id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.307 Rolnummer: A. 183032/IX-5640 Zaak: Arrest 198307 - Personeel van de rechterlijke orde - 30/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-09 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:56 Fiche Arrest nr 198.307 van 30 november 2009 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. IXe KAMER nr. 198.307 van 30 november 2009 in de zaak A. 183.032/IX-5640 In zake : Jozef VERHULST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd dor de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrick Peeters en Arne Vandaele kantoor houdend te Brussel Terhulpsesteenweg 177/6 bij wie woonplaats wordt gekozen tussenkomende partij : Guido MEYSMAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Lindemans kantoor houdend te Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 4 mei 2007, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 16 november 2006 waarbij Guido Meysman wordt aangewezen tot voorzitter van de arbeidsrechtbank te Dendermonde. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 174.519 van 17 september 2007 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. IX-5640-1/13 De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 8 januari
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 november
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Patrick Devers, die verschijnt voor de verzoeker, advocaat Arne Vandaele, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Frank Judo, die loco advocaat Dirk Lindemans verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- IX-5640-2/13 III. Feiten 3.
- In het Belgisch Staatsblad van 18 april 2006 wordt de vacante betrekking van voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde bekendgemaakt. De verzoeker en de tussenkomende partij dienen een kandidatuur in. De verzoeker is op dat ogenblik voorzitter van de genoemde rechtbank, in die functie benoemd bij koninklijk besluit van 13 januari
- De tussenkomende partij is op dat ogenblik ondervoorzitter in die rechtbank, in die functie benoemd bij koninklijk besluit van 31 augustus
- Over de kandidaten worden adviezen gegeven door de rechter van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde met de hoogste dienstanciënniteit (“zeer goed” voor beide kandidaten), door de Eerste Voorzitter van het Arbeidshof te Gent (“gunstig” voor beide kandidaten), en door de stafhouder van de Orde van advocaten te Dendermonde (“gunstig” voor de verzoeker, “zeer gunstig” voor de tussenkomende partij). Nadat de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie de twee kandidaten gehoord heeft, beslist zij op 9 september 2006 de tussenkomende partij voor de benoeming voor te dragen. Op 25 oktober 2006 legt de verzoeker bij de onderzoeksrechter te Dendermonde klacht neer met burgerlijke partijstelling tegen de stafhouder die het advies over zijn kandidatuur gegeven heeft, omdat er valsheid in geschriften gepleegd zou zijn. Bij koninklijk besluit van 16 november 2006 wordt de tussenkomende partij aangewezen tot het mandaat van voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde, voor een termijn van zeven jaar, ingaande op de datum van eedaflegging, welke niet vóór 1 april 2007 mag plaatsvinden. In de motieven van dit besluit wordt met instemming verwezen naar de motivering van de voordracht door de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, welke letterlijk wordt aangehaald. Bij aangetekend schrijven van 21 november 2006 wordt de verzoeker in kennis gesteld van die benoeming, en wordt hem medegedeeld dat het IX-5640-3/13 genoemde besluit in het Belgisch Staatsblad van 5 maart 2007 zal worden bekendgemaakt. Dat koninklijk besluit vormt het voorwerp van het voorliggend annulatieberoep. 3.
- Op 6 november 2007 wordt namens de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent aan de verzoeker medegedeeld dat met betrekking tot zijn klacht een beslissing tot buitenvervolgstelling werd genomen. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4.
- De verwerende partij voert aan dat het bestreden besluit bij aangetekende brief van 21 november 2006 aan de verzoeker ter kennis werd gebracht, maar dat hij pas op 4 mei 2007, meer dan vier maanden later, het onderhavig annulatieberoep ingesteld heeft. 4.
- Overeenkomstig artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State verjaart het beroep tot nietigverklaring zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad. Met een aangetekende brief van 21 november 2006 is aan de verzoeker medegedeeld dat de tussenkomende partij bij koninklijk besluit van 16 november 2006 tot voorzitter van de arbeidsrechtbank te Dendermonde werd aangewezen en dat die aanwijzing in het Belgisch Staatsblad van 5 maart 2007 zou worden bekendgemaakt. Deze brief kan evenwel niet beschouwd worden als de betekening van een individuele beslissing waardoor de termijn om annulatieberoep in te dienen een aanvang zou hebben genomen aangezien de beroepstermijn overeenkomstig artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts een aanvang neemt op voorwaarde dat bij de betekening van de individuele beslissing melding wordt gemaakt van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State alsmede van de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen. Het schrijven van 21 september 2006 bevat geen dergelijke vermeldingen. IX-5640-4/13 Het is een vast gebruik om koninklijke besluiten waarbij de voorzitter van een rechtbank wordt aangewezen in het Belgisch Staatsblad bekend te maken. Op grond daarvan wordt aangenomen dat die bekendmaking een openbaar nut heeft en bijgevolg verplicht is. Aldus geldt de bekendmaking van het bestreden besluit in het Belgisch Staatsblad van 5 maart 2007 als uitgangspunt voor de berekening van de beroepstermijn voor de Raad van State. De exceptie wordt verworpen. 5.
- De verwerende partij bezorgt aan de Raad van State een afschrift van het koninklijk besluit van 31 mei 2009 waarbij de verzoeker met ingang van 31 december 2009 op zijn verzoek in ruste gesteld wordt. Zij leidt daaruit af dat de verzoeker het rechtens vereiste actueel belang ontbeert. Ter terechtzitting wijst de raadsman van de verzoeker erop dat zijn cliënt op dit ogenblik nog een materieel belang heeft bij een vernietigingsarrest en dat hij ook een moreel belang behoudt, aangezien hij door het bestreden besluit afgehouden is van de verdere uitoefening van het mandaat dat hij bekleedde. 5.
- De verzoeker was voorzitter van de arbeidsrechtbank te Dendermonde. Hij stelde zich kandidaat voor een nieuwe ambtstermijn maar heeft uiteindelijk de tussenkomende partij, alsdan ondervoorzitter bij dezelfde rechtbank, moeten laten voorgaan, omdat zij blijk gaf van betere titels en verdiensten. In deze bijzondere omstandigheid ziet de Raad van State een reden om in hoofde van de verzoeker het bestaan van een moreel belang te onderkennen dat niet teloorgaat door het feit van zijn inrustestelling. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Enig middel Standpunt van de partijen 6.
- In een enig middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 259ter en 259quater van het Gerechtelijk Wetboek, op zichzelf gezien en IX-5640-5/13 samen gelezen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het gelijkheidsbeginsel (artikelen 10 en 11 van de Grondwet), het zorgvuldigheids- beginsel en de formele, dan wel de materiële motiveringsplicht. In een eerste onderdeel voert de verzoeker aan dat het advies van stafhouder “zo niet door valsheid [...], dan toch minstens door onzorgvuldigheid, door de schending van het gelijkheidsbeginsel en door schending van de gewekte verwachtingen, met name op het vlak van de hoorplicht, is aangetast”. Hetzelfde zou deels ook gelden voor het advies van de stafhouder over de andere kandidaat, Guido Meysman. De verzoeker voert in dat verband drie grieven aan: - het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden doordat het advies van de stafhouder tot stand gekomen is op basis van een voorontwerp dat de verzoeker, op vraag van de stafhouder, zelf heeft opgesteld, en dat klakkeloos is overgenomen; als dit systeem ook is toegepast bij de andere kandidaat, haalt de minst bescheiden kandidaat noodzakelijk de beste score; - het advies is tot stand gekomen zonder dat de verzoeker gehoord werd, terwijl uitdrukkelijk in het vooruitzicht gesteld was dat de verzoeker zou gehoord worden, en terwijl in het advies uitdrukkelijk wordt gesteld dat de zelfopgelegde hoorplicht vervuld is, hetgeen - althans wat de verzoeker betreft - niet het geval is; - de twee adviezen van de stafhouder zijn, in strijd met het gelijkheidsbeginsel, op een verschillende wijze tot stand gekomen : terwijl de tussenkomende partij gehoord werd, is de verzoeker niet gehoord. Doordat de benoemingscommissie uitdrukkelijk rekening heeft gehouden met de adviezen van de stafhouder om de kandidaten van elkaar te kunnen onderscheiden is haar voordracht door dezelfde onregelmatigheid aangetast als de voornoemde adviezen. Die onregelmatigheid werkt door in het bestreden aanwijzingsbesluit. In een tweede onderdeel van het middel voert de verzoeker aan dat, wanneer abstractie gemaakt wordt van de verwijzing naar de adviezen van de stafhouder, uit de voordracht van de benoemingscommissie niet kan worden afgeleid waarom de ene kandidaat boven de andere werd verkozen, op het punt van de bekwaamheid en de geschiktheid, gemeten aan het standaardprofiel. Volgens de verzoeker wordt de vergelijking van de kandidaten met één nietszeggende zin afgedaan, te weten : “De commissie is van oordeel dat uit de objectieve elementen en adviezen in het dossier blijkt dat deze kwaliteiten in grotere mate aanwezig zijn IX-5640-6/13 bij Ludo Meysman, en dat deze kandidaat dient te worden verkozen boven Jozef Verhulst.” 6.
- Wat het eerste onderdeel van het middel betreft antwoordt de verwerende partij dat het de gangbare praktijk is bij de balie te Dendermonde dat de kandidaten worden uitgenodigd om zich schriftelijk voor te stellen aan de stafhouder. Na ontvangst van deze voorstelling verwerkt de stafhouder deze gegevens ten einde een advies op te stellen. Het is hierbij niet uitgesloten dat de stafhouder woordelijk uittreksels uit de voorstelling overneemt, in zoverre die overeenstemmen met zijn inzichten en daartegen kan toch geen bezwaar gemaakt worden, aangezien de stafhouder, door de ondertekening van het advies zich alle motieven van het advies eigen maakt. Wat het horen van de kandidaten betreft, merkt de verwerende partij op dat de stafhouder reeds in zijn e-mailbericht van 6 juni 2006 duidelijk had gemaakt dat een persoonlijk onderhoud met de kandidaten slechts zou georganiseerd worden “indien nodig”, wat hij in dit geval noch voor verzoeker noch voor de uiteindelijk aangewezen kandidaat noodzakelijk geacht heeft. In tegenstelling tot wat de verzoeker beweert, werd hij overigens wel degelijk gehoord, zij het niet tijdens een persoonlijk onderhoud, maar wel telefonisch. En omdat dit ook gebeurd is voor de tussenkomende partij is er geen sprake van een ongelijke behandeling van de beide kandidaten. Wat het tweede onderdeel van het middel betreft is de verwerende partij van oordeel dat noch de benoemingscommissie noch de benoemende overheid die in de bestreden beslissing het advies van de benoemingscommissie letterlijk overnam, de titels en verdiensten van de kandidaten op een kennelijk onredelijke wijze beoordeeld hebben. Uit het advies van de benoemingscommissie blijkt dat de titels en verdiensten van de kandidaten wel degelijk vergeleken zijn. De voorkeur voor de benoemde kandidaat is, minstens, gesteund op drie redenen die blijken uit de objectieve elementen van het dossier. Het gaat om overwegingen aangaande de flexibiliteit, de kwaliteit van het geleverde werk en het advies van de vertegenwoordiger van de balie. En voorts verwijst de bestreden beslissing ook nog naar de andere kwaliteiten van de tussenkomende partij. 6.
- De tussenkomende partij wijst vooreerst op de buitenvervolgingstelling waartoe het parket bij het hof van beroep te Gent met IX-5640-7/13 betrekking tot de ingediende klacht wegens valsheid in geschriften, besloten heeft. Zij betoogt voorts dat het middel ook in feite faalt waar de verzoeker aanvoert dat zij door de stafhouder werd gehoord, aangezien ook zij alleen maar de gelegenheid gekregen heeft om de beoordelingsgegevens die zij relevant achtte op een standaardformulier in te vullen. De verzoeker voert ook ten onrechte aan dat de beoordelingscommissie haar voorkeur op één zin gesteund zou hebben. In ieder geval heeft de verzoeker geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 259ter van het Gerechtelijk Wetboek een bezwaar in te dienen en kan hij dat bezwaar niet voor de Raad van State doen gelden. Tenslotte gaat de verzoeker er ten onrechte van uit dat de kandidaten gehoord moeten worden en dat dit mondeling moet gebeuren. De omstandigheid dat de stafhouder medegedeeld heeft dat er mogelijks nog een onderhoud zou georganiseerd worden kan geen verwachtingen hebben doen ontstaan. 6.
- Wat het eerste onderdeel van het middel betreft repliceert de verzoeker dat uit de gegevens van de zaak weliswaar blijkt dat de stafhouder bij het uitbrengen van de adviezen van 22 juni 2006 het gelijkheidsbeginsel niet heeft geschonden, maar die adviezen zijn aangetast door een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en een schending van de gewekte verwachtingen op het vlak van de hoorplicht. Volgens hem is het niet aanvaardbaar dat de zelfevaluatie van de kandidaten door een adviserende instantie klakkeloos wordt overgenomen. Uit de e-mail van het secretariaat van de stafhouder blijkt dat het ab initio de bedoeling was dat de kandidaat zijn eigen advies zou schrijven en dat de stafhouder enkel nog zijn handtekening zou plaatsen. Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, herhaalt de verzoeker nog dat de benoemingscommissie zich onder meer gesteund heeft op de adviezen van de stafhouder en dat de voordracht derhalve niet op draagkrachtige motieven steunt. Beoordeling 6.5.
- In de mate het eerste onderdeel van het middel steunt op de valsheid van het door de stafhouder uitgebracht advies, volstaat het te verwijzen naar de brief van 6 november 2007 waarbij namens de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent aan de verzoeker werd medegedeeld dat met betrekking tot de IX-5640-8/13 door de verzoeker ingediende klacht een beslissing tot buitenvervolgingstelling is genomen. 6.5.
- Uit het dossier blijkt dat de stafhouder aan de verzoeker en de tussenkomende partij gevraagd heeft om het respectieve formulier waarmee de stafhouder zijn advies moest geven, vooraf in te vullen en terug te bezorgen. Het secretariaat van de stafhouder stuurde immers op 6 juni 2006 aan de kandidaten de volgende e-mail : “In bijlage laat ik u een adviesschema opgemaakt door de Hoge Raad voor Justitie voor uw kandidatuurstelling voor het ambt van Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Dendermonde. De Stafhouder vraagt of het mogelijk is deze lijst reeds in te vullen en ons terug te mailen. Mag ik u nadrukkelijk vragen de lijst in te vullen in de derde persoon enkelvoud (de kandidaat....) i.p.v. de ik-vorm. De Stafhouder zal na de adviescommissie te hebben gehoord, het advies opmaken en indien nodig eerst nog een onderhoud beleggen met u. Mocht u hieromtrent vragen hebben, kan u ons steeds contacteren op het tel: 052/21.56.48.” De stafhouder gaf zijn advies op basis van die zelfevaluatie. Wat betreft de verzoeker leidde die werkwijze ertoe dat de bewoordingen van de verzoeker zonder meer werden overgenomen, met dien verstande dat door de stafhouder aan het advies één lovende zin werd toegevoegd: “De balie waardeert de correctheid waarmee de zittingen worden geleid”. Deze wijze van zelfevaluatie is niet voorzien in de procedure. Dit betekent niet dat zij daarom onregelmatig is. Er mag immers niet verondersteld worden dat de stafhouder de zelfevaluatie klakkeloos zal overnemen, inzonderheid omdat hij bij het uitbrengen van zijn advies optreedt als vertegenwoordiger van de balie en zijn verantwoordelijkheid dus niet louter persoonlijk is. Uit de aangehaalde e-mail blijkt trouwens dat de stafhouder zijn advies pas zou opmaken na de adviescommissie te hebben gehoord en “indien nodig” ook nog een onderhoud zou hebben met de betrokken kandidaat. Door het plaatsen van zijn handtekening maakt de stafhouder de overwegingen tot de zijne en draagt hij er de volledige verantwoordelijkheid voor. De gevolgde praktijk kan trouwens als een vorm van schriftelijk horen van de kandidaten worden beschouwd en maakt aldus bezien geen inbreuk uit op het zorgvuldigheidsbeginsel. IX-5640-9/13 In verband met de grief dat de verzoeker er mocht van uitgaan dat hij door de stafhouder zou worden gehoord, moet er op gewezen worden dat in het bericht van 6 juni 2006 aan de verzoeker letterlijk gesteld wordt dat de stafhouder “indien nodig [...] eerst nog een onderhoud [zal] beleggen met u”. Het moest derhalve voor de verzoeker van bij de aanvang duidelijk zijn dat het onderhoud slechts zou plaatsvinden indien de stafhouder dit noodzakelijk achtte. De verzoeker gaat er dan ook ten onrechte van uit dat de stafhouder zich ertoe verbonden had de kandidaten te horen. Op de grief dat de kandidaten ongelijk behandeld zouden zijn omdat de tussenkomende partij wel door de stafhouder zou zijn gehoord en de verzoeker niet, moet niet verder ingegaan worden, nu de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord erkent dat geen van de kandidaten formeel werd gehoord. 6.5.
- Volgens de verzoeker zou uit de voordracht van de benoemingscommissie niet blijken waarom de tussenkomende partij op het gebied van bekwaamheid en geschiktheid werd verkozen boven de verzoeker. In haar proces-verbaal van voordracht geeft de benoemingscommissie eerst een beschrijving van de titels en verdiensten van de tussenkomende partij, op basis van diens beleidsplan en de over haar uitgebrachte adviezen die één na één worden samengevat. Die beschrijving wordt afgesloten met de volgende beoordeling : “De door Guido Meysman ontwikkelde persoonlijke visie over hoe hij zichzelf ziet functioneren als voorzitter van de arbeidsrechtbank te Dendermonde, en de wijze waarop hij deze rechtbank op een moderne en efficiënte wijze wenst te runnen, alsook de in zijn hoofde aanwezige competenties sluiten naadloos aan bij de eisen die in het standaardprofiel voor het functioneren (aan) een dergelijke korpschef worden gesteld. De beschikbare gegevens laten de commissie toe te besluiten dat Guido Meysman ongetwijfeld in staat moet worden geacht om met visie de groepsgerichte leiding van de rechtbank van eerste aanleg (lees: de arbeidsrechtbank) te Dendermonde op zich te nemen. Het dossier, de persoonlijkheid en de aanwezige competenties laten ook toe vast te stellen dat hij in grotere mate dan de andere kandidaat de nodige competenties bezit die volgens het standaardprofiel vereist zijn om de opdracht van voorzitter van deze rechtbank te vervullen, en bieden de nodige garantie dat deze kandidaat de vereiste bekwaamheid en geschiktheid heeft om deze functie met succes uit te oefenen.” IX-5640-10/13 Vervolgens worden de titels en verdiensten van de verzoeker beschreven, eveneens op basis van diens beleidsplan en de over hem uitgebrachte adviezen. Ten slotte worden de kandidaten uitdrukkelijk met elkaar vergeleken. De commissie overweegt in dit verband wat volgt : “Wanneer men de kandidaturen van Jozef Verhulst en Ludo Meysman naast elkaar legt, kan men enkel vaststellen dat beide kandidaten voldoen aan de vereisten gesteld in het standaardprofiel en dat zij beiden een degelijk beleidsplan voorleggen waarin zij een gedegen visie ontwikkelen. De commissie hecht veel belang aan overleg en goede samenwerking met alle actoren van justitie, alsook aan het feit dat een korpschef de nodige soepelheid aan de dag legt bij het nemen van zijn beslissingen en dat hij problemen met de nodige zin voor openbare dienstverlening oplossingsgericht en via positieve dialoog benadert. Daarenboven is het de taak van de korpschef de werking van de rechtbank op een dermate wijze te plannen en (te) organiseren dat de openbare dienstverlening en de geleverde kwaliteit van de vonnissen optimaal is. De commissie is van oordeel dat uit de objectieve elementen en adviezen in het dossier blijkt dat deze kwaliteiten in grotere mate aanwezig zijn bij Ludo Meysman, en dat deze kandidaat dient te worden verkozen boven Jozef Verhulst. Bovendien kan Ludo Meysman bogen (op) een gunstiger advies van de vertegenwoordiger van de balie.” Uit deze overwegingen blijkt dat de tussenkomende partij verkozen werd boven de verzoeker, hoofdzakelijk omdat zij beter scoort op het vlak, enerzijds, van overleg, samenwerking, soepelheid, oplossingsgerichtheid en positieve dialoog, en anderzijds, van de mogelijkheid tot optimalisering van de openbare dienstverlening en de kwaliteit van de vonnissen. Ten overvloede (“bovendien”) wordt ook gewezen op het feit dat de tussenkomende partij vanwege de stafhouder een gunstiger advies heeft gekregen dan de verzoeker. Voor de kwaliteiten die in het voordeel uitvallen van de tussenkomende partij en in het nadeel van de verzoeker, blijkt de benoemingscommissie te kunnen steunen op de in het proces-verbaal aangehaalde adviezen van de eerste voorzitter van het arbeidshof en de stafhouder. Zo kan in verband met het overleg, de samenwerking, de soepelheid, de oplossingsgerichtheid gewezen worden op het advies van de stafhouder over de tussenkomende partij, waarin onder meer gesteld wordt dat deze ten aanzien van het arbeidsauditoraat zin voor overleg aan de dag legt en in het algemeen een oplossingsgerichte ingesteldheid heeft. Daarentegen wijst de eerste voorzitter in zijn advies over de verzoeker op wrijvingspunten tussen de verzoeker en de hoofdgriffier en het IX-5640-11/13 arbeidsauditoraat, die erop lijken te wijzen dat op relationeel vlak het aanpassingsvermogen van de verzoeker minder groot is. Wat de openbare dienstverlening betreft hecht de benoemingscommissie blijkbaar veel belang aan het feit dat de eerste voorzitter in zijn advies over de tussenkomende partij “wijst (...) op de aandacht voor een aanwezigheidspolitiek van de voorzitter, de intentie van de kandidaat om een eigen website van de arbeidsrechtbank uit te bouwen, en om een interne klachtenprocedure uit te bouwen en de figuur van de persrechter te reactiveren”, aangezien de commissie hier aan toevoegt dat deze beschrijving “duidt op de nodige zin voor openbare dienstverlening”. Daartegenover staat een opmerking in het advies van de eerste voorzitter over de verzoeker, volgens welke “door een betere werkverdeling de bereikbaarheid van de kandidaat voor collegae, medewerkers en burgers zou kunnen verhogen”. Wat betreft de kwaliteit van de vonnissen blijkt de benoemingscommissie haar beoordeling te steunen op het advies van de eerste voorzitter van het Arbeidshof over de verzoeker, waarin de eerste voorzitter een opmerking maakt over de wijze waarop de verzoeker zijn vonnissen motiveert en waarin hij oppert dat het rechtsprekende werk van de verzoeker lijdt onder de ongelijke verdeling van de verschillende bevoegdheidsmateries tussen de magistraten van de arbeidsrechtbank. Ten aanzien van de tussenkomende partij stelt het advies van de eerste voorzitter van het Arbeidshof daarentegen dat haar vonnissen “getuigen van een stevige juridische kennis, degelijk gestructureerd zijn en in een begrijpelijke taal zijn gesteld”. Tenslotte heeft de benoemingscommissie ook oog gehad voor de bemerking van de eerste voorzitter van het Arbeidshof dat de verzoeker “mits de nodige aandacht voor enkele aangehaalde pijnpunten, [...] over de nodige intellectuele en menselijke capaciteiten [beschikt], die vereist zijn voor een goed voorzitterschap”. Aldus blijkt uit het proces-verbaal van de benoemingscommissie duidelijk waarom die commissie in het licht van de adviezen waarover zij beschikte, geoordeeld heeft dat de tussenkomende partij de meest bekwame en geschikte kandidaat was om tot voorzitter van de arbeidsrechtbank te worden aangewezen. Het middel is in geen van beide onderdelen gegrond. IX-5640-12/13 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 30 november 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5640-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.307 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.519 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div