id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.306 Rolnummer: A. 155040/IX-4635 Zaak: Arrest 198306 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 30/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-09 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:56 Fiche Arrest nr 198.306 van 30 november 2009 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 198.306 van 30 november 2009 in de zaak A. 155.040/IX-4635 In zake : Désiré WITHOFS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Vincent De Wolf en Philippe Simonart beiden kantoor houdend te Brussel Guldenvlieslaan 68/9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE MAATSCHAPPIJ VOOR WATERVOORZIE- NING (VMW) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te Beringen Scheigoorstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 24 augustus 2004, strekt tot de nietigverklaring van : - “de beslissing van de raad van bestuur van de VMW [...] d.d. 18.06.2004 waarbij aan [de verzoeker] een vertraagde loopbaan toegekend werd voor het evaluatiejaar 2003”; - “de functioneringsevaluatie d.d. 04.03.2004 ter vervanging van de functionerings- evaluatie d.d. 19.02.2004 die met bovengenoemde beslissing in samenhang is en waarop bovengenoemde beslissing gesteund is”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. IX-4635-1/15 De verzoeker en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 november
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bertrand Heymans, die loco advocaat Vincent De Wolf en Philippe Simonart, verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Joris Gebruers, die loco advocaat Wim Mertens, verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Jurgen Neuts, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies verleend. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker adjunct-afdelingschef bij de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening (hierna : VMW). Hij oefent er de functie van tekenaar uit. 3.
- Op 11 september 2003 heeft tussen de verzoeker en zijn evaluatoren een planningsgesprek plaats met betrekking tot de evaluatieperiode
- 3.
- Op 19 februari 2004 volgt het evaluatiegesprek. De evaluatoren stellen een evaluatieverslag op, waarin zij besluiten tot de evaluatie “onvoldoende”. Zij stellen voor aan de verzoeker “omwille van zijn onregelmatig presteren [...] een vertraagde loopbaan toe te kennen voor het jaar 2003”. Ter motivering wordt voorts vermeld : “Het uitvoeren van tekenopdrachten duurt te lang. Hij werkt niet nauwkeurig en maakt regelmatig fouten (zie schetsen als bijlage). Hij is met zijn gedachten niet bij het werk. IX-4635-2/15 Hij geeft de indruk weinig voldoening te vinden in de uit te voeren taken. Hij valt in slaap achter zijn toestel waarvoor er een nota opgesteld is op 27-10-
- Zijn onaanvaardbaar gedrag en onvoldoende presteren beantwoorden niet aan zijn doelstellingen en zijn functieomschrijving. Dit is niet bevorderlijk voor de samenwerking op het tekenbureau.” Nadat de verzoeker op 1 maart 2004 tegen deze beslissing beroep heeft ingesteld bij de raad van beroep voor sommige Vlaamse openbare instellingen, wordt een nieuw evaluatieverslag opgesteld, ter vervanging van het evaluatieverslag van 19 februari 2004 waarop volgens de verwerende partij bij vergissing de eindbeoordeling “onvoldoende” werd aangekruist. Vervolgens trekt de verzoeker zijn beroep tegen de beslissing van 19 februari 2004 in. Het tweede evaluatieverslag, door de evaluatoren van de verzoeker ondertekend op 4 maart 2004, weigert de verzoeker voor ontvangst te ondertekenen. Deze nieuwe evaluatie is de tweede bestreden beslissing. 3.
- Op 9 maart 2004 zendt de directeur-generaal van de VMW een brief met de volgende inhoud naar de verzoeker : “Ik deel u mede dat de Directieraad op 27/02/2004 voor het evaluatiejaar 2003 een voorstel tot loopbaanvertraging tegenover u heeft ontvangen. Dit voorstel werd geformuleerd door de heren [R.S.], sectorchef, en [J.D.R.], afdelingsadviseur, die optreden respectievelijk als eerste en tweede evaluator. Conform artikel VIII 57 van het personeelsstatuut wordt de beslissing tot loopbaanvertraging genomen door de Directieraad. Op uw verzoek kan u worden gehoord door de Directieraad vooraleer deze een beslissing neemt. [...]”. 3.
- Op zijn vraag wordt de verzoeker op 2 april 2004 door de directieraad gehoord. Dezelfde dag nog beslist de directieraad om de verzoeker een loopbaanvertraging op te leggen voor het jaar
- Deze beslissing wordt met een aangetekende brief van 15 april 2004 aan de verzoeker betekend. 3.
- Tegen de voormelde beslissing van 2 april 2004 stelt de verzoeker beroep in bij de raad van beroep voor sommige Vlaamse openbare instellingen. Deze raad adviseert op 19 mei 2004 met eenparigheid van stemmen dat het beroep gegrond is en dat derhalve de beslissing tot loopbaanvertraging niet gegrond is. Dit advies steunt onder meer op de volgende motieven : IX-4635-3/15 “
- (on)gegrondheid van het beroep Het statuut voorziet in artikel VIII dat de functioneringsevaluatie op zorgvuldige wijze dient te gebeuren (9 § 1) en dat in het begin van de evaluatieperiode (die loopt van 1 januari tot 31 december) de geëvalueerde met de eerste evaluator de concrete verwachtingen bespreekt ten aanzien van de resultaten en het functioneren (10 § 3). Uit artikel VIII 12, 2/, van het statuut blijkt welk belang gehecht wordt aan de beschrijving van de verwachtingen ten aanzien van de resultaten en het functioneren bij het begin van de evaluatieperiode. In casu vond voor de eerst maal op 11 september 2003 een planningsgesprek plaats met de heer Withofs. De Raad is van mening dat dit ruimschoots te laat is, nu de verwachtingen voor het functioneren voor het eerst werden geformuleerd wanneer het jaar reeds voor bijna 3/4de voorbij was en het voor de heer Withofs vanzelfsprekend zeer moeilijk was om te weten wat van hem juist verwacht werd in de periode voorafgaand aan 11 september
- Eveneens maakt deze werkwijze het voor de geëvalueerde bijzonder moeilijk om eventuele gedragingen bij te sturen en de geformuleerde doelstellingen te behalen wanneer deze laattijdig worden ter kennis gebracht. Dit wijst tevens op de nonchalante wijze waarop de VMW is omgesprongen met de evaluatieprocedure die haar door het statuut wordt opgelegd. Dat het eerste planningsgesprek zo laat plaatsvond vindt zijn rechtvaardiging niet in bijzondere omstandigheden, zoals een onvoorziene wijziging in de doelstellingen of de organisatie van de werkzaamheden, zoals voorzien in artikel VIII 10 § 4 van het statuut. De doelstellingen die in het planningsgesprek waren voorzien waren trouwens zeer algemeen geformuleerd, zodat niets er voor de VMW aan in de weg stond deze doelstellingen bij het begin van de evaluatieperiode op te maken en aan de heer Withofs ter kennis te brengen, wat overigens ter zitting van deze Raad door de vertegenwoordigers van de VMW wordt toegegeven. Tekenend voor de onverantwoorde handelwijze van de VMW is onder meer het gegeven dat volgens de 2de doelstelling de voorbereidende taken voor het zogenaamde AIM-programma op 1 september moesten in orde zijn, hetzij dus op een tijdstip waarop de doelstellingen niet eens aan de heer Withofs waren ter kennis gebracht (dit gebeurde immers pas op 11 september). Verder heeft er geen enkel functioneringsgesprek plaatsgevonden na het planningsgesprek van 11 september 2003 zodat het voor de heer Withofs onmogelijk was bijsturingen te doen wanneer dit vereist zou geweest zijn. De evaluatie en ook de beslissing tot loopbaanvertraging is grotendeels gesteund op een nota van 27 oktober
- De Raad stelt echter vast dat die nota door de heer Withofs niet voor kennisneming is getekend, zodat er in toepassing van artikel VIII 13 van het statuut geen rekening mee kan gehouden worden. IX-4635-4/15 Ter zitting van 19 mei 2004 beweren de vertegenwoordigers van de VMW dat zij die nota diezelfde dag nog persoonlijk aan de heer Withofs hebben overhandigd. Nazicht van de staat van verloven die de heer Withofs in 2003 heeft opgenomen [...] leert evenwel dat hij op 27 oktober 2003 ziek was en bijgevolg die nota die dag niet heeft kunnen ontvangen of ondertekenen. Ook met de procedure van loopbaanvertraging heeft de VMW een loopje genomen. Nadat het eerste evaluatieverslag van 19 februari 2004 was ingetrokken en vervangen door dat van 4 maart 2004 heeft de directieraad bij brief van 9 maart aan de heer Withofs gemeld dat zij vanwege de evaluatoren op 27 februari 2004 een voorstel tot loopbaanvertraging had ontvangen. Dit komt erop neer dat nog vóór het evaluatieverslag was opgemaakt, reeds een voorstel tot loopbaanvertraging was geformuleerd. Dit is nochtans slechts mogelijk nadat de gehele evaluatieprocedure is afgewerkt. Vermits het eerste evaluatieverslag was ingetrokken -en derhalve als onbestaande moet worden aangezien- kon niet op regelmatige wijze een voorstel tot loopbaanvertraging geformuleerd worden vooraleer het nieuwe evaluatieverslag was opgemaakt en de termijn voor het formuleren van opmerkingen verstreken was. Ook hier is de VMW dus ernstig in gebreke gebleven. Gelet op de hiervoor aangehaalde schending van de door het statuut voorgeschreven regels van de evaluatieprocedure en die voor het nemen van een beslissing tot loopbaanvertraging, is de Raad van oordeel dat de VMW ten onrechte beslist heeft tot een loopbaanvertraging voor de heer Withofs.” 3.
- Op 18 juni 2004 beslist de raad van bestuur van de VMW om aan de verzoeker een loopbaanvertraging op te leggen voor het evaluatiejaar
- Deze beslissing wordt als volgt gemotiveerd : “[...] Overwegende dat in het advies van de Raad van Beroep wordt gesteld dat de heer D. Withofs te laat in kennis werd gesteld van zijn planning zodat hij onvoldoende tijd had om zijn gedragingen bij te sturen en de gestelde doelstellingen vooralsnog te behalen; Overwegende dat echter in de planning van de heer Désiré Withofs voor 2003 een aparte doelstelling werd opgenomen, luidend als volgt : ‘Door zelfdiscipline er voor zorgen dat de werktijd zo effectief mogelijk benut wordt. Geen persoonlijke activiteiten tijdens de diensturen (krant lezen, kletsen) en er op letten dat ’s morgens en ’s avonds niet te veel tijd verloren wordt.’; IX-4635-5/15 Overwegende dat het feit dat in de planning 2003 duidelijke negatieve opmerkingen over de attitude van de heer Désiré Withofs zijn opgenomen als aparte doelstelling, erop wijst dat zijn prestaties en gedragingen te wensen overlieten en dat het noodzakelijk was dat deze werden bijgestuurd; Overwegende dat betrokkene onweerlegbaar hiervan kennis heeft genomen bij het ontvangen van zijn planning in september 2003; Overwegende dat de evaluatie is opgesteld in februari 2004 zodat er na de planning nog ruim vijf maanden zijn verstreken en de heer Désiré Withofs nog ruimschoots de tijd had om zijn prestaties bij te sturen zoals aangegeven in zijn planning; Overwegende dat uit het evaluatieverslag duidelijk naar voor komt dat de heer Désiré Withofs vooral door een gebrek aan organisatie, orde en nauwkeu- righeid niet het vooropgestelde rendement behaalde en dat hij zelfs geen rekening heeft gehouden met de in zijn planning opgenomen opmerking dat er geen krant wordt gelezen in de tekenzaal; Overwegende dat conform de door de Raad van Bestuur op algemene wijze vastgestelde criteria een normale loopbaan wordt toegekend aan personeelsle- den die een toegevoegde waarde opleveren voor de VMW en die hun taken in alle omstandigheden correct, tijdig, kwaliteitsvol en met zin voor verantwoor- delijkheid uitvoeren; Overwegende dat duidelijk blijkt dat de prestaties van de heer Désiré Withofs niet beantwoorden aan deze criteria voor normale loopbaan, maar wel aan de criteria voor toekenning van een loopbaanvertraging, met name het niet behalen van de verwachte afgesproken resultaten, niettegenstaande de gemaakte afspraken [...]”. Dit is de eerste bestreden beslissing. Ze wordt met een aangete- kende brief van 25 juni 2004 aan de verzoeker betekend. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat het beroep onontvankelijk is ratione materiae, in zoverre het gericht is tegen “de functioneringsevaluatie d.d. 04.03.2004 ter vervanging van de functioneringsevalua- tie d.d. 19.02.2004”. Zij laat gelden dat de functioneringsevaluatie geen eindbeslissing is, maar dat er integendeel een beroep bij de raad van beroep tegen openstaat, waarna de raad van bestuur een definitieve beslissing dient te nemen. De verzoeker heeft te dezen van die beroepsmogelijkheid overigens gebruik gemaakt. IX-4635-6/15 4.
- De verzoeker merkt in zijn memorie van wederantwoord op dat “de beroepstermijnen en de procedure niet vermeld zijn in de notificatie van de tweede bestreden handeling” en dat “die afwezigheid gebeurt in tegenstrijd met artikel 19, alinea 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State”. 4.3.
- Krachtens artikel VIII 10, § 6, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 december 2000 houdende de organisatie van de Vlaamse Maatschap- pij voor Watervoorziening en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna : het Personeelsstatuut VMW) resulteert de functioneringsevaluatie in een beschrijvend verslag dat geen samenvattende waardering of einduitspraak over de geëvalueerde bevat, behalve indien de evaluatoren oordelen dat hij de vermelding “onvoldoende” verdient. Indien de evaluatie niet resulteert in een vermelding “onvoldoen- de”, is ze derhalve in beginsel geen grievende beslissing en kan ze als zodanig niet met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State worden bestreden. 4.3.
- De evaluatie kan echter, zoals te dezen, aanleiding geven tot een beslissing tot loopbaanvertraging Artikel VIII 57 het Personeelsstatuut VMW bepaalt dienaangaan- de het volgende : “Art. VIII
- §
- De beslissing tot loopbaanvertraging wordt genomen door de directieraad voor 1 juli van het jaar volgend op het evaluatiejaar bedoeld in artikel VIII 16; zij heeft uitwerking op 1 juli van het jaar volgend op het evaluatiejaar en heeft effect op de daaropvolgende twaalf maanden. §
- Het statutaire personeelslid wordt in kennis gesteld dat zijn evaluatie aanleiding kan geven tot loopbaanvertraging en wordt door de directieraad op zijn vraag gehoord vooraleer deze een gemotiveerde beslissing neemt over de loopbaanvertraging. [...]” De beslissingsbevoegdheid inzake het opleggen van een loopbaanvertraging berust dus niet bij de evaluatoren zelf, maar bij de directieraad. De evaluatoren kunnen slechts een voorstel tot loopbaanvertraging formuleren. Een dergelijk voorstel is louter voorbereidend en kan derhalve evenmin met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State worden bestreden. Krachtens artikel VIII 20 van het Personeelsstatuut VMW kan de betrokkene tegen de beslissing tot loopbaanvertraging beroep instellen bij de raad IX-4635-7/15 van beroep, die een met redenen omkleed advies dient uit te brengen. De definitieve beslissing wordt vervolgens door de raad van bestuur genomen. De definitieve beslissing van de raad van bestuur, te dezen de beslissing van 18 juni 2004 van de raad van bestuur van de VMW waarbij aan de verzoeker een loopbaanvertraging wordt opgelegd voor het evaluatiejaar 2003, is wél een aanvechtbare beslissing. 4.3.
- Uit het voorgaande volgt dat de exceptie gegrond is. Het beroep is derhalve niet ontvankelijk in zoverre het gericht is tegen “de functioneringsevaluatie d.d. 04.03.2004 ter vervanging van de functione- ringsevaluatie d.d. 19.02.2004”, dit is de tweede bestreden beslissing. 5.
- In haar laatste memorie werpt de verwerende partij nog een exceptie van onontvankelijkheid op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste actuele belang in hoofde van de verzoeker. Zij voert aan dat de verzoeker op diens vraag sinds 1 januari 2006 is tewerkgesteld als tekenaar bij de provinciale directie Vlaams-Brabant. Deze overplaatsing werd eerst op proef doorgevoerd en werd inmiddels na een gunstige evaluatie van verzoekers proefperiode definitief. Bovendien werd de verzoeker vanaf 1 mei 2006 in een hogere salarisschaal ondergebracht. De verwerende partij stelt ten slotte dat pas na twee opeenvolgende ongunstige evaluaties de afdanking dreigt. 5.
- Een beslissing tot loopbaanvertraging houdt onmiskenbaar een negatieve beoordeling van de betrokken ambtenaar in, en vormt aldus een afkeuring van de wijze waarop deze zijn functie uitoefent. Dergelijke beslissing kan door de betrokkene als moreel krenkend worden ervaren. De verzoeker kan dan ook nog steeds een moreel belang bij zijn beroep laten gelden. De omstandigheid dat de verzoeker inmiddels zijn overplaatsing heeft aangevraagd en verkregen en dat hij in een hogere salarisschaal is ondergebracht, doet aan dat moreel belang geen afbreuk. Deze exceptie kan derhalve niet worden aangenomen. IX-4635-8/15 IX-4635-9/15 V. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen 6.
- De verzoeker voert onder meer een eerste middel aan, afgeleid uit de schending van artikel VIII 10, §§ 3 en 4, van het Personeelsstatuut VMW. Hij laat gelden dat het planningsgesprek voor het evaluatiejaar 2003 veel te laat heeft plaatsgehad, zonder dat dit door bijzondere omstandigheden wordt gerechtvaardigd. Het gesprek had plaats op 11 september 2003, zodat hij gedurende de periode voorafgaand aan die datum niet op de hoogte was van wat precies van hem werd verwacht. Evenmin was het voor hem mogelijk om zijn prestaties bij te sturen, aangezien geen bijkomend functioneringsgesprek meer werd gehouden. De verzoeker betoogt voorts dat het evaluatiegesprek op 19 februari 2004 slechts betrekking kon hebben op het laatste trimester van de evaluatieperiode
- De maanden januari en februari 2004 kwamen niet meer in aanmerking voor die evaluatie, in tegenstelling tot hetgeen door de bestreden beslissing wordt voorgehouden. 6.
- De verwerende partij laat in haar memorie van antwoord gelden dat de verwachtingen ten aanzien van haar personeelsleden opgenomen zijn in de functiebeschrijvingen, waarin de taken en verantwoordelijkheden van de functiehou- ders worden opgesomd. Dat is ook het geval voor de functie van tekenaar. In de desbetreffende functiebeschrijving wordt uitvoerig beschreven wat van een tekenaar wordt verwacht. De verwerende partij erkent dat de verwachtingen ten aanzien van de personeelsleden jaarlijks worden geconcretiseerd en dat dit voor wat het evaluatiejaar 2003 betreft pas op 11 september 2003 ten aanzien van de verzoeker is gebeurd. Zij voegt er echter aan toe dat tijdens het planningsgesprek van 11 september 2003 in essentie de taken zoals bepaald in de functiebeschrijving werden hernomen, “weliswaar iets meer geconcretiseerd”. Hoe dan ook kan de IX-4635-10/15 verzoeker volgens de verwerende partij niet staande houden dat hij te laat op de hoogte is gebracht van wat van hem werd verwacht. Voorts stelt de verwerende partij dat het toekennen van een loopbaanvertraging aan de verzoeker gemotiveerd is door het feit dat deze de hem toegekende tekenopdrachten niet tijdig en correct uitvoerde en dat zijn gedrag sociaal onaanvaardbaar was. Deze verwijten waren volgens de verwerende partij reeds sinds de planning voor het jaar 2002 door de verzoeker gekend. Ten slotte wijst de verwerende partij erop dat tussen het planningsgesprek en het evaluatiegesprek vijf maanden zijn verlopen en dat de verzoeker er in die tijdspanne niet in geslaagd is zichzelf bij te sturen. 6.
- De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat de functiebeschrijving niet dezelfde waarde en hetzelfde nut heeft als het plannings- gesprek dat bij het begin van elke evaluatieperiode moet plaatshebben. Een functiebeschrijving heeft immers slechts tot doel de profielvereisten voor een nog aan te werven werknemer te omschrijven. De functiebeschrijving die door de verwerende partij wordt voorgelegd, is de functiebeschrijving die geldt voor de aanwerving van een tekenaar in
- Volgens de verzoeker zijn de functiebeschrij- vingen bij elke aanwerving anders, zodat hij, reeds in dienst zijnde, geen kennis heeft gekregen van de functiebeschrijving waarop de verwerende partij zich nu beroept. De verzoeker beklemtoont ook dat de doelstellingen die hij uit vroegere planningen zou kennen, het planningsgesprek niet kunnen vervangen, aangezien de doelstellingen van het ene tot het andere jaar kunnen verschillen. 6.
- In haar laatste memorie herhaalt de verwerende partij dat de verzoeker reeds vóór het planningsgesprek van 11 september 2003 op de hoogte was van wat van hem werd verwacht, aangezien hij zulks kon afleiden uit de functiebe- schrijving van tekenaar. De verwerende partij stelt dat duidelijk blijkt dat in het planningsgesprek, weliswaar iets meer geconcretiseerd, de taken zijn hernomen die in de functiebeschrijving zijn vooropgesteld. Van verzoekers sociaal onaanvaard- baar gedrag werd reeds in de planning van 2002 gewag gemaakt, zodat betrokkene wist dat ook op dat vlak van hem verbetering werd verwacht. De beslissing tot loopbaanvertraging is gemotiveerd door het feit dat de tekenopdrachten niet tijdig en correct werden uitgevoerd en dat het gedrag van de verzoeker sociaal onaan- vaardbaar was, elementen die aan de verzoeker genoegzaam bekend waren, zo stelt de verwerende partij. IX-4635-11/15 Voorts betoogt de verwerende partij dat, zelfs indien moet worden aangenomen dat de verzoeker niet tijdig op de hoogte was van de verwachtingen die ten aanzien van hem werden gesteld, hij vijf maanden de tijd heeft gehad om zijn gedrag bij te sturen, wat hij heeft nagelaten te doen. Nochtans komen in de planning van 11 september 2003 elementen aan bod die de verzoeker op korte termijn kon bijsturen. Zo werd onder meer vooropgesteld dat de verzoeker zijn opdrachten diende uit te voeren binnen een termijn van 10 werkdagen na de ontvangst ervan. Bijgevolg kon reeds eind september 2003 en zeker in oktober 2003, worden vastgesteld of de verzoeker deze planning nakwam. Dat zulks niet het geval was, blijkt ook uit de nota die op 27 oktober 2003 door de sectorchef werd opgesteld met betrekking tot het functioneren van de verzoeker. Ten slotte laat de verwerende partij gelden dat het Personeelssta- tuut VMW niet in een uiterste datum voorziet voor het houden van een planningsge- sprek. De verzoeker kan niet ernstig voorhouden dat de omstandigheid dat de planning slechts heeft plaatsgehad op 11 september 2003 voor hem nadelen heeft gecreëerd, nu nergens wordt aangetoond dat enkel met het gedrag voorafgaand aan die datum rekening werd gehouden. Beoordeling 6.5.
- Artikel VIII 10, § 3, van het Personeelsstatuut VMW, luidt als volgt : “Art. VIII
- [...] §
- In het begin van elke evaluatieperiode, bespreekt de geëvalueerde met de 1/ evaluator de concrete verwachtingen ten aanzien van de resultaten en het functioneren. De formele vaststelling door de evaluatoren van deze verwach- tingen qua resultaten en functioneren dient ook schriftelijk aan de geëvalueerde te worden toegestuurd. Bij de planning van de prestaties wordt vertrokken van alle beschikbare informatie over de functie, zoals onder meer de resultaatgebieden en de functioneringscriteria, de resultaten van voorbije evaluaties en de doelstellingen van de entiteit. De geëvalueerde krijgt inzage in de functiebeschrijving en de doelstellingen van de eerste evaluator van de naasthogere rang.” 6.5.
- Te dezen heeft het planningsgesprek, dat luidens het voormeld artikel VIII 10, § 3, moet plaatshebben “in het begin van elke evaluatieperiode”, plaatsgehad op 11 september
- Aangezien de evaluatieperiode overeenkomstig IX-4635-12/15 artikel VIII 16, § 1, van het Personeelsstatuut VMW loopt van 1 januari tot en met 31 december, kan niet worden aangenomen dat het planningsgesprek in het begin van de evaluatieperiode heeft plaatsgehad. Dit wordt door de verwerende partij overigens niet betwist. Evenwel moet worden opgemerkt dat het tijdstip waarop het planningsgesprek moet plaatsvinden niet op straffe van nietigheid is voorgeschre- ven. Derhalve kan de miskenning van dit tijdstip slechts tot de vernietiging van de evaluatie en de daaruit voortvloeiende beslissingen leiden, indien uit de gegevens van de zaak blijkt dat de betrokken ambtenaar hierdoor werd benadeeld. 6.5.
- Bij de beoordeling van de mogelijke benadeling van de verzoeker, moet rekening worden gehouden met artikel VIII 8, § 1, van het Personeelsstatuut VMW, dat onder meer het volgende bepaalt : “Art. VIII
- §
- Voor de toepassing van deze titel van dit besluit wordt verstaan onder : 1/ de functioneringsevaluatie : het beoordelen van het functioneren van de functiehouder in de huidige functie ten opzichte van vooraf bepaalde verwachtingen. In het begin van de evaluatieperiode worden de verwachtingen ten aanzien van resultaten en functioneren bepaald (de planning). Na afloop van de evaluatieperiode worden de resultaten en het functioneren beoordeeld ten opzichte van deze verwachtingen (vaststelling van de evaluatie). [...]” De beslissing van 18 juni 2004 van de raad van bestuur van de VMW, waarbij aan de verzoeker een loopbaanvertraging wordt opgelegd, steunt in het bijzonder op de vaststelling “dat uit het evaluatieverslag duidelijk naar voor komt dat [de verzoeker] vooral door een gebrek aan organisatie, orde en nauwkeu- righeid niet het vooropgestelde rendement behaalde en dat hij zelfs geen rekening heeft gehouden met de in zijn planning opgenomen opmerking dat er geen krant wordt gelezen in de tekenzaal”. De bestreden beslissing refereert aldus aan de doelstellingen die tijdens het planningsgesprek van 11 september 2003 ten aanzien van de verzoeker werden geformuleerd. Het planningsdocument stelt onder meer als doelstellingen voorop “het tijdig en correct opmaken van nieuwe ontwerpen, er voor zorgen dat deze opdrachten volledig en correct zijn uitgetekend binnen de tien werkdagen na ontvangst”, “[er] door zelfdiscipline [...] voor zorgen dat de werktijd zo effectief mogelijk benut wordt” en “geen persoonlijke activiteiten [uitoefenen] tijdens de IX-4635-13/15 diensturen (krant lezen, kletsen) en er op letten dat ’s morgens en ’s avonds niet te veel tijd verloren wordt”. Het opleggen van een vertraagde loopbaan aan de verzoeker blijkt derhalve wezenlijk gesteund op een beoordeling van het functioneren van de verzoeker ten opzichte van doelstellingen die hem niet tijdig, dit wil zeggen niet “in het begin” van de evaluatieperiode, als een met het oog op zijn evaluatie opgemaak- te planning waren meegedeeld. Ingevolge de vertraging die werd opgelopen bij het planningsge- sprek, was het niet meer mogelijk om de verzoeker voor de betrokken evaluatieperi- ode op een regelmatige wijze te evalueren. Het is immers van essentieel belang dat de formele vaststelling van de verwachtingen op het vlak van het functioneren en de na te streven resultaten tijdig plaatsheeft, zodat de betrokkene de tijd wordt gegund om zijn functioneren daaraan aan te passen. Te dezen is die tijd voor de verzoeker, in verhouding tot de totale duur van de te evalueren periode, redelijker- wijze te kort geweest. 6.5.
- De verwerende partij argumenteert tevergeefs dat de verzoeker aan de hand van de functiebeschrijving van tekenaar op de hoogte was van datgene wat van hem werd verwacht, nu zij zelf erkent dat de concretisering van die algemene verwachtingen jaarlijks geschiedt in een zogenaamde planning en dat te dezen de verwachtingen ten aanzien van de verzoeker effectief in het planningsdo- cument van 11 september 2003 werden geconcretiseerd. Zo bevat dat planningsdocument onder meer een precieze tijdsaanduiding binnen dewelke de verzoeker de hem toegekende taken moest uitvoeren. Alleen al om die reden is een gelijkschakeling tussen de functiebeschrij- ving en het planningsdocument niet mogelijk. Met meer algemene functieomschrijvingen of planningsdocumen- ten van vroegere evaluatiejaren kan evident geen rekening worden gehouden. Het is immers niet op basis van die documenten dat de verzoeker dient te worden beoordeeld. Voorts kan het standpunt van de verwerende partij niet worden bijgevallen dat de verzoeker toch nog de mogelijkheid had om zijn gedrag bij te schaven en het vooropgestelde rendement te behalen in de periode tussen IX-4635-14/15 11 september 2003 en 19 februari 2004, datum van het evaluatiegesprek. De evaluatieperiode van 2003 liep overeenkomstig artikel VIII 16 van het Personeels- statuut VMW immers ten einde op 31 december 2003, wat betekent dat de planning pas werd opgemaakt en aan de verzoeker kenbaar gemaakt na verloop van méér dan 2/3 van de evaluatieperiode. Een evaluatie dient bovendien te gebeuren op grond van de prestaties gedurende het volledige evaluatiejaar. 6.5.
- Uit het voorgaande volgt dat de verzoeker nadeel heeft geleden uit de miskenning van artikel VIII 10, § 3, van het Personeelsstatuut VMW. Het eerste middel is dan ook in zoverre gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de raad van bestuur van de VMW van 18 juni 2004 waarbij aan Désiré Withofs een vertraagde loopbaan wordt toegekend voor het evaluatiejaar
- De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 30 november 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit : André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-4635-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.306 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.