← België

Arrest 198372 - Leger en bijzondere korpsen - Reglementen - 30/11/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.372 Rolnummer: Zaak: Arrest 198372 - Leger en bijzondere korpsen - Reglementen - 30/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-09 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 03:57 Fiche Arrest nr 198.372 van 30 november 2009 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korpsen - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 198.372 van 30 november 2009 in de zaken A. I. 153.635/IX-4578 II. 153.636/IX-4579 In zake : I. de politiezone BERINGEN-HAM-TESSENDERLO II. de gemeente LANAKEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te Beringen Scheigoorstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : I. + II. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door :

  1. de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe en Leopold Schellekens kantoor houdend te Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen
  2. de staatssecretaris voor Mobliliteit bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geert Lenssens kantoor houdend te Brussel Carton De Wiartlaan 126 bij wie woonplaats wordt gekozen
  3. de minister van Begroting
  4. de minister van Financiën --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de beroepen
  5. Het beroep, ingesteld op 9 juli 2004, door de politiezone Beringen-Ham-Tessenderlo strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 3 mei 2004 betreffende de overeenkomsten tussen de federale overheid en de politiezones inzake verkeersveiligheid en van het ministerieel besluit van 9 juni 2004 betreffende de toekenning van de financiële hulp van de Staat aan de politiezones inzake Verkeersveiligheid Conventies. Het beroep, ingesteld op 9 juli 2004, door de gemeente Lanaken strekt tot de nietigverklaring van dezelfde besluiten. IX-4578-1/24 II. Verloop van de rechtspleging
  6. Bij arrest nr. 138.033 van 6 december 2004 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen, ingesteld door de eerste verzoekende partij verworpen. De eerste verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De eerste en de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Henri Colin heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 november
  7. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Joris Gebruers, die loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Leopold Schellekens, die loco advocaat David D’Hooghe verschijnt voor de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij, advocaat Leïla Tijini, die loco advocaat Geert Lenssens verschijnt voor de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij, en inspecteur Jan De Vleeschouwer, die verschijnt voor de derde en vierde vertegenwoordigers van de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. IX-4578-2/24 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. III. Feiten 3.
  9. Bij artikel 32 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid, wordt in titel V van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, een hoofdstuk VI ingevoegd, dat de artikelen 68bis tot 68quinquies omvat en dat luidt als volgt: “Hoofdstuk VI. Overeenkomsten met de politiezones inzake verkeers- veiligheid Art. 68bis. §
  10. De ontvangsten van de penale geldboeten inzake verkeer, van de bevelen tot betaling, en van de sommen tegen betaling met eventueel verval van strafvordering, zoals bedoeld in deze gecoördineerde wetten, worden, overeenkomstig de bepalingen van deze wetten, gedeeltelijk toegewezen aan de politiezones gedefinieerd in artikel 9 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus die een overeenkomst inzake verkeersveiligheid hebben gesloten met de minister van Binnenlandse Zaken en met de minister van Mobiliteit en Vervoer. §
  11. De Staat zorgt voor de inning van de in paragraaf 1 bedoelde ontvangsten voor rekening van de politiezones met inachtneming van de bij deze wet vastgestelde regels. Art. 68ter. Het aan de politiezones toegewezen deel is het totaal van de ontvangsten bedoeld in artikel 68bis, § 1, verminderd met het bedrag van deze ontvangsten in
  12. Het bedrag van deze ontvangsten in 2002 is gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen dat op 31 december 2002 werd bereikt. Die bedragen worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan het op 31 december van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de consumptieprijzen. Vanaf het jaar 2003, en volgens de nadere regels vastgelegd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wordt het over de politiezones die een overeenkomst inzake verkeersveiligheid hebben gesloten met de minister van Binnenlandse Zaken en van Mobiliteit en Vervoer, te verdelen deel vastgelegd. Art. 68quater. De Koning bepaalt eveneens, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria en het mechanisme volgens welke deze verdeling wordt uitgevoerd tussen de verschillende politiezones die een overeenkomst als bedoeld in artikel 68bis, § 1, hebben afgesloten. IX-4578-3/24 Art. 68quinquies. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden en nadere regels vast waaraan de overeen- komst als bedoeld in artikel 68bis, § 1, moet voldoen. De overeenkomst voorziet in de uitvoering van een analyse van de verkeersveiligheidsproblemen in de betrokken politiezone, evenals een inventaris van de bestaande activiteiten inzake de handhaving van de verkeersveiligheid in de betrokken politiezone. De overeenkomst voorziet eveneens in een actieplan dat prioriteiten bepaalt en dat overeenkomstig deze prioriteiten, de volgende punten bevat : - het opzetten van informatieacties omtrent verkeersveiligheidsproblemen in de betrokken politiezone, met inbegrip van informatie over de organisatie en de resultaten van de controles; - het opzetten van preventieacties omtrent verkeersveiligheidsproblemen in de betrokken politiezone; de organisatie van controleacties, met precisering van de doelstellingen ervan. De overeenkomst moet kaderen in het zonale veiligheidsplan. In de overeenkomst verbindt de politiezone zich ertoe een coördinator aan te stellen die over de daadwerkelijke uitvoering van de doelstellingen ervan inzake verkeersveiligheid zal waken. Zij verbindt zich er ook toe een evaluatieverslag te zenden aan de boven- vermelde ministers met betrekking tot de uitvoering van de overeenkomst, dat met name de verdeling bevat van het aantal manschappen dat werd ingezet bij de verschillende acties die werden opgezet in het kader van de overeenkomst”. 3.
  13. Op 11 april 2003 wordt de afdeling wetgeving van de Raad van State door de Vice-Eerste Minister en minister van Mobiliteit en Vervoer verzocht haar, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit “betreffende de overeenkomsten tussen de federale overheid en de politiezones inzake verkeersveiligheid”; in zijn desbetreffend advies 35.343/4 van 16 april 2003 merkt de Raad van State, afdeling wetgeving, onder meer op dat, overeenkomstig artikel 6, § 4, 3/, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen de gewestregeringen moeten betrokken worden bij de uitwerking van het ontworpen besluit, dat in de notulen van de vergadering van het Overlegcomité Federale Regering/Gemeenschaps- en Gewestregeringen van 4 april 2003 staat dat het ontwerpbesluit is goedgekeurd, en dat, onder voorbehoud dat dit Overlegcomité was samengesteld uit gewestministers die bevoegd zijn om hun respectieve regeringen te verbinden, ervan kan worden uitgegaan dat de procedure terzake de betrokkenheid van de gewestregeringen rechtsgeldig doorlopen is; bij wijze van algemene opmerking beveelt de afdeling wetgeving aan de structuur IX-4578-4/24 van het ontworpen besluit te herzien met het oog op een betere verstaanbaarheid van de tekst. 3.
  14. Op 9 april 2004 wordt de afdeling wetgeving van de Raad van State door de minister van Mobiliteit verzocht hem binnen een termijn van vijf werkdagen van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit “betreffende de overeenkomsten tussen de federale overheid en de politiezones inzake verkeersveiligheid”; in zijn desbetreffend advies 36.951/4 van 19 april 2004 merkt de Raad van State, afdeling wetgeving, onder meer op dat, aangezien het ontwerp ten opzichte van de versie die in het advies 35.343/4 is onderzocht op fundamentele punten (onder meer de verdeelsleutel) is gewijzigd, de gewesten opnieuw bij de uitwerking ervan hadden moeten betrokken worden, en dat uit de stukken die aan de Raad van State zijn overgezonden niet blijkt dat dit vormvereiste is vervuld. 3.
  15. In de notulen van de vergadering van het Overlegcomité Federale Regering/Gemeenschaps- en Gewestregeringen van 21 april 2004 staat dat het Comité beraadslaagd heeft over het ontwerp van koninklijk besluit “betreffende de overeenkomsten tussen de federale overheid en de politiezones inzake verkeersveiligheid”, en dat eventuele bijkomende opmerkingen nog bilateraal kunnen overgemaakt worden aan de minister van Mobiliteit en dit vóór 27 april
  16. 3.
  17. In het Belgisch Staatsblad van 12 mei 2004 verschijnt het koninklijk besluit van 3 mei 2004 betreffende de overeenkomsten tussen de federale overheid en de politiezones inzake verkeersveiligheid. Dat besluit, dat het eerste voorwerp uitmaakt van de beide beroepen tot nietigverklaring, luidt als volgt: “Gelet op de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968 en gewijzigd op 7 februari 2003, inzonderheid op de artikelen 68bis, 68ter, 68quater en 68quinquies; Gelet op de omstandigheid dat de gewestregeringen bij het ontwerpen van dit besluit betrokken zijn; Gelet op de adviezen van de Inspectie van Financiën, gegeven op 20 januari 2003 en 1 april 2004; IX-4578-5/24 Gelet op de hoogdringendheid die wordt gerechtvaardigd door de noodzaak om de verkeersveiligheidsdoelstellingen van de wetgever en de Regering ten uitvoer te leggen, wordt aan de Raad van State een advies binnen vijf dagen gevraagd. De hoogdringendheid wordt gerechtvaardigd door de wil van de regering om het aantal doden en gewonden op onze wegen drastisch te verminderen. In vergelijking met andere Europese landen vertoont België immers een van de slechtste scores inzake verkeersveiligheidsindicatoren, en dit inzonderheid in termen van mortaliteit. Er moet snel worden opgetreden om de doelstellingen te halen die de Regering zichzelf heeft opgelegd in het kader van de Staten-Generaal voor de Verkeersveiligheid en om zich zo snel mogelijk aan te passen aan de modellanden op dit gebied. Ter herinnering, België heeft zich ertoe verbonden het aantal doden en gewonden op zijn wegen tegen 2006 met 33 % te verminderen. In deze optiek werd de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid door het Parlement goedgekeurd (wet bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 februari 2003). Om de gemeenschappelijke doelstellingen van de wetgever en van de Regering te bereiken, moeten zo snel mogelijk de maatregelen ten uitvoer kunnen worden gelegd die werden goedgekeurd om de mortaliteit op onze wegen zo snel mogelijk te verminderen. De meeste uitvoeringsbesluiten van de bepalingen van de wet van 7 februari werden op 22 december 2003 ingevoerd en op 31 december 2003 gepubliceerd. Ze zijn op 1 maart 2004 in werking getreden. De hoogdringendheid wordt dus ook gerechtvaardigd door de noodzaak om dit besluit te laten gelden op een tijdstip dichtbij dat van de inwerkingtreding van de andere uitvoeringsbesluiten van de wet. Ten slotte wordt gewenst dat de regeling vanaf dit jaar 2004 kan worden toegepast, waarvoor een snelle bekendmaking nodig is die de politiezones in staat stelt om hun overeenkomsten af te sluiten; Gelet op het advies 35.343/4 en 36.951/4 van de Raad van State van 16 april 2003 en 19 april 2004, in toepassing van artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van Onze Minister van Begroting, Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Mobiliteit, en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel
  18. De verkeersveiligheidsovereenkomst waarnaar wordt verwezen in de artikelen 68bis, 68ter, 68quater en 68quinquies van titel V, Hoofdstuk VI van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, heeft betrekking op minstens één van de volgende thema's : - de naleving van snelheidsbeperkingen; - de preventie of bestrijding van het rijden in staat van alcoholopname of van dronkenschap; IX-4578-6/24 - preventie of bestrijding van het rijden onder invloed van andere stoffen die de rijvaardigheid beïnvloeden; - de naleving van de regels betreffende het dragen van de veiligheidsgordel en het gebruik van andere beschermingsmiddelen; - de naleving van specifieke regels voor het wegvervoer; - de bestrijding van hinderlijk en gevaarlijk parkeren of van agressief gedrag in het verkeer. Art.
  19. §
  20. De overeenkomst kadert in de doelstellingen van het zonaal Veiligheidsplan en vormt de basis van intensievere acties inzake verkeersveiligheid. §
  21. De voorbereidings- en goedkeuringsprocedure van de overeen- komst is analoog met de procedure voorzien voor de voorbereiding en de goedkeuring van de zonale veiligheidsplannen, zoals gepreciseerd in artikel 37 van de wet van 7 december 1998 houdende organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, met uitzondering van de verwijzing naar de Minister van Justitie die in dit geval vervangen moet worden door de Minister van Mobiliteit. §
  22. In de overeenkomst stelt de zone een coördinator aan die verantwoordelijk is voor de opvolging van de voorbereiding en de toepassing van de overeenkomst. Art.
  23. Voor de toepassing van dit besluit, delen de Minister van Financiën en de Minister van Begroting elk jaar ten laatste op 1 februari aan de Minister van Binnenlandse Zaken het saldo mee bedoeld in de artikelen 68bis, § 1, en 68ter van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart
  24. Voor het jaar 2004 wordt deze mededeling ten laatste op 15 mei gedaan. Binnen de 8 dagen volgend op deze mededeling maakt de Minister van Binnenlandse Zaken dit saldo zo snel mogelijk bekend in het Belgisch Staatsblad, alsook de maximumbedragen die aan elke politiezone kunnen toegekend worden. Deze bedragen worden bepaald door toepassing van een verdeelsleutel op het bedrag van het saldo. Voor het jaar 2004, volgt deze bekendmaking onmiddellijk na de mededeling. Art.
  25. De ontvangsten bedoeld in artikel 68bis, § 1, stemmen overeen met het totaalbedrag van de ontvangsten van de politierechtbank vermeerderd met het totaalbedrag van de geldsommen beschreven in artikels 65 en 65bis van de wet betreffende de politie over het wegverkeer en met het bedrag van de geldsommen beschreven in het artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering. Deze ontvangsten zijn voor het jaar 2002 forfaitair vastgelegd op 183.442.060,68 euro. Art.
  26. De verdeelsleutel wordt als volgt vastgesteld : 1/ 54 % wordt verdeeld op basis van een categorisering van de politiezones in 5 groepen naar gelang van het organiek politiekader, IX-4578-7/24 2/ 37 % wordt verdeeld onder de 196 zones op basis van het verschil tussen het maximum jaartotaal van het aantal doden en zwaar gewonden dat werd opgetekend in de zone in de jaren 1998, 1999 en 2000 op de wegen die tot de bevoegdheid van de politiezone behoren, en het jaartotaal van het aantal doden en zwaar gewonden dat werd opgetekend in de zone in het jaar t-2 (waarbij t het jaar is waarin de overeenkomst wordt getekend). - Indien het verschil negatief is, dan wordt het bedrag dat aan de zone wordt toegekend, berekend op basis van 50 % van het bedrag dat in het jaar t-1 op basis van dit criterium werd toegekend, en wordt dat bedrag in het jaar t+1 in mindering gebracht van de totale som bekomen in het jaar t+
  27. Indien in het jaar t+1, het verschil opnieuw negatief is, dan wordt het bedrag dat aan de zone wordt toegekend gelijkgesteld aan
  28. In 2004 is het bedrag gelijk aan 0; - Het resterende bedrag, namelijk 37 % van het saldo verminderd met het totaal van de onder het vorige streepje toegekende sommen en vermeerderd met het bedrag op die manier verschuldigd op basis van jaar t-1, wordt verdeeld onder de zones waarvan het verschil positief is; - Indien het verschil positief is wordt het percentage van het bedrag dat aan de zone wordt toegekend, berekend op basis van dat verschil gedeeld door de som van de verschillen van de zones waarvoor het jaartotaal van het aantal doden en zwaar gewonden in t-2 kleiner is dan het aantal doden en het maximum jaartotaal van het aantal doden en zwaar gewonden dat werd opgetekend in de zone in de jaren 1998, 1999 en 2000, x
  29. Het resultaat geeft aan welk percentage van het bedrag aan de zone wordt toegekend; 3/ 9 % wordt verdeeld onder de 196 zones naar gelang van het aantal kilometer gemeentelijke en gewestelijke wegen binnen de zone, op basis van het verband tussen het aantal gemeentelijke wegen en gewestelijke wegen x 100, gedeeld door het aantal kilometer wegen op het hele grondgebied. Het resultaat geeft aan welk percentage van het bedrag aan de zone wordt toegekend. Art.
  30. Het ontwerp van overeenkomst wordt in voorkomend geval naar de Minister van Binnenlandse Zaken gestuurd samen met het zonaal veiligheidsplan en ten laatste, op 1 april, op straffe van onontvankelijkheid. Er wordt ook een exemplaar naar de Minister van Mobiliteit gestuurd. In 2004 wordt het ontwerp ten laatste op 1 september doorgestuurd. Art.
  31. Over het goedkeuren, het verdagen of het weigeren van de overeenkomst zal een beslissing worden genomen door de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Mobiliteit. Deze beslissing wordt overgemaakt aan de Ministers van Financiën en van Begroting, met de bedoeling over te gaan tot het uitbetalen van de bedragen aan de zones. Het uitbetalen van de sommen gebeurt in twee keer. De eerste helft van het toegekende bedrag wordt aan de politiezones gestort ten laatste op 1 juli. De tweede helft van het toegekende bedrag wordt ten laatste op 1 januari aan de politiezones gestort. Voor het jaar 2004 wordt de eerste helft gestort na afsluiten van de conventies. IX-4578-8/24 De maximum bedragen die zijn toegekend onder artikels 3 en 5 worden enkel uitbetaald aan de politiezones die een verkeersveiligheidsovereenkomst hebben gesloten met de federale overheid. De bedragen die niet zijn toegekend worden toegevoegd aan het saldo bedoeld in de artikelen 68bis, § 1, en 68ter, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, van het volgend jaar. Art.
  32. §
  33. Wanneer het jaar daarop een nieuwe ontwerpovereenkomst wordt ingediend door de politiezone, is het verplicht daar een verslag aan toe te voegen met de resultaten van de vorige overeenkomst, zowel inzake voorlichting en preventie als inzake controles, dat wordt beoordeeld door de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Mobiliteit. §
  34. Het verslag maakt de bijkomende inspanningen duidelijk die door de politiezone werden geleverd inzake verkeersveiligheid en die moeten worden beoordeeld in het kader van de zonale plannen. §
  35. Alleen de politiezones die de acties inzake controle, voorlichting en preventie die in de beoordeelde overeenkomst liggen vervat gevoelig hebben uitgebreid, kunnen aanspraak maken op het tekenen van een nieuwe overeenkomst. Art.
  36. De Ministers van Binnenlandse Zaken en van Mobiliteit mogen het afsluiten van een overeenkomst weigeren in geval de voorgaande overeenkomst negatief wordt beoordeeld, of in geval de overeenkomst niet conform is met artikel 1 van dit besluit. Art.
  37. Treden in werking op de dag van publicatie van het huidige besluit: 1/ artikel 32 van de wet van 7 februari 2003 houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid; 2/ dit besluit. Art.
  38. Onze Minister van Begroting, Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Mobiliteit zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.” 3.
  39. Met een omzendbrief van 28 mei 2004 (B.S., 7 juni 2004, tweede editie) geven de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Mobiliteit instructies betreffende de procedure voor indiening en goedkeuring van de overeenkomsten inzake verkeersveiligheid voor het jaar
  40. 3.
  41. In het Belgisch Staatsblad van 14 juni 2004 verschijnt het ministerieel besluit van 9 juni 2004 betreffende de toekenning van de financiële hulp van de Staat aan de politiezones inzake Verkeersveiligheid Conventies. Luidens dat ministerieel besluit, dat het tweede voorwerp uitmaakt van de beide beroepen tot nietigverklaring, bedraagt het saldo bedoeld in de IX-4578-9/24 artikelen 68bis, § 1, en 68ter, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, voor 2004 41.837.740 euro. De maximumbedragen die door toepassing van de verdeelsleutel, vastgesteld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 3 mei 2004, aan elke politiezone kunnen worden toegekend, zijn weergegeven in de tabel die als bijlage aan het ministerieel besluit is toegevoegd. Het maximumbedrag voor de politiezone Beringen/ Ham/Tessenderlo bedraagt 365.479 euro, dat voor de politiezone Lanaken 80.558 euro. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  42. De raadsman van de verzoekende partijen heeft, na de neerlegging van de laatste memories in de zaak nr. 153.635/IX-4578 nog twee stukken aan de Raad van State bezorgd. Enerzijds een kopie van een rapport van het Rekenhof aangaande het Fonds voor de Verkeersveiligheid, dat naar zijn oordeel zijn visie ondersteunt en anderzijds een uittreksel uit “Info Zone van 21 mei 2008” van de dienst Verkeersreglementering van de FOD Mobiliteit en Vervoer. Deze stukken werden bij het dossier gevoegd. De verzoekende partij verduidelijkt evenwel niet welk belang deze stukken hebben voor de afwikkeling van de rechtsstrijd die zij aangespannen heeft. V. Samenvoeging
  43. Beide beroepen zijn gericht tegen dezelfde besluiten en steunen op dezelfde middelen. Er is reden om beide zaken te voegen. VI. Ontvankelijkheid van het beroep
  44. In de zaak G/A. 153.636/IX-4579 betwist de verwerende partij het belang van de verzoekende partij. Haar tweede vertegenwoordiger laat gelden dat uit de samenlezing van de artikelen 68bis, § 1, 68quater en 68quinquies van de wet van 16 maart 1968, zoals gewijzigd bij de wet van 7 februari 2003, volgt dat het IX-4578-10/24 toekennen van een tegemoetkoming afhangt van het effectief afsluiten van een overeenkomst met de ministers van Binnenlandse Zaken en van Mobiliteit, en dat artikel 7 van het koninklijk besluit van 3 mei 2004 bevestigt dat over het goedkeuren van de overeenkomst een beslissing wordt genomen door de ministers van Binnenlandse Zaken en van Mobiliteit, maar dat er in het onderhavig geval geen dergelijke overeenkomst bestaat. Meer nog, artikel 6 van voormeld koninklijk besluit vereist dat voor 2004 het ontwerp van overeenkomst op straffe van onontvankelijkheid, ten laatste op 1 september wordt doorgestuurd, en de verzoekende partij bewijst niet dat zij dergelijk ontwerp heeft doorgestuurd. Daaruit volgt dat zij geen aanspraak kan maken op de tegemoetkomingen voorzien in de bestreden besluiten. De vermelding van de verzoekende partij in het ministerieel besluit van 9 juni 2004 zou geen afbreuk doen aan die vaststelling aangezien het gaat om bedragen die nog niet op definitieve wijze individueel zijn toegekend. Een en ander leidt tot de conclusie dat de verzoekende partij niet over het vereiste belang beschikt. Beoordeling
  45. Luidens artikel 6 van het koninklijk besluit van 3 mei 2004 wordt het ontwerp van overeenkomst in 2004 op straffe van onontvankelijkheid ten laatste op 1 september doorgestuurd. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de verzoekende partij op 26 augustus 2004, -dit is binnen de termijn bepaald in artikel 6 van het koninklijk besluit van 3 mei 2004-, een ontwerp van overeenkomst inzake verkeersveiligheid voor het jaar 2004 heeft overgemaakt aan zowel de federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken als aan de federale overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. De verzoekende partij heeft daarmee de eerste voorwaarde vervuld om de tegemoetkoming te verkrijgen. Daarmee toont zij het bestaan van een rechtstreekse band met de bestreden beslissingen aan. De verwerende partij harerzijds bewijst niet dat de verzoekende partij in het daaropvolgend besluitvormingsproces definitief uitgesloten is geworden van de tegemoetkoming. De exceptie wordt verworpen. IX-4578-11/24 VII. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  46. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 6, § 4, 3/, en § 8, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Zij betogen dat de regeringen betrokken moeten worden bij het ontwerpen van regels van de algemene politie en de reglementering op het verkeer en vervoer en dat het tweede ontwerp van koninklijk besluit dat, na fundamentele wijziging van het eerder overgelegd ontwerp, aan de afdeling wetgeving van de Raad van State voorgelegd werd, tot stand gekomen is zonder dat de gewesten bij de aangelegenheid betrokken zijn, zodat een substantieel vormvoorschrift miskend is. Zij voegen daaraan toe dat het bewijs ook niet voorgelegd wordt dat de gewesten betrokken werden bij het eerste ontwerp van koninklijk besluit. Zij wijzen er voorts nog op dat de Raad van State in zijn eerste advies vragen had gesteld bij de regelmatige samenstelling van het Overlegcomité, dat ook naar aanleiding van de tweede vraag om advies geen uitsluitsel gegeven is over de samenstelling van dat Overlegcomité en dat de Raad van State dan ook ambtshalve zal moeten nagaan of de drie gewesten wel vertegenwoordigd waren in het Overlegcomité dat over de zaak vergaderd heeft.
  47. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen nog dat de bepalingen die het voorwerp van het middel uitmaken de openbare orde raken zodat zij in beginsel zelfs ambtshalve door de Raad van State ingeroepen zullen worden. Beoordeling
  48. Artikel 14bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt: “Voor de toepassing van artikel 14 worden als substantiële vormen beschouwd, [...], de betrokkenheid, [...] die voorgeschreven zijn door of krachtens de wetten aangenomen in uitvoering van de artikelen 39, 127, § 1, 128, § 1, 129, § 1, 130, § 1, 135, 136, eerste lid, 140, 175, 176 en 177 van de Grondwet. IX-4578-12/24 De natuurlijke en de rechtspersonen, behalve de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie [...] kunnen echter de schending van de in het vorige lid bedoelde vormen niet inroepen”. Deze bepaling verhindert de Raad van State de bestreden besluiten -weze het op vraag van de hier verzoekende partijen dan wel ambtshalve- te vernietigen op grond van de miskenning van de regels die de betrokkenheid van de gewesten organiseren bij de totstandkoming van regels als het eerste bestreden besluit, met inbegrip van de regelmatige samenstelling van het Overlegcomité. Het middel is niet ontvankelijk. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  49. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 3bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Zij stellen dat besluiten die wettelijke bepalingen kunnen opheffen, aanvullen of wijzigen, aan het advies van de afdeling wetgeving onderworpen moeten worden, dat in dit geval belangrijke wijzigingen worden ingevoerd die de wegverkeerswet aanvullen en dat de verwerende partij alleen maar bij hoogdringendheid het advies van de afdeling wetgeving gevraagd heeft, hetgeen verboden is door artikel 3bis, §2, van dezelfde wet. Beoordeling
  50. Artikel 3bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State heeft betrekking op besluiten waarbij de uitvoerende macht overeenkomstig artikel 105 van de Grondwet, regelend optreedt in het kader van machtigingen verleend door volmachtwetten (Parl. St., Senaat, 1995-1996, stuk 1-310/10, p. 1). Het hier bestreden koninklijk besluit steunt niet op een dergelijke wet, maar is genomen ter uitvoering, volgens artikel 108 van de Grondwet, van de artikelen 68bis tot 68quinquies van de Wegverkeerswet. Het middel is niet gegrond. IX-4578-13/24 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  51. De verzoekende partijen voeren tegen het bestreden koninklijk besluit de schending aan van artikel 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van het motiveringsbeginsel. Zij stellen dat de verwerende partij bij hoogdringendheid het advies van de afdeling wetgeving over het eerste bestreden besluit gevraagd heeft maar dat de hoogdringendheid niet afdoende gemotiveerd werd. Met name stellen zij vast dat reeds in april 2003 een ontwerp van besluit aan de Raad van State was voorgelegd waarin de hoogdringendheid ingeroepen werd, maar dat het dan een jaar geduurd heeft om het ontwerp aan te passen en dat voor het tweede ontwerp dan, met uitzondering van de “tijdsaanduidingen”, toch weer dezelfde redenen worden aangevoerd. Volgens hen past het bestuur de motivering aan in functie van zijn behoeften en is het zelf verantwoordelijk voor de aangevoerde hoogdringendheid. Overigens blijkt niet waarom het bestuur geen toepassing heeft kunnen maken van artikel 84, § 1, eerste lid, 1/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, waarin voorzien is dat een advies kan gevraagd worden binnen een termijn van 30 dagen.
  52. In de memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen daar nog aan toe dat de omstandigheid dat “een valabel doel” aan het besluit ten grondslag ligt -het verminderen van het aantal doden en gekwetsten in het verkeer- de hoogdringendheid niet rechtvaardigt en dat het doel van het bestreden besluit er overigens in bestaat de lokale politiezones financieel te stimuleren wanneer zij specifieke verkeersacties opzetten, terwijl ook de noodzakelijkheid van de dringende realisatie van dat doel niet wordt aangetoond. De verwijzingen naar administratieve moeilijkheden bij het uitwerken en uitvaardigen van de teksten kan het beroep op de hoogdringendheid niet rechtvaardigen. Beoordeling
  53. Krachtens artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moeten ontwerpen van koninklijk besluiten aan het advies van de afdeling wetgeving onderworpen worden, tenzij het bestuur de hoogdringendheid aanvoert en dit uitdrukkelijk motiveert. IX-4578-14/24 In dit geval is het advies van de afdeling wetgeving ingewonnen vooraleer het bestreden koninklijk besluit getroffen is. Artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten is derhalve niet miskend. Aldus bezien mist het middel feitelijke grondslag.
  54. Overeenkomstig artikel 84, § 1, eerste lid, 2/, van dezelfde wetten kan het advies op zeer korte termijn -vijf dagen, voorheen drie dagen- verkregen worden maar dergelijke vraag om spoedadvies moet met bijzondere redenen omkleed worden. De verwerende partij heeft van deze wettelijke mogelijkheid gebruik gemaakt, maar volgens de verzoekende partijen is de ingeroepen motivering niet deugdelijk.
  55. De verwerende partij heeft de hoogdringendheid van de adviesaanvraag verantwoord door een verwijzing naar haar bedoeling -dat ook aan de basis lag van de wet van 7 februari 2003- om dringend -met name reeds in 2004- maatregelen te treffen teneinde het aantal verkeersdoden en -gekwetsten met 33% te verminderen en aldus de objectieven, die tijdens de Staten-generaal voor de Verkeersveiligheid waren gesteld, te bereiken. Zij heeft in dat kader ook aangevoerd dat de meeste andere uitvoeringsbesluiten van de wet van 7 februari 2003 in werking getreden zijn op 1 maart 2004 en dat het de bedoeling was om ook dit besluit in werking te laten treden op een datum die daar niet te ver van af ligt. De verzoekende partijen betwisten geenszins de feitelijke gegevens waarop de hoogdringendheid van de adviesaanvraag gesteund is. Inhoudelijk bekeken vormen die gegevens een voldoende duidelijk, concreet en pertinent motief dat de hoogdringendheid van de adviesaanvraag verantwoordt. Gewis wordt met het bestreden besluit een financiële stimulans naar de politiezones toe georganiseerd, maar die regeling is onmiskenbaar rechtstreeks gericht op specifieke bijkomende acties inzake verkeersveiligheid. En de pertinentie van dat motief is niet geringer omdat het besluitvormingsproces een jaar aangesleept heeft.
  56. Het middel is niet gegrond. IX-4578-15/24 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  57. De verzoekende partijen stellen dat het bestreden koninklijk besluit aangetast is door machtsafwending doordat het bestuur de bevoegdheid die het van de wetgever gekregen heeft teneinde een bepaald oogmerk van algemeen belang te bereiken, gebruikt om een ander doel te bereiken. Te dezen beoogt de wet van 7 februari 2003 aan de politiezones een stimulans te bieden om bijkomende acties inzake verkeersveiligheid op het getouw te zetten, maar uit de verdeelsleutel die in het bestreden besluit gehanteerd wordt -artikel 5- en het bestreden ministerieel besluit blijkt dat er in werkelijkheid een transfer van Vlaamse gelden naar Waalse politiezones georganiseerd wordt. Immers, uit een studie van de Vlaamse Steden en Gemeenten blijkt dat 87% van de opbrengst van de verkeersboeten in Vlaanderen gegenereerd wordt terwijl er, na verdeling, slechts 56,7% naar Vlaamse politiezones terugkeert (in 2003 werd in Vlaanderen 34 miljoen euro meeropbrengst op de verkeersboeten geregistreerd en in Wallonië 2 miljoen en daarvan vloeit slechts 24 miljoen euro terug naar Vlaanderen terwijl de Waalse gemeenten 15,5 miljoen euro ontvangen). Op grond daarvan dient te worden besloten dat de bestreden besluiten niet beogen de verkeersveiligheid te stimuleren, maar dat zij ertoe strekken, via het instrument van de herverdeling volgens de criteria vermeld in artikel 5 van het bestreden koninklijk besluit, de Waalse gemeenten meer geld te bezorgen dan de Vlaamse. Voorts is de verdeelsleutel ook “onredelijk en onevenredig” omdat erin voorzien is dat 67% van het verkeersboetefonds verdeeld wordt op grond van criteria die niets te maken hebben met de verkeersveiligheid, aangezien 54% daarvan verdeeld wordt op basis van de klassering van de politiezone op basis van het kader van het personeel en 9% op basis van het aantal kilometers gemeentelijke en gewestwegen binnen de politiezone.
  58. In hun memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen daaraan toe dat de vergelijking gemaakt moet worden tussen de nieuwe verdeelregel en de bestaande situatie van de verdeling van de verkeersboeten. In het jaar voorafgaand aan dat van de bestreden regeling ging ongeveer 83% van de meeropbrengsten van de penale boeten naar de Vlaamse politiezones en dat wordt nu herleid tot 57%, terwijl de Waalse politiezones voorheen 5% ontvingen en nu 37%. Die vaststelling staat haaks op de bedoeling van de regering om de politiezones “te stimuleren” om bijkomende acties te ondernemen. En de criteria op IX-4578-16/24 grond waarvan de verdeling nu gebeurt geven geen uitzicht op verbetering. Eigenlijk had de verwerende partij de verdeling afhankelijk moeten stellen van het bewijs van het daadwerkelijk opzetten van bijkomende acties.
  59. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen nog dat zij kunnen aanvaarden dat een beslissing bepaalde neveneffecten heeft, maar dat in dit geval de geformuleerde doelstelling helemaal niet kan worden bereikt omdat er een significante afname van de middelen is. Beoordeling
  60. Het middel van machtsafwending is een subsidiair middel dat de Raad van State toelaat een administratieve beslissing te vernietigen wanneer uit de gegevens van het dossier blijkt dat het bestuur de bevoegdheid, die het van de wetgever gekregen heeft om een bepaalde opdracht van algemeen belang te vervullen, gebruikt heeft om een andere doelstelling te realiseren en het bestuur er niet in slaagt het bestaan van een rechtmatig oogmerk aan te tonen. Voor de verzoekende partijen ligt het ongeoorloofd oogmerk in het transfereren van in Vlaanderen gerealiseerde inkomsten naar Wallonië.
  61. Vóór de politiehervorming konden de gemeenten op basis van artikel 226bis van de nieuwe gemeentewet aanspraak maken op 7,5% van de ontvangsten uit boeten en strafrechtelijke veroordelingen evenals uit de geldsommen bedoeld in artikel 216 van het Strafwetboek en in artikel 65 van de Wegverkeerswet; de kredieten werden aangewend voor de ondersteuning van de werking van het politiekorps. Tijdens de parlementaire bespreking van de wet van 7 februari 2003 zijn amendementen ingediend waarin voorgesteld werd om de opbrengst van de penale boeten inzake verkeer in belangrijke mate te laten terugstromen naar de politiezones waarbinnen de boeten territoriaal gelokaliseerd konden worden, teneinde aldus te voorkomen dat bepaalde politiezones het gevoel zouden krijgen dat andere politiezones, waar minder ijver bestaat, daarvoor beloond worden. Die amendementen zijn verworpen; de wetgever heeft er dus voor geopteerd de bedragen, bedoeld in artikel 68bis, § 1, van de Wegverkeerswet, niet op grond van een geografisch criterium te herverdelen. Daaruit volgt dat de verzoekende partijen aan de verwerende partij niet relevant de onregelmatigheid van de nieuwe verdeelregeling kan verwijten op grond van de vaststelling dat voorheen 83% van IX-4578-17/24 de meeropbrengsten naar de Vlaamse politiezones ging terwijl dat nu nog slechts 56,7% is. De hamvraag in het kader van de vraag naar machtsafwending is of de verwerende partij de bevoegdheid die zij van de wetgever gekregen heeft om verdelingscriteria te bepalen, niet heeft misbruikt en uitsluitend toegespitst op de bevoordeling van de Waalse politiezones. De verzoekende partijen geven daarvoor geen aanwijzingen.
  62. Het middel gesteund op machtsafwending is niet gegrond.
  63. In het middel verwijzen de verzoekende partijen nog naar de miskenning van een aantal beginselen van behoorlijk bestuur. De desbetreffende argumenten komen in het vijfde middel aan bod. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  64. De verzoekende partijen voeren de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, doordat de verwerende partij onzorgvuldig gehandeld heeft en alleszins de gevolgen niet ingeschat heeft van de verdeelsleutel die zij ingevoerd heeft. De verdeelsleutel zelf is onduidelijk en getuigt van onzorgvuldig en onredelijk bestuur, in die mate zelfs dat geen in redelijkheid handelende overheid dezelfde beslissing zou hebben genomen. Zij betwisten de rechtmatigheid van de in aanmerking genomen verdelingscriteria met volgende argumenten: - artikel 5 van het bestreden koninklijk besluit maakt niet duidelijk hoe 54% van het Verkeersboetefonds moet verdeeld worden op basis van de catalogisering van de politiezones en toch is die verdeling met het tweede bestreden besluit reeds gebeurd; - het tweede criterium voor de verdeling betreft het aantal verkeersslachtoffers -doden en zwaargewonden- in de zone, maar het is niet duidelijk waarom enkel rekening gehouden wordt met doden en zwaargewonden. Dat criterium is immers niet alleen afhankelijk van de verkeershandhaving maar ook van IX-4578-18/24 infrastructuurwerken en van toevallige factoren -een zwaar verkeersongeval in een kleine politiezone geeft een vertekend beeld- en benadeelt de politiezones die in het verleden reeds veel inspanningen gedaan hebben. Voorts wordt rekening gehouden met de cijfers van het Nationaal Instituut voor de Statistiek, maar die geven niet altijd de werkelijkheid weer; - het is ook niet duidelijk hoe de verwijzing naar het aantal kilometer wegen toegepast moet worden. Zij voegen daaraan toe dat artikel 8 van het bestreden koninklijk besluit de politiezones verplicht tot de redactie van een verslag over de bereikte resultaten en dat de minister daarover zal oordelen, terwijl er geen enkele beoordelingsnorm wordt ingevoerd, wat onzekerheid bij de diensten doet ontstaan en aldus getuigt van onzorgvuldig bestuur.
  65. In hun memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen daar nog aan toe dat zij verplicht worden tot het opstellen van een actieplan -artikel 6 van het bestreden koninklijk besluit- maar dat dit niet opgaat omdat zij geen idee hebben van de gelden die zij zullen ontvangen uit het Verkeersboetefonds. Beoordeling
  66. Krachtens artikel 5 van het bestreden koninklijk besluit worden de ontvangsten, bedoeld in artikel 68bis, § 1, van de Wegverkeerswet verdeeld op basis van drie criteria: - het organiek politiekader - het aantal verkeersslachtoffers - het aantal kilometer gemeentelijke en gewestelijke wegen in de zone.
  67. Aangezien de inspanningen, die verbonden zijn met de bijkomende acties die van de politiezones verwacht worden, evident mede bepaald worden door het aantal manschappen dat bij die acties moet worden ingezet en door het aantal kilometer waarover deze acties gespreid moeten worden, zijn de desbetreffend criteria niet zinloos en in redelijkheid aanvaardbaar, ook al gaat het om zogenaamde vaste gegevens die niet rechtstreeks verband houden met de bijkomende acties. IX-4578-19/24 Het is precies de bedoeling om met bijkomende acties het aantal doden en gewonden in het verkeer terug te dringen. Het criterium van de verkeersslachtoffers in aanmerking nemen om de beschikbare gelden te herverdelen is bijgevolg een voor de hand liggend criterium. De verzoekende partijen betwisten de pertinentie van het criterium en wijzen in dat verband op bepaalde aspecten die inderdaad het beeld in een zekere mate kunnen beïnvloeden en enige nuancering toelaten, maar die niet van aard zijn om de intrinsieke waarde van het objectief criterium onderuit te halen. De verzoekende partijen twijfelen aan de correctheid van de cijfers van het Nationaal Instituut van de Statistiek maar de gegevens die zij aanbrengen laten die twijfel niet toe, aangezien het verschil in cijfers waarop zij de aandacht vestigen mogelijk te wijten kan zijn aan het in aanmerking nemen van andere criteria. Ook te dien aanzien dient overigens bedacht te worden dat mogelijke kritiek op het criterium de intrinsieke waarde van het criterium niet onderuithaalt.
  68. De verzoekende partijen betogen dat de ingevoerde verdeelsleutel tot rechtsonzekerheid leidt, aangezien het bestreden koninklijk besluit niet duidelijk maakt hoe de 54% van de verkeersboeten verdeeld zullen worden op grond van een categorisering van de politiezones in vijf groepen en ook niet duidelijk maakt op welke wijze de formule inzake het aantal kilometer wegen binnen de zone toegepast moet worden. Uit de stukken die de verzoekende partijen met hun memorie van wederantwoord overleggen, inzonderheid de brief van 9 juli 2004 van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten aan de minister en de “VVSG-knelpuntennota verkeersboetefonds” van 24 september 2004, blijkt dat de FOD Binnenlandse Zaken en de FOD Mobiliteit en Vervoer in augustus 2004 de gegevens hebben bekendgemaakt die gebruikt werden voor de berekening van de parameters van de verdeelsleutel. Bovendien stellen de verzoekende partijen zelf dat op de website van VVSG een bijzonder gedetailleerde tabel bekendgemaakt is die per criterium de cijfergegevens bevat die voor elke zone gebruikt zijn voor de verdeling van het Verkeersboetefonds. Daaruit blijkt dat de verwerende partij alle onduidelijkheid met betrekking tot de concrete vaststelling van de toegekende bedragen in functie van de aangehouden criteria weggenomen heeft. De verzoekende partijen verwijzen dan ook ten onrechte naar de schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Het middel is, wat dat betreft, niet ontvankelijk. IX-4578-20/24
  69. Wat betreft de bemerking van de verzoekende partijen enerzijds aangaande het gebrek aan criteria op grond waarvan de minister het verslag over de uitgevoerde acties -voorwaarde om een nieuwe ontwerpovereenkomst met de Staat te verkrijgen- moet beoordelen en anderzijds aangaande het nut van een actieplan wanneer nog niet geweten is hoeveel geld er zal kunnen aan besteed worden, wordt vastgesteld dat zowel de verplichting om een actieplan op te stellen als de verplichting om een evaluatieverslag in te dienen ingevoerd is door artikel 68quinquies van de Wegverkeerswet. De kritiek van de verzoekende partijen dient te worden verworpen als kritiek op de wet. Overigens bevat artikel 8 van het bestreden koninklijk besluit wel degelijk een norm om te beoordelen wanneer de resultaten die elke politiezone bereikt voldoen; er wordt met name gesteld dat de gevoerde acties getoetst worden aan de zonale plannen en dat enkel de zones die de acties, vervat in de beoordeelde overeenkomst, gevoelig hebben uitgebreid, aanspraak kunnen maken op een nieuwe overeenkomst.
  70. Het middel is gedeeltelijk niet ontvankelijk en voor het overige niet gegrond. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
  71. De verzoekende partijen voeren de schending aan van het gelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, doordat de transfer van Vlaamse gelden naar Wallonië, die door het bestreden koninklijk besluit wordt georganiseerd, geen wettig doel heeft. De input van de Vlaamse respectievelijk de Waalse politiezones in het Verkeersboetefonds en de return die zij daar elk voor krijgen, steunt niet op objectieve, verifieerbare en pertinente verschillen hetgeen voor gevolg heeft dat de Vlaamse politiezones benadeeld worden. In ieder geval wordt niet uiteengezet waarom dergelijke transfer van gelden nodig is en om welke reden deze ongelijke behandeling verantwoord is. Beoordeling
  72. De argumenten van de verzoekende partijen zijn reeds beantwoord bij de bespreking van het vierde middel, waar gesteld is dat objectieve criteria die verband houden met het beoogde doel aan de basis liggen van de verdeling. IX-4578-21/24
  73. Het middel is niet gegrond. G. Zevende middel Uiteenzetting van het middel
  74. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de motiveringsplicht en het motiveringsbeginsel. Zij stellen dat het tweede bestreden besluit, waarbij de financiële hulp van de Staat aan de politiezones concreet wordt vastgesteld, niet gemotiveerd is. In zoverre dat besluit steunt op het eerste bestreden besluit, steunt het op een onregelmatige rechtsgrond en moet het om die reden vernietigd worden.
  75. In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen nog dat het tweede bestreden besluit een collectief besluit is dat moet voldoen aan de voorschriften inzake de formele motiveringsverplichting. En het besluit verantwoordt niet waarom het te verdelen saldo voor 2004 41.837.740 euro bedraagt, noch hoe de bedragen die aan elke politiezone worden toegekend, berekend zijn. Zij voegt daaraan toe dat het tweede bestreden besluit slechts op 9 juni 2004 bekendgemaakt is, zodat niet voldaan is aan de voorwaarde van artikel 3 van het koninklijk besluit van 3 mei 2004 waarin bepaald is dat het saldo voor het jaar 2004 uiterlijk op 15 mei 2004 moest worden medegedeeld en dat de aan elke politiezone toegekende bedragen binnen de eerstkomende acht dagen in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt moesten worden. Beoordeling
  76. In het verzoekschrift betrekken de verzoekende partijen het middel op het tweede bestreden besluit in de mate daarin het in artikel 68bis, § 1, en 68ter van de Wegverkeerswet bedoeld saldo wordt vastgesteld. Met artikel 1 van het bestreden ministerieel besluit van 9 juni 2004, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 juni 2004, heeft de minister van Binnenlandse Zaken het saldo van de boeten bekendgemaakt zoals dat over de politiezones verdeeld kan worden en het hem is medegedeeld door de minister van Financiën en de minister van Begroting. Die bekendmaking vindt haar verantwoording in de wet van 7 februari 2003 en artikel 3 van het koninklijk besluit IX-4578-22/24 van 3 mei 2004 en wordt gemotiveerd door de verwijzing naar die reglementaire bepalingen.
  77. In zoverre de verzoekende partijen in hun memorie van weder- antwoord ook wijzen op de gebrekkige motivering van de bedragen, vermeld in de bijlage bij het tweede bestreden besluit, geven zij een volledig nieuwe feitelijke grondslag aan het middel. In die zin is het middel niet ontvankelijk. In ieder geval kunnen de verzoekende partijen zich niet deugdelijk op het middel beroepen, aangezien zij de verdeelsleutel die tot de verdeling en dus tot de concreet toegekende bedragen geleid heeft effectief kenden.
  78. Wat de laattijdige bekendmaking van de bedragen voor het jaar 2004 betreft, ziet de Raad van State niet in op welke wijze deze bemerking, geformuleerd in de memorie van wederantwoord, in het middel ingepast kan worden. Op zich bezien, gaat het om een nieuw middel dat in het verzoekschrift aangevoerd had kunnen worden.
  79. Het middel is niet gegrond. BESLISSING
  80. De zaken A. 153.635/IX-4578 en A. 153.636/IX-4579 worden samengevoegd.
  81. De Raad van State verwerpt de beroepen.
  82. De eerste verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 153.635/IX-4578, begroot op 350 euro. De tweede verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring in de zaak A. 153.636/IX-4579, begroot op 175 euro. IX-4578-23/24 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 30 november 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-4578-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.372 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.