← België

Arrest 198353 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 30/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.353 Rolnummer: A. 84048/IX-1835 Zaak: Arrest 198353 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 30/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-09 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 03:57 Fiche Arrest nr 198.353 van 30 november 2009 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 198.353 van 30 november 2009 in de zaak A. 84.048/IX-1835 In zake : Germain CNUDDE, wonend te Oostende Zeedijk 146, bus 133 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Devers kantoor houdend te Gent Kouter 71-72 Tussenkomende partij : Louis DE BISSCHOP wonend te Ninove Idevoordelaan 3 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 10 mei 1999, strekt tot de vernietiging van: - het besluit van de Vlaamse regering van 9 februari 1999 waarbij Louis De Bisschop met ingang van 1 september 1991 wordt bevorderd door verhoging in graad tot industrieel ingenieur-directeur bij het departement Leefmilieu en Infrastructuur, administratie Waterinfrastructuur en Zeewezen, Beheersdiensten; - de beslissing van de directieraad (lees: het College van secretarissen-generaal) van 17 december 1998 waarbij de rangschikking van de kandidaten voor de genoemde betrekking wordt vastgesteld. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-1835-1/16 De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 4 januari
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een laatste memorie met verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 maart
  4. Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. De verzoeker, advocaat Pieter Waegemans, die loco advocaat Patrick Devers verschijnt voor de verwerende partij, en de tussenkomende partij zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Op 21 juni 1991 wordt een reeks vacante betrekkingen binnen het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bekendgemaakt. Een van die betrekkingen is die van industrieel ingenieur-directeur bij het departement Leefmilieu en Infrastructuur, administratie Waterinfrastructuur en Zeewezen, Beheersdiensten. Voor de genoemde betrekking stellen zich 33 personen kandidaat, waaronder de verzoeker en de tussenkomende partij. IX-1835-2/16 Bij besluit van de Vlaamse regering van 2 augustus 1991 wordt de tussenkomende partij door verhoging in graad bevorderd tot het bedoelde ambt, met ingang van 1 september
  7. De verzoeker stelt beroep in tegen dat besluit. Bij arrest nr. 60.008 van 11 juni 1996 vernietigt de Raad van State het bestreden besluit, wegens het ontbreken van een deugdelijke vergelijking van de kandidaturen.
  8. Op 23 juli 1998 beslist de Vlaamse regering om vijf door de Raad van State vernietigde bevorderingsprocedures, onder meer die in verband met de voormelde bevordering tot industrieel ingenieur-directeur, te hervatten vanaf het moment van de onregelmatigheid in de procedure, te weten vanaf de beraadslaging in het College van secretarissen-generaal. Op 22 oktober 1998 worden de kandidaturen van de verzoeker en van de tussenkomende partij door het College van secretarissen-generaal, zetelend als directieraad, opnieuw vergeleken. Het college beslist eenparig om de tussenkomende partij als eerste en de verzoeker als tweede kandidaat voor te dragen aan de benoemende overheid. Deze rangschikking wordt bij aangetekende brief van 17 november 1998 aan de twee genoemde kandidaten ter kennis gebracht. Op 26 november 1998 dient de verzoeker bezwaar in. Hij vraagt ook om door het College van secretarissen-generaal te worden gehoord. Op 17 december 1998 wordt de verzoeker gehoord door het College van secretarissen-generaal. Na beraadslaging beslist het college vervolgens eenparig om de rangschikking ongewijzigd te behouden. Bij besluit van 9 februari 1999 wordt de tussenkomende partij opnieuw bevorderd, door verhoging in graad, tot industrieel ingenieur-directeur bij het departement Leefmilieu en Infrastructuur, administratie Waterinfrastructuur en Zeewezen, Beheersdiensten. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 1991 IX-1835-3/16 Dit besluit, dat bij aangetekende brief van 12 maart 1999 aan de verzoeker ter kennis wordt gebracht, vormt het voorwerp van het voorliggende beroep.
  9. In de loop van de voorliggende procedure wordt de rechtstoestand van de verzoeker gewijzigd: - bij besluit van de secretaris-generaal van het departement Leefmilieu en Infrastructuur van 4 oktober 2002 wordt hem met ingang van 1 december 2002 een verlof voorafgaand aan de pensionering toegestaan; - bij besluit van het afdelingshoofd van de afdeling Personeel van het departement Leefmilieu en Infrastructuur van 19 december 2003 wordt hem met ingang van 1 mei 2004 eervol ontslag verleend uit zijn ambt van directeur en wordt hij ertoe gemachtigd om zijn aanspraak op rustpensioen te doen gelden. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Eerste exceptie
  10. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, in zoverre dit is gericht tegen de door de directieraad op 17 december 1998 opgemaakte rangschikking. Volgens de verwerende partij gaat het om een louter voorbereidende handeling, die niet vatbaar is voor vernietiging.
  11. Aangezien de rangschikking die door de directieraad wordt opgemaakt niet bindend is voor de benoemende overheid, is ze geen voor vernietiging vatbare bestuurshandeling. De exceptie is gegrond. Tweede exceptie
  12. Met een schrijven van 30 januari 2003 werpt de verwerende partij een tweede exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoeker. IX-1835-4/16 Zij voert aan dat aan de verzoeker, op zijn vraag en ingevolge het besluit van de secretaris-generaal van het departement Leefmilieu en Infrastructuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van 4 oktober 2002, met ingang van 1 december 2002 het verlof voorafgaand aan de pensionering is toegestaan. De verzoeker heeft daardoor zijn belang bij het voorliggende beroep verloren.
  13. Bij aangetekend schrijven van 4 februari 2009 merkt de tussenkomende partij op dat de verzoeker bij besluit van het afdelingshoofd van de afdeling Personeel van het departement Leefmilieu en Infrastructuur van 19 december 2003 met ingang van 1 mei 2004 gepensioneerd is. Ten gevolge van zijn oppensioenstelling heeft de verzoeker zijn belang bij het voorliggende beroep verloren.
  14. Ter terechtzitting voert de verzoeker vooreerst aan dat het verwerpen van het beroep op grond van het verlies aan belang, tien jaar nadat het beroep ingediend is, zou getuigen van cynisme. De Raad van State zou zich bovendien schuldig maken aan rechtsweigering als hij het beroep onontvankelijk zou verklaren op grond van omstandigheden die zich hebben voorgedaan nadat de redelijke termijn om over het beroep uitspraak te doen verstreken was. De verzoeker voert voorts aan dat hij wel degelijk nog belang heeft. Hij beroept zich op een persoonlijk en moreel nadeel. In deze zaak hebben de machtsverhoudingen het gehaald van een objectieve vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten. In geval van vernietiging van het bestreden benoemingsbesluit is het mogelijk dat de verzoeker alsnog benoemd wordt, met terugwerkende kracht. De Raad van State kan die mogelijkheid in elk geval niet uitsluiten.
  15. De door de verwerende partij en de tussenkomende partij aangevoerde ontwikkelingen sinds het indienen van het beroep doen de vraag rijzen of de verzoeker nog wel een actueel belang heeft bij het aanvechten van de bevordering van de tussenkomende partij tot industrieel ingenieur-directeur. In dit verband moet in voorkomend geval evenwel ook rekening worden gehouden met het feit dat de verwerende partij, na de vernietiging van het besluit van de Vlaamse regering van 2 augustus 1991 waarbij de tussenkomende IX-1835-5/16 partij een eerste keer benoemd is, terugwerkende kracht verleend heeft aan het thans bestreden besluit, waarbij de tussenkomende partij opnieuw benoemd wordt. De Raad van State is van oordeel dat de vraag naar het actueel belang te dezen kan openblijven. Daargelaten de vraag of het beroep ontvankelijk is, zal immers uit het hierna volgende onderzoek van de middelen blijken dat het in elk geval ongegrond is. V. Onderzoek van de middelen Eerste middel Uiteenzetting van het middel 12.
  16. In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 23 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de beoordeling en de loopbaan van het Rijkspersoneel. Hij laat gelden dat de genoemde bepaling voorziet in een gemotiveerd advies van de directieraad (lees: het College van secretarissen- generaal). Diens beslissing tot rangschikking dient op wettelijke motieven te steunen, en die beslissing moet worden genomen met inachtneming van het beginsel van behoorlijk bestuur en het redelijkheidsbeginsel. Te dezen, zo stelt de verzoeker, is de directieraad zijn beoordelingsbevoegdheid te buiten gegaan, doordat de tussenkomende partij werd gerangschikt vóór de verzoeker. Tot staving van die grief voert hij in het bijzonder aan: - dat in de functiebeschrijving van de betrokken betrekking gesteld wordt dat de functie onder meer bestaat in de technische leiding van het bedienen en onderhouden van en het uitvoeren van kleinere herstellingen aan sluizen, stuwen en beweegbare bruggen, en in het onderhouden van betrekkingen met het dienstpersoneel van sluizen en stuwen, inzonderheid met betrekking tot het beurtrolsysteem, en dat in de functievereisten wordt gesteld, met betrekking tot de technische capaciteiten en vaardigheden, dat een kennis van de technische aspecten van de bediening, het onderhoud en de kleinere herstellingen met betrekking tot sluizen, stuwen en beweegbare bruggen vereist is, terwijl de IX-1835-6/16 tussenkomende partij, in tegenstelling tot de verzoeker, geen ervaring heeft in verband met sluizen, stuwen en beweegbare bruggen, noch in verband met de regeling van het beurtrolsysteem voor de bediening van sluizen en stuwen; - dat hij zelf kan bogen op zijn jarenlange ondervinding in omgang en leiding van het 3de district van de Dienst der Kusthavens, Bestuur der Waterwegen, te Oostende; - dat hij een grotere graad- en dienstanciënniteit heeft dan de tussenkomende partij; - dat het niet redelijk is dat de directieraad de oversten van de kandidaten niet heeft geraadpleegd omtrent hun kwaliteiten en verdiensten, in het bijzonder die kwaliteiten die van belang zijn voor de bedoelde functie. Voorts voert de verzoeker aan dat de directieraad in zijn advies de beoordeling van de kandidaturen steunt op de teksten waarmee de verzoeker en de tussenkomende partij hun kandidatuur hebben ingediend, en niet op de werkelijke bekwaamheid van de kandidaten. 12.
  17. In zijn memorie van wederantwoord voegt de verzoeker hieraan toe dat uit het arrest nr. 60.008 van 11 juni 1996 van de Raad van State blijkt dat zijn aanspraken en verdiensten beter waren dan die van de tussenkomende partij. De verwerende partij heeft zich bij het nemen van het bestreden besluit op dezelfde teksten gebaseerd als bij het nemen van het vernietigde besluit, zonder de kandidaten de mogelijkheid te geven hun teksten verder te onderbouwen en te laten attesteren door de hiërarchische oversten. In zijn laatste memorie voert de verzoeker aan dat, in zoverre het College van secretarissen-generaal van oordeel is dat de tussenkomende partij over de nodige ervaring beschikt om aan de functievereisten voor de litigieuze betrekking te voldoen, het de ervaring in aanmerking neemt die de tussenkomende partij heeft opgedaan terwijl zij gedurende een vijftal jaren die betrekking op een onwettige wijze bekleedde. Beoordeling
  18. Volgens artikel 23 van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de loopbaan en de evaluatie van de rijksambtenaren worden de in dat artikel bedoelde bevorderingen door verhoging in graad verleend na een met IX-1835-7/16 redenen omkleed advies van de directieraad (lees: het College van secretarissen-generaal). In het middel voert de verzoeker in essentie aan dat het College van secretarissen-generaal onredelijk heeft gehandeld door de tussenkomende partij vóór hem te rangschikken, ondanks het feit dat de tussenkomende partij, in tegenstelling tot de verzoeker, geen ervaring heeft in de sector van de waterwegen.
  19. Voor de beoordeling van het middel acht de Raad van State het nuttig om vooraf te herinneren aan hetgeen hij, in verband met het besluit van de Vlaamse regering van 2 augustus 1991 waarbij de tussenkomende partij een eerste keer is benoemd, heeft uiteengezet in zijn arrest nr. 60.008 van 11 juni
  20. Bij dat arrest is het bedoelde besluit door de Raad van State vernietigd, op grond dat het advies van de directieraad (lees: het College van secretarissen-generaal) waarop de benoeming gesteund was, geen deugdelijke vergelijking van de kandidaten bevatte. De Raad oordeelde meer bepaald: “[...] dat uit het advies van de directieraad niet blijkt wat precies de kandidatuur van Louis De Bisschop zo bijzonder maakt dat hij, die een ambtenaar van de Administratie Wegeninfrastructuur en Verkeer is, zonder ervaring in de sector van de waterwegen, rechtmatig kon verkozen worden boven kandidaten die, zoals verzoeker, een jarenlange ervaring in die sector konden doen gelden; dat de directieraad bij het onderzoek van de kandidaturen weliswaar ook andere elementen, zoals kennis van de reglementering inzake aannemingscontracten, bekwaamheid om leiding te geven en vermogen om zich in de nieuwe opdracht in te werken in aanmerking kon nemen; dat echter uit het advies van de directieraad niet blijkt dat de overige kandidaten op deze domeinen in een dergelijke mate voor Louis De Bisschop moesten onderdoen dat deze laatste, zijn gemis aan ervaring in de sector van de waterwegen ten spijt, naar redelijkheid als de meest geschikte kandidaat voor de te begeven betrekking kon beschouwd worden.” Anders dan de verzoeker aanvoert, blijkt uit het aangehaalde arrest niet dat de verzoeker de grootste aanspraken op de bevordering kan doen gelden. Het arrest stelt weliswaar vast dat de verzoeker, in tegenstelling tot de tussenkomende partij, een jarenlange ervaring in de sector van de waterwegen heeft, doch het benadrukt ook dat de directieraad andere criteria, zoals de kennis van de reglementering inzake aannemingscontracten, de bekwaamheid om leiding te geven en het vermogen om zich in de nieuwe opdracht in te werken, in aanmerking kan nemen.
  21. Zoals uit de notulen van de vergadering van het College van secretarissen-generaal van 22 oktober 1998 blijkt, heeft het college, overeenkomstig IX-1835-8/16 de functiebeschrijving die bij de oproep tot de kandidaten was gevoegd, achtereenvolgens de “technische capaciteiten en vaardigheden”, de “sociale capaciteiten en vaardigheden” en de “managementscreatieve capaciteiten en vaardigheden” van de verzoeker en de tussenkomende partij met elkaar vergeleken. In verband met de technische capaciteiten en vaardigheden bevatten de notulen de volgende overwegingen: “[Een lid] stelt vast dat Germain Cnudde zowel op technisch als op praktisch vlak ervaring had verworven in de sector van de waterwegen, met name in de uitbouw en het onderhoud van de haven te Oostende en de kust tussen Bredene en Middelkerke. Hij heeft ervaring opgedaan in militaire activiteiten, als reserve-officier bij de Genie. Louis De Bisschop van zijn kant heeft niet direct ervaring in de sector van de waterwegen, maar volgde wel grote investeringswerken op, zoals de E5, de tunnel Vierarmen, de verkeerswisselaar N7/A8, e.d. Ook kleinere investeringswerken en onderhoudswerken werden door hem opgevolgd, vanaf de studie en de terreinopmeting tot de uitvoering. Louis De Bisschop was diensthoofd van de Regie der Wegen te Halle en leidde de winterdienst. Hij heeft ervaring met de uitvoering van werken in eigen beheer. Hij was vanuit zijn ervaring vertrouwd met de bouw en het onderhoud van kunstwerken en volgde een doorgedreven opleiding over stuwen en sluizen. Hij beschikt over de nodige kennis inzake overheidsopdrachten.” Uit de aangehaalde overwegingen blijkt dat het College van secretarissen-generaal van oordeel is dat zowel de verzoeker als de tussenkomende partij over de nodige ervaring beschikken om de functie uit te oefenen waarvoor zij zich kandidaat gesteld hebben. Wat betreft de ervaring van de tussenkomende partij, steunt het college daarvoor, anders dan de verzoeker aanvoert, niet op de ervaring die de tussenkomende partij heeft opgedaan tussen 1991 en 1996, toen zij de functie uitoefende op grond van het vernietigde besluit van 2 augustus
  22. Zelfs indien, zoals de verzoeker aanvoert, uit de vergelijking van de respectieve technische capaciteiten en vaardigheden zou blijken dat de verzoeker op dit punt beter scoort dan de tussenkomende partij, volgt hieruit niet noodzakelijk dat de rangschikking van de tussenkomende partij vóór de verzoeker kennelijk onredelijk is. Uit de functievereisten blijkt immers dat de “technische capaciteiten en vaardigheden” niet de enige vereisten zijn, en dat integendeel ook “sociale capaciteiten en vaardigheden” en “managementscreatieve capaciteiten en vaardigheden” vereist zijn. Die laatste capaciteiten en vaardigheden moeten dus evenzeer in de beoordeling betrokken worden. IX-1835-9/16 Op die laatste capaciteiten en vaardigheden gaat het College van secretarissen-generaal uitvoerig in. De verzoeker betwist niet wat het college daaromtrent over hem en de tussenkomende partij vaststelt. Nadat het college de drie soorten capaciteiten en vaardigheden heeft onderzocht, worden de volgende conclusies geformuleerd: “Een lid vindt het opvallend dat Louis De Bisschop zeer uitvoerig de elementen toelicht en staaft waarop zijn aanspraken op deze bevordering gebaseerd zijn, terwijl de argumentatie van de kandidatuurstelling van Germain Cnudde enkel een halve bladzijde bedraagt. Germain Cnudde steunt zijn kandidatuur vooral op de mededeling dat hij ‘meent te beschikken over de gestelde capaciteiten, gelet op zijn 24-jarige ervaring’, zonder verdere toelichting. Een lid sluit zich hierbij aan en stelt dat de kandidatuur van Louis De Bisschop veel beter onderbouwd is dan die van Germain Cnudde. Louis De Bisschop toont aan dat hij zowel over de technische [en] sociale als [over] de managementscreatieve capaciteiten en vaardigheden beschikt, gelet op de wijze waarop hij zijn huidige taken uitvoert, leiding geeft, kennis heeft opgedaan inzake administratieve procedures, overheidsopdrachten en technische aspecten, verantwoordelijkheid neemt, aan personeelsbeheer en -begeleiding doet, nieuwe werkwijzen promoot, enz... Een lid merkt op dat Germain Cnudde kan bogen op ervaring in de sector van de waterwegen, wat een pluspunt is voor betrokkene. Toch meent dit lid dat dit absoluut niet mag betekenen dat enkel kandidaten uit de sector van de waterwegen met gunstig gevolg kunnen meedingen naar een leidinggevende functie in deze sector. Op basis van de elementen uit de sollicitatie is het volgens een lid duidelijk dat Louis De Bisschop duidelijk over voldoende en aangetoonde ervaring beschikt op het domein van de burgerlijke bouwkunde om de betreffende betrekking succesrijk in te vullen. Hij heeft bovendien een doorgedreven opleiding over sluizen en stuwen gevolgd. Meerdere leden sluiten zich hierbij aan en merken op dat de kandidatuur van Louis De Bisschop onderbouwd is en volledig kadert in de opgestelde functiebeschrijving en functievereisten. Na verdere uitvoerige bespreking stelt de voorzitter voor om beide kandidaten voor te dragen aan de benoemende overheid. Gelet op de ruime praktische ervaring van Louis De Bisschop, vooral met grote complexe werken, en gelet op het feit dat de vereiste technische, sociale en managementscreatieve capaciteiten en vaardigheden van deze laatste duidelijk bewezen zijn, stelt de voorzitter voor om Louis De Bisschop in eerste orde voor te dragen, en Germain Cnudde in tweede orde. [...] Het voorstel van de voorzitter is [...] met eenparigheid aanvaard.” IX-1835-10/16 Uit de laatst aangehaalde overwegingen blijkt dat het College van secretarissen-generaal de voorkeur geeft aan de tussenkomende partij, niettegenstaande de specifieke ervaring van de verzoeker in de sector van de waterwegen, omwille van de ervaring van de tussenkomende partij op het domein van de burgerlijke bouwkunde, haar sociale capaciteiten en haar managementscreatieve capaciteiten. De omstandigheid dat de verzoeker, in tegenstelling tot de tussenkomende partij, een specifieke ervaring heeft in de sector van de waterwegen, belet niet dat het College van secretarissen-generaal op grond van een vergelijking van de kandidaten op basis van het geheel van de functievereisten voor de te begeven betrekking, naar recht en redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de tussenkomende partij de voorkeur moest krijgen boven de verzoeker. Het enkele feit dat de tussenkomende partij geen praktische ervaring heeft met de materie van de sluizen, stuwen en beweegbare bruggen, noch met de regeling van het beurtrolsysteem van sluizen en stuwen, toont met andere woorden niet aan dat het advies van het college kennelijk onredelijk is.
  23. In zoverre het middel aan het advies van het College van secretarissen-generaal verwijt dat het enkel steunt op de kandidaatstellingen die door de betrokken kandidaten zelf zijn ingediend, zonder dat het verifieert of de door de tussenkomende partij aangehaalde feiten wel met de werkelijkheid overeenstemmen en zonder na te gaan wat de “werkelijke bekwaamheid” is van de verzoeker, oefent het kritiek uit op de appreciatie door het college van de gegevens van het dossier. Het staat echter niet aan de Raad van State om, in de plaats van de administratieve overheid, over de titels en de verdiensten van de kandidaten te oordelen. Het volstaat te dezen vast te stellen, enerzijds, dat de verzoeker niet aannemelijk maakt dat de beoordeling door het college van de gegevens die door elk van de kandidaten zijn voorgelegd kennelijk onredelijk is, en anderzijds, dat geen bepaling of beginsel het college verplichtte om het advies in te winnen van de hiërarchische oversten van de kandidaten.
  24. Het middel kan niet aangenomen worden. IX-1835-11/16 Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  25. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 6 [lees: artikel 10] van de Grondwet. Hij laat gelden dat de bepalingen van het statuut van het rijkspersoneel op een en dezelfde wijze dienen toegepast te worden op ambtenaren die zich in een gelijke situatie bevinden. Hij voert aan dat de rangschikking niet op een objectieve wijze is gebeurd, daar geen rekening is gehouden met de verdiensten en de geschiktheid van de kandidaten. Het is zijns inziens niet normaal dat een kandidaat uit de administratie Wegen wordt geklasseerd in een nieuwe, nog op te richten beheersdienst Waterwegen. Beoordeling
  26. Het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen in openbare ambten, krachtens welk iedere burger gelijke toegang heeft tot de openbare ambten, houdt in dat de aanspraken en verdiensten van de kandidaten moeten worden onderzocht en vergeleken, op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria. De overheid beschikt daarbij over een ruime discretionaire bevoegdheid, die de redelijkheid als grens heeft. Uit de formele motivering van het benoemingsbesluit en de gegevens van de zaak moet kunnen blijken dat die afweging correct is gebeurd. Zoals uit de bespreking van het eerste middel is gebleken, heeft het College van secretarissen-generaal bij de beoordeling van de titels en verdiensten van de kandidaten de technische capaciteiten en vaardigheden, de sociale capaciteiten en vaardigheden en de managementscreatieve capaciteiten en vaardigheden van de verzoeker en de tussenkomende partij met elkaar vergeleken. Op grond van de beoordeling van het geheel van die functievereisten, heeft het college geoordeeld dat de tussenkomende partij de voorkeur verdiende boven de verzoeker, niettegenstaande de tussenkomende partij geen ervaring had in de sector van de waterwegen en de verzoeker wél. In het bestreden besluit wordt het advies van het college bijgevallen. Bovendien worden de motieven van dat advies, zoals die kunnen IX-1835-12/16 worden afgeleid uit de notulen van 22 oktober 1998, in essentie overgenomen. Zo wordt met name overwogen “dat, niettegenstaande de heer Germain Cnudde kan bogen op ervaring in de sector van de waterwegen, dit op zich geen doorslaggevende factor kan betekenen, in de mate dat enkel kandidaten met ervaring in deze sector kunnen meedingen naar een leidinggevende functie in deze sector”. Nu met een geheel van titels en verdiensten is rekening gehouden, kan uit het enkele feit dat de specifieke ervaring van de verzoeker in de sector van de waterwegen niet geleid heeft tot een voorkeur voor hem, niet worden afgeleid dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
  27. In een derde middel, afgeleid uit de schending van “het beginsel van behoorlijk bestuur”, voert de verzoeker aan dat hij op basis van zijn jarenlange ervaring bij het Bestuur der Waterwegen en zijn bovenmatige inspanningen als districtshoofd mocht verwachten dat de directieraad (lees: het College van secretarissen-generaal) hem zou voordragen, vóór de tussenkomende partij. Het is onthutsend en onbegrijpelijk dat de directieraad dat niet heeft gedaan. Die beslissing kan enkel het gevolg zijn van een politieke beslissing, dan wel van een nalaten van de directieraad om zich behoorlijk te informeren.
  28. Uit de wijze waarop het middel is geredigeerd, lijkt te moeten worden afgeleid dat de verzoeker een schending van het vertrouwensbeginsel inroept. Krachtens dit beginsel moet de burger kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op toezeggingen en beloftes die de overheid in een concreet geval zou doen. De in het middel aangehaalde gegevens volstaan echter niet om bij de verzoeker de gewettigde verwachting te wekken dat hij in de functie van industrieel ingenieur-directeur bij het departement Leefmilieu en Infrastructuur, administratie Waterinfrastructuur en Zeewezen, Beheersdiensten, benoemd zou worden. Het middel kan niet worden aangenomen. IX-1835-13/16 Vierde middel Standpunt van de partijen
  29. In een vierde middel voert de verzoeker de schending aan van het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 1993 (lees: 24 november 1993) houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna: het Vlaams personeelsstatuut 1993). Hij wijst erop dat de oorspronkelijke benoemingsbeslissing was gebaseerd op het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel. Op het ogenblik dat de benoemende overheid, ingevolge de nietigverklaring van de oorspronkelijke benoeming, een nieuwe beslissing moest nemen, diende zij echter rekening te houden met de regels die op het ogenblik van de benoeming van toepassing waren. Door de benoeming niet te laten verlopen overeenkomstig het Vlaams personeelsstatuut 1993, heeft de verwerende partij dat besluit geschonden. 23.
  30. De verwerende partij werpt in hoofdorde een exceptie van ontvankelijkheid van het middel op, afgeleid uit het feit dat de verzoeker niet aanwijst welke bepaling van het Vlaams personeelsstatuut 1993 hij door de bestreden beslissing geschonden acht. 23.
  31. Subsidiair antwoordt zij dat uit artikel VIII 116 van het Vlaams personeelsstatuut 1993 en de toelichting ervan moet worden afgeleid dat, wanneer na de vernietiging van een bevordering door de Raad van State de bevorderingsprocedure wordt hervat op het punt waar de procedure verkeerd liep, toepassing moet worden gemaakt van de bepalingen die van kracht waren op het ogenblik van de vacantverklaring van de betrekking. Beoordeling
  32. De vraag of het middel ontvankelijk is kan te dezen openblijven, nu uit hetgeen hierna volgt blijkt dat het in elk geval ongegrond is. IX-1835-14/16
  33. Behoudens andersluidende overgangsbepalingen moeten benoemingen beantwoorden aan de regeling die van toepassing is op het ogenblik van de benoeming en niet volgens de regeling die van toepassing was op het ogenblik van de vacantverklaring of de oproep tot de kandidaten. De omstandigheid dat een eerste benoemingsbeslissing is vernietigd en de procedure wordt hernomen vanaf het punt waar de onregelmatigheid die tot de vernietiging heeft geleid zich heeft voorgedaan, doet aan die regel geen afbreuk. Te dezen is het bestreden benoemingsbesluit genomen op 9 februari
  34. Op dat ogenblik was het Vlaams Personeelsstatuut 1993 van kracht. Artikel VIII 116 van het Vlaams personeelsstatuut 1993 bevat evenwel een overgangsbepaling, naar luid waarvan de “benoemings- en bevorderingsprocedures die in uitvoering zijn op de datum van het inwerkingtreden van dit besluit worden voortgezet en afgehandeld overeenkomstig de van kracht zijnde bepalingen bij de vacantverklaring ”. De bevorderingsprocedure is te dezen gestart met de bekendmaking, op 21 juni 1991, van de vacante betrekking. Nadat een eerste benoemingsbesluit, genomen op 2 augustus 1991, door de Raad van State vernietigd is, heeft de Vlaamse regering op 23 juli 1998 beslist om de procedure te hernemen vanaf het moment van de onregelmatigheid in de procedure. De bevorderingsprocedure moet in die omstandigheden geacht worden nog steeds “in uitvoering” geweest te zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van het Vlaams personeelsstatuut
  35. Krachtens het voormeld artikel VIII 116 van het Vlaams personeelsstatuut 1993 diende de bevorderingsprocedure dan ook te worden voortgezet en afgehandeld overeenkomstig de bepalingen die van kracht waren bij de vacantverklaring, en niet overeenkomstig de bepalingen van het Vlaams personeelsstatuut
  36. Het middel faalt naar recht. IX-1835-15/16 BESLISSING
  37. De Raad van State verwerpt het beroep.
  38. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 173,53 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 123,95 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 30 november 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Daniel Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Paul Lemmens IX-1835-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.353 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.