id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.374 Rolnummer: A. 151028/IX-4503 Zaak: Arrest 198374 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 30/11/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-09 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:57 Fiche Arrest nr 198.374 van 30 november 2009 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping heropening debatten prejudiciële vraag Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 198.374 van 30 november 2009 in de zaak A. 151.028/IX-4503 In zake : Christel DEMERLIER die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt gevestigd te Gent Vina Bovypark 3 tegen : de DIENST VOOR INFRASTRUCTUURWERKEN VAN HET GESUBSIDIEERD ONDERWIJS, thans het AGENTSCHAP VOOR INFRASTRUCTUUR IN HET ONDERWIJS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 april 2004, strekt tot de nietig- verklaring van : “1/ de beslissing genomen op een voor verzoekende partij onbekende datum door een voor verzoekende partij onbekend orgaan van de verwerende partij waarbij aan een voor verzoekende partij onbekende persoon een betrekking ‘a priori’ werd toegewezen (‘ingevuld’) bij de Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs, beslissing waarvan het bestaan blijkt uit het schrijven van 23 februari 2004, [....]; 2/ de uit de bestreden toewijzing blijkende impliciete weigering om de titels en verdiensten van verzoekende partij voor de in 1/ bedoelde betrekking op een correcte wijze te onderzoeken en af te wegen tegenover de titels en verdiensten van de onbekende persoon die de directe rechtsadressaat van de bestreden toewijzing vormt, [...]; 3/ de impliciete weigering om verzoekende partij te benoemen in de in 1/ bedoelde betrekking, [...]”. IX-4503-1/13 II. Verloop van de rechtspleging De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een verslag opgesteld. De verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 november
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Saartje Callens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoekster is op het ogenblik van de bestreden beslissingen statutair medewerker C1 bij de Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs (DIGO), thans het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (AGIOn). Zij is geslaagd voor een proef met het oog op bevordering tot hoofdmedewerker C2 en is daarbij als tweede kandidaat gerangschikt. 3.
- Bij besluit van de administrateur-generaal van de DIGO van 23 juni 2003 wordt aan Roger Vander Beken, hoofdmedewerker, het verlof voorafgaand aan de pensionering toegekend. Dit besluit wordt evenwel op vraag van IX-4503-2/13 de betrokkene bij besluit van de administrateur-generaal van 1 oktober 2003 “geannuleerd”. Tegen dit laatstgenoemde besluit heeft de verzoekster een beroep tot nietigverklaring ingesteld (zaak A. 148.757/IX-4087), dat door de Raad van State werd verworpen bij arrest nr.188.155 van 24 november
- 3.
- Bij besluit van 11 september 2003 wordt een andere hoofd- medewerker, Hugo Sprimont, gepensioneerd met ingang van 1 maart
- 3.
- Met een brief van 26 januari 2004 vraagt de verzoekster aan de administrateur-generaal een kopie van de besluiten betreffende het verlof van Roger Vander Beken en van de notulen van de directieraad dienaangaande. Zij vraagt tevens op welke wijze de betrekking van Hugo Sprimont zal worden opengesteld en begeven. Zij verzoekt om een kopie van de desbetreffende notulen van de directieraad, alsook van het organogram. 3.
- Op 29 januari 2004 maakt het afdelingshoofd algemene administratieve diensten van de DIGO het dienstbericht 2004/4 bekend. Hij deelt daarin mee dat in het goedgekeurde personeelsplan, hetwelk de personeelsformatie vervangt, is voorzien in een uitbreiding van het personeelseffectief met drie voltijdse eenheden. Twee eenheden daarvan worden gesitueerd op het niveau van deskundige (niveau B) en één eenheid op het niveau van medewerker (niveau C). Voorts vermeldt het afdelingshoofd dat het personeelsplan is opgesteld per niveau en per afdeling, dat binnen elk niveau de leidend ambtenaar kan beslissen in welke rang een betrekking zal worden ingenomen, afhankelijk van de functie-inhoud, en dat dit betekent dat de statutair genormeerde gradenstructuur van de vroegere personeelsformatie plaatsmaakt voor functiebetrekkingen. Ten slotte onderstreept hij dat het totale aantal van 72,74 voltijdse eenheden niet kan worden overschreden. 3.
- Met een brief van 23 februari 2004 deelt de administrateur- generaal aan de verzoekster mee dat het besluit van 23 juni 2003 houdende de toekenning van het verlof voorafgaand aan de pensionering aan Roger Vander Beken op diens verzoek werd geannuleerd. Hij voegt een kopie bij van zijn besluit van 1 oktober 2003 waarbij het voormelde verlof werd geannuleerd, evenals van het verzoek daartoe van de betrokkene en van de notulen van de directieraad betreffende de detachering van de betrokkene naar het kabinet van een Vlaams minister. IX-4503-3/13 De administrateur-generaal voegt voorts een kopie bij van het pensioneringsbesluit van Hugo Sprimont, alsook van het personeelsplan en het organogram van de DIGO. Met betrekking tot de vervanging van Hugo Sprimont zet hij uiteen dat de wervingen en bevorderingen niet langer gebeuren op basis van de vroegere personeelsformatie, maar wel op basis van het personeelsplan. Hij stelt dat de leidend ambtenaar binnen elk niveau kan beslissen in welke rang een betrekking kan worden ingenomen. Te dezen is dat volgens hem gebeurd door de beslissing om “de huidige C2-functie op de personeelscel aan te vullen met een C1- functie”. De procedure om deze betrekking in te vullen werd gevoerd via “werving enerzijds en oproeping via VIA [Verruimde Interne Arbeidsmarkt] anderzijds”. 3.
- Met een brief van 25 februari 2004 vraagt de verzoekster aan de administrateur-generaal nog een afschrift van het besluit waarbij aan Roger Vander Beken het verlof voorafgaand aan de pensionering werd toegestaan, en van de ondertekende notulen van de directieraad betreffende het toestaan en het annuleren van dat verlof en betreffende de invulling van de betrekking van Hugo Sprimont. Ten slotte vraagt zij ook een nominatief organogram van de instelling. Met een brief van 8 maart 2004 maakt de administrateur-generaal aan de verzoekster een kopie over van het besluit van 23 juni 2003 met betrekking tot de toekenning van het verlof voorafgaand aan de pensionering aan Roger Vander Beken, alsook van het personeelsplan van de DIGO, zoals goedgekeurd op 19 januari 2004, en van het besluit van de waarnemend secretaris-generaal van het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en van de leidend ambtenaar van de DIGO van 19 december 2003, waarbij Heidy Dedoncker wordt overgeplaatst van het voornoemde departement naar de DIGO. Uit het personeelsplan van de DIGO blijkt dat voor de algemene administratieve diensten in twee betrekkingen van hoofdmedewerker is voorzien, die bezet zijn door Marie- Claire Cambie en Francine Ameys, en in vier betrekkingen van medewerker, waarvan één is bezet door Heidy Dedoncker. Tevens blijkt dat, hoewel Hugo Sprimont pas op 1 maart 2004 met pensioen is gegaan, Heidy Dedoncker reeds met ingang van 1 januari 2004 werd overgeplaatst naar de DIGO en dat de naam van Hugo Sprimont niet meer is vermeld in het personeelsplan. IX-4503-4/13 IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep
- In haar memorie van wederantwoord herformuleert de verzoekster het eerste en het tweede voorwerp van haar beroep preciezer als volgt: “1/ de beslissing van 19 december 2003 waarbij aan mevrouw Heidy Dedoncker bij wijze van aanwerving een betrekking ‘a priori’ werd toegewezen (‘ingevuld’) bij de Dienst voor Infrastructuurwerken van het Gesubsidieerd Onderwijs, [...]; 2/ de uit de bestreden toewijzing blijkende impliciete weigering om de bedoelde betrekking toe te wijzen via bevordering en dienvolgens de titels en verdiensten van verzoekende partij voor de in 1/ bedoelde betrekking op een correcte wijze te onderzoeken en af te wegen tegenover de titels en verdiensten van mevrouw Heidy Dedoncker, [...]”. V. Ontvankelijkheid van het beroep 5.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een eerste exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van een duidelijk voorwerp. Zij stelt dat, hoewel aan de verzoekster in een schrijven van 23 februari 2004 werd uiteengezet dat de pensionering van Hugo Sprimont (hoofdmedewerker C2) werd opgevangen door de benoeming van Heidy Dedoncker (medewerker C1), zij toch geen nauwkeurige omschrijving geeft van het voorwerp van haar beroep, wat de onontvankelijkheid van dat beroep tot gevolg heeft. 5.
- De verzoekster repliceert in haar memorie van wederantwoord dat de verwerende partij steeds zeer terughoudend is geweest om haar de inlichtingen te verschaffen die zij heeft gevraagd, terwijl zij die inlichtingen nodig had om klaar te zien in de door de verwerende partij getroffen voorbereidende handelingen, voorbeslissingen en constitutieve beslissingen. Zij wijst er voorts op dat uit de memorie van antwoord blijkt dat, niettegenstaande de beweerde onduidelijkheid van het verzoekschrift, de verwerende partij ten volle in staat is geweest het door haar noodzakelijk of nuttig geachte verweer te voeren 5.
- Luidens artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie (thans : de afdeling bestuursrechtspraak) van de Raad van State, zoals het van IX-4503-5/13 toepassing was op het ogenblik van het instellen van het voorliggende beroep, bevat het inleidende verzoekschrift onder meer een nauwkeurige omschrijving van het voorwerp van het beroep. Het doel van dit voorschrift is hierin gelegen dat de verwerende partij aan de hand van die omschrijving de juiste draagwijdte van het beroep moet kunnen inschatten, zodat zij zich op een adequate wijze ertegen kan verweren. Wanneer de beweerde onduidelijkheid de verwerende partij niet heeft verhinderd de bestreden beslissing correct te definiëren en zich daartegen nuttig te verweren, kan deze onduidelijkheid niet tot de onontvankelijkheid van het beroep leiden. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de bestreden beslissingen tot stand zijn gekomen in een geheel nieuwe administratieve context, ingevolge de overschakeling van personeelskaders naar personeelsplannen. Bovendien werd door de verwerende partij aan de verzoekster geen beslissing voorgelegd waaruit duidelijk blijkt dat de betrekking van Hugo Sprimont werd ingevuld door de werving van een ambtenaar van een lagere rang. In de gegeven omstandigheden kan aan de verzoekster niet als een substantiële tekortkoming worden aangerekend dat zij in haar verzoekschrift tot nietigverklaring onduidelijk is geweest in de omschrijving van het voorwerp van haar beroep. Bovendien moet worden vastgesteld dat de verwerende partij blijkens haar memorie van antwoord de bestreden beslissingen duidelijk en juist heeft geïdentificeerd en haar verweer op basis daarvan heeft opgebouwd. De verzoekster heeft in haar memorie van wederantwoord de formele verwoording van het voorwerp van haar beroep daaraan aangepast. Zij stelt nu uitdrukkelijk het besluit te bestrijden waarbij Heidy Dedoncker wordt overgeplaatst naar de DIGO, en dat volgens de verwerende partij het besluit is waarmee de betrekking van Hugo Sprimont werd ingevuld. Het valt dan ook niet in te zien dat de onduidelijke omschrijving van het voorwerp van het beroep in het inleidende verzoekschrift de rechten van verdediging van de verwerende partij zou hebben geschaad. De exceptie kan derhalve niet worden aangenomen. 6.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een tweede exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op. Zij laat gelden dat de verzoekster een onbestaande beslissing aanvecht, nu zij laat uitschijnen dat de bestreden beslissing de benoeming van een hoofdmedewerker C2 betreft, terwijl de IX-4503-6/13 bestreden beslissing slechts de benoeming van een bijkomende medewerker C1 inhoudt. 6.
- De verzoekster repliceert in haar memorie van wederantwoord dat zij niet doet alsof de bestreden beslissing de benoeming van een hoofdmedewerker C2 betreft. Zij stelt wel dat de beslissing om de te begeven betrekking a priori toe te wijzen, haar al dan niet onwettig uitsloot als kandidaat, zodat de vraag naar de ontvankelijkheid van het beroep samenhangt met de grond van de zaak. 6.
- Uit het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord blijkt duidelijk dat de verzoekster de benoeming aanvecht van Heidy Dedoncker als medewerker C
- Weliswaar voert de verzoekster in haar middelen de schending aan van een aantal bepalingen die gelden voor bevorderingsbeslissingen. Dit kan eventueel tot gevolg hebben dat deze middelen niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen leiden, maar niet dat moet worden besloten dat het beroep een onbestaande beslissing als voorwerp heeft. De exceptie is niet gegrond. 7.
- De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord tevens de ontvankelijkheid van het beroep wat zijn tweede en derde voorwerp betreft. Met betrekking tot het tweede voorwerp van het beroep werpt zij op dat de weigering om de titels en verdiensten van de verzoekster te vergelijken met deze van de benoemde eventueel in een rechtsmiddel kan worden aangevoerd, maar als zodanig niet het voorwerp kan uitmaken van een annulatieberoep. Er wordt immers nooit een beslissing genomen om de titels en verdiensten van een kandidaat niet te vergelijken. De titels en verdiensten van de verzoekster werden niet vergeleken, omdat zij geen kandidaat was, noch kon zijn, voor de benoeming van een medewerker C
- Met betrekking tot het derde voorwerp van het beroep stelt de verwerende partij dat er geen rechtsplicht bestond om de verzoekster te benoemen. Zij herhaalt dat de bestreden benoeming volledig kadert in het nieuwe personeelsbeleid, waarbij men niet langer verplicht is om een personeelslid te vervangen door een collega met dezelfde graad. In het kader van de IX-4503-7/13 responsabilisering van de leidend ambtenaar voor het personeelsbeleid kan deze in eerste instantie zelf beslissen om een vrijgekomen betrekking al dan niet op te vullen en vervolgens om deze al dan niet in dezelfde rang of graad op te vullen. Te dezen was de hoofdbekommernis bij de pensionering van Hugo Sprimont om de continuïteit van de dienst te verzekeren. Er werd voor geopteerd om de vervanging van laatstgenoemde door een medewerker C1 iets vroeger te starten zodat het nieuwe personeelslid al zou ingewerkt zijn tegen het moment dat hij effectief op pensioen zou vertrekken. Dienvolgens bestond voor de verwerende partij geen verplichting om de verzoekster te bevorderen tot hoofdmedewerker C2 op het ogenblik van de pensionering van Hugo Sprimont. 7.
- De verzoekster repliceert in haar memorie van wederantwoord dat de impliciete beslissing om haar titels en verdiensten niet te vergelijken met deze van Heidy Dedoncker reeds besloten lag in “de administratiefrechtelijke voorbeslissing om de toewijzing van de betrekking door te voeren via aanwerving, dus niet via bevordering”, maar dat zij deze impliciete beslissing eveneens kan vervat zien in de bestreden toewijzing van de te begeven betrekking, die toepassing maakt van die “voorbeslissing”. 7.
- Met de verwerende partij kan worden aangenomen dat de vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten een verplichting is die volgt uit de reglementering en uit de rechtsbeginselen, zodat zij geen beslissing vergt. De verwerende partij stelt dan ook terecht dat er te dezen geen beslissing is genomen om de titels en verdiensten van een kandidaat niet te vergelijken. Een dergelijke beslissing is evenmin impliciet vervat in de beslissing om de te begeven betrekking bij aanwerving in de plaats van bij bevordering te laten begeven, noch in de beslissing om de te begeven betrekking aan Heidy Dedoncker toe te wijzen. Voorts houdt de benoeming van een kandidaat voorzeker de impliciete weigering in om de andere, niet in aanmerking genomen kandidaten te benoemen. Dit impliceert evenwel niet dat moet worden aangenomen dat de benoeming van een kandidaat tevens de impliciete weigering inhoudt om de eventuele gegadigden die niet hebben gekandideerd, te benoemen. Deze laatsten waren immers nooit in het besluitvormingsproces betrokken en kónden derhalve hoe dan ook niet worden benoemd. IX-4503-8/13 In dezelfde zin kan ook in de beslissing om de betrekking van Hugo Sprimont te begeven door de benoeming van een medewerker C1, wel impliciet de weigering worden gezien om die betrekking te begeven op het niveau van hoofdmedewerker C2, maar niet om de verzoekster niet te bevorderen. De beslissing om de vrijgekomen betrekking te begeven door benoeming van een medewerker C1, is immers een beleidsbeslissing die losstaat van de eventuele gegadigden voor die betrekking. De verzoekster was in geen enkel opzicht in dat besluitvormingsproces betrokken. Evenmin kan in die beslissing de impliciete weigering worden gezien om de betrekking te begeven bij wege van bevordering, aangezien krachtens artikel V 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 30 juni 2000 houdende de regeling van de rechtspositie van het personeel van sommige Vlaamse openbare instellingen de bevordering slechts één van de mogelijkheden is om een betrekking te begeven, naast de herplaatsing en de interne arbeidsmarkt. Dezelfde redenering geldt ten aanzien van de benoeming van Heidy Dedoncker. Deze benoemingsprocedure is volledig gevoerd op grond van de beslissing om een bijkomende medewerker C1 te benoemen. Verzoekster, die al medewerker C1 was, kwam in dat besluitvormingsproces uiteraard niet voor. De exceptie is gegrond. Het voorliggende beroep is dienvolgens niet ontvankelijk in zoverre het de nietigverklaring beoogt van de tweede en de derde bestreden beslissing. 8.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord ten slotte nog een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit een gebrek aan belang in hoofde van de verzoekster. Zij laat gelden dat de verzoekster haar belang hierin gelegen ziet dat zij in aanmerking zou komen voor een benoeming, indien de betrekking vacant zou zijn verklaard. De bestreden beslissingen betreffen evenwel de benoeming van een bijkomende medewerker C1 via de verruimde interne arbeidsmarkt, waarvoor de verzoekster niet in aanmerking kwam omdat zij reeds medewerker C1 is. 8.
- De auditeur-verslaggever valt in zijn verslag deze exceptie bij. Hij argumenteert dat de verzoekster slechts een onrechtstreeks en hypothetisch belang kan laten gelden, aangezien zij met de vernietiging van de benoeming bij IX-4503-9/13 wege van mutatie van een medewerker C1, beoogt te verkrijgen dat de verwerende partij de vrijgekomen betrekking C2 zou laten begeven door de bevordering van een medewerker C1 tot hoofdmedewerker C2 in de plaats van door de benoeming van een bijkomende medewerker C1, terwijl geen enkel van de door de verzoekster aangevoerde middelen tot de conclusie leidt dat de verwerende partij tot een dergelijke bevordering verplicht zou zijn. 8.
- In haar laatste memorie stelt de verzoekster vooreerst dat de loutere kans om de geambieerde functie te verkrijgen, moet volstaan om haar belang te verantwoorden. Zij voegt eraan toe dat artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State discriminerend werkt voor de verzoekers die bij hun annulatieberoep slechts een onrechtstreeks belang kunnen laten gelden, vergeleken met de verzoekers die bij hun annulatieberoep een rechtstreeks belang hebben. Zij verzoekt daarom de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen : “Schendt artikel 19, eerste lid, van de bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State volgens hetwelk de beroepen tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang de in de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde grondwet neergelegde beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie in de hypothese en in de mate dat die bepaling een niet objectief en redelijk verantwoorde verschillende behandeling instelt tussen de verzoekers die een rechtstreeks belang hebben bij de nietigverklaring van de door hun beroep tot nietigverklaring bestreden beslissing, enerzijds, en de verzoekers die een [on]rechtstreeks belang hebben bij de nietigverklaring van de door hun beroep tot nietigverklaring bestreden beslissing.” 8.4.
- Artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring voor de afdeling bestuursrechtspraak kunnen worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Het in deze bepaling bedoelde belang moet persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig zijn. Het rechtstreekse karakter van het belang houdt in dat er een rechtstreeks causaal verband moet bestaan tussen het door de verzoekende partij geleden nadeel, enerzijds, en de bestreden beslissing, anderzijds. IX-4503-10/13 8.4.
- Te dezen blijkt dat de verwerende partij de betrekking van Hugo Sprimont, die een betrekking van hoofdmedewerker C2 was, niet heeft begeven door de bevordering van een medewerker C1 tot hoofdmedewerker C2, maar wel door de benoeming van een bijkomende medewerker C
- Dit is het gevolg van de voorafgaande beslissing om deze betrekking niet langer door een hoofdmedewerker C2 te laten bezetten. Het voorliggende beroep is evenwel gericht tegen de benoeming bij wege van mutatie van een medewerker C1 bij de DIGO. Voor deze benoeming kwam de verzoekster niet in aanmerking, omdat zij reeds met die graad was bekleed. Uit het verzoekschrift kan worden afgeleid dat de verzoekster een bevordering in de graad van hoofdmedewerker C2 ambieert, en dat daarin haar belang gelegen is. Wat zij evenwel met het voorliggende beroep slechts rechtstreeks kan verkrijgen is dat er een benoeming van een medewerker C1 wegvalt. Zo er een verband bestaat tussen de vernietiging van de aanwerving van Heidy Dedoncker en de bevorderingskansen van de verzoekster, is dit geen rechtstreeks verband. 8.4.
- Daarenboven is het door de verzoekster aangehaalde belang hypothetisch, nu zij niet aantoont en uit het administratief dossier evenmin blijkt dat de invulling van de vacature ten gevolge van de eventuele vernietiging van het besluit waarbij Heidy Dedoncker wordt overgeplaatst naar de DIGO, zou moeten gebeuren middels een bevordering tot hoofdmedewerker C2, waarvoor zij in aanmerking zou komen. De verzoekster kan niet worden bijgevallen waar zij in haar laatste memorie aanvoert dat de loutere mogelijkheid van een invulling van de vacature middels een bevordering tot hoofdmedewerker C2 haar een voldoende belang bij haar beroep verleent. Voor de ontvankelijkheid van het beroep is immers een zeker belang vereist. Het feit dat het opstarten van een bevorderingsprocedure een loutere mogelijkheid is, naast andere mogelijkheden, maakt dat haar belang niet zeker is. 8.4.
- Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verzoekster geen blijk geeft van een rechtstreeks en zeker belang, aangezien het belang dat door de verzoekster wordt nagestreefd, zijnde te worden bevorderd tot hoofdmedewerker C2, ten opzichte van de te bekomen vernietiging slechts een onrechtstreeks en hypothetisch belang is. Een dergelijk belang is niet voldoende voor de ontvankelijkheid van het beroep in zoverre het de nietigverklaring beoogt van de IX-4503-11/13 eerste bestreden beslissing. Evenwel betwist de verzoekster deze zienswijze in haar laatste memorie door te stellen dat een dergelijke interpretatie van artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State discriminerend werkt ten aanzien van personen die bij hun annulatieberoep een onrechtstreeks belang hebben. Krachtens artikel 26, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof (thans : Grondwettelijk Hof) is de Raad van State te dezen ertoe gehouden om het Grondwettelijk Hof te verzoeken over de door de verzoekster opgeworpen prejudiciële vraag, zoals hierna opnieuw geformuleerd, uitspraak te doen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep in zoverre het gericht is tegen de impliciete weigering om de vacante betrekking van hoofdmedewerker C2 toe te wijzen via bevordering en daarbij de titels en verdiensten van Christel Demerlier te onderzoeken en te vergelijken met de titels en verdiensten van Heidy Dedoncker, alsook in zoverre het gericht is tegen de impliciete weigering om Christel Demerlier te benoemen tot hoofdmedewerker C
- De debatten worden voor het overige heropend.
- Aan het Grondwettelijk Hof wordt de volgende prejudiciële vraag gesteld: “Schendt artikel 19, eerste lid, van de bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, geïnterpreteerd in die zin dat de beroepen tot nietigverklaring slechts voor de afdeling bestuursrechtspraak kunnen worden gebracht door verzoekende partijen die doen blijken van een rechtstreeks belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing, de in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet neergelegde beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, doordat aldus een niet objectief en redelijk verantwoord verschil in behandeling wordt ingesteld tussen verzoekende partijen die een rechtstreeks belang hebben bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing, enerzijds, en verzoekende partijen die een onrechtstreeks belang daarbij hebben, anderzijds.”
- Het door de auditeur-generaal aangeduide lid van het Auditoraat wordt belast met het verdere onderzoek van de zaak, na de ontvangst van het arrest van het Grondwettelijk Hof. IX-4503-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 30 november 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, met bijstand van Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-4503-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.374 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.211.175 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div