id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.373 Rolnummer: A. 157079/IX-4691 Zaak: Arrest 198373 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 30/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-09 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:57 Fiche Arrest nr 198.373 van 30 november 2009 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 198.373 van 30 november 2009 in de zaak A. 157.079/IX-4691 In zake : Patrick SWERTS die woonplaats kiest te Sint-Truiden Borloweg 36 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGS/DSJ gevestigd te Brussel Fritz Toussaintstraat 8 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 2 november 2004, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de waarnemend directeur van de Politie van de Verbindingswegen van 9 september 2004, waarbij aan Patrick SWERTS de tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 november
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. IX-4691-1/13 Adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is als inspecteur van politie tewerkgesteld bij de Provinciale Verkeerseenheid Limburg (hierna : de P.V.E. Limburg) van de Federale Politie te Hasselt. 3.
- Op 17 november 2003 meldt de sectiechef van de PVE Limburg aan de Directeur Politie van de Verbindingswegen (Dir DAC), de gewone tuchtoverheid van de verzoeker, het volgende: “In bijlage vindt u het faxbericht (...), handelend over een formele klacht die werd ingediend tegen INP Swerts Patrick op 16-10-
- Betrokkene maakt deel uit van de VerkP Hasselt en heeft al sedert 29-04-2003 een medische vrijstelling (die voor een korte periode werd onderbroken om zijn verlof te kunnen opnemen). Op 16-10-2003 genoot betrokkene volledige medische vrijstelling. (...)”. Uit het bijgevoegde faxbericht blijkt dat de klacht betrekking heeft op inbreuken op “de jachtwetgeving - stroperij”. 3.
- Op 25 november 2003 vraagt de gewone tuchtoverheid aan de Procureur-generaal om inzage en afschrift van het gerechtelijk dossier en deelt zij aan de verzoeker mee dat zij op 19 november 2003 in kennis gesteld werd van het feit dat de verzoeker het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijke procedure, dat er vooralsnog geen voorafgaand onderzoek gevoerd werd en dat de gerechtelijke eindbeslissing zal afgewacht worden. Deze mededeling wordt door de verzoeker op 1 december 2003 voor ontvangst ondertekend. IX-4691-2/13 3.
- Uit een schrijven van de procureur des Konings van 9 maart 2004 blijkt dat het gerechtelijk onderzoek op dat ogenblik nog niet afgerond is. Bij brief van 1 juli 2004 maakt de Procureur-generaal aan de tuchtoverheid een eensluidend afschrift van het volledig gerechtelijk dossier over. 3.
- Op 2 juli 2004 deelt de sectiechef van de wegpolitie Limburg aan de gewone tuchtoverheid van de verzoeker onder meer het volgende mee: “[...] 1.3 U deelt mij mee met het gesprek (d.d. 29 juni 2004) dat het betrokken dossier door het parket werd geseponeerd, wegens gebrek aan bewijzen. 1.4 Teneinde alsnog een tuchtdossier te kunnen openen tegen betrokkene vraag u mij de gegevens over zijn dienstactiviteit op 16-10-
- [...] 3.6 Wat betreft het inhoudelijk aspect van de klacht, heeft INP Swerts toegegeven dat hij op het ogenblik van de feiten in het veld aanwezig was om maïskolven te rapen en dat hij geen wild had geschoten. Naar verluidt zou echter zijn jachtgeweer in zijn voertuig hebben gelegen. Dit lijkt me alleszins een contradictorisch gegeven te zijn, dat m.i. nader onderzoek vereist.” 3.
- Op 12 juli 2004 stelt de directeur DAC een inleidend tuchtverslag op. In dit verslag wordt gesteld, wat betreft “de feiten, omstandigheden en gevolgen”: “Het niet naleven van de medische reglementering - inzonder(heid) het verlaten van de woonplaats zonder gegronde reden + het uitvoeren van activiteiten tijdens medische vrijstellingen. De korpsnota hieromtrent stelt dat u tijdens een periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid geacht wordt zich thuis te bevinden en dat, zelfs indien toestemming werd gegeven om de woonplaats te verlaten, dit enkel mag om gegronde redenen. Het niet opvolgen van onderrichtingen is een tekortkoming aan de beroepsplichten. Tijdens uw volledige arbeidsongeschiktheid vanaf 19-07-2003 met verlenging tot 31-10-2003 hebt u op 16-10-2003 echter de woning verlaten om uw jachtgeweer op te halen bij een persoon die het nazicht ervan verrichtte en ging u maïskolven rapen op een perceel landbouwgrond. Uw activiteiten verliepen op een georganiseerde wijze waarbij u gebruik maakte van uw pick- up truck om de kolven te verzamelen. U verplaatste telkens uw voertuig als u een stuk van het terrein had afgezocht. Deze activiteiten kunnen niet als een gegronde reden worden beschouwd om uw woonplaats te verlaten. Door deze activiteiten is u tekort gekomen aan uw beroepsplichten cfr art 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten. Uw houding en uw gedrag, zowel in de uitoefening van het ambt als daarbuiten, moet permanent afgestemd zijn op de essentiële deontologische normen en u moet er zorg voor dragen dat zij nooit aanleiding geven tot enige dubbelzinnigheid op dat vlak.” IX-4691-3/13 Die feiten worden vervolgens voldoende bewezen geacht en aan de verzoeker toegerekend en gekwalificeerd als tuchtvergrijp omdat ze een inbreuk vormen op artikel 3 van de tuchtwet en op de dienstnota DGP/DPB/Coord-797 van 28 december 2001 betreffende het geheel van procedures die toepasselijk zijn op het gebied van de arbeidsongeschiktheid. Op basis daarvan wordt meegedeeld dat de tuchtoverheid zich voorneemt om de verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. Het inleidend verslag wordt op 30 juli 2004 voor ontvangst ondertekend. 3.
- Op 24 augustus 2004 dient de verzoeker een verweerschrift in. Dit verweer is beperkt tot de stelling dat het inleidend verslag buiten de (verval-)termijn bedoeld in artikel 56 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet) werd betekend. 3.
- Op 24 augustus 2004 wordt de verzoeker door de verwerende partij gehoord. 3.
- Op 9 september 2004 beslist de gewone tuchtoverheid om de verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4.
- In haar laatste memorie werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoeker. Zij voert, onder verwijzing naar artikel 57 van de tuchtwet, aan dat de lichte tuchtstraf van de blaam sinds 9 september 2006 is uitgewist zodat er geen rekening meer mee wordt gehouden bij eventuele bevorderingen en beoorde- lingen en de verzoeker er dan ook geen nadeel meer van ondervindt. De verwerende partij meent dat de verzoeker geen belang meer heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissing aangezien hem dat geen voordeel meer kan verschaffen. IX-4691-4/13 4.
- Artikel 57 van de tuchtwet luidt als volgt: “De tuchtstraffen die ter kennis van de betrokkene werden gebracht worden zonder verwijl op het blad der tuchtstraffen ingeschreven. Onverminderd hun uitvoering, worden de tuchtstraffen bedoeld in artikel 4, 1/ en 2/, na een termijn van twee jaar (...) van ambtswege op het blad der tuchtstraffen uitgewist voor zover er binnen die termijn geen nieuwe tuchtstraf werd uitgesproken. (...) De in het tweede en derde lid vastgestelde termijnen lopen vanaf de datum waarop de tuchtstraf wordt uitgesproken.” Uit deze bepaling blijkt dat de lichte tuchtstraf van de blaam na een termijn van twee jaar van ambtswege wordt uitgewist indien binnen die termijn geen nieuwe tuchtstraf wordt uitgesproken. De uitwissing van een tuchtstraf heeft voor gevolg dat er in de toekomst geen rekening meer mee wordt gehouden in een aantal ambtelijke situaties. De tuchtstraf zelf wordt er echter niet door ongedaan gemaakt. Vermits een opgelegde tuchtsanctie een afkeuring impliceert van de wijze waarop de verzoeker zijn functie heeft uitgeoefend, moet worden besloten dat de verzoeker nog steeds minstens een moreel belang bij zijn beroep heeft. Het moreel belang dat de verzoeker had bij de vernietiging van de tuchtstraf gaat door het uitwissen van de straf niet teloor. De exceptie kan niet worden aangenomen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 5.
- In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 159 en 184 van de Grondwet, van artikel 3 van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van het personeel van de politiediensten (hierna: de syndicale wet), van artikel 2, 3/, 12/ en 16/ van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 tot aanwijzing van de grondrege- lingen in de zin van artikel 3, eerste lid, 1/, van de wet van 24 maart 1999 tot IX-4691-5/13 regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van het personeel van de politiediensten (hierna: het syndicaal besluit), van artikel 119 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveau’s (hierna: de WGP), en van het gelijkheidsbeginsel. De verzoeker betoogt dat hem de tuchtsanctie van de blaam wordt opgelegd omdat hij de dienstnota DGP/DPB/Coord-797 van 28 december 2001 betreffende het geheel van procedures die toepasselijk zijn op het gebied van arbeidsongeschiktheid niet heeft nageleefd. Hij stelt dat deze nota, die enkel onder de directies en diensten van de federale politie is verspreid, regels bevat die de personeelsleden die om gezondheidsredenen afwezig zijn, moeten eerbiedigen, wanneer zij hun woonst verlaten. De verzoeker is van oordeel dat deze richtlijnen een verplichting opleggen in de mate dat men de woonplaats enkel mits gegronde redenen mag verlaten wanneer het medisch getuigschrift de mededeling “Mag woonplaats verlaten” bevat maar dat deze verplichting artikel 184 van de Grondwet, artikel 119 WGP, het gelijkheidsbeginsel, artikel 3 van de syndicale wet, artikel 2, 3/, 12/ en 16/ van het syndicaal besluit, en artikel 159 van de Grondwet schendt: - doordat artikel 184 van de Grondwet bepaalt dat de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveau’s, bij wet worden geregeld, terwijl in casu de “woonplaats- verplichting”, hoewel het een essentieel element van het statuut is, in een korpsnota wordt opgelegd. De woonplaatsverplichting uit de korpsnota wordt in geen enkele wettelijke bepaling hernomen. Noch de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politie- diensten, noch het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: het RPPol) bevat enige bepaling inzake de aanwezigheid in de woonplaats ingeval van afwezigheid om gezondheidsredenen; - doordat artikel 119 WGP bepaalt dat het statuut voor alle politieambtenaren gelijk is, ongeacht of zij tot de federale of lokale politie behoren, terwijl de bedoelde korpsnota enkel gericht is aan de directies en diensten van de federale politie. De nota werd eenzijdig door de algemene personeelsdirecteur uitgevaardigd. De essentiële verplichtingen in de nota worden dus enkel aan de personeelsleden van de federale politie opgelegd, hetgeen strijdig is met artikel 119 WGP en het gelijkheidsbeginsel; IX-4691-6/13 - doordat de opgelegde woonplaatsverplichting niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een onderhandeling met de vakbonden (indien de opgelegde verplichting een grondregeling is), noch van enig overleg met de vakbonden (indien de opgelegde verplichting niet gekwalificeerd wordt als grondregeling), hetgeen strijdig is met artikel 3 van de syndicale wet en met artikel 2, 3/, 12 / en 16/ van het syndicaal besluit. Het betreft de schending van een substantiële vormvereiste, zodat de opgelegde verplichtingen nietig zijn en geen toepassing kunnen vinden. De verzoeker besluit dat de rechter op grond van artikel 159 van de grondwet de besluiten en verordeningen slechts mag toepassen voor zover zij overeenstemmen met de wet. Nu de “woonplaatsverplichtingen” strijdig zijn met diverse wettelijke en reglementaire bepalingen is de bestreden beslissing, die gebaseerd is op een “nietige” interne reglementering, strijdig met artikel 159 van de Grondwet. 5.
- De verwerende partij werpt op dat het middel niet gericht is tegen de bestreden beslissing zelf maar tegen de dienstnota. De verzoeker heeft de dienstnota echter niet met een annulatieberoep aangevochten, zodat deze definitief is. De verwerende partij stelt dat wanneer men zich onthoudt om in een administra- tieve procedure zijn rechten te laten gelden, men dit niet voor het eerst voor de Raad van State kan doen. Zij merkt hierbij op dat de verzoeker reeds sinds 18 januari 2002 op de hoogte was van de inhoud van de dienstnota. Voorts stelt de verwerende partij dat zelfs indien aangenomen zou worden dat de dienstnota onwettige richtlijnen invoert, geen andere beslissing genomen zou kunnen worden. De verzoeker heeft immers laakbare feiten gepleegd: van wie te ziek is om te werken kan redelijkerwijze niet aanvaard worden dat hij niet te ziek is om zijn woonst te verlaten, zijn jachtgeweer op te halen en maïskolven te rapen. De opgelegde verplichtingen betreffen bovendien geen nieuwe regelgeving, maar slechts een duiding van de verplichtingen van het personeel. Daaruit volgt dan ook dat de korpsnota niet het voorwerp van onderhandeling moest uitmaken. Waar de verzoeker meent dat het gelijkheidsbeginsel geschonden is, stelt de verwerende partij dat het eenheidsstatuut geenszins verhindert dat de IX-4691-7/13 federale en lokale politie hun eigen beheersregels uitvaardigen en informatie verstrekken aan het personeel dat onder hun bevoegdheid ressorteert. De dienstnota is een toelichting van de Directeur-Generaal Personeel van de Federale Politie aan zijn personeelsleden en bovendien zou de algemene directie van het personeel gelijkluidende antwoorden verzenden naar lokale politiezones omdat de basisrede- nering dezelfde blijft: als men ziek is kan men niet om het even wat doen tijdens de afwezigheid. De verwerende partij wijst er ten slotte op dat in februari 2003 aan de verzoeker een zware tuchtsanctie werd opgelegd, onder meer omwille van het zich niet houden aan de reglementaire voorschriften op medische vrijstellingen inzake het verlaten van de woonst, en dus wegens de schending van de korpsnota waarvan de wettigheid nu wordt betwist. De verzoeker heeft toen die zware tuchtsanctie niet aangevochten voor de Raad van State. De verwerende partij meent dan ook dat de verzoeker het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. 5.
- In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat de dienstnota niet interpretatief maar verordenend van aard is. Zij is dienvolgens onwettig en moet buiten het rechtsverkeer gehouden worden. Voorts betwist hij nogmaals het standpunt van de verwerende partij inzake de gevolgen van een medische dienstvrijstelling. Hij verwijst naar een arrest van het Arbeidshof van Brussel van 1 juni 1994, waarin geoordeeld werd dat een medisch attest niet impliceert dat een werknemer geen enkele activiteit meer kan uitoefenen, maar enkel dat de overeengekomen arbeid niet kan worden uitgevoerd. Dienvolgens kan in zijn geval niet per definitie gesteld worden dat hij laakbare feiten gesteld heeft. 5.
- In haar laatste memorie beklemtoont de verwerende partij dat zelfs wanneer de dienstnota onwettige richtlijnen zou invoeren, de verzoeker laakbare feiten heeft gepleegd zodat de bestreden beslissing niet anders had kunnen zijn. De dienstnota geeft immers een interpretatie die voor ieder normaal redelijk persoon evident is: wanneer een personeelslid zich in ziekteverlof bevindt en de woonst mag verlaten mag het niet zomaar eender wat doen. Zij herhaalt nog eens dat de opgelegde verplichtingen geen nieuwe regels bevatten, maar slechts duiding zijn bij de verplichtingen als beheersmaatregel, wat betekent dat de korpsnota niet het voorwerp van onderhandelingen diende uit te maken. IX-4691-8/13 Bespreking 5.5.
- De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het middel omdat het niet gericht zou zijn tegen de bestreden beslissing, maar tegen de dienstnota van 28 december
- Haar standpunt kan evenwel niet gevolgd worden omdat de verzoeker aanvoert dat de verwerende partij in zijn individueel geval toepassing gemaakt heeft van een stuk met reglementair karakter, en de Raad van State overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet onwettige besluiten buiten toepassing moet laten, ook al zijn die te gelegener tijd niet met een annulatieberoep bestreden. 5.5.
- Ter beoordeling van het middel dient vooreerst de vraag beantwoord te worden of de omzendbrief DGP/DPB/Coord-797 van 28 december 2001 interpretatief of verordenend van aard is. Zij is verordenend, onder meer, wanneer zij aan de adressaten nieuwe verplichtingen oplegt. 5.5.
- De betrokken omzendbrief is uitgevaardigd door de Directeur- generaal Personeelsbeheer en is gericht aan alle personeelsleden van de federale politie. Er wordt verwezen naar de noodzaak om een “verklarende nota te verspreiden betreffende het geheel van procedures die toepasselijk zijn op het gebied van arbeidsongeschiktheid”. Blijkens rubriek II “ziekte en ongeval ‘privé- leven’” punt 1 “Inleiding” heeft de nota in die rubriek tot doel “de te volgen procedure in geval van arbeidsongeschiktheid zo eenvoudig en zo volledig mogelijk te beschrijven (en) de gevolgen van de afwezigheid wegens ziekte voor de administratieve of de geldelijke situatie van de personeelsleden te herhalen”. Vervolgens wordt een uiteenzetting gegeven over de “nieuwe formulieren”, inzonderheid over het nieuw “medisch getuigschrift” (rubriek II.3.1.) en wordt uitleg gegeven over “wat doen met het medisch getuigschrift” (rubriek II.4.3). Voor de onderhavige zaak is volgende passus van belang. Hij heeft betrekking op de medische controle. “Wanneer uit het medisch getuigschrift blijkt dat het personeelslid zijn woonplaats mag verlaten, kan de betrokkene door de controlearts worden opgeroepen. Het personeelslid mag niet weigeren om gevolg te geven aan die oproep. De oproep geschiedt door overhandiging van een document tegen ontvangstbewijs of bij een aangetekende brief met ontvangstbewijs. Opmerking: Wanneer een getuigschrift vermeldt dat de betrokkene zijn woonplaats mag verlaten, betekent dit niet dat het personeelslid dit zonder enige voorwaarden mag doen. Het personeelslid wordt immers geacht zich thuis te bevinden gedurende de ongeschiktheid. De toestemming om de woonplaats IX-4691-9/13 te verlaten heeft betrekking op de oproep bij de controlearts en op verplaatsing- en om gegronde redenen. Die gegronde redenen worden vermoed en de werkgever moet in voorkomend geval het bewijs leveren dat de betrokkene zijn woonplaats ongegrond heeft verlaten. Wanneer het niet is toegestaan om de woonplaats te verlaten, mag de betrokkene dit uitsluitend in geval van overmacht.” De vermelde bepalingen van de nota moeten gelezen worden in relatie met de bepalingen aangaande het ziekteverlof in het RPPol. Titel VIII.X “Ziekteverlof” bevat geen bepaling over het al dan niet verlaten van de woonst tijdens het ziekteverlof. Artikel VIII.X.9 bepaalt enkel dat het wegens ziekte afwezige personeelslid onderworpen is aan het geneeskundig toezicht van de medische dienst. Titel X.II “Medische controle” bevat dan wel de volgende bepalingen die relevant zijn voor deze zaak: - artikel X.II.3 : “Het personeelslid dat wegens medische redenen zijn ambt niet kan uitoefenen, moet zo snel mogelijk en ten laatste bij de geplande aanvang van zijn dienst, zijn dienst daarover inlichten. Het personeelslid mag de eerste ziektedag zijn woonplaats niet verlaten tenzij een medisch getuigschrift van zijn behandelende arts dit toelaat. Dit medisch getuigschrift moet binnen de 24 uur worden verzonden aan de medische dienst.” - artikel X.II.4 : “Vanaf de tweede ziektedag moet het verlof wegens ziekte worden gestaafd aan de hand van een medisch getuigschrift van de behandelende arts, het ware dat die rechtvaardiging al blijkt uit het in artikel X.II.3, tweede lid, bedoelde medisch getuigschrift. Het in het eerste lid bedoelde medisch getuigschrift moet binnen de 24 uur worden verzonden aan de medische dienst.” - artikel X.II.6 : “De personeelsleden met verlof wegens ziekte mogen zich niet onttrekken aan het medisch controle-onderzoek bevolen overeenkomstig artikel VIII.X.
- Ze mogen inzonderheid tussen 8 uur en 18 uur het bezoek aan huis van een controlerende arts niet weigeren, noch weigeren zich door deze laatste te laten onderzoeken of gevolg te geven aan een oproeping die hij aan hen richt, tenzij zij zich onmogelijk kunnen verplaatsen.” - artikel X.II.7 : IX-4691-10/13 “Wanneer uit het medisch getuigschrift van de behandelende arts blijkt dat het personeelslid zijn woonplaats mag verlaten, kan de betrokkene door een controlerende arts worden opgeroepen om een medisch controle-onderzoek te ondergaan, op de plaats zo dicht mogelijk bij de verblijfplaats van betrokkene. De oproeping geschiedt door overhandiging van een document tegen ontvangstbewijs of bij een aangetekende brief met ontvangstbewijs.” 5.5.
- Artikel X.II.7 voorziet aldus in de mogelijkheid dat het zieke personeelslid van de controlegeneesheer de toelating krijgt om zijn woning te verlaten. Deze toelating is in beginsel aan geen beperkingen onderworpen, weze het dat de betrokkene zich moet klaar houden voor een oproeping bij de controle-arts. De omzendbrief van 28 december 2001 voert duidelijk een beperking in van de bewegingsvrijheid van de zieke ambtenaar: het verlaten van de woonst wordt immers afhankelijk gemaakt van voorwaarden, aangezien zij enkel toegelaten wordt om zich naar de controle-arts te begeven en om “gegronde redenen”, die weliswaar worden vermoed, maar die het bestuur toch de mogelijkheid bieden om de regelmatigheid van de afwezigheid in de woning te betwisten. Aldus voegt de verwerende partij evident een voorwaarde toe aan artikel X.II.7 van het RPPol zonder dat zij aantoont dat de nieuwe regel steun vindt in een andere reglementaire bepaling. Die toevoeging maakt dat de omzendbrief van 28 december 2001 op dat vlak een reglementair karakter heeft. 5.5.
- Luidens artikel 3, eerste lid, 1/, a van de syndicale wet, kunnen de bevoegde overheden alleen na onderhandeling met de representatieve vakorgani- saties de ontwerpen en de grondregelen met betrekking tot het administratief statuut, met inbegrip van de vakantie- en verlofregeling vaststellen. Luidens het tweede lid van dezelfde bepaling wijst de Koning de in het eerste lid, 1/, bedoelde grondrege- lingen aan, met opgave, hetzij van de daarin behandelde aangelegenheden, hetzij van de daarin opgenomen bepalingen. Luidens artikel 2, 12/, van het syndicaal besluit van 8 februari 2001 wordt als grondregeling in verband met het administra- tief statuut beschouwd: “de administratieve standen, de omstandigheden waardoor ze worden bepaald en hun gevolgen op de toestand van de personeelsleden met inbegrip van de regeling inzake vakantie of verlof of terbeschikkingstelling”. In de mate dat de dienstnota verordent dat in geval van arbeidsongeschiktheid de woning slechts verlaten mag worden om “gegronde redenen” heeft zij betrekking op een grondregeling als bedoeld in artikel 2, 12/ van het syndicaal besluit en moest er daarover krachtens artikel 3, eerste lid, 1/ van de syndicale wet vooraf met de IX-4691-11/13 representatieve vakorganisaties onderhandeld worden. De desbetreffende substantiële voorwaarde is miskend. 5.5.
- De omzendbrief van 28 december 2001 is onregelmatig in de mate zij de bestaande reglementering betreffende het verlaten van de woning wanneer zulks door de behandelende geneesheer toegelaten wordt, aanvult zonder daarvoor de weg te hebben gevolgd die de Grondwet en de wetten voorschrijven voor de invoering van reglementaire besluiten, zoals de onderhandeling met de syndicale organisaties over een aspect van de grondregels in verband met het administratief statuut. 5.5.
- De verwerende partij heeft de verzoeker tuchtrechtelijk gestraft omdat vastgesteld was dat hij zonder grondige reden zijn woning verlaten had. De opgelegde straf vindt derhalve haar juridische grondslag in de verplichting die omzendbrief DGP/DPB/Coord-797 van 28 december 2001 ingevoerd heeft, maar die overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet blijven. 5.5.
- Het middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de waarnemend directeur van de politie van de verbindingswegen van 9 september 2004, waarbij aan Patrick Swerts de tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-4691-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 30 november 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-4691-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.373 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div