id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.310 Rolnummer: A. 192692/XIV-33288 Zaak: Arrest 198310 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 30/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-09 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:56 Fiche Arrest nr 198.310 van 30 november 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. IXe KAMER nr. 198.310 van 30 november 2009 in de zaak A. 192.692/IX-6368 In zake : XXXX tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door :
- de minister van Ambtenarenzaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Jacubowitz kantoor houdend te Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen
- de minister van Financiën --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- De vordering, ingesteld op 22 mei 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: - het ministerieel besluit van 19 maart 2009 waarbij hij wordt afgedankt als inspecteur bij een fiscaal bestuur bij de FOD Financiën met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden; - de uit die beslissing blijkende impliciete weigering om de verzoeker met ingang van 29 november 2007 te benoemen in vast verband als inspecteur bij een fiscaal bestuur bij de FOD Financiën; - de weigering , meegedeeld bij brief van 27 augustus 2008 om de heer L. te wraken als voorzitter van de Interdepartementale stagecommissie; - de impliciete weigeringsbeslissingen van 26 augustus 2008 en 23 september 2008 van de aanvraag tot wraking van mevrouw C. als lid van de Interdepartementale stagecommissie. IX-6368-1/23 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een verslag opgesteld. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 september
- Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Verzoeker die verschijnt, advocaat Emmanuel Jacubowitz, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en inspecteur Jan De Vleeschouwer die verschijnt voor de tweede verwerende partij zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- 2.
- Op 8 juni 2009 dient de minister van Financiën een nota met opmerkingen in. Op 12 juni 2009 dient ook de minister van Ambtenarenzaken een nota met opmerkingen in tezamen met het administratief dossier. Op 15 juni 2009 duidt het auditoraat de minister van Ambtenaren- zaken aan als tegenpartij. IX-6368-2/23 Op 16 juni 2009 dient de minister van Ambtenarenzaken een verzoekschrift in tussenkomst in. Dit is het gevolg van de brief van de griffie van de Raad van State, waarin wordt meegedeeld dat hij niet als verwerende partij wordt aangeduid. De inhoud ervan stemt overeen met de inhoud van de nota. De minister van Ambtenarenzaken is de verwerende partij in deze zaak, vermits hij de steller is van het eerste bestreden besluit. Bijgevolg is het verzoekschrift in tussenkomst zonder voorwerp. 2.
- Op 18 september 2009 verstuurt de verzoeker een aangetekende brief met bijlage naar de griffier van de Raad van State, waarin hij een nieuw middel ontwikkelt. Voornoemde brief met bijlage worden uit de debatten geweerd omdat zij niet voorzien zijn in het procedurereglement. 2.
- Op basis van de argumentatie vervat in het auditoraatsverslag, die niet wordt betwist, dient de tweede verwerende partij buiten de zaak te worden gesteld. III. Feiten 3.
- Bij ministerieel besluit van 23 april 2007 wordt de verzoeker met ingang van 29 november 2006 benoemd tot stagedoend inspecteur bij een fiscaal bestuur en aangewezen voor de Administratie van de BTW., registratie en domeinen. 3.
- Uit de maandelijkse stageverslagen blijkt dat hij tot september 2007 zijn stage zonder problemen doorloopt zowel op zijn dienst van effectieve tewerkstelling als bij het opleidingscentrum. De verslagen van zijn functionele chef zijn zelfs zeer lovend. In de loop van de maand oktober 2007 loopt het mis op het opleidingscentrum. Verzoeker komt naar aanleiding van een vraag tot inzage van de resultaten van een afgelegde test in conflict met het hoofd van het opleidings- centrum, W., die een uitgebreide negatieve beoordeling schrijft over de verzoeker naar aanleiding van een voorval dat zich op 26 oktober 2007 voordeed en waarvan de verzoeker en het hoofd van het opleidingscentrum een niet steeds gelijklopend IX-6368-3/23 relaas geven. Daarbij blijkt dat men het vooral moeilijk heeft met de attitude van de verzoeker die als zeer negatief (eigenzinnig, veeleisend, weinig flexibel) wordt beoordeeld. Verzoeker wraakt ook onmiddellijk het hoofd van het opleidingscen- trum als jurylid voor de beoordeling van zijn eindwerk. Het hoofd van het opleidingscentrum besluit dat er moet rekening gehouden worden met een mogelijke afdanking of verlenging van de stage van verzoeker; dat er geen kans bestaat dat de verzoeker gunstig evolueert en dat de verzoeker zou moeten afgedankt worden wegens beroepsongeschiktheid. In de loop van november 2007 doet zich een tweede incident voor op het opleidingscentrum. Verzoeker weigert een test af te leggen die werd vervroegd van 8 naar 6 november 2007 omdat, naar hij zelf schrijft, de test in de brief inzake de lessenreeks boekhouding voorzien was op 8 november 2007 en hij zijn agenda in die zin had opgesteld en meegedeeld aan zijn functionele chef. Hij schrijft verder “de test boekhouden wordt dan ook afgelegd op de vastgestelde datum van 8 november 2007”. Hij stelt dat hij, geen boekhouder zijnde, nood heeft aan het voorbereiden van die test, wat zal gebeuren op 7 november 2007 en besluit “men wijzigt niet eenzijdig vastgelegde data als daarover vooraf geen overleg heeft plaatsgevonden”. De beoordeling door zijn functionele chef aangaande verzoekers functioneren op zijn dienst blijft daarentegen zeer positief. Op 26 november 2007 verdedigt verzoeker met succes zijn eindverhandeling. In de loop van de maand december 2007 doen er zich nog twee incidenten voor tussen verzoeker en R., directeur van de Nationale School voor Financiën naar aanleiding van de kennisneming en bespreking van de periodieke evaluaties voor de maanden augustus tot november
- Verzoeker wenst de evaluaties niet ter plekke, na bespreking te ondertekenen en vraagt dat ze hem schriftelijk zouden worden toegezonden zodat hij er schriftelijk op kan reageren, wat ook gebeurt. Met een brief van 7 januari 2008 gericht aan voornoemde directeur reageert hij uitgebreid op de hele problematiek. Hij vermeldt: “Dit schrijven is als ‘persoonlijk en vertrouwelijk’ aan te merken. Ik laat niet toe dat dit IX-6368-4/23 schrijven in handen komt van iemand anders dan de opleidingsdirecteur van de Nationale School voor Fiscaliteit en Financiën, behoudens voorafgaandelijke en schriftelijke toestemming van mijnentwege”. Eveneens op 7 januari 2008 stuurt de verzoeker aan de preventieadviseur van de FOD Financiën een “verklaring in het kader van artikel 32bis tot 32tredecies van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk”. Daarin klaagt hij de haat-, laster- en discriminatiecampagne aan die voormelde directeur tegen hem zou voeren en die erin bestaat hem zwart te maken bij collega's, het opstellen van tendentieuze en foutieve evaluatieverslagen - en zelfs het wijzigen van de inhoud van deze evaluatieverslagen met betrekking tot de maanden augustus, september, oktober en november 2007, hem beschuldigen van onjuiste feiten en het aanzetten van haar collega's tot het verlenen van de volle medewerking aan haar haat-, laster- en discriminatiecampagne jegens zijn persoon. Op 24 januari 2008 dient hij officieel klacht in tegen de directeur van de Nationale School voor Financiën. Op 21 januari 2008 maakt de directeur P&O van de FOD Financiën een verslag op over de wijze van dienen van de verzoeker waarin zij tot het besluit komt dat de stage over het geheel genomen niet gunstig is verlopen en dat de verzoeker niet voldoet aan de benoemingsvoorwaarden. Om die reden beslist zij het dossier voor te leggen aan de Interdepartementale stagecommissie met het oog op een verlenging van de stage met vier maanden. Zij stelt dat tijdens deze bijkomende observatieperiode van de verzoeker vooral op gedragsmatig vlak belangrijke inspanningen worden gevraagd om de eerder vermelde tekortkomingen weg te werken. Dit verslag wordt overgenomen door S., houder van de manage- mentfunctie -1 bij het OFO, in haar verslag aan de Interdepartementale stagecom- missie. Verzoeker wordt bij brief van 14 februari 2008 uitgenodigd op de zitting van de Interdepartementale stagecommissie die is gepland op 25 februari
- Op de vergadering van de Interdepartementale stagecommissie wordt hij IX-6368-5/23 bijgestaan door een vakbondsafgevaardigde die een omstandige verdediging voor verzoeker voorbrengt. De commissie beslist met 5 stemmen tegen 1 de stage te verlengen met vier maanden met ingang van 26 februari 2008 teneinde: - hem toe te laten alle vereiste testen af te leggen; - hem de gelegenheid te bieden de nodige gedragsmatige verbeteringen aan te brengen. Deze beslissing werd aan verzoeker ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven van 3 maart
- Verzoeker heeft tegen deze beslissing een vordering tot schorsing en nietigverklaring ingediend. De vordering tot schorsing werd afgewezen bij tussenarrest nr. 186.377 van 18 september 2008, het beroep tot nietigverklaring is nog hangende. Ingevolge de beslissing tot verlenging van de stage blijft de verzoeker stagiair en worden er verder stageverslagen opgesteld. In de loop van februari-maart 2008 is er een nieuw incident tussen de verzoeker en R., omdat deze laatste verzoeker weigert om inzage te laten nemen in zijn dossier om reden dat de verzoeker zich liet vergezellen door een vakbondsaf- gevaardigde. Deze weigering wordt nadien door de Raad van State onwettig bevonden en vernietigd bij arrest nr. 188.196 van 25 november
- Op 17 maart 2008 wordt de verzoeker een nieuwe kans gegeven om de test boekhouden die hij op 6 november 2007 weigerde af te leggen toch te doen. Hij krijgt daartoe de kans op 17 april
- Er wordt hem gevraagd zich daartoe aan te bieden bij V. Op 7 april 2008 weigert hij op die uitnodiging in te gaan. Hij citeert uitvoerig uit de brief die hij op 7 januari 2008 al overmaakte aan R. en waarin hij vermeldde dat de herkansingsmogelijkheid opzettelijk en in overtreding met de regels te lang uitbleef en dat dit als een vorm van pestgedrag moest worden aanzien. Hij meent dat er geen enkele garantie is op een onpartijdig examen, gelet op de pest- en treiterprecedenten tegenover zijn persoon, te meer daar hij zijn examen zou IX-6368-6/23 moeten afleggen in het kantoor van V. die valse verklaringen tegenover hem heeft afgelegd. Hij besluit als volgt: “Indien er geen enkele garantie geboden wordt op een onpartijdige en correcte behandeling - inzake de moeilijkheidsgraad van het examen alsook inzake de persoon die het heeft opgesteld en zal verbeteren - en indien niet verholpen wordt aan de pesterijen die klaarblijkelijk blijven voortduren, dan heeft het volgens mij ook geen enkele zin dat u mij brieven verstuurt voor een examen.” Ten slotte stelt hij dat de week van 17 april 2008 al volgeboekt is in zijn agenda. Hij biedt zich dan ook niet aan op het voorgestelde tijdstip. Op 18 april 2008 wordt hem nogmaals de mogelijkheid geboden de test af te leggen, nu op dinsdag 6 mei
- Hij antwoordt hetzelfde op 2 mei 2008 en biedt zich opnieuw niet aan. Op 14 april 2008 maakt de preventieadviseur zijn rapport over de klacht van de verzoeker over aan de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën. Hij besluit dat er geen sprake is van pesterijen. Vermits verzoekers stage werd verlengd tot eind juni 2008 worden er verder stageverslagen opgemaakt over verzoeker. Uit deze verslagen, die de verzoeker weigert te ondertekenen, blijkt dat hij op zijn kantoor nauwkeurig en goed werk blijft verrichten maar dat er zich problemen blijven voordoen op het Centrum voor Beroepsopleiding (CBO). Zo weigerde hij het verbod op te volgen om deel te nemen aan opleidingen waarvan hem was meegedeeld dat hij als niet vast benoemde de deelnemingsvoorwaarden niet vervulde en weigerde hij in te gaan op de uitnodiging om de test boekhouden af te leggen. Ook diende de verzoeker opnieuw een klacht in wegens pesten, nu tegen R., die evenwel, zoals ook zijn eerdere klacht, ongegrond werd bevonden door de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het werk (IPBW) van de FOD Financiën. Op grond van voornoemd gedrag schrijft de departementale opleidingsdirecteur in haar laatste stageverslag wat volgt: “Op basis van voorgaande vaststellingen, rekening houdend met het feit dat de heer XXXX geen gevolg wenst te geven aan de conclusie van de interdepar- tementale stagecommissie van 25 februari 2008, na te hebben vastgesteld dat betrokkene niet aan de benoemingsvoorwaarden wenst te voldoen, wordt een ontslag wegens beroepsongeschiktheid voorgesteld.” IX-6368-7/23 3.
- Op 2 juli 2008 stuurt de directeur P&O van de FOD Financiën haar eindverslag over het verloop van de stage van de verzoeker aan de directeur- generaal van het OFO. Dit verslag luidt als volgt: “De heer XXXX, geboren op 23 oktober 1976 en woonachtig in XXXX, was 18e laureaat van het vergelijkend wervingsexamen van Fiscaal contro- leur/Fiscaal dossierbeheerder (Inspecteur), examennummer ANG
- Bij zijn indiensttreding op 29 november 2006 werd de stagiair toegewezen aan de Administratie der B.T.W., Registratie en domeinen - sector B.T.W. Hij werd in een eerste fase tewerkgesteld bij de juridische ondersteuningscel van de Bijzondere Belastinginspectie (B.B.I.) te Brussel, om vervolgens - op vraag van de B.B.I. - te worden toegewezen aan een klassieke B.T.W.-dienst. Zoals blijkt zijn de periodieke evaluaties met betrekking tot de stage van de heer XXXX niet over het geheel gunstig. De stagiair werd in het kader van zijn stage 6 maal individueel ontvangen door de Directeur van de Nationale School voor Fiscaliteit en Financiën of één van zijn medewerkers van het stageteam. Betrokkene behaalde het diploma Licentiaat in de Rechten en vulde zijn studies aan met een graduaat fiscale wetenschappen. Hij deed onder andere beroepservaring op als junior legal counsel, advocaat stagiair, relation manager trustzaken. Om in vast verband te kunnen worden benoemd, moeten de stagiairs - overeenkomstig de reglementaire bepalingen terzake - met goed gevolg : - een eindverhandeling hebben opgesteld ; - cursussen hebben gevolgd (inclusief de voorziene testen); - een praktische stage in de diensten hebben volbracht. Op 25 februari 2008 besliste de interdepartementale stagecommissie tot de verlenging van de stage met vier maanden. De motivatie van de commissie bestond uit twee elementen : - de stagiair toelaten alle vereiste testen af te leggen; - betrokkene de gelegenheid bieden de nodige gedragsmatige verbeteringen aan te brengen. Omtrent de hiervoor vermelde ‘stageverplichtingen’ kan volgende evaluatie worden uitgebracht :
- De eindverhandeling De eindverhandeling, met als onderwerp ‘Recente tendensen inzake de uitwisseling van inlichtingen tussen de lidstaten van de EU’, werd positief beoordeeld.
- De cursussen Een stagiair dient met vrucht de door de administratie georganiseerde cursussen te hebben gevolgd om in vast verband te kunnen worden benoemd. De heer XXXX volgde alle opleidingen, doch legde niet alle testen af : IX-6368-8/23 Materie Testresultaat Polyvalente opleiding 85,7% Manutentie 86,4% BTW-wetgeving 79,5% Boekhouden - deel 1 69,0% Boekhouden - deel 2 100,0% Boekhouden - deel 3 De stagiair weigerde 3 maal de test af te leggen De heer XXXX weigerde deel te nemen aan de test boekhouden (deel 3) georganiseerd op 06.11.2007 in het kader van de verplicht met vrucht te volgen opleiding ‘Boekhouden’ (zie evaluatie 01.11.2007 t.e.m. 28.11.2007). Ook op 17 april 2008 en 6 mei 2008 weigerde hij deze test af te leggen (zie evaluaties 26.02.2008 t.e.m. 30.04.2008 en 01.05.2008 t.e.m. 25.06.2008). In bijlage II van het Organiek Reglement van het departement Financiën (KB. van 29.10.1971) wordt het volgende voorzien : ‘Inspecteur bij een fiscaal bestuur ... Werving volgens de regels bepaald bij de algemene statutaire beschikkingen : de stagiairs kunnen slechts vast benoemd worden mits zij met vrucht de cursussen over fiscaliteit of technologie gevolgd hebben, die ingericht worden door de administratie.’ In de ‘Wegwijs in de stage’ (handleiding die de stagiairs ontvangen bij hun indiensttreding) en die wordt toegelicht tijdens de uiteenzetting ‘Praktische richtlijnen m.b.t. de stage’ georganiseerd tijdens de eerste halve dag van de polyvalente opleiding, wordt onder de titel ‘Het met vrucht volgen van cursussen’ vermeld : ‘Naar aanleiding van de theoretische cursussen heeft een evaluatie plaats. De bedoeling van deze evaluatie is uit te maken of de cursus met vrucht werd gevolgd. De waardering MET VRUCHT of NIET MET VRUCHT (toegekend op basis van het gedrag tijdens de cursussen en het behalen van een minimum- score van 60 %) wordt toegekend door de Eerstaanwezend inspecteur-dienstchef van het CBO waar de cursus werd gevolgd ...’ Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de heer XXXX, door zijn beslissing om een test met een verplicht karakter niet af te leggen, er zelf voor gekozen heeft niet te voldoen aan de benoemingsvoorwaarden. Verder werden naar aanleiding van de cursussen georganiseerd door het Centrum voor beroepsopleiding B.T.W. Brussel een aantal belangrijke problemen m.b.t. de heer XXXX gesignaleerd : - Evaluatie augustus 2007 - oktober 2007 : • gedragsmatige problemen : onaangenaam, bedreigend, gebrek aan respect, impulsief, conflictgericht, intimiderend; • de wraking zonder objectieve reden van een potentieel jurylid bij de verdediging van zijn eindverhandeling; • verlaten van het cursuslokaal zonder het vragen (en dus ook niet bekomen) van een toelating; IX-6368-9/23 • in twijfel trekken van de autoriteit van een lesgeefster; • het ongepast en overdreven uit de context halen van gebeurtenissen (refereren naar grondwet, arbeidswetgeving, vraag tot inzage van de testen van alle cursisten voor een test waarvoor de stagiair een ruim voldoende testresultaat behaalde,...). - Evaluatie 01.11.2007 t.e.m. 28.11.2007 : • gedragsmatige problemen : negatief ingesteld, eigenzinnig, weinig flexibel, onredelijk wantrouwen, conflictgericht; • het ongepast en overdreven uit de context halen van gebeurtenissen (refereren naar allerlei wetgevingen, het willen zien van sporen,...). • het zonder enige objectieve grond weigeren om deel te nemen aan een verplichte test (terwijl de testdatum tijdig werd meegedeeld en er toen geen reactie kwam) en - ondanks de opdracht van de lesgever - het niet meedelen van deze weigering aan het diensthoofd van het Centrum voor beroepsopleiding. Op basis van voormelde feiten (naast andere elementen) besliste de interdepartementale stagecommissie op 25 februari 2008 tot de verlenging van de stage met vier maanden. Ondanks de aandachtspunten geformuleerd door de interdepartementale stagecommissie als motivatie voor de verlenging van de stage, namelijk een bijkomende kans voor het afleggen van de resterende test evenals gewenste gedragsmatige verbeteringen, werden tijdens de periode van verlenging van de stage opnieuw problemen vastgesteld m.b.t. deze beide criteria : - Evaluatie 26 februari 2008 - 30 april 2008 : • aangezien betrokkene niet voldeed aan de benoemingsvoorwaarden voldeed hij evenmin aan de voorwaarden tot deelname aan de eerste brevetten in het kader van de loopbaanproef A22 (graad van Eerstaan- wezend inspecteur), bijgevolg werd hem de toegang tot de voorberei- dingscursussen op deze proeven in het Centrum voor beroepsopleiding B.T.W. van Gent ontzegd, maar de heer XXXX weigerde meerdere malen de cursus te verlaten (in totaal volgde hij op deze manier onterecht 6 cursusdagen gedurende de beschouwde periode); • de stagiair formuleert in zijn schrijven van 7 april 2008 onrechtmatige aanvallen op de persoon van mevrouw W., mevrouw V. T. en de heer V., allen verbonden aan het Centrum voor beroepsopleiding B.T.W. van Brussel; • de heer XXXX kreeg op 17 april 2008 een tweede kans om de verplichte test boekhouden (benoemingsvoorwaarde; voorziene duurtijd van 60 minuten) af te leggen, maar kwam niet opdagen; de in zijn schrijven van 7 april 2008 aangehaalde redenen voor niet-deelname (tijdsgebrek, speculatie omtrent de objectiviteit van de test, ...) dienen als niet ernstig te worden beschouwd, aangezien betrokkene zich enerzijds op de dag van de test gewoon op kantoor aanbood en anderzijds wel tijd kon vrijmaken om deel te nemen aan cursussen (loopbaanproef A22 - 6 dagen gedurende de beschouwde periode t.o.v. 60 minuten voor de test boekhouden) waarbij hij niet mocht aanwezig zijn; • hij blijft conflicten zoeken; • hij stelt zaken opzettelijk verkeerd voor. - (Slot)evaluatie mei 2008 - 25 juni 2008 : • de stage van de heer XXXX werd verlengd en bijgevolg voldoet hij niet aan de voorwaarden om deel te nemen aan de proef van het eerste brevet IX-6368-10/23 voor bevordering naar A22 en mag hij de voorbereidende cursussen niet volgen; ondanks schriftelijke en mondelinge verwittigingen heeft hij alle lessen gevolgd (12, 19 en 26.02.2008; 04, 11 en 18.03.2008; 16, 23 en 29.04.2008; 05.05.2008); er dient te worden vastgesteld dat de stagiair expliciete orders negeert; • de heer XXXX kreeg op 6 mei 2008 een derde kans om de verplichte test boekhouden (benoemingsvoorwaarde; voorziene duurtijd van 60 minuten) af te leggen, maar kwam niet opdagen; de in zijn schrijven van 2 mei 2008 aangehaalde redenen voor niet-deelname (tijdsgebrek, speculatie omtrent de objectiviteit van de test, ...) dienen als niet ernstig te worden beschouwd, aangezien betrokkene zich enerzijds op de dag van de test gewoon op kantoor aanbood en anderzijds wel tijd kon vrijmaken om deel te nemen aan cursussen (loopbaanproef A22 - 7 cursusdagen gesitueerd na de beslissing tot verlenging van de stage t.o.v. 60 minuten voor de test boekhouden) waarbij hij niet mocht aanwezig zijn; • zijn brief van 2 mei 2008 bevat aanvallen t.a.v. mevrouw W. (dienst- hoofd C.B.O. B.T.W. Brussel) en de heer V. (lesgever C.B.O. B.T.W. Brussel).
- De praktische stages Naar aanleiding van de praktische stages werden enkel positieve vaststel- lingen gedaan (zie periodieke evaluaties), wel dient te worden vermeld dat de dagen waarop de heer XXXX onterecht aanwezig was tijdens cursussen (in het kader van de loopbaanproeven A22) uiteraard ten koste gaan van de stagetaken en de evaluatie hiervan.
- Overige vaststellingen Op 5 en 21 december 2007 werd de heer XXXX uitgenodigd bij de Nationale School voor Fiscaliteit en financiën (N.S.F.) teneinde kennis te nemen van zijn periodieke evaluaties (periodes augustus-september-oktober 2007 en 1 t.e.m. 28 november 2007). De stagiair bood zich aan, doch verkoos geen kennis te nemen van de evaluaties en maakte bijgevolg ook geen gebruik van de gelegenheid om zijn visie op de aangehaalde feiten te geven. Op vraag van de stagiair werden de evaluaties hem per aangetekende brief overgemaakt. Sindsdien worden alle evaluaties, gevolggevend aan de wensen van de heer XXXX, hem per aangetekende brief overgemaakt. Er dient echter te worden vastgesteld dat betrokkene weigert kennis te nemen van de evaluatieverslagen (hij bezorgt ze niet ondertekend terug, maar uit de documenten van De Post en de briefwisseling van de heer XXXX blijkt wel dat hij ze ontvangen heeft); hij bezorgt evenmin activiteitenverslagen. Op 24 januari 2008 diende de heer XXXX bij de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk (IDPBW) een klacht in tegen mevrouw W., diensthoofd van het Centrum voor beroepsopleiding B.T.W. Brussel, in het kader van het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Na onderzoek door deze dienst werd besloten dat er in het dossier geen sprake was van pesterijen. Op 13 mei 2008 diende betrokkene bij de IDPBW een klacht in tegen de heer R., Directeur van de Nationale School voor Fiscaliteit en Financiën, in het kader van het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Na onderzoek door deze dienst werd besloten dat er in het dossier geen sprake was van pesterijen. IX-6368-11/23 ALGEMEEN BESLUIT (stageperiode + verlenging) Aangezien de heer XXXX ongetwijfeld een verstandig iemand is die, zowel inzake vooropleiding als beroepservaring, over meer troeven beschikt dan de gemiddelde stagiair; Aangezien betrokkene ongetwijfeld over de capaciteiten beschikt om met brio te slagen voor alle verplichte testen (zie resultaten van de afgelegde testen); Aangezien hij een goedgekeurde eindverhandeling heeft binnengeleverd; Aangezien naar aanleiding van de stage van de heer XXXX een aantal belangrijke gedragsmatige problemen werden vastgesteld; Aangezien de interdepartementale stagecommissie op 25 februari 2008 besloot tot de verlenging van de stage, onder andere om de stagiair toe te laten de nodige gedragsmatige verbeteringen aan te brengen, maar er zich nieuwe ernstige gedragsmatige problemen voordeden; Aangezien de stagiair meermaals gebeurtenissen ongepast en overdreven uit hun context heeft gehaald; Aangezien ten opzichte van meerdere personen een onrespectvol gedrag werd vertoond; Aangezien betrokkene meerder malen expliciete orders heeft genegeerd; Aangezien de heer XXXX tijdens de normale stageperiode op eigen initiatief en uit vrije wil heeft geweigerd om deel te nemen aan een in het kader van de benoeming verplichte test en er op die manier heeft voor gezorgd niet te voldoen aan de benoemingsvoorwaarden; Aangezien de interdepartementale stagecommissie op 25 februari 2008 besloot tot de verlenging van de stage, onder andere om de stagiair toe te laten alle vereiste testen af te leggen, maar hij ook tijdens deze periode tot twee maal toe op eigen initiatief en uit vrije wil weigerde om deel te nemen aan een in het kader van de benoeming verplichte test en er op die manier heeft voor gezorgd niet te voldoen aan de benoemingsvoorwaarden; Aangezien de stagiair de stageverslagen vanaf augustus 2007 niet heeft ondertekend (zelfs niet voor kennisname), maar hij wel duidelijk kennis heeft genomen van de inhoud ervan, wat enerzijds blijkt uit de ontvangstbewijzen van De Post en anderzijds uit de inhoud van verschillende brieven afkomstig van de heer XXXX; kan enkel worden besloten dat, zelfs na de verlenging van de stage met vier maanden (beslissing van de interdepartementale stagecommissie op 25 februari 2008) : de stage zoals voorzien in het Statuut van het Rijkspersoneel (K.B. van 2 oktober 1937) over het geheel niet gunstig is verlopen en dat de stagiair niet voldoet aan de benoemingsvoorwaarden. Het betreft hier bovendien een functie van niveau A die van betrokkene vereist dat hij een voorbeeld is voor anderen en op korte termijn in staat is belangrijke verantwoordelijkheden op te nemen, leiding te geven en een functie als dienstleider uit te oefenen. IX-6368-12/23 Bijgevolg beslis ik om het dossier, in toepassing van de in het eerder vermelde Statuut van het Rijkspersoneel voorziene procedure, voor te leggen aan de interdepartementale stagecommissie met het oog op een ontslag wegens beroepsongeschiktheid.” Na kennisname van dat verslag sluit de directeur-generaal van het OFO zich op 2 juli 2008 aan bij het voorstel tot ontslag. 3.
- De verzoeker wordt dan opgeroepen voor een zitting van de interdepartementale stagecommisie die gepland is op 26 augustus
- Hij laat weten dat verschillende mensen die hem willen bijstaan dan in verlof zijn en vraagt een andere datum voor te stellen. Ook maakt hij allerhande bezwaren over de samenstelling van zijn stagedossier. Onder meer vraagt hij dat het verslag van D., de directeur P&O van de FOD Financiën, tegen wie verzoeker een strafprocedure heeft gestart uit het dossier zou worden verwijderd omdat het in zijn ogen onmogelijk nog een objectief verslag kan zijn. Meteen moet ook het verslag van de directeur-generaal van het OFO, S. uit het dossier worden geweerd omdat het gebaseerd is op het verslag van D. In een brief van 19 augustus 2008 wraakt de verzoeker de voorzitter van de interdepartementale stagecommisie en in een brief van 24 augustus 2008 eveneens V. M., telkens omwille van hun aanhorigheid aan een bepaalde politieke partij en het feit dat de verzoeker in het kader van zijn beroepsactiviteit als fiscaal ambtenaar gedingen heeft aanhangig gemaakt tegen die politieke partij of tegen de instelling waarin zij als leidinggevend ambtenaar fungeren. In een brief van 24 augustus 2008 wraakt hij ook een ander lid van de interdepartementale stagecommisie omdat zij ambtenaar is van de FOD Economie tegen dewelke hij ook een fiscaal onderzoek voert. Op 26 augustus 2008 beslist de interdepartementale stagecommis- sie de zaak niet ten gronde te behandelen maar te verwijzen naar een volgende zitting gelet op de brief van de verzoeker van 7 augustus 2008 waarin hij liet weten dat op 26 augustus 2008 niemand van de verdediging aanwezig kon zijn en waarbij hij stelde dat hij ten volle in staat moet zijn zich te verdedigen, wat op deze zitting niet mogelijk bleek. In een brief van 27 augustus 2008 deelt de Voorzitter van de Interdepartementale Stagecommissie aan de verzoeker mee dat deze commissie op IX-6368-13/23 zijn voorstel beslist heeft om zijn afwezigheid als gerechtvaardigd te beschouwen wegens de aangekondigde afwezigheid van zijn verdedigers. Hij wijst er de verzoeker op dat tijdens haar volgende zitting de interdepartementale stagecommis- sie overeenkomstig de reglementering geldig kan beraadslagen ook indien de verzoeker niet aanwezig zou zijn. Hij deelt hem tevens mee dat hij niet zal ingaan op verzoekers wraking omdat hij de argumenten van de verzoeker niet kan aanvaarden. Hij zet uiteen dat hij in principe weigert om buiten de zitting stagairs of hun hiërarchische meerdere te zien omdat hij alle contacten wil vermijden die hem zouden kunnen beïnvloeden of de indruk van beïnvloeding zouden kunnen geven door gesprekken die buiten de zitting plaatsvinden. Hij stelt verder dat hij de verzoeker niet kent en ook niets tegen hem heeft, dat hij de uitlatingen die de verzoeker in zijn brief van 19 augustus 2008 deed, ziet als een emotionele reactie van iemand die een moeilijk moment doormaakt en er in geen geval door gechoqueerd is en dat hij alles zal doen om de debatten van de interdepartementale stagecommissie sereen te laten verlopen. Dit is de derde bestreden beslissing. Verzoeker wordt dan terug opgeroepen voor de zitting van 23 september
- Op deze zitting stelt de interdepartementale stagecommissie unaniem voor de verzoeker af te danken. Dit voorstel wordt uitvoerig gemotiveerd. Het wordt hierna in extenso weergegeven: “DE INTERDEPARTEMENTALE STAGECOMMISSIE, vergaderend in de lokalen van het OFO op 23.09.2008 Gelet op de aanwezigheid van: - De heer L., Voorzitter, - De heer V. H., Administrateur, - Mevrouw H., Directeur, wettelijk tweetalig, - Mevrouw C., Vakbondsafgevaardigde, - Mevrouw L., Vakbondsafgevaardigde, - Mevrouw V. D. M., Vakbondsafgevaardigde - De heer V., Vakbondsafgevaardigde, Gelet op de beslissing van de Interdepartementale Stagecommissie van 25.02.2008 om de stage van de heer XXXX, stagedoend inspecteur bij een fiscaal bestuur bij de FOD Financiën, te verlengen met vier maand: - om hem toe te laten alle vereiste testen af te leggen, - om hem de gelegenheid te bieden de nodige gedragsmatige verbeteringen aan te brengen (kopie 1 in bijlage); IX-6368-14/23 Gelet op het verslag van 02.07.2008 van de directeur-generaal van het OFO over de wijze van dienen van de heer XXXX, met de vaststelling dat er tijdens de periode van stageverlenging opnieuw problemen werden vastgesteld, inzonderheid: - het opnieuw weigeren om een tot benoeming verplichte test af te leggen, - het niet wegwerken van de gedragsmatige problemen, waarna het ontslag werd voorgesteld (kopie 2 in bijlage); Gelet op de vergadering van de Interdepartementale Stagecommissie om over dit verslag te beraadslagen op 26.08.2008; Gelet op het verzoek van de heer XXXX om deze vergadering te verdagen omdat zijn verdediger niet kon aanwezig zijn; Overwegende dat het recht op verdediging ten volle moet gerespecteerd worden, werd beslist dat de zaak in een tweede zitting zal behandeld worden op 23.09.2008 (kopie 3 in bijlage); Gelet op de aanwezigheid van mevrouw S., directeur-generaal van het OFO, Gelet op de aanwezigheid van de heer R., directeur van de Nationale School voor Fiscaliteit en Financiën, gedelegeerd door de functioneel directeur P&O van de FOD Financiën; Overwegende dat de hiërarchische meerdere van de heer XXXX ambtshalve dient gehoord te worden; Overwegende dat de heer XXXX tijdens zijn stage verschillende hiërarchi- sche meerderen heeft gehad en dat het daarom aangewezen is dat de administra- tie de ambtenaar aanduidt die het meest geschikt is om alle meningen te vertolken; Akte nemend van het feit dat de administratie daartoe de heer D. C., gewestelijk directeur BTW Brussel 2, aanwijst; Overwegende dat het verzoek van de heer XXXX om nog andere hiërarchi- sche meerderen te horen wordt afgewezen: - enerzijds, omdat de heer D. C. niet alleen zijn persoonlijke mening uiteenzet, maar de appreciatie van alle andere chefs vertolkt; - anderzijds, omdat eventuele toevoegingen of verbeteringen kunnen aangebracht worden ter zitting door de heer XXXX of zijn verdediger, waardoor de leden van de Interdepartementale Stagecommissie ze kunnen aanhoren en er rekening mee houden, zodat de verdediging ten volle kan gevoerd worden; Na het verslag te hebben gehoord van de heer R. (kopie 4 in bijlage); Na een incident te hebben vastgesteld vermits de heer XXXX de heer R. onderbrak en door de voorzitter ter orde diende te worden geroepen; Na de heer D. C. te hebben gehoord, die vaststelde: - dat er op het kantoor geen opmerkingen waren over de heer XXXX, - dat er op de kwaliteit van zijn werk als inspecteur bij een fiscaal bestuur geen opmerkingen waren, IX-6368-15/23 - maar die toch moest opmerken dat bij de eerste echte discussie met de heer XXXX, deze dadelijk dreigde naar de Raad van State te gaan en blijkbaar elke redelijke poging tot uitleg naast zich neerlegde; Na de verdediging te hebben gehoord, die gevoerd werd door de heer N., vertegenwoordiger van het XXXX, die volgende argumenten aanvoerde: " de verdediging wilde een getuige laten oproepen die beweerde dat de heer XXXX zich tijdens zijn cursussen zeer goed had gedragen en waardevolle kritische opmerkingen maakte; De leden nemen hiervan akte, maar overwegen eveneens het feit dat de heer XXXX (wat bewezen is) zich tijdens andere cursussen niet goed gedroeg. " de verdediging wilde een getuige laten oproepen om aan te tonen dat de heer XXXX technisch goed werkt; Maar dat wordt nergens betwist. Noch in het rapport van de functioneel directeur P&O van Financiën, noch in het verslag van de directeur-generaal van het OFO. Alle leden van de Interdepartementale Stagecommissie zijn het daarmee eens en dus is het volstrekt overbodig om daarvoor nog een getuige te horen. " de verdediging voert aan dat de eindverhandeling van de heer XXXX goed was en zijn praktische stage eveneens; Maar dat wordt door niemand betwist. " De heer XXXX heeft meerdere testen goed afgelegd; Maar dit neemt niet weg dat de heer XXXX, om diverse redenen, nooit de laatste test boekhouden heeft afgelegd, ondanks het feit dat hem daartoe driemaal de kans werd geboden. De stage van de heer XXXX werd bovendien verlengd, onder andere om hem de gelegenheid te bieden de (tot benoeming verplichte) test af te leggen, maar hij heeft zich nooit aangeboden; De leden kunnen enkel vaststellen dat er een duidelijke onwil van de heer XXXX is om die benoemingsvoorwaarde te vervullen. " de verdediging voert aan dat de heer XXXX tegen sommige leden van de Commissie een verzoek tot wraking heeft ingediend en verwijst daarvoor naar de mogelijkheid tot wraking bij een assisenjury; De samenstelling van de Interdepartementale Stagecommissie is bepaald door het K.B. van 8.01.2007, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 22.01.
- Daartegen is door niemand binnen de reglementaire termijn beroep ingediend, dus ook niet door de heer XXXX; In het Statuut van het Rijkspersoneel (K.B. van 02.10.1937) is de mogelijk- heid tot wraking van één of meerdere leden niet voorzien. Bovendien is de aanwezigheid van twee leden van de vakbond, waarvan de heer XXXX zich tot lid verklaart, voor hem een bijkomende waarborg dat alles reglementair verloopt. IX-6368-16/23 " de verdediging voert aan dat bij de verstrekte opleidingen, het probleem niet ligt bij de heer XXXX, maar bij de lesgevers of lesgeefsters. De heer XXXX neemt steeds interactief deel en maakt terecht kritische bemerkingen; Maar de leden nemen ook kennis van het rapport van de functioneel directeur P&O van Financiën die stelt: - dat de heer XXXX de autoriteit van een lesgeefster in vraag stelt, - dat hij het cursuslokaal verlaat zonder toelating - dat talrijke van zijn opmerkingen niet terzake doende zijn. " de verdediging antwoordt niet op het aangehaalde feit dat de heer XXXX ten onrechte aanwezig was in een opleiding, dat hij geweigerd heeft op verzoek van de hiërarchische meerdere de zaal te verlaten en dat hij op zijn dienst onwettig afwezig was; " de verdediging voert aan dat alle negatieve opmerkingen steeds komen vanwege zijn gedrag bij het CBO (Centrum voor Beroepsopleiding) en nooit vanuit de plaats waar hij zijn praktische stage doet; Het is voor de leden duidelijk dat een stagiair zich niet alleen hoort te gedragen op de plaats waar hij zijn praktische stage volbrengt, maar ook op de plaats waar hij de statutair verplichte opleidingen volgt. " de verdediger voert aan dat de heer XXXX inzage heeft gevraagd in zijn dossier bij Financiën en dat dit niet reglementair is verlopen; De leden kunnen enkel vaststellen dat het dossier, waarop het voorstel tot afdanking berust, is opgesteld onder de autoriteit van de directeur-generaal van het OFO en dat dit laatste dossier het enige document is dat voor de beoordeling in overweging wordt genomen. Het geschil van de heer XXXX met de administratie van Financiën doet hier niet terzake, omdat geen enkel document daaruit werd toegevoegd aan het dossier van OFO. Bovendien bevestigt de directeur-generaal van het OFO dat de heer XXXX, samen met de heer E., zijn toenmalige verdediger, tot twee maal toe zijn dossier heeft kunnen inzien, conform alle reglementaire bepalingen. Aan dit dossier, dat reeds als basis diende voor de eerste zitting, werd geen enkele wijziging meer aangebracht. " de verdediging voert aan dat een aantal documenten uit het dossier van Financiën wèl werden gebruikt in andere procedures, onder andere in het dossier dat ter discussie ligt bij de Raad van State; De leden kunnen enkel besluiten dat de documenten die in andere procedures werden gebruikt, maar niet in het administratief dossier dat hier besproken wordt, niet ter zake doen. " de verdediging voert artikel 28, quater van het Statuut van het Rijksperso- neel aan. Een stagiair dient: - beleefd, nauwgezet en ernstig te zijn - taken snel te vatten en correct uit te voeren - grondige onderzoeken te doen - engagement te vertonen - taken correct en ijverig uit te voeren IX-6368-17/23 en concludeert daaruit dat er tijdens de stage geen moeilijkheden zijn geweest; De leden kunnen enkel vaststellen dat een stage niet uitsluitend bestaat uit een praktisch gedeelte, maar ook uit een opleidingsgedeelte. En het is juist tijdens dit laatste gedeelte dat zowel de gedragsmatige stoornissen als de onwil om de noodzakelijke test tot benoeming af te leggen, totaal fout is gelopen. " als conclusie stelt de verdediging: - dat Financiën in de fout is gegaan bij het recht van inzage; Maar dit dossier wordt niet in aanmerking genomen door de Interdeparte- mentale Stagecommissie. Het enige dossier dat ter zitting wordt besproken, is het dossier van het OFO, en dat dossier is tot tweemaal toe geconsulteerd door de heer XXXX, volgens de reglementaire bepalingen, - dat het Statuut van het Rijkspersoneel prevaleert op het Organiek Reglement; Het Organiek Reglement is rechtsgeldig en is niet betwist. Ook niet de bepaling dat een stagiair inspecteur bij een fiscaal bestuur van Financiën de opgelegde testen moet afleggen en slagen. Het valt bijgevolg niet te betwisten: - dat de heer XXXX geweigerd heeft de laatste test af te leggen, - dat de heer XXXX, tijdens sommige opleidingen, een gedrag heeft vertoond dat niet in overeenstemming is met het normale respect dat men tegen een hiërarchische meerdere vertoont, - dat de heer XXXX meer kennis heeft dan de doorsnee-ambtenaar van Financiën, maar dit neemt niet weg dat hij de benoemingsvoorwaarden (deelnemen en slagen voor een test) niet vervult en dat hij bovendien een ongepast gedrag heeft vertoond. Na de uiteenzettingen werd iedereen, behalve de 7 leden en het secretariaat, verzocht de zaal te verlaten. Overwegende al de voorgaande argumenteringen, met gemotiveerde weerlegging van alle elementen van de verdediging, gaat de Interdepartementa- le Stagecommissie over tot de loting om de pariteit te herstellen, en stelt, na deliberatie, UNANIEM voor: de heer XXXX, stagedoend inspecteur bij een fiscaal bestuur bij FOD Financiën, af te danken.” Deze beslissing wordt bij aangetekende zending van 1 oktober 2008 aan verzoeker betekend. Op 24 september 2008 schrijft de verzoeker naar de voorzitter van de interdepartementale stagecommissie dat volgens hem de zitting onregelmatig is verlopen daar twee van de drie door hem gewraakte leden aanwezig waren op de zitting. IX-6368-18/23 Met een brief van 8 oktober 2008 maakt de directeur-generaal van het OFO het dossier over aan de minister van Ambtenarenzaken die de eindbeslis- sing zal moeten nemen. In toepassing van artikel 28sexies, § 3, tweede lid, van het statuut van het Rijkspersoneel kan de minister van Ambtenarenzaken een stagiair slechts afdanken mits het akkoord van de minister bevoegd voor de FOD waarvoor de stagiair voorlopig is aangewezen, in casu dus de minister van Financiën. Daarom deelt de minister van Ambtenarenzaken in een brief van 4 november 2008 aan de minister van Financiën mee dat zij zich aansluit bij het voorstel van de interdeparte- mentale stagecommissie en vraagt zij hem zijn beslissing te laten kennen. Op 25 februari 2008 antwoordt de minister van Financiën dat hij akkoord gaat met het ontslag van de verzoeker. 3.
- Bij besluit van 19 maart 2009 van de minister van Ambtenarenza- ken wordt de verzoeker dan afgedankt met een opzegging van drie maanden, ingaand op de datum van betekening van het besluit aan de verzoeker. Dit is het eerste bestreden besluit. Het is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat de heer XXXX heeft geweigerd de laatste test, opgelegd door het organiek reglement, af te leggen; Overwegende dat het slagen voor alle test(en) een benoemingsvoorwaarde is voor de stagiairs inspecteurs van Financiën; Overwegende dat de heer XXXX, tijdens sommige opleidingen, een gedrag heeft vertoond dat niet in overeenstemming is met het normale respect dat men tegen een hiërarchische meerdere vertoont;” Het wordt hem betekend bij aangetekende zending van 23 maart 2009, door de verzoeker op 25 maart 2009 ontvangen. 3.
- Op 9 april 2009 dient de verzoeker klacht in bij de Vaste Commissie voor Taaltoezicht tegen de samenstelling van de Interdepartementale stagecommissie naar aanleiding van de beslissing om zijn stage te verlengen en de beslissing om hem af te danken. De stelling van de verzoeker dat de stagecommissie niet was samengesteld overeenkomstig de voorschriften van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken wordt door de Vaste commissie in haar zitting van 15 mei 2009 ongegrond bevonden. IX-6368-19/23 IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- Er worden een aantal excepties opgeworpen door de verwerende partijen in verband met de ontvankelijkheid van het beroep. In de huidige stand van de procedure is er geen aanleiding om hierop in te gaan, gelet op de omstandigheid dat niet is voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 17, § 2, van de gecoördi- neerde wetten op de Raad van State. V. Onderzoek van de vordering tot schorsing
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- Wat de tweede voorwaarde betreft, met name het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, voert de verzoeker in essentie een financieel nadeel aan, onder de vorm van een langdurige werkloosheid waarin hij dreigt verzeild te geraken, ingevolge het eerste bestreden besluit. Hij voegt daaraan toe dat hij deelnam aan verschillende selectieprocedures bij openbare besturen die tot op heden niet leiden tot een aanwerving.
- Het is vaste rechtspraak van de Raad van State dat een financieel nadeel niet moeilijk te herstellen is, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, zoals een dreigend faillissement, een fundamentele daling van de levensstandaard of terechtkomen in een uitzichtloze financiële situatie. Geen van deze uitzonderingsge- vallen doen zich in voorliggend geval voor. Gelet op de leeftijd van de verzoeker (33 jaar), de diploma’s die hij behaalde en de resultaten die hij bekwam op de proeven tijdens de stage van inspecteur bij het fiscaal bestuur bij de FOD-Financiën, maakt de verzoeker het door hem aangevoerde financieel nadeel niet aannemelijk. Dit klemt des te meer nu hij geslaagd was voor de selectie van administratief assistent bij de FOD Financiën en vervolgens naliet om zich op 19 en 21 november 2008 aan te bieden voor indiensttreding. IX-6368-20/23 Bovendien staat vast dat het niet afleggen van de laatste test boekhouding ertoe heeft geleid dat de verzoeker niet kon worden benoemd, omdat hij niet voldeed aan één van de benoemingsvoorwaarden. Uit het administratief dossier blijkt dat het niet afleggen van voornoemde test enkel te wijten is aan de houding van de verzoeker die tot driemaal toe de kans kreeg van de FOD Financiën om deze test af te leggen. Aldus lijkt vast te staan dat het financieel nadeel hoofdzakelijk te wijten is aan de verzoeker, en maakt hij niet aannemelijk dat dit nadeel moeilijk te herstellen is. De verzoeker voert voorts een moreel nadeel aan, onder de vorm van een onterechte aantasting van zijn goede naam door verdachtmakingen door een gerechtelijk verhoorverslag en bepaalde e-mailcorrespondentie. Wat verzoeker als moreel nadeel aanvoert valt buiten het kader van huidige procedure en wordt bijgevolg niet dienstig aangevoerd. Uit het administratief dossier blijkt immers niet dat de zogenaam- de verdachtmakingen vanwege bepaalde collega’s, die de verzoeker aanvoert, aan de basis lagen van het eerste bestreden besluit. Bovendien wordt met de eerste verwerende partij aangenomen dat de stageperiode per definitie een onzekere periode is, gedurende dewelke de stagiair moet aantonen dat hij zowel bekwaam als waardig is om vast benoemd te worden. Voor het aspect waardigheid is de verzoeker alleen verantwoordelijk, vermits het betrekking heeft op zijn gedrag tegenover zijn voormalige collega’s. Zoals gezegd kreeg de verzoeker van de FOD Financiën tot driemaal toe de kans om de laatste verplichte test boekhouden af te leggen en om aldus te voldoen aan de vereiste benoemingsvoorwaarden, daargelaten de vraag of de eerste verwerende partij hem alsdan zou hebben benoemd. De omstandigheid dat de verzoeker een actief militant is van een vakbond en in die hoedanigheid advies verleent aan collega’s is geen persoonlijk moreel nadeel vermits de verzoeker in dat verband voorhoudt dat voor die collega’s zijn afdanking een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt. IX-6368-21/23
- Er is niet voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §
- Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen. VI. Anonimisering De verzoeker vraagt de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet- toelaatbaarheid van de Raad van State kan iedere partij bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig wordt gemaakt op elk moment van de rechtspleging en totdat de debatten gesloten zijn, eisen dat bij de publicatie van het arrest of de beschikking de identiteit van de natuurlijke personen niet zou worden bekendge- maakt. De vraag wordt ingewilligd. BESLISSING
- De minister van financiën wordt buiten de zaak gesteld.
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoeker niet bekendgemaakt. IX-6368-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 30 november 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6368-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.310 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div