← België

Arrest 198243 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 26/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.243 Rolnummer: Zaak: Arrest 198243 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 26/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-04 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-30 03:56 Fiche Arrest nr 198.243 van 26 november 2009 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping heropening debatten Samenvoeging Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 198.243 van 26 november 2009 in de zaken A. 180.688/XII-5003 (I) A. 180.689/XII-5004 (II). In zake :

  1. Virginie HATERT (I),
  2. Frédérique CAULLET (I),
  3. de VZW COMITÉ SCOLAIRE ESPINETTE CENTRALE (II), die woonplaats kiezen bij advocaat F. Gosselin, kantoor houdende te Louvain-La-Neuve, rue de Clairvaux 40/202 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP (I + II), die woonplaats kiest bij advocaat S. Butenaerts, kantoor houdende te 1080 Brussel, Leopold II-laan
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Virginie Hatert en Frédérique Caullet op 30 januari 2007 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing genomen door de Vlaamse Overheid op 30 november 2006 waarbij deze laatste de definitieve benoeming van de twee verzoekende partijen weigert” (zaak A.180.688/XII-5003); Gezien het verzoekschrift dat de vzw Comité Scolaire Espinette Centrale op 30 januari 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing genomen door de Vlaamse Overheid op 30 november 2006 waarbij deze laatste de definitieve benoeming van de dames Hatert en Caullet, die door beroepster werd gevraagd, weigert” (zaak A.180.689/XII-5004); Gelet op het arrest nr. 171.959 van 7 juni 2007 waarbij de zaken 180.688 en 180.689, wat de schorsingsprocedure betreft, worden samengevoegd en waarbij de vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing worden verworpen; XII-5003-1/9 Gezien de verzoekschriften tot voortzetting van het geding ingediend door verzoekers; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de verslagen opgesteld door eerste auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikkingen van 25 augustus 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 oktober 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. Van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Verraes, die loco advocaat F. Gosselin verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat W. Gillard, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaken 1.
  5. Verzoeksters V. Hatert en F. Caullet zijn tewerkgesteld als personeelslid in de Franstalige gesubsidieerde vrije basisschool te Sint-Genesius- Rode waarvan derde verzoekster, de vzw Comité Scolaire Espinette Centrale, het bevoegd gezag is. Op 25 april 2005 deelt het schoolbestuur de vacantverklaarde betrekkingen voor vaste benoeming in een wervingsambt mee. XII-5003-2/9 Refererend aan de vacantverklaring, stellen eerste en tweede verzoekster zich op 20 mei respectievelijk 23 mei 2005 kandidaat voor vaste benoeming. 1.
  6. Op 17 februari 2006 ondertekenen V. Hatert en het schoolbestuur een overeenkomst van vaste benoeming in een wervingsambt. Blijkens artikel 1 van de overeenkomst verleent het schoolbestuur aan eerste verzoekster de vaste benoeming vanaf 1 januari 2006 in het ambt van onderwijzer voor een volume 24/
  7. Met een door beide partijen eveneens op dezelfde datum ondertekend formulier PERS14 wordt mededeling van de vaste benoeming gedaan aan het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. 1.
  8. Ook op 17 februari 2006 ondertekenen F. Caullet en het schoolbestuur twee overeenkomsten van vaste benoeming in een wervingsambt. Blijkens artikel 1 van de ene overeenkomst verleent het schoolbestuur aan tweede verzoekster de vaste benoeming vanaf 1 januari 2006 in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding voor een volume 14/24 in het kleuteronderwijs. Blijkens artikel 1 van de andere overeenkomst verleent het schoolbestuur aan tweede verzoekster de vaste benoeming vanaf 1 januari 2006 in het ambt van leermeester lichamelijke opvoeding voor een volume 2/24 in het lager onderwijs. Met een door beide partijen nog steeds op dezelfde datum ondertekend formulier PERS14 wordt mededeling van de vaste benoeming voor 16/24 gedaan aan het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. 1.
  9. Met een brief van 30 november 2006 deelt verwerende partij aan derde verzoekster mee “dat aan de vaste benoemingen van [eerste en tweede verzoekster] geen uitvoering kan worden gegeven” omdat deze personeelsleden niet voldoen aan artikel 27 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken en, “zodoende”, de vaste benoemingen strijdig zijn met de bepalingen van artikel 19, § 1, 2/, en artikel 31, § 1, eerste lid, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (hierna : rechtspositiedecreet) en “zij geen uitwerking [hebben] ten aanzien van het ministerie van Onderwijs en Vorming”. XII-5003-3/9 1.
  10. Op 30 juli 2007 meldt de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming aan de verzoekende partijen dat ingevolge recente rechtspraak van de Raad van State de vaste benoeming van eerste verzoekster aanvaard kan worden, omdat zij in het bezit is van een getuigschrift grondige kennis van de tweede taal Nederlands, uitgereikt door een examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap. De procedure
  11. De beide zaken hebben hetzelfde voorwerp. Het is aangewezen om er in een enkel arrest uitspraak over te doen. De rechtsmacht van de Raad van State
  12. In de laatste memories werpt verwerende partij op dat de Raad van State niet bevoegd is om kennis te nemen van het voorliggende geschil aangezien een oordeel vellen over “het bestreden ministerieel besluit” (sic) zou inhouden dat ingegrepen wordt in de contractuele verhouding tussen de vzw en de eerste twee verzoekende partijen.
  13. Zoals de algemene vergadering van de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State onder meer heeft gewezen in zijn arrest Missorten, nr. 93.104, van 6 februari 2001, is de rechtsverhouding tussen de verzoeksters- personeelsleden en verzoekster-schoolbestuur van contractuele aard en behoren geschillen met betrekking tot hun contractuele rechtsverhouding inderdaad tot de uitsluitende bevoegdheid van de gewone rechter. Evenwel, reeds opgemerkt in het schorsingsarrest, is het verkeerd om de in geschil zijnde beslissing op te vatten als een beslissing die de vaste benoeming van de eerste en tweede verzoekster hetzij ongedaan maakt, hetzij ten minste derde verzoekster er toe moet brengen om ze ongedaan te maken. Een dergelijk beeld van wat bestreden wordt, verwart de begrippen “vaste benoeming” en “erkenning van de vaste benoeming” in de zin van “uitwerking van de vaste benoeming ten aanzien van de subsidiërende overheid”. Wat verwerende partij immers in werkelijkheid heeft beslist is dat de vaste benoeming van eerste en van tweede verzoekster “geen uitwerking [heeft] ten aanzien van het departement Onderwijs”, beslissing die begrepen moet worden XII-5003-4/9 in het licht van artikel 31, § 8, van het rechtspositiedecreet, blijkens welke bepaling een vaste benoeming meegedeeld moet worden aan het departement onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap “opdat zij [zou] uitwerking hebben ten aanzien van de overheid”. Met de bestreden beslissing heeft verwerende partij dan ook niet de vaste benoemingen ongedaan gemaakt, maar enkel geweigerd om die benoemingen te “erkennen”, dat wil zeggen er wat haar betreft de uitwerking van te ondergaan. Dit is, zoals de Raad van State reeds overwoog in het arrest De Wit, nr. 56.492, van 29 november 1995, “een zaak [...] tussen [de] benoemende overheid en [de] subsidiërende overheid ‘waarmee’ -woorden van verzoekster- ‘verzoekster juridisch geen uitstaans heeft en waarvoor zij niet hoeft op te draaien’”. Ook voor de voorliggende zaak overweegt de Raad van State, zoals hij het deed in het arrest Bunnens, nr. 140.643, van 15 februari 2005, dat “een brief van het ministerie over het al dan niet uitwerking hebben van de benoeming ten aanzien van de Vlaamse Gemeenschap op het vlak van het verschuldigd zijn van de wedde van benoemde personeelsleden, op zich geen uitsluitsel geeft over de regelmatigheid van de benoeming”. Integendeel geldt ook voor de huidige zaken ten aanzien van eerste en tweede verzoekster de vaststelling die de Raad reeds deed in het arrest Dumont, nr. 63.001, van 6 november 1996 “enerzijds dat verzoeksters huidige rechtstoestand die is van een vastbenoemd personeelslid van [te dezen: derde verzoekende partij] -met de verplichting van die partij om haar in alle opzichten als dusdanig te behandelen- anderzijds dat daar niets van afdoet de weigering van de [...] verwerende partij om de uitwerking van die vaste benoeming te ondergaan”. Bestreden wordt bijgevolg een beslissing met betrekking tot de erkenning van de benoeming die uit zichzelf de overeenkomsten welke bestaan tussen de verzoekende partijen niet aantast. Door de wettigheid van die beslissing tot niet-uitwerking te beoordelen, doet de Raad van State geen uitspraak over de wederzijdse rechten en verplichtingen tussen verzoekende partijen die voortvloeien uit hun contractuele relatie. De exceptie is ongegrond. De ontvankelijkheid 5.
  14. In de memorie van antwoord in de zaak 180.688 werpt verwerende partij op dat de situatie waarin (eerste en tweede) verzoeksters zich bevinden onderling verschillend is zodat “de twee beslissingen van verweerster” bij XII-5003-5/9 afzonderlijk verzoekschrift aangevochten moeten worden. Nu dit niet is gebeurd, is volgens verwerende partij enkel de vordering van eerste verzoekster ontvankelijk. In de memorie van antwoord in de zaak 180.689 ontwikkelt verwerende partij een gelijklopende argumentatie om te betogen dat het beroep enkel ontvankelijk is wat zijn eerste voorwerp betreft. 5.
  15. Vooreerst stelt de Raad van State vast dat verwerende partij er zelf niet in is geslaagd om een afschrift van de beweerde “twee beslissingen” in het administratief dossier - dat overigens identiek is in beide zaken - te overleggen, en in haar laatste memories zelfs gewag maakt van “het bestreden ministerieel besluit”. Enig relevant stuk is de kennisgevingsbrief van de adjunct van de directeur van 30 november 2006 waarin aan het schoolbestuur wordt meegedeeld “dat aan de vaste benoemingen van bovenvermelde personeelsleden geen uitvoering kan worden gegeven”. Zodoende wekt verwerende partij zelf minstens de indruk dat tegen beide benoemingen in één beweging en met één besluit is opgetreden. Als er geen twee onderscheiden beslissingen zijn, kunnen ze ook moeilijk door derde verzoekster apart worden aangevochten. Om een ordelijke en overzichtelijke procesvoering mogelijk te maken, moeten voorts de belangen van de verschillende verzoeksters die met één collectief verzoekschrift hun vorderingen bij de Raad van State aanhangig maken, op zijn minst gelijklopend zijn met het belang van de eerst in het verzoekschrift vermelde verzoekster. Daaraan is in de zaak 180.688 voldaan. Niet is vereist dat de belangen van de onderscheiden verzoeksters identiek zijn. De Raad van State bedenkt ten slotte dat, zo eerste en tweede verzoeksters toch afzonderlijke verzoekschriften hadden ingediend, of derde verzoekster aparte verzoekschriften had opgesteld omtrent de beide personeelsleden, hij ze met het oog op de goede rechtsbedeling zou hebben samengevoegd nu de bestreden beslissing of beslissingen uitgaan van dezelfde overheid, ze gericht is of zijn tot derde verzoekster, ze een gelijkaardige strekking heeft of hebben ten aanzien van eerste en tweede verzoekster en ze een dergelijke inhoudelijke samenhang vertoont of vertonen dat er identieke rechtsmiddelen tegen worden aangevoerd. De excepties worden verworpen. XII-5003-6/9 6.
  16. In de zaak 180.689 ontzegt verwerende partij de hoedanigheid aan derde verzoekster, omdat de weigeringsbeslissing geen betrekking heeft op haar terwijl enkel de rechtstreeks begunstigde de vereiste hoedanigheid heeft. 6.
  17. Zoals hiervoor al is opgemerkt, is de bestreden beslissing wel degelijk gericht aan derde verzoekster : haar wordt meegedeeld dat aan de vaste benoemingen “geen uitvoering kan worden gegeven”. Gevolg hiervan is dat de Vlaamse Gemeenschap niet optreedt als “derde betaler” en dat derde verzoekster, zo zij zich daarbij neerlegt, de financiële gevolgen van de vaste benoeming zelf moet dragen. De exceptie mist feitelijke grondslag. 7.
  18. Verwerende partij bezorgt met een brief van 18 februari 2008 aan de Raad van State een afschrift van de sub 1.
  19. vernoemde brief van 30 juli 2007 waarbij de minister van onderwijs meedeelt dat de vaste benoeming van eerste verzoekster aanvaard kan worden. Volgens verwerende partij zullen de vorderingen voor wat betreft dit personeelslid “aldus komen te vervallen”. In navolgende procedurestukken wordt die zienswijze door de verzoekende partijen niet tegengesproken. 7.
  20. Eerste en derde verzoekster hebben door deze nieuwe beslissing van de minister het doel bereikt dat oorspronkelijk werd nagestreefd met de voorliggende beroepen. In zoverre wordt ambtshalve vastgesteld dat de beroepen zonder voorwerp zijn. In de gegeven omstandigheden past het wel de kosten in die mate ten laste van verwerende partij te leggen. Ten gronde
  21. In het auditoraatsverslag is enkel de ontvankelijkheid van de beroepen onderzocht. Er is reden om een aanvullend onderzoek van de middelen te gelasten. XII-5003-7/9 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  22. De zaken A. 180.688/XII-5003 en A. 180.689/XII-5004 worden samengevoegd. Artikel
  23. De beroepen worden verworpen in zoverre ze betrekking hebben op de weigering van de Vlaamse Gemeenschap om aan de vaste benoeming van Virginie Hatert in het ambt van onderwijzer uitwerking te verlenen. Artikel
  24. De debatten worden heropend voor het overige. Artikel
  25. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaken. Artikel
  26. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A180.688/XII-5003, in zoverre ze uitgaat van Virginie Hatert, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verwerende partij. XII-5003-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig november 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-5003-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.243 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.