← België

Arrest 198303 - Wegverkeer van goederen - 30/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.303 Rolnummer: A. 175037/IX-5378 Zaak: Arrest 198303 - Wegverkeer van goederen - 30/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-09 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:56 Fiche Arrest nr 198.303 van 30 november 2009 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. IXe KAMER nr. 198.303 van 30 november 2009 in de zaak A. 175.037/IX-5378 In zake : 1. Jean BECAERT wonende te Poperinge Woestenweg 22 bus a 2. de BVBA BECATRANS gevestigd te Ieper Grote Branderstraat 24 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Mobiliteit --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 18 juli 2006, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 23 mei 2006 van de minister van Mobiliteit waarbij de vervoersvergunningen van de BVBA BECATRANS worden ingetrokken. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Alexander Van Steenberge heeft op 23 maart 2009 een verslag opgemaakt. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. Met een beschikking van 29 juli 2009 is de datum van de terechtzitting vastgesteld op 5 oktober 2009 . Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. IX-5378-1/9 Adviseur Luc Cloet, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Adjunct-auditeur Alexander Van Steenberge, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Wetgevend kader en feiten 3.1. De wet van 3 mei 1999 betreffende het vervoer van zaken over de weg (hierna: de wet van 3 mei 1999) bevat onder meer de volgende bepalingen met betrekking tot de toegang tot en uitoefening van het beroep van ondernemer van vervoer van zaken over de weg: “HOOFDSTUK I. - Voorwaarden. Art. 7. Elke onderneming die het beroep van ondernemer van vervoer van zaken over de weg wenst uit te oefenen of dat beroep uitoefent, moet voldoen aan de bij of krachtens deze wet gestelde voorwaarden inzake betrouwbaarheid, vakbekwaamheid en financiële draagkracht. HOOFDSTUK II. - Betrouwbaarheid. Art.8. § 1. Indien de onderneming een natuurlijke persoon is, voldoet zij aan de voorwaarde van betrouwbaarheid wanneer : 1/ noch deze natuurlijke persoon, noch de door hem eventueel aangewezen personen om de in artikel 3, 1/ en 2/ bedoelde werkzaamheden van de onderneming te leiden, in België of in het buitenland een in kracht van gewijsde gegane ernstige strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen; 2/ geen enkele van de in 1/ bedoelde personen in België of in het buitenland in kracht van gewijsde gegane ernstige strafrechtelijke veroordelingen heeft opgelopen wegens inbreuken op de voorschriften inzake :

  1. a)de veiligheid van de voertuigen, alsook de massa's en afmetingen van deze voertuigen;
  2. b)de bescherming van het milieu tegen de verschillende verontreinigingen die uit de uitoefening van het beroep van ondernemer van vervoer van zaken over de weg voortvloeien;
  3. c)de politie over het wegverkeer;
  4. d)de rij- en rusttijden van de bestuurders van voertuigen en het gebruik van de tachograaf;
  5. e)het vervoer van zaken over de weg tegen vergoeding;
  6. f)de in het beroep van ondernemer van vervoer van zaken over de weg geldende loon- en arbeidsvoorwaarden; IX-5378-2/9
  7. g)de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorvoertuigen;
  8. h)de accijnstarieven voor minerale olie; 3/ deze natuurlijke persoon geen verbod is opgelegd om een koopmansbe- drijf uit te oefenen krachtens het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen. § 2. Indien de onderneming geen natuurlijke persoon is, voldoet zij aan de voorwaarde van betrouwbaarheid wanneer geen enkele van de personen belast met het dagelijks bestuur van de onderneming en geen enkele van de personen aangewezen om de in artikel 3, 1/ en 2/ bedoelde werkzaamheden van de onderneming te leiden : 1/ een veroordeling heeft opgelopen als bedoeld in § 1, 1/; 2/ veroordelingen heeft opgelopen als bedoeld in § 1, 2/; 3/ een verbod heeft opgelopen krachtens het in § 1, 3/ bedoelde koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934. Wanneer een rechtspersoon belast is met het dagelijks bestuur van de onderneming, is de in het eerste lid vermelde voorwaarde eveneens van toepassing op alle natuurlijke personen die zijn aangewezen om deze rechtsper- soon te leiden. § 3. Voor de toepassing van de in § 1, 1/ bedoelde bepalingen wordt als een ernstige strafrechtelijke veroordeling beschouwd : 1/ elke strafrechtelijke veroordeling die aanleiding heeft gegeven tot een geldboete van meer dan vierduizend euro of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden; 2/ elke strafrechtelijke veroordeling die aanleiding heeft gegeven tot een geldboete van meer dan tweeduizend euro maar die vierduizend euro niet overschrijdt, of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan drie maanden maar die zes maanden niet overschrijdt en waarvoor de minister of zijn gemachtigde in het betrokken geval een ongunstige beoordeling geeft. § 4. Voor de toepassing van de in § 1, 2/ bedoelde bepalingen worden als ernstige strafrechtelijke veroordelingen wegens inbreuken op de genoemde voorschriften beschouwd : 1/ wanneer geen enkele strafrechtelijke veroordeling in het buitenland werd opgelopen :
  9. a)het geheel van strafrechtelijke veroordelingen die samen aanleiding hebben gegeven tot een totale geldboete van meer dan tweeduizend euro of tot een totale hoofdgevangenisstraf van meer dan vier maanden;
  10. b)het geheel van strafrechtelijke veroordelingen die samen aanleiding hebben gegeven tot een totale geldboete van meer dan duizend euro maar die tweeduizend euro niet overschrijdt, of tot een hoofdgevang- enisstraf van meer dan drie maanden maar die vier maanden niet overschrijdt en waarvoor de minister of zijn gemachtigde in het betrokken geval een ongunstige beoordeling geeft; 2/ wanneer een of meer strafrechtelijke overtredingen in het buitenland werden opgelopen : (...) § 5. Voor de toepassing van de §§ 1 tot 4 gelden tevens de volgende bepalingen : 1/ er wordt geen rekening gehouden met :
  11. a)veroordelingen tot een geldboete die niet hoger is dan vijfenzeventig euro of tot een hoofdgevangenisstraf die niet hoger is dan vijftien dagen; IX-5378-3/9
  12. b)straffen of gedeelten van straffen met uitstel indien de geldboete minder dan duizend euro of de hoofdgevangenisstraf minder dan drie maanden bedraagt; 2/ bij de strafrechtelijke geldboeten worden de opdeciemen buiten beschouwing gelaten; (...).” Het koninklijk besluit van 7 mei 2002 betreffende het vervoer van zaken over de weg (hierna: het koninklijk besluit van 7 mei 2002) geeft uitvoering aan deze wet. Met betrekking tot de intrekking van vervoersvergunningen bepaalt dit besluit: “Art. 26. § 1. De vergunning nationaal vervoer of de vergunning communau- tair vervoer wordt door de Minister of zijn gemachtigde ingetrokken drie maanden nadat hij aan de betrokken onderneming heeft betekend dat zij niet meer voldoet aan de in titel II, hoofdstuk I bedoelde voorwaarde van betrouw- baarheid. (...) Art. 27. § 1. Voorafgaand aan elke beslissing tot intrekking van een vergunning nationaal vervoer of van een vergunning communautair vervoer, moet de Minister of zijn gemachtigde de betrokken onderneming de mogelijk- heid bieden om haar opmerkingen kenbaar te maken. § 2. Elke beslissing tot intrekking van een vergunning nationaal vervoer of van een vergunning communautair vervoer moet aan de betrokken onderneming worden betekend bij een ter post aangetekende brief. Art. 28. In geval van intrekking van het origineel of van een kopie van een vergunning nationaal vervoer of een vergunning communautair vervoer, moet de onderneming dit origineel of deze kopie onmiddellijk bij een ter post aangetekende zending aan de Minister of zijn gemachtigde terugzenden. (...).” 3.2. De eerste verzoekende partij, groothandelaar in aardappelen, heeft samen met zijn echtgenote in 1992 de tweede verzoekende partij opgericht, die onder meer tot doel heeft “het transport zowel in binnen- als in buitenland, van allerlei producten, voornamelijk agrarische”. De eerste verzoekende partij is zaakvoerder van de tweede verzoekende partij. 3.3. Met een brief van 5 december 2005 vraagt de verwerende partij aan de tweede verzoekende partij, met het oog op de actualisering van haar dossier en de vernieuwing van haar vervoersvergunning, om een getuigschrift over te maken IX-5378-4/9 van goed gedrag en zeden op naam van de eerste verzoekende partij, bestemd voor het uitoefenen van een activiteit van goederenvervoer over de weg. 3.4. De Stad Poperinge levert op 17 december 2005 een getuigschrift af van goed zedelijk gedrag van de eerste verzoekende partij. Hierin wordt onder meer melding gemaakt van een veroordeling op 26 mei 1995 door het hof van beroep te Gent wegens heling waarbij een gevangenisstraf van 2 jaar met uitstel gedurende 5 jaar en een geldboete van 10.000 BEF of 3 maanden vervangende gevangenisstraf werd opgelegd. Ook wordt daarin melding gemaakt van een veroordeling op 19 mei 2005 door de correctionele rechtbank te Ieper wegens verschillende inbreuken met betrekking tot de rijrusttijden van de bestuurders en het gebruik van de tachograaf, waarbij een geldboete van 1000 euro x 5,0 hetzij 5000 euro of 3 maanden vervangende gevangenisstraf werd opgelegd. Uit het vonnis blijkt dat de eerste verzoekende partij tot een geldboete werd veroordeeld van 1000 euro verhoogd met 40 opdeciemen, wat omgerekend neerkomt op 5000 euro. 3.5. Met een brief van 5 januari 2006 meldt de verwerende partij aan de tweede verzoekende partij dat zij gelet op de strafrechtelijke veroordelingen van haar zaakvoerder niet langer aan de voorwaarde van de betrouwbaarheid voldoet. De verwerende partij maakt haar voornemen kenbaar om alle vervoersvergunningen van de tweede verzoekende partij overeenkomstig artikel 26, § 1, van het koninklijk besluit van 7 mei 2002 betreffende het vervoer van zaken over de weg, in te trekken. Aan de verzoekende partijen wordt gevraagd om hun standpunt mee te delen. 3.6. Met een brief van 9 januari 2006 protesteren de verzoekende partijen tegen het voornemen om de vervoersvergunningen in te trekken, vermits dit zou leiden tot een faillissement. In de brief wordt niet betwist dat de tweede verzoekende partij niet langer aan de eisen van betrouwbaarheid voldoet, maar wordt om genade verzocht gelet op de belangen van de werkgever, de personeelsle- den en de schuldeisers die op het spel staan. In de brief wordt ook meegedeeld dat de eerste verzoekende partij bereid is om de zaak persoonlijk te komen toelichten. 3.7. Met een brief van 16 januari 2006 deelt de verwerende partij mee dat de minister of zijn gemachtigde de vervoersvergunningen moet intrekken van IX-5378-5/9 zodra blijkt dat de normen bepaald in artikel 8 van de wet van 3 mei 1999 worden overschreden. 3.8. Met een brief van 23 mei 2006 wordt aan de tweede verzoekende partij meegedeeld dat haar vervoersvergunningen worden ingetrokken. Dit is de bestreden beslissing, die luidt als volgt : “Per aangetekende brief van 5 januari 2006 heb ik u laten weten dat uw onderneming niet voldoet aan de voorwaarde van betrouwbaarheid bepaald bij artikel 8 van de wet van 3 mei 1999 betreffende het vervoer van zaken over de weg. U bent immers op 26 mei 1995 veroordeeld tot 2 jaar gevangenisstraf met uitstel en tot een geldboete van 10.000 F wegens heling en op 19 mei 2005 tot een geldboete van 5.000 euro wegens inbreuken m.b.t. de rij- rusttijden van de bestuurders en het gebruik van de tachograaf. Op 16 januari 2006 heb ik aan uw advocaat, de heer J.P. DUYCK, laten weten dat de intrekking van de vervoersvergunning verplicht is wanneer de normen bepaald in artikel 8 van de bovenvermelde wet worden overschreden. Derhalve worden al uw vervoersvergunningen ingetrokken krachtens artikel 26, § 1, van het KB van 7 mei 2002 betreffende het vervoer van zaken over de weg; zij moeten mij overeenkomstig artikel 28 van voornoemd koninklijk besluit onmiddellijk aangetekend worden teruggezonden.” 3.9. Op 2 oktober 2009 verstuurt de verwerende partij een faxbericht naar de Raad van State met de volgende inhoud: “(...) In het kader van de beoordeling van het actueel belang van BVBA BECATRANS, tweede verzoekende partij in voorliggende zaak, wordt hierbij een bundel met documenten bezorgd waaruit blijkt dat de toestand inzake de vervoersvergunningen sinds 13 juli 2007 geregulariseerd werd en tot op heden helemaal in orde is. Deze informatie wordt meegedeeld met het oog op de behandeling ter zitting maandag a.s. Meester J.-P. DUYCK, raadsman van verzoekende partijen, ontvangt nog deze namiddag dezelfde informatie via fax. Met eerbied, Namens de Staatssecretaris voor Mobiliteit, Voor de verantwoordelijke van de Juridische Dienst, (...)” IV. Ontvankelijkheid van het beroep IX-5378-6/9 4. Artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuurs- rechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Het belang moet bestaan, niet alleen op het ogenblik van het instellen van het beroep, maar ook bij de uitspraak daarover. 5. In het auditoraatsverslag wordt ambtshalve een exceptie van onontvankelijkheid opgeworpen wegens het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van de eerste verzoekende partij. De exceptie wordt als volgt uitgewerkt: “Het persoonlijk en rechtstreeks karakter van het belang houdt in dat de eerste verzoekende partij zich in een bepaalde rechtsverhouding ten opzichte van de bestreden beslissingen moet bevinden. Er moet een voldoende geïndivi- dualiseerde band bestaan tussen de bestreden beslissingen en de verzoekende partij zelf. Enkel diegene die de vergunningen heeft aangevraagd, kan op ontvankelijke wijze de weigering van deze beslissingen aanvechten, ook al hebben derden misschien een eigen persoonlijk belang bij het verkrijgen van die vergunningen. Wanneer een vennootschap of vereniging nadeel ondervindt van een administratieve beslissing, komt het aan de vennootschap of vereniging toe om zich tegen die beslissingen te verzetten.” 6. Uit het administratief dossier blijkt dat de vergunningen die door de bestreden beslissingen zijn ingetrokken, werden toegekend aan de tweede verzoekende partij. Hiertoe kan inzonderheid verwezen worden naar een brief van 5 januari 2006 van de verwerende partij. Bijgevolg is het beroep van de eerste verzoekende partij niet ontvankelijk wegens het ontbreken van het rechtens vereiste rechtstreeks belang en is de ambtshalve aangevoerde exceptie gegrond. 7. De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van de tweede verzoekende partij die titularis was van de vervoersver- gunningen, die door de bestreden beslissing werden ingetrokken. Uit de uiteenzetting van de verwerende partij blijkt dat de vergunningstoestand van de tweede verzoekende partij volledig geregulariseerd is, IX-5378-7/9 zodat de bestreden beslissing voor haar sinds 13 juli 2007 geen enkel nadelig gevolg meer heeft. Wat betreft het belang bij het beroep in de mate de bestreden beslissing gedurende een bepaalde periode uitwerking gehad heeft, stelt de Raad van State vast dat de tweede verzoekende partij niet aangetoond heeft welk concreet voordeel zij op dit ogenblik van een vernietigingsarrest nog verwacht. Haar afwezigheid ter terechtzitting toont minstens aan dat zij geen belangstelling meer heeft voor de gewone behandeling van het beroep. 9. In de gegeven omstandigheden moet worden besloten dat de tweede verzoekende partij niet langer beschikt over het rechtens vereiste actueel belang bij haar beroep. Bijgevolg is de exceptie van de verwerende partij gegrond. 10. Het voorliggende beroep tot nietigverklaring is niet ontvankelijk. 11. Gelet op de omstandigheden eigen aan de zaak komt het passend voor de kosten ten laste te leggen van de verwerende partij. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. IX-5378-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 30 november 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5378-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.303 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.