id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.244 Rolnummer: Zaak: Arrest 198244 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 26/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-02 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:56 Fiche Arrest nr 198.244 van 26 november 2009 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping heropening debatten Samenvoeging Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 198.244 van 26 november 2009 in de zaken A. 180.690/XII-5002 (I) A. 180.691/XII-5001 (II) In zake:
- Anne ENGEL (I)
- Candice BRAEKERS (I)
- Marianne DE MOFFARTS (I)
- Sébastien VERSTREPEN (I)
- Violaine SAUSSEZ (I)
- Nathalie OP DE BEECK (I)
- de VZW COMITÉ SCOLAIRE SAINTE TRINITÉ (II) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frédéric Gosselin kantoor houdend te Louvain-La-Neuve rue de Clairvaux 40/202 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP (I + II) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de beroepen
- De beide beroepen, ingesteld op 30 januari 2007, strekken tot de nietigverklaring van “een beslissing genomen door de Vlaamse Overheid op 1 december 2006 waarbij deze laatste de definitieve benoeming van Anne Engel, Candice Braekers, Marianne De Moffarts, Sébastien Verstrepen, Violaine Saussez en Nathalie Op De Beeck weigert”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 171.958 van 7 juni 2007 zijn de vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. XII-5002-1\8 De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Diane Mareen heeft in de beide zaken een verslag opgesteld. De verzoekende partijen en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 oktober
- Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Emmanuel Verraes, die loco advocaat Fréderic Gosselin verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Wendy Gillard, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- A. Engel, C. Braekers, M. de Moffarts, S. Verstrepen, V. Saussez en N. Op de Beeck zijn tewerkgesteld als tijdelijk -eerste verzoekster ook sedert 1 januari 2001 als deels vast benoemd- personeelslid in de Franstalige gesubsidieerde vrije basisschool te Wezembeek-Oppem waarvan zevende verzoekster, de vzw Comité Scolaire Sainte-Trinité, het bevoegd gezag is. 3.
- Op 1 december 2006 schrijft verwerende partij aan zevende verzoekster een brief betreffende “Vaste benoeming van mevrouw Engel Anne voor XII-5002-2\8 16/24 in het ambt van onderwijzer met ingang van 1 januari 2006”. In die brief deelt zij mee “dat aan de vaste benoeming van [eerste verzoekster] geen uitvoering kan worden gegeven” omdat dit personeelslid niet voldoet aan artikel 27 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken en, “zodoende”, de vaste benoeming strijdig is met de bepalingen van artikel 19, § 1, 2/, en artikel 31, § 1, eerste lid, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs (hierna : rechtspositiedecreet) en “zij geen uitwerking [heeft] ten aanzien van het departement Onderwijs”. Ook op 1 december 2006 vertrekken vijf in dezelfde bewoordingen gestelde brieven naar zevende verzoekster, respectievelijk betreffende de vaste benoeming in het ambt van onderwijzer, van leermeester lichamelijke opvoeding, van leermeester katholieke godsdienst, van kinderverzorger of van kleuteronderwijzer met ingang van 1 januari 2006 “van mevrouw Braekers Candice voor 8/24”, “van mevrouw de Moffarts Marianne voor 1/24”, “van de heer Verstrepen Sébastien voor 14/24”, “van mevrouw Saussez Violaine voor 12/24”, “van mevrouw Op de Beeck Nathalie voor 12/32”. 3.
- Op 30 juli 2007 meldt de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming aan de zevende verzoekende partij dat ingevolge recente rechtspraak van de Raad van State de vaste benoeming van A. Engel en van C. Braekers alsnog aanvaard kan worden, omdat zij in het bezit zijn van een getuigschrift grondige kennis van de tweede taal Nederlands, uitgereikt door een examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap. IV. De procedure
- De beide zaken hebben hetzelfde voorwerp. Het is aangewezen om er in een enkel arrest uitspraak over te doen. V. De rechtsmacht van de Raad van State
- In de laatste memories werpt verwerende partij op dat de Raad van State niet bevoegd is om kennis te nemen van het voorliggende geschil aangezien een oordeel vellen over “het bestreden ministerieel besluit” zou inhouden dat ingegrepen wordt in de contractuele verhouding tussen de vzw en de eerste zes verzoekende partijen. XII-5002-3\8
- Zoals de algemene vergadering van de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State onder meer heeft gewezen in zijn arrest Missorten, nr. 93.104, van 6 februari 2001, is de rechtsverhouding tussen de verzoeksters- personeelsleden en verzoekster-schoolbestuur van contractuele aard en behoren geschillen met betrekking tot hun contractuele rechtsverhouding inderdaad tot de uitsluitende bevoegdheid van de gewone rechter. Evenwel, zoals reeds opgemerkt in het schorsingsarrest, is het verkeerd om de in geschil zijnde beslissing op te vatten als een beslissing die de vaste benoeming van de verzoeksters-personeelsleden hetzij ongedaan maakt, hetzij ten minste zevende verzoekster er toe moet brengen om ze ongedaan te maken. Een dergelijk beeld van wat bestreden wordt, verwart de begrippen “vaste benoeming” en “erkenning van de vaste benoeming” in de zin van “uitwerking van de vaste benoeming ten aanzien van de subsidiërende overheid”. Wat verwerende partij immers in werkelijkheid telkenmale heeft beslist is dat de vaste benoeming van de personeelsleden “geen uitwerking [heeft] ten aanzien van het departement Onderwijs”, beslissingen die begrepen moeten worden in het licht van artikel 31, § 8, van het rechtspositiedecreet, blijkens welke bepaling een vaste benoeming meegedeeld moet worden aan het departement onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap “opdat zij [zou] uitwerking hebben ten aanzien van de overheid”. Met de bestreden beslissingen heeft verwerende partij dan ook niet de vaste benoemingen ongedaan gemaakt, maar enkel geweigerd om die benoemingen te “erkennen”, dat wil zeggen er wat haar betreft de uitwerking van te ondergaan. Dit is, zoals de Raad van State reeds overwoog in het arrest De Wit, nr. 56.492, van 29 november 1995, “een zaak [...] tussen [de] benoemende overheid en [de] subsidiërende overheid ‘waarmee’ -woorden van verzoekster- ‘verzoekster juridisch geen uitstaans heeft en waarvoor zij niet hoeft op te draaien’”. Ook voor de voorliggende zaak overweegt de Raad van State, zoals hij het deed in het arrest Bunnens, nr. 140.643, van 15 februari 2005, dat “een brief van het ministerie over het al dan niet uitwerking hebben van de benoeming ten aanzien van de Vlaamse Gemeenschap op het vlak van het verschuldigd zijn van de wedde van benoemde personeelsleden, op zich geen uitsluitsel geeft over de regelmatigheid van de benoeming”. Integendeel geldt ook voor de huidige zaken ten aanzien van eerste en tweede verzoekster de vaststelling die de Raad reeds deed in het arrest Dumont, nr. 63.001, van 6 november 1996 “enerzijds dat verzoeksters huidige rechtstoestand die is van een vastbenoemd personeelslid van [te dezen: zevende verzoekende partij] XII-5002-4\8 -met de verplichting van die partij om haar in alle opzichten als dusdanig te behandelen- anderzijds dat daar niets van afdoet de weigering van de [...] verwerende partij om de uitwerking van die vaste benoeming te ondergaan”. Bestreden wordt bijgevolg een reeks beslissingen met betrekking tot de erkenning van overheidszijde, die uit zichzelf de overeenkomsten welke bestaan tussen de verzoekende partijen niet aantast. Door de wettigheid van die beslissingen tot niet-uitwerking te beoordelen, doet de Raad van State geen uitspraak over de wederzijdse rechten en verplichtingen tussen verzoekende partijen die voortvloeien uit hun contractuele relatie. De exceptie is ongegrond. VI. De ontvankelijkheid 7.
- Verwerende partij bezorgt met een brief van 18 februari 2008 aan de Raad van State een afschrift van de sub 1.
- vernoemde brief van 30 juli 2007 waarbij de minister van onderwijs meedeelt dat de vaste benoeming van eerste en tweede verzoekster aanvaard kan worden. Volgens verwerende partij zullen de vorderingen voor wat betreft die personeelsleden “aldus komen te vervallen”. In navolgende procedurestukken wordt die zienswijze door de verzoekende partijen niet tegengesproken. 7.
- Eerste, tweede en zevende verzoekster hebben, wat de desbetreffende vaste benoemingen aangaat, door deze nieuwe beslissing van de minister het doel bereikt dat oorspronkelijk werd nagestreefd met de voorliggende beroepen. In zoverre hebben de beroepen geen voorwerp meer. In de gegeven omstandigheden past het wel de kosten in die mate ten laste van verwerende partij te leggen. 8.
- In de memorie van antwoord in de zaak 180.690 werpt verwerende partij op dat de situatie waarin de verzoekende personeelsleden zich bevinden onderling verschillend is zodat “de zes afzonderlijke beslissingen” ook bij afzonderlijk verzoekschrift aangevochten moeten worden. Nu dit niet is gebeurd, is volgens verwerende partij enkel de vordering van eerste verzoekster ontvankelijk. In de memorie van antwoord in de zaak 180.691 ontwikkelt verwerende partij een XII-5002-5\8 gelijklopende argumentatie om te betogen dat het beroep enkel ontvankelijk is wat zijn eerste voorwerp betreft. 8.
- Vooreerst stelt de Raad van State vast dat verwerende partij er zelf niet in is geslaagd om een afschrift van de beweerde zes beslissingen in het administratief dossier - dat overigens identiek is in beide zaken - over te leggen, en in haar laatste memories daarentegen gewag maakt van “het bestreden ministerieel besluit”. Enige relevante stukken zijn de kennisgevingsbrieven van de adjunct van de directeur van 1 december 2006 waarin telkens aan het schoolbestuur wordt meegedeeld “dat aan de vaste benoeming van bovenvermeld personeelslid geen uitvoering kan worden gegeven”. Om een ordelijke en overzichtelijke procesvoering mogelijk te maken, moeten hoe dan ook de belangen van de verschillende verzoeksters en verzoeker die met één collectief verzoekschrift hun vorderingen bij de Raad van State aanhangig maken, op zijn minst gelijklopend zijn met het belang van de eerst in het verzoekschrift vermelde verzoekster. Daaraan is in de zaak 180.690 voldaan. Niet is vereist dat de belangen van de onderscheiden verzoekende partijen identiek zijn. De Raad van State bedenkt voorts dat, zo de verzoekende partijen in de zaak 180.690 toch afzonderlijke verzoekschriften hadden ingediend, of zo zevende verzoekster aparte verzoekschriften had opgesteld omtrent elk der personeelsleden, hij ze met het oog op de goede rechtsbedeling zou hebben samengevoegd nu de bestreden beslissingen uitgaan van dezelfde overheid, ze gericht zijn tot zevende verzoekster, ze een gelijkaardige strekking hebben ten aanzien van de verzoekende partijen in de eerste zaak en ze een dergelijke inhoudelijke samenhang vertoont of vertonen dat er identieke rechtsmiddelen tegen worden aangevoerd. De excepties worden verworpen. 9.
- In de zaak 180.691 ontzegt verwerende partij de hoedanigheid aan zevende verzoekster, omdat de weigeringsbeslissing geen betrekking heeft op haar terwijl enkel de rechtstreeks begunstigde de vereiste hoedanigheid heeft. XII-5002-6\8 9.
- Zoals hiervoor al is opgemerkt, is de bestreden beslissing wel degelijk gericht aan zevende verzoekster : haar wordt meegedeeld dat aan de vaste benoemingen “geen uitvoering kan worden gegeven”. Gevolg hiervan is dat de Vlaamse Gemeenschap niet optreedt als “derde betaler” en dat zevende verzoekster, zo zij zich daarbij neerlegt, de financiële gevolgen van de vaste benoeming zelf moet dragen. De exceptie mist feitelijke grondslag. 10.
- In de memorie van antwoord in beide zaken werpt verwerende partij op dat het bewijs niet wordt voorgelegd dat inderdaad tot een vaste benoeming is besloten. De memories van wederantwoord gaan niet in op deze exceptie. In het auditoraatsverslag wordt ze ook niet besproken. Ze wordt in de laatste memories wel uitdrukkelijk herhaald. 10.
- De twijfel die verwerende partij thans uitspreekt, heeft de minister er dan toch niet van weerhouden om aan de vaste benoeming van eerste en tweede verzoekster uiteindelijk toch uitwerking te verlenen. Waar de minister niet twijfelt dat verzoekende partijen hebben gehandeld zoals zij beweerden ter zake van die benoemingen, ziet de Raad van State ook geen reden om te twijfelen aan het waarheidsgehalte voor wat de andere benoemingen betreft. De exceptie wordt niet aangenomen. VII. Onderzoek van de middelen
- In het auditoraatsverslag is enkel de ontvankelijkheid van de beroepen onderzocht. Er is reden om een aanvullend onderzoek van de middelen te gelasten. XII-5002-7\8 BESLISSING
- De zaken A. 180.690/XII-5002 en A. 180.691/XII-5001 worden samengevoegd.
- De Raad van State verwerpt de beroepen in zoverre ze betrekking hebben op de weigering van de Vlaamse Gemeenschap om aan de vaste benoeming van Anne Engel en van Candice Braekers in het ambt van onderwijzer uitwerking te verlenen.
- De debatten worden heropend voor het overige.
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 180.690/XII- 5002, in zoverre ze uitgaat van Anne Engel en Candice Braekers, begroot op 700 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 26 november 2009, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Johan Lust, staatsraad, Geert Van Haegendoren, staatsraad, met bijstand van Frank Bontinck, griffier. De griffier, De voorzitter, Frank Bontinck Dierk Verbiest XII-5002-8\8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.244 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.