan niet bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten, daadwerkelijk tot de zijne maakt. Uit de motivering van het bestreden tuchtbesluit blijkt voorts dat de raad voor maatschappelijk welzijn van oordeel is dat verzoeker definitief onwaardig is zijn ambt verder uit te oefenen en “dat zich derhalve een maximale bestraffing opdringt”. Luidens artikel 283 van de nieuwe gemeentewet, dat krachtens artikel 52 van de OCMW-wet ook van toepassing is op de vast benoemde personeelsleden van het OCMW, zijn de “maximumstraffen” het ontslag van ambtswege en de afzetting. Ten overvloede bedenkt de Raad van State dat van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn mag worden verwacht dat zij de mogelijk op te leggen straffen kennen, minstens dat zij voorbehoud zouden maken of zich bij de stemming zouden onthouden indien zij geen geschikte straf op het stembiljet vermeld zien. In deze zaak echter heeft een absolute meerderheid van de leden zonder enig voorbehoud gestemd voor een maximumstraf, zijnde het ontslag van ambtswege, als op te leggen tuchtsanctie. De OCMW-raad heeft hiermee XII-5737-12/32 bovendien te verstaan gegeven dat de “terugzetting in graad” en de “schorsing”, welke nog als zwaardere straffen gekwalificeerd worden dan de “inhouding van wedde”, niet aangepast waren. Gelet op de duidelijke intentie van de raad om verzoeker een maximumstraf op te leggen, kan niet worden ingezien hoe verzoeker in zijn belangen zou zijn geschaad, doordat op de stembiljetten voor de leden van de raad geen melding werd gemaakt van de straf “inhouding van wedde”. De verklaringen die de secretaris aan de pers zou hebben afgelegd, laten als zodanig niet toe te besluiten dat de inhouding van wedde gewild niet op de stembiljetten werd vermeld. Het tweede middel is evenmin gegrond. Derde middel tegen het tuchtbesluit
  29. In een derde middel voert verzoeker aan dat de opgelegde tuchtsanctie onwettig is wegens “de terugwerkende kracht en schending van de formele motiveringswet, inbreuk op het beginsel ‘non bis in idem’”. Verzoeker betoogt dat de niet-goedkeuring van een besluit van een onder toezicht staand bestuur door de toezichthoudende overheid enkel voor de toekomst geldt en niet ex tunc werkt, zoals een vernietiging, dat in het geval van niet-goedkeuring van een besluit door de toezichthoudende overheid, het onder toezicht staande bestuur aan een nieuwe beslissing slechts terugwerkende kracht kan verlenen wanneer ze het niet-goedgekeurde besluit intrekt, dat in de huidige zaak het tuchtbesluit van 30 juni 2004 niet is ingetrokken. Verzoeker leidt daaruit af dat het thans bestreden tuchtbesluit niet kan terugwerken voor de periode van 5 juli 2004 -de datum waarop luidens het niet- goedgekeurde initiële tuchtbesluit de opgelegde afzetting zou ingaan- tot 2 septem- ber 2004 -de datum van de niet-goedkeuring van het initiële tuchtbesluit door de deputatie-, omdat voor die periode het niet-goedgekeurde tuchtbesluit niet uit het rechtsverkeer is verdwenen, doch ook niet tot de periode van 2 september 2004 tot 22 september 2004 -de datum van het nieuwe tuchtbesluit- omdat daarvoor geen enkel motief in het bestreden besluit is opgenomen. XII-5737-13/32 Volgens verzoeker golden ingevolge de terugwerking van het bestreden tuchtbesluit tijdens de periode van 5 juli 2004 tot 2 september 2004 voor hem twee tuchtsancties, wat tevens een schending betekent van het beginsel non bis in idem. In de memorie van wederantwoord en de laatste memorie volhardt verzoeker. Hij betoogt dat de afzetting van 30 juni 2004 (eerste tuchtsanctie, die niet goedgekeurd werd) bestaat als rechtshandeling tussen 30 juni 2004 en 2 september 2004 (ook al mag ze niet worden uitgevoerd). Vanaf 5 juli 2004 bestaat het ontslag van ambtswege als rechtshandeling, door de bestreden beslissing van 22 september
  30. Men mag een niet-goedkeuring volgens verzoeker niet dezelfde rechtskracht geven (terugwerkende kracht) als een vernietiging. Tussen 5 juli 2004 en 2 september 2004 bestaan er dus twee rechtshandelingen, die niet uit het rechtsverkeer gehaald zijn, die aan verzoeker een tuchtsanctie opleggen. Beoordeling
  31. Het tuchtbesluit van 30 juni 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn waarbij verzoeker met ingang van 5 juli 2004 bij tuchtmaatregel werd afgezet, werd op 2 september 2004 door de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen niet goedgekeurd op grond van formele redenen, namelijk het ontbreken van een formele verantwoording voor de opgelegde tuchtmaatregel van de afzetting. Nu zij de tuchtprocedure met gepaste spoed heeft hernomen, kan dat formele gebrek door de tuchtoverheid na het niet- goedkeuringsbesluit worden rechtgezet. Vermits geen verkregen rechtssituaties in het gedrang komen en billijkheids- noch rechtmatigheidsbezwaren eraan in de weg staan, mag aan die rechtzetting terugwerkende kracht worden verleend. De terugwerking van het thans bestreden tuchtbesluit brengt voorts geen schending van het beginsel non bis in idem teweeg. Ingevolge zijn niet- goedkeuring heeft het initiële tuchtbesluit immers geen definitieve uitvoerbare kracht verkregen en heeft het zijn materiële rechtskracht geheel verloren. Het leidt nog een louter formeel bestaan, maar heeft geen uitwerking meer. Derhalve is het niet zo dat verzoeker ingevolge de terugwerking van het bestreden tuchtbesluit, tijdens de periode van 5 juli 2004 tot 2 september 2004 een dubbele tuchtmaatregel voor dezelfde feiten heeft moeten ondergaan. XII-5737-14/32 Het derde middel is ongegrond. Vierde middel tegen het tuchtbesluit
  32. Verzoeker voert in een vierde middel aan dat “zekere ten laste gelegde en gegrond verklaarde feiten” verjaard zijn. Hij betoogt dat hij niet strafrechtelijk is vervolgd voor de volgende feiten die hem wel tuchtrechtelijk ten laste zijn gelegd : “- (op)starten van de zgn. zwarte kas; - ‘baas zijn over de zgn. zwarte kas’; - beslissingen in handen hebben inzake de aankopen met de zgn. zwarte kas; - afleggen van een verkeerde verklaring op de vergadering van 15 januari 2002 en het daaraan corresponderende verslag; - aankoop met gelden van de zwarte kas van een fototoestel en dicteerapparaat”. Volgens verzoeker had de tuchtoverheid reeds meer dan zes maanden voor het opstarten van de tuchtprocedure kennis van deze feiten, zodat ze verjaard zijn. Hij stelt vast dat noch de tuchtoverheid, noch de toezichthoudende minister ambtshalve de verjaring van de tuchtfeiten heeft onderzocht en hij onderkent hierin een schending van de formele-motiveringswet. In de memorie van wederantwoord merkt hij nog op dat er ten aanzien van “het opstarten van een zwarte kas” geen strafrechtelijke vervolging was én dat dit feit de tuchtoverheid bekend was sedert 23 januari 2002, dat hij enkel werd vervolgd voor zijn aandeel in het deponeren van gelden in de zwarte kas hetgeen een afzonderlijk tuchtfeit uitmaakt, zodat de eerstgenoemde tenlastelegging tuchtrechtelijk verjaard was. Artikel 317 van de nieuwe gemeentewet moet restrictief worden uitgelegd, aldus verzoeker, en laat zich niet zo lezen dat de verjaringstermijn omtrent feiten die blijken uit de bevindingen van een strafdossier doch waaromtrent geen strafrechtelijke vervolging gebeurt pas aanvangen nadat een definitieve uitspraak is gebeurd over de strafvervolging inzake andere feiten. Beoordeling
  33. Artikel 317, eerste en tweede lid, van de nieuwe gemeentewet bepalen : XII-5737-15/32 “De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten. In geval van strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten, begint deze termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een onherroepelijke beslissing uitgesproken is of dat de strafrechtelijke procedure niet voortgezet wordt”.
  34. Met een aangetekende brief van 19 februari 2002 heeft het OCMW van Roeselare de procureur des Konings te Kortrijk verzocht een onderzoek in te stellen naar de financiële transacties op de sociale dienst van het OCMW, teneinde klaarheid te brengen in dit dossier. Het blijkt niet en verzoeker toont niet aan dat de tuchtoverheid op dat moment al meer dan zes maanden voordien kennis had van de hem ten laste gelegde tuchtfeiten of deze feiten had vastgesteld waardoor ze op dat ogenblik al tuchtrechtelijk verjaard geweest zouden zijn overeenkomstig het voorschrift van artikel 317, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet. Alle aan verzoeker ten laste gelegde tuchtfeiten zijn geput uit de bevindingen van het gevraagde strafrechtelijk onderzoek. De omstandigheid dat sommige aan verzoeker ten laste gelegde tuchtfeiten, zoals degene die door verzoeker worden aangewezen, niet als zodanig strafrechtelijk zijn gekwalificeerd en vervolgd, neemt niet weg dat ze uit de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek werden afgeleid, zoals blijkt uit het tuchtverslag van de secretaris, nadat de procureur-generaal op 27 april 2004 machtiging had verleend om het strafdossier in te zien, zodat ten aanzien van deze feiten, overeenkomstig het aangehaalde artikel 317, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet, de verjaringstermijn ten vroegste op dat ogenblik is aangevangen. Aangezien er te rekenen vanaf die datum geen bezwaar rijst omtrent de verjaring van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten, kan aan de tuchtoverheid en de toezichthoudende minister niet worden verweten dat zij in hun respectieve bestreden besluiten daarvan niet expliciet melding hebben gemaakt. Te dezen is er dan ook geen sprake van een schending van de formele motiveringsplicht. Het vierde middel is evenmin gegrond. XII-5737-16/32 Vijfde middel tegen het tuchtbesluit
  35. Verzoeker put een vijfde middel uit een “[i]nbreuk op de zorgvuldigheidsnorm”. Hij zet uiteen dat de tuchtoverheid geen blijk geeft van de vereiste omzichtigheid wanneer zij hem bij tuchtmaatregel van ambtswege ontslaat zonder het definitieve oordeel van de strafrechter af te wachten, alsook wanneer zij wel akte neemt van het vonnis waarbij hij strafrechtelijk wordt veroordeeld, maar dat vonnis niet in het tuchtdossier opneemt, noch er verzoekers standpunt over vraagt. Verzoeker wijst erop dat het oordeel van de strafrechter bindend zal zijn voor de tuchtoverheid, dat wanneer de strafrechter de bewijsmiddelen nietig zal bevinden dit ook gevolgen heeft voor het tuchtdossier dat geen andere stukken bevat dan deze van het strafdossier, dat de kans op een vrijspraak door de strafrechter reëel is, dat hij dan ook tuchtrechtelijk moet worden vrijgesproken. Verzoeker stelt dat uit het bestreden tuchtbesluit niet blijkt waarom het oordeel van de strafrechter niet wordt afgewacht. Volgens hem betreft de motivering van het bestreden tuchtbesluit dienaangaande louter stijlformules. Beoordeling
  36. In het bestreden tuchtbesluit overweegt de tuchtoverheid : “Overwegende dat het bestuur akte heeft genomen van het vonnis van de Correctionele Rechtbank van Kortrijk, achtste kamer, dd. 29 juni 2004, in de zaak met not. nr. KO20.99.114-02; Overwegende dat het tuchtrecht uitsluitend tekortkomingen aan de beroepsplichten als ambtenaar, handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen of overtredingen van een cumulverbod bestraft (artikel 51 OCMW-wet, juncto artikel 282 Nieuwe Gemeentewet); Overwegende dat de tuchtoverheid niet verplicht is haar beslissing uit te stellen tot de strafrechter uitspraak heeft gedaan en het vonnis of arrest definitief is geworden; Overwegende dat de ernst van de vergrijpen eraan in de weg staat dat langer getalmd wordt met een tuchtrechtelijke beslissing. De tuchtrechtelijke overheid heeft, zodra toelating tot kennisneming werd verleend in het strafdossier met not.-nr. KO.20.99.000114/2002, het nodige gedaan om haar inzagerecht uit te oefenen en, gezien de zwaarwichtige inhoud ervan, een tuchtzaak in te stellen; Overwegende dat in het andere geval de tuchtoverheid verweten zou kunnen worden de redelijke termijn in tuchtzaken niet te respecteren, zeker nu zij sinds het intern onderzoek van de Secretaris weet van financiële malversaties binnen XII-5737-17/32 de Sociale Dienst zonder evenwel de individuele verantwoordelijkheid van de betrokkenen te kunnen vastleggen; Overwegende dat op het bestuur trouwens de verplichting rust om een tuchtzaak met bekwame spoed af te handelen en dat dit een op zichzelf staande verplichting is, waarbij het bestuur zich niet mag laten leiden door de ijver waarmee de betrokken ambtenaar zelf zijn zaak benaarstigt; Overwegende trouwens dat ons bestuur hier geen uitspraak doet over het feit of de heer Jack Gayse zich al dan niet schuldig maakt aan een misdrijf, daar enkel de strafrechter daartoe de bevoegdheid heeft; Overwegende dat ons bestuur enkel beslist of de betrokkene al dan niet een tuchtfout heeft begaan”.
  37. Uit de hiervoor geschetste actualisering van het dossier is gebleken dat het argument dat de kans op een vrijspraak door de strafrechter reëel noemt, achterhaald is door het arrest van het Hof van Cassatie. De tuchtvordering en de strafvordering zijn voorts in principe onafhankelijk van elkaar. De tuchtoverheid kan dan ook over de tuchtvordering uitspraak doen zonder de definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten. Meer nog, zo heeft de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen in zijn arrest Darville, nr. 190.728 van 20 februari 2009 over een aan artikel 317 van de nieuwe gemeentewet analoge bepaling van het Waals wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie, “dat de tuchtoverheid op grond van deze bepaling de tuchtrechtelijke vervolging kan uitstellen tot na de afloop van de strafrechtelijke procedure, maar er niet toe verplicht is; dat de tuchtoverheid die, wanneer deze het opportuun acht, gebruik maakt van de mogelijkheid om pas een tuchtrechtelijke vervolging in te stellen na afloop van de strafrechtelijke procedure, dient te letten op het beginsel van de redelijke termijn; dat zij de tuchtrechtelijke vervolging alleen mag uitstellen wanneer zij op grondslag van de onderzoeks-middelen waarover zij beschikt geen beoordeling kan geven van de feiten die het personeelslid ten laste worden gelegd; dat zij een personeelslid dat een tuchtmaatregel riskeert niet te lang in onzekerheid mag laten verkeren aangaande zijn lot; dat de verplichting om het dossier van het personeelslid met bekwame spoed te behandelen, de tuchtoverheid noodzaakt om het administratieve onderzoek zo grondig mogelijk te voeren, zodanig dat zij zich ervan kan vergewissen dat het in voorkomend geval voor haar in redelijkheid onmogelijk is om uitspraak te doen voordat de strafrechter een definitieve beslissing genomen heeft”. XII-5737-18/32 Wel is het zo dat wanneer de strafrechter uiteindelijk vaststelt dat de strafrechtelijk vervolgde feiten, die ook aan de basis liggen van de tuchtvordering, niet bewezen zijn, ook de inmiddels op grond van deze feiten uitgesproken tuchtstraf daardoor wordt aangetast en door de tuchtoverheid weer dient te worden ingetrokken. Een uitspraak over de tuchtvordering voorafgaand aan een definitieve uitspraak over de strafvordering gebeurt dus niet zonder risico voor de tuchtoverheid, maar deze oordeelt discretionair of ze dat risico kan of -mede gelet op de redelijke termijneis- moet nemen. De aangehaalde overwegingen van het tuchtbesluit zijn pertinent en kunnen een uitspraak over de tuchtvordering vooraleer de strafvordering definitief haar beslag had gekregen, voorzeker afdoende verantwoorden. Het vijfde middel is evenmin gegrond. Zesde middel tegen het tuchtbesluit
  38. Verzoeker voert in een zesde middel de schending aan van de artikelen 301 en 302 van de nieuwe gemeentewet inzake de inzagetermijn. Hij laat vooreerst gelden dat het tuchtdossier geen twaalf werkdagen voor de hoorzitting te zijner inzage heeft gelegen. Hij zet uiteen dat de oproeping voor de hoorzitting op donderdag 13 mei 2004 ter post aangetekend werd verzonden, dat hij die oproeping op 14 mei 2004 heeft ontvangen, dat op de zaterdagen 15 en 22 mei 2004 het tuchtdossier niet ter inzage heeft gelegen, evenmin als op donderdag 20 mei 2004 (O.L.H. Hemelvaart), vrijdag 21 mei 2004 (brugdag) en maandag 31 mei 2004 (tweede pinksterdag). Het feit dat zijn raadsman het dossier één keer is komen inzien is volgens hem niet relevant, omdat hij nu eenmaal over twaalf dagen moet kunnen beschikken om zijn dossier in te zien en zijn verweer voor te bereiden. Voorts betoogt verzoeker dat de oproepingsbrief voor het verhoor geen melding maakt van de feiten die hem in concreto ten laste worden gelegd, dat de verwijzing in de oproepingsbrief naar het tuchtverslag van de secretaris geen duidelijkheid biedt over de feiten waarvoor hij zich diende te verdedigen. XII-5737-19/32 Beoordeling
  39. Artikel 301 van de nieuwe gemeentewet luidt : “Ten minste twaalf werkdagen vóór zijn verschijning wordt de betrokkene opgeroepen voor de hoorzitting, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door afgifte van de oproepingsbrief tegen ontvangstbewijs. De oproeping dient melding te maken van: 1/ al de ten laste gelegde feiten; 2/ het feit dat een tuchtstraf wordt overwogen en dat een tuchtdossier is aangelegd; 3/ plaats, dag en uur van de hoorzitting; 4/ het recht van de betrokkene zich te laten bijstaan door een verdediger van zijn keuze; 5/ de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier kan worden ingezien; 6/ het recht van de betrokkene de openbaarheid van de hoorzitting te vragen, indien hij voor de gemeenteraad dient te verschijnen; 7/ het recht om het horen van getuigen te vragen alsmede de openbaarheid van dat verhoor”. De voorgeschreven oproepingstermijn van twaalf werkdagen moet het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid toelaten de hoorzitting voor te bereiden, een beroep te doen op een verdediger en het tuchtdossier in te zien.
  40. Artikel 302 van de nieuwe gemeentewet bepaalt : “Vanaf de oproeping om voor de tuchtoverheid te verschijnen tot en met de dag vóór de dag van verschijning kunnen de betrokkene en zijn verdediger het tuchtdossier raadplegen en desgewenst de verdedigingsmiddelen schriftelijk mededelen aan de tuchtoverheid”.
  41. In deze zaak werd aan de door artikel 301, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet voorgeschreven termijn van twaalf werkdagen voldaan. De oproepingsbrief werd op 13 mei 2004 ter post aangetekend naar verzoeker gezonden. Hij heeft die brief, naar eigen zeggen, op 14 mei 2004 ontvangen. Pas op 2 juni 2004 had de hoorzitting plaats. In acht genomen dat, bij gebrek aan enige aanwijzing in een andere zin, het begrip werkdag in artikel 301, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet, even zo goed als in artikel 307 van de nieuwe gemeentewet, moet worden begrepen in zijn gebruikelijke betekenis, dit wil zeggen elke dag van de week, met uitzondering van de zon- en feestdagen, heeft verzoeker tussen 14 mei 2004 en 2 juni 2004 over méér dan twaalf vrije werkdagen beschikt om de hoorzitting voor te bereiden, een beroep te doen op een verdediger en het tuchtdossier in te zien. XII-5737-20/32 Artikel 302 van de nieuwe gemeentewet vergt niet dat het tuchtdossier tijdens de oproepingstermijn ononderbroken ter inzage ligt. In casu kon het tuchtdossier worden ingezien tijdens de kantooruren, wat ter eerbiediging van verzoekers rechten van verdediging volstond. Overigens heeft de raadsman van verzoeker van deze mogelijkheid tot inzage van het tuchtdossier gebruik gemaakt. Voorts konden de oproepingsbrief en het daarbij gevoegde tucht- verslag van de secretaris, in tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, bij betrokkene geen enkele twijfel of misverstand doen ontstaan over de feiten waarvoor hij zich tuchtrechtelijk diende te verantwoorden. Het zesde middel mist feitelijke grondslag. Zevende middel tegen het tuchtbesluit
  42. In een zevende middel voert verzoeker de schending aan van het onpartijdigheidsvereiste. Volgens verzoeker kon de eerste verwerende partij niet meer onpartijdig over zijn tuchtzaak oordelen, aangezien zij op 1 juni 2004 bij de correctionele rechtbank een nota heeft neergelegd waarin zij overweegt dat de feiten ten laste van verzoeker bewezen zijn. Verzoeker betoogt dat uit deze burgerlijke partijstelling blijkt dat de tuchtoverheid zich reeds een oordeel had gevormd over zijn tuchtzaak alvorens hem te horen, dat de tuchtoverheid dienvolgens niet meer onpartijdig over zijn tuchtzaak kon oordelen, dat de tuchtoverheid minstens haar tuchtoordeel had moeten opschorten totdat de strafrechter definitief uitspraak heeft gedaan over de vordering van het OCMW. Verzoeker wijst erop dat de raad voor maatschappelijk welzijn alzo in twee gerechtelijke procedures tegen hem optreedt en er dan ook belang bij kon hebben dat hij tuchtrechtelijk werd veroordeeld. Beoordeling
  43. Door zich tegen verzoeker burgerlijke partij te stellen bij de strafrechter, beoogde het OCMW slechts zijn belangen veilig te stellen. Uit een dergelijke bewarende maatregel kan bezwaarlijk een vooringenomenheid of XII-5737-21/32 partijdigheid van de tuchtoverheid in verzoekers tuchtzaak worden afgeleid. Anders oordelen, zou de uitoefening van de tuchtbevoegdheid door het bestuur na een burgerlijke partijstelling geheel onmogelijk maken, aangezien de beslissings- bevoegdheid in beide aangelegenheden aan dezelfde organen toebehoort, namelijk aan de raad voor maatschappelijk welzijn, desgevallend aan het vast bureau. Het valt niet in te zien hoe het afwachten van de uitspraak van de strafrechter over de burgerlijke partijstelling dat zou kunnen verhelpen. Het zevende middel is ongegrond. Achtste middel tegen het tuchtbesluit
  44. Het achtste middel is geput uit de schending van het beroeps- geheim. Verzoeker zet uiteen dat zijn tuchtdossier uitsluitend bestaat uit processen-verbaal die werden opgesteld in het kader van het opsporingsonderzoek, dat die processen-verbaal verklaringen bevatten van personeelsleden en raadsleden van het OCMW van Roeselare, dat echter deze personeelsleden en raadsleden krachtens de artikelen 36, tweede lid, en 50 van de OCMW-wet en artikel 458 van het Strafwetboek gebonden zijn door het beroepsgeheim, wat betekent dat zij niets uit een individueel steunverleningsdossier mogen bekendmaken aan derden, dat ook de identiteit van de steuntrekkers onder dat beroepsgeheim valt, dat verklaringen van personeelsleden en raadsleden ten aanzien van derden, waarbij de identiteit van steuntrekkers of de steun die deze hebben ontvangen, worden bekendgemaakt, strijdig zijn met het beroepsgeheim en dienvolgens rechtens nietig zijn, dat zodoende de processen-verbaal waarop het bestreden tuchtbesluit is gesteund, eveneens nietig zijn. De personeelsleden en raadsleden van het OCMW hadden de verbalisanten moeten wijzen op hun beroepsgeheim, alsdan kon het parket een onderzoeksrechter vorderen die een gerechtelijk onderzoek kon voeren zoals artikel 458 van het Strafwetboek mogelijk maakt, maar dat is niet gebeurd. De tuchtoverheid verwijst in de bestreden beslissing volgens verzoeker onterecht naar een arrest van het Hof van Cassatie van 14 oktober 2003 omdat de te dezen ingeroepen onregelmatigheid geen strijdigheid is met een regel van formeel procesrecht -wat volgens de bedoelde cassatierechtspraak niet noodzakelijk moet leiden tot totale bewijsuitsluiting- maar strijdigheid met een XII-5737-22/32 interne materiële rechtsregel, namelijk de schending van artikel 458 van het Strafwetboek. In dat geval is het bewijs steeds ongeoorloofd. In de memorie van wederantwoord volhardt verzoeker dat bewijzen die verkregen zijn met schending van het beroepsgeheim als bewijs moeten worden uitgesloten. Onrechtmatig verkregen bewijselementen mogen noch rechtstreeks noch onrechtstreeks in aanmerking worden genomen. Verzoeker citeert uit de conclusies van de procureur-generaal bij een arrest van het Hof van Cassatie van 2 maart
  45. In zijn laatste memorie bestempelt hij de over de bewijsuitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs bestaande, zogenaamde Antigoonrechtspraak van het Hof van Cassatie als “strijdig met het principe van de rechtsstaat”. Beoordeling
  46. Artikel 458 van het Strafwetboek bepaalt : “Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van hun staat of beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd frank tot vijfhonderd frank”.
  47. Krachtens de artikelen 36, derde lid, en 50 van de OCMW-wet zijn de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn en de personeelsleden van het OCMW tot geheimhouding verplicht. De schending van het beroepsgeheim betreft een strafrechtelijk gesanctioneerd misdrijf. Het behoort niet tot de bevoegdheid van de Raad van State om de schending van het beroepsgeheim vast te stellen. Te dezen blijkt niet dat één of meerdere klachten over de miskenning van het beroepsgeheim door de personeelsleden en raadsleden die een verklaring hebben afgelegd in het kader van het opsporingsonderzoek tegen verzoeker, werden ingediend. In zijn arrest van 18 mei 2006 daarentegen heeft het hof van beroep te Gent overwogen dat verzoeker “volkomen ten onrechte” denkt dat de bedoelde verklaringen gedekt zouden zijn door een “ambtsgeheim”, dat van een beroepsgeheim geen sprake is, dat de XII-5737-23/32 discretieplicht waaraan betrokkenen onderworpen zijn een uiterst beperkt en relatief karakter heeft, dat er in “de huidige zaak” geen redenen zijn, laat staan wetsbepalingen, die zouden toelaten de verklaringen van de personeelsleden van het OCMW “nietig” te verklaren, dat de personeelsleden in het kader van het tuchtonderzoek gerechtigd waren deze verklaringen af te leggen en dat de term “in rechte” in artikel 458 van het Strafwetboek een ruime uitlegging kan verkrijgen, dat noch het parket, noch de politiediensten zich schuldig maakten aan enige schending van een wettelijke bepaling, dat er geen sprake is van schending van vormverzuimen voorgeschreven op straffe van nietigheid. Het hof van beroep zet ook omstandig uiteen waarom volgens hem de waarborgen geboden door artikel 6 EVRM niet tot bewijsuitsluiting nopen wegens schending van het beroepsgeheim. Zoals hiervoor is genoteerd, is een cassatievoorziening tegen dit arrest verworpen. De Raad van State kan dan ook niet vaststellen dat de verklaringen waarop het bestreden tuchtbesluit is gesteund, onrechtmatig werden afgelegd en dat het bestreden tuchtbesluit en de bestreden goedkeuring van dat tuchtbesluit daardoor zouden zijn aangetast. Het achtste middel kan niet worden aangenomen. Negende middel tegen het tuchtbesluit
  48. In een negende middel voert verzoeker aan dat de ten laste gelegde feiten hem niet toegerekend kunnen worden, omdat de kwestieuze financiële malversaties zich hebben voorgedaan in individuele dossiers die onder de verantwoordelijkheid vallen van de maatschappelijk werkers, welke in dezen krachtens artikel 47, § 1, van de OCMW-wet alleen instructies kunnen krijgen van de OCMW-secretaris. Hij acht het minstens een inbreuk op de formele- motiveringswet dat hij als directeur van de sociale dienst die wel globaal hiërarchisch leiding gaf aan zijn medewerkers, maar geen enkele bevoegdheid had in individuele steunverleningsdossiers, wordt gestraft zonder dat wordt aangegeven welke zijn verantwoordelijkheid is in die individuele dossiers. Beoordeling
  49. Het bestreden tuchtbesluit overweegt in verband met de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van verzoeker : XII-5737-24/32 “Overwegende dat de tuchtoverheid in dit tuchtdossier geen uitspraak wenst te doen over de eventuele individuele verantwoordelijkheid bij de uitvoering van de wettelijke opdracht van de maatschappelijk werkers, doch dat het in onderhavig geval gaat om de rol die de heer Jack Gayse heeft gespeeld in voornoemde geldstromen; Overwegende dat inderdaad reeds is aangehaald dat de heer Jack Gayse, als Directeur Sociale Dienst, weliswaar geen individuele dossiers beheerde, doch in zijn hoedanigheid van Directeur Sociale Dienst wel de zwarte kas heeft opgestart, de geldstromen van de overleden steuntrekkers (dossiers [...] en [...]), afgeschreven steuntrekkers of uitgewezen politieke vluchtelingen, huurwaarborgen, verwarmingskosten, artikel 60 §7 OCMW-wet liet toepassen en de fiches in het dossier [...] vervalste en de opdracht gaf om een bedrag in de zwarte kas te deponeren in het dossier [...]; Overwegende de functiebeschrijving van de Directeur Sociale Dienst geeft deze leiding aan het voltallig personeelsbestand van de Sociale Dienst; Overwegende dat de Directeur Sociale Dienst de 1ste of 2de beoordelaar is voor de evaluaties van de personeelsleden van de Sociale Dienst OCMW; Overwegende dat de verantwoordelijke van de Sociale Dienst (artikel 47 §2 OCMW-wet) mag geacht worden verantwoordelijk te zijn over de Sociale Dienst en derhalve de hiërarchische overste is van de Sociale Dienst, zoals ook is vastgesteld in de functiebeschrijving van de functie Directeur Sociale Dienst en zijn (hoofd)maatschappelijk werkers onder hem hem hiërarchische gehoorzaamheidsplicht verschuldigd; Overwegende dat aannemen dat de Directeur Sociale Dienst niet de hiërarchische overste is van de Sociale Dienst en geen leiding geeft aan de Sociale Dienst, quod non, zou betekenen dat deze functie totaal overbodig zou zijn en de eraan corresponderende hogere weddeschalen totaal onverantwoord zou zijn; Overwegende dat, als men al zou aannemen dat de Directeur Sociale Dienst, geen opdrachten zou kunnen geven aan de (hoofd)maatschappelijk werkers die ter zake aldus niet zouden gehouden zijn tot hiërarchische gehoorzaamheids- plicht, quod non, dan dient hij overeenkomstig artikel 47 §2 OCMW-wet de Raad voor Maatschappelijk Welzijn, het Vast Bureau, het Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst of de Secretaris in te lichten over de algemene behoeften die hij bij de vervulling van zijn taak vaststelt en de maatregelen voor te stellen om daaraan tegemoet te komen, zo had hij als er nood was aan fondsen om bepaalde aankopen binnen de Sociale Dienst te bekostigen (radio’s, kaders, drank, e.d.) dit moeten melden in plaats van een zwarte kas op te starten (cfr. verklaring naar aanleiding van de interne vergadering van 23 januari 2002); Overwegende dat de heer Jack Gayse overeenkomstig artikel 10 van het organiek administratief statuut diende in te staan voor de behoorlijke werking van de dienst waarvan de leiding hem was opgedragen. Hij moest dan ook alle misbruiken of nalatigheden die hij bij het uitoefenen van zijn ambt vaststelde doen ophouden of het nodige doen om ze te doen ophouden”.
  50. Het bestreden tuchtbesluit beoogt derhalve verzoeker niet te sanctioneren voor tekortkomingen in concrete individuele dossiers, doch wel -in het algemeen gesteld- voor het feit dat hij als directeur van de sociale dienst een zwarte kas heeft opgestart en geldstromen daar naar toe heeft georganiseerd en gedirigeerd. Evident kan hem dat feit, dat geen tekortkoming uitmaakt in de behandeling van XII-5737-25/32 individuele dossiers, maar wel in de uitoefening van zijn hiërarchisch leidinggevende functie, tuchtrechtelijk worden aangerekend. Het negende middel is ongegrond. Tiende middel tegen het tuchtbesluit
  51. In een tiende middel doet verzoeker, met betrekking tot de tenlastelegging dat hij inzake de dossiers “artikel 60, § 7, van de OCMW-wet” bewust verkeerde voorstellen heeft voorgelegd aan het bijzonder comité voor de sociale dienst, gelden dat elf van die dossiers, waarvoor hij strafrechtelijk wordt vervolgd, door het voornoemde bijzonder comité werden behandeld op 1 juli 1998 en 9 augustus 2000 toen hij met vakantie was, zodat ze niet te zijnen laste kunnen worden gelegd. Volgens verzoeker heeft de tuchtoverheid de “zorgvuldigheids- plicht, waartoe [zij] in de waarheidsvinding gehouden is” geschonden, doordat zij er van is uitgegaan dat hij als verantwoordelijke voor de sociale dienst, alle voorstellen voor het voornoemde bijzonder comité heeft gebracht. Voorts voert hij aan dat de zaken ten onrechte zo worden voorgesteld alsof hij met de gelden van de zwarte kas goederen voor zichzelf heeft aangekocht. Nog in de memorie van antwoord merkt verzoeker op dat indien dossiers gemanipuleerd werden zonder dat hij hierbij betrokken was, dan minstens die manipulaties niet op zijn bevel zijn gebeurd. Beoordeling
  52. Het weze herhaald dat het tuchtbesluit verzoeker niet tuchtrechtelijk bestraft voor zijn optreden in welbepaalde concrete dossiers, doch wel voor het feit dat hij als directeur een zwarte kas in het leven heeft geroepen en de financiering daarvan langs diverse kanalen, waaronder de zogenaamde dossiers “artikel 60, § 7”, heeft georganiseerd en gedirigeerd. De tweede verwerende partij wijst er terecht op dat verzoeker zijn frauduleus handelen, ook inzake de dossiers “artikel 60, § 7”, tijdens het strafonderzoek heeft toegegeven. Te dezen komt de XII-5737-26/32 materiële grondslag van de bestreden tuchtmaatregel niet in het gedrang door het feit dat verzoeker bij de behandeling van elf dossiers “artikel 60, § 7” in het bijzonder comité voor de sociale dienst niet aanwezig was wegens vakantie, terwijl luidens het tuchtverslag van de OCMW-secretaris onregelmatigheden werden gepleegd in “een 36-tal dossiers”. Het tiende middel is ongegrond. Elfde middel tegen het tuchtbesluit
  53. In een elfde middel -“opportuniteitsbeoordeling”- betwist verzoeker de opportuniteit van de opgelegde tuchtmaatregel. Hij voert aan dat hij dertig jaar in dienst is van het OCMW zonder dat ooit een opmerking werd gemaakt over zijn functioneren of hem een tuchtsanctie werd opgelegd, dat de hem ten laste gelegde feiten, die een manifeste vorm van collusie uitmaken, bekend waren bij het bestuur, dat de strafrechter zich nog moet uitspreken over zijn hoger beroep tegen zijn strafrechtelijke veroordeling, dat een toekomstige vrijspraak niet denkbeeldig is, dat het dan ook niet opportuun was in de toenmalige stand van het dossier het ontslag van ambtswege op te leggen. Verzoeker vervolgt dat een ontslag van ambtswege bij tuchtmaatregel slechts gerechtvaardigd zou zijn indien zou blijken of worden aangetoond dat hij “definitief onwaardig” is, dat hij echter sedert maart 2003 effectief gewerkt heeft bij het OCMW zonder dat dit de rust op de dienst heeft geschaad, dat de tuchtoverheid niet aanduidt waarom een lichte of een zware straf geen adequate straf zou zijn, dat er bij de sociale dienst effectief een normvervaging bestond, dat hij na het aan het licht komen van bepaalde feiten een terugzetting in de graad van maatschappelijk werker heeft gevraagd en verkregen, dat hij dus reeds feitelijk gestraft is, dat de thans bestreden tuchtsanctie daar bovenop komt, dat in het bestreden tuchtbesluit niet wordt aangegeven waaruit zijn definitieve onwaardigheid blijkt, gelet op zijn huidige functie van maatschappelijk werker waarin hij geen enkel hiërarchisch gezag meer heeft tegenover zijn collega’s. Beoordeling XII-5737-27/32
  54. Hiervoor is reeds vastgesteld dat het argument over de nog hangende strafzaak ondertussen achterhaald is, zonder voor verzoeker gunstige gegevens op te leveren. De Raad van State beschikt voorts met betrekking tot de aard en de maat van de opgelegde tuchtmaatregel slechts over wat gemeenzaam een marginale toetsingsbevoegdheid wordt genoemd, wat impliceert dat de Raad van State niet zomaar een tuchtmaatregel die hij “niet opportuun” acht onwettig kan verklaren. Hij vermag dat alleen te doen met een tuchtstraf die niet in een redelijke verhouding van evenredigheid staat tot de bewezen feiten of die er niet van doet blijken dat ze geacht kan worden het resultaat te zijn van een behoorlijke afweging van alle betrokken belangen en gegevens. Een dergelijke wanverhouding tussen de hem ten laste gelegde tuchtfeiten en de opgelegde tuchtstraf wordt door verzoeker niet aangevoerd, en blijkt ook niet spontaan uit de gegevens van de zaak. Verzoeker heeft zich schuldig gemaakt aan de organisatie van een fraudesysteem, waarbij sommige gelden afkomstig van en bestemd voor behoeftige cliënten van het OCMW werden afgeleid naar een zwarte kas. Verzoeker is er blijkbaar niet voor teruggeschrokken daartoe bij de behandeling van dossiers valse verklaringen af te leggen. De ten laste gelegde feiten zijn voorzeker zeer ernstig en vermochten de overheid te doen besluiten dat de goede werking van de dienst zou worden geschaad door een verlies van vertrouwen en dat bij gebreke van een ernstige bestraffing bij de andere ambtenaren en de publieke opinie de indruk zou ontstaan van een algemene normvervaging. De tuchtoverheid heeft bij het bepalen van de strafmaat alle relevante elementen afgewogen: het tuchtrechtelijke verleden van verzoeker, de aard van de functie die hij bekleedde ten tijde van de ten laste gelegde feiten en van zijn actuele functie, de ernst van de feiten, het repetitieve karakter ervan en de weerslag ervan op de werking van de dienst en op het aanzien van het bestuur bij het publiek. De omstandigheid dat verzoeker na het aan het licht komen van de financiële malversaties op de sociale dienst begin 2002, vanaf maart 2003 toch nog binnen het bestuur heeft gefunctioneerd als maatschappelijk werker, kan aan het wettig karakter van de opgelegde tuchtstraf geen afbreuk doen. Het is immers XII-5737-28/32 aannemelijk dat het bestuur pas door de kennisname van de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek begin 2004 een duidelijker en alleszins een definitiever inzicht heeft gekregen in hetgeen verzoeker concreet ten laste kon worden gelegd en in zijn individuele schuld, wat onverwijld heeft geresulteerd in een tuchtverslag van de secretaris waarbij het ontslag van ambtswege van verzoeker werd voorgesteld. Het elfde middel is niet gegrond. Eerste middel tegen het goedkeuringsbesluit
  55. Verzoeker voert in een eerste middel tegen het goedkeurings- besluit van 15 maart 2005 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering de schending aan van het beginsel patere legem quam ipse fecisti. Hij betoogt dat de gemeenschapsminister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden in punt III, 4, van zijn omzendbrief BA-G-92/12 van 9 september 1992 heeft voorgeschreven dat in het geval van een herneming van de tuchtprocedure na de niet-goedkeuring van het initiële tuchtbesluit, het betrokken personeelslid opnieuw moet worden gehoord, dat het bestreden tuchtbesluit is tot stand gekomen zonder dat hij opnieuw is gehoord, dat de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering het bestreden tuchtbesluit niet had mogen goedkeuren, dat hij had moeten aangeven waarom hij van de beleidslijn die uit de voormelde omzendbrief blijkt, is afgeweken. In de memorie van wederantwoord houdt verzoeker het er op dat de minister is afgeweken van een beleidslijn die blijkt uit de omzendbrief en dat zo een afwijking minstens een motivering vereist. Beoordeling
  56. Bij de bespreking van verzoekers eerste middel tegen het tuchtbesluit van 22 september 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn is reeds uitgemaakt dat verzoeker niet in een geval verkeert dat geviseerd wordt door de omzendbrief BA-G-92/12 van 9 september
  57. XII-5737-29/32 Dit eerste middel, aangevoerd tegen het ministeriële goedkeuringsbesluit, is dus niet gegrond. XII-5737-30/32 Tweede middel tegen het goedkeuringsbesluit
  58. Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van de formele-motiveringswet. Hij betoogt vooreerst dat aangezien het bestreden tuchtbesluit onwettig is, het bestreden besluit van de minister dat er goedkeuring aan verleent, dat evenzeer is, vermits het niet op rechtens aanvaardbare motieven kan zijn gesteund. Voorts doet hij gelden dat de toezichthoudende overheid weliswaar niet verplicht is op elk van zijn argumenten te antwoorden, maar dat hij toch aan de hand van de motivering van het toezichtsbesluit moet kunnen nagaan waarom bepaalde argumenten die op het eerste gezicht niet geheel onredelijk zijn, toch niet tot de niet-goedkeuring van de opgelegde tuchtmaatregel hebben geleid, dat de minister in casu niet heeft geantwoord op zijn argumenten inzake het verjaard zijn van de in aanmerking genomen tuchtfeiten, de niet-toerekenbaarheid van sommige tuchtfeiten en het afwijken van de in de omzendbrief BA-G-92/12 uitgestippelde beleidslijn. Beoordeling
  59. Het tweede bestreden besluit betreft de goedkeuring -na hoger beroep tegen het goedkeuringsbesluit van 2 december 2004 van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen- van het tuchtbesluit van 22 september 2004 van de raad voor maatschappelijk welzijn. Hiervoor is vastgesteld dat verzoeker geen gegronde middelen aanvoert tegen het bestreden tuchtbesluit, zodat niet kan worden aangenomen dat het goedkeuringsbesluit bij gevolgtrekking door deze onwettigheden is aangetast. Voorts dient erop gewezen dat de tweede verwerende partij bij de uitoefening van het goedkeuringstoezicht na beroep de hele tuchtvordering tegen verzoeker niet hoefde over te doen, doch slechts diende na te gaan of de tuchtoverheid wettig tot haar besluit was gekomen en het algemeen belang niet heeft geschaad. Bij de uitoefening van dat toezicht diende zij niet noodzakelijk een antwoord te bieden op alle argumenten die door verzoeker in de loop van de XII-5737-31/32 procedure werden aangevoerd. De formele-motiveringsplicht, opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelin- gen, vergt wel dat uit het goedkeuringsbesluit van de minister afdoende blijkt hoe deze tot de overtuiging is gekomen dat verzoekers bezwaren tegen het goedkeuringsbesluit van de bestendige deputatie, minstens in het algemeen, niet gegrond waren en het tuchtbesluit waarvan beroep zijn goedkeuring verdiende. In de voorliggende zaak heeft de minister dat in een zeventien pagina’s omvattende motivering, waarin de wezenlijke argumentatie van verzoeker wordt weerlegd, zeer uitvoerig gedaan. Die motivering laat geen twijfel bestaan over het standpunt van de minister dat de aan verzoeker ten laste gelegde tuchtfeiten niet verjaard zijn en aan verzoeker toerekenbaar zijn en dat er voor de tuchtoverheid geen verplichting bestond om verzoeker na het hernemen van de tuchtprocedure opnieuw te horen. Verzoeker komt er niet toe dat standpunt van de minister concreet te betwisten. Het tweede middel is evenmin gegrond. BESLISSING
  60. De Raad van State verwerpt het beroep.
  61. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 26 november 2009, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, met bijstand van Frank Bontinck, griffier. De griffier, De voorzitter, Frank Bontinck Dierk Verbiest XII-5737-32/32 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.241 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.151.211 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.