id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.429 Rolnummer: A. 178208/X-13065 Zaak: Arrest 198429 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-11 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:58 Fiche Arrest nr 198.429 van 2 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 198.429 van 2 december 2009 in de zaak A. 178.208/X-13.065. In zake: Frans DEKEYSER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Ghysels kantoor houdend te 1170 BRUSSEL Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: 1. de gemeente KNOKKE-HEIST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Antoon Lust kantoor houdend te 8310 ASSEBROEK Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen, 2. de deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 28 november 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 27 april 2006 van de gemeenteraad van Knokke-Heist houdende opheffing van een aantal bestaande bouwverordeningen en vaststelling van een nieuwe gemeentelijke stedenbouwkundige verordening, en van het besluit van 31 augustus 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen houdende goedkeuring van deze beslissing, “in de mate dat de bouwverordening van de vroegere gemeente Knokke wordt opgeheven zonder dat nieuwe bepalingen in de plaats worden gesteld met betrekking tot de nok- en kroonlijsthoogte van de gebouwen of het aantal bouwlagen”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 167.239 van 30 januari 2007 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen. X-13.065-1/13 De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2009. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yves Sacreas, die loco advocaat Jan Ghysels verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Elke Casteleyn, die loco advocaat Antoon Lust verschijnt voor de eerste verwerende partij, en adjunct-adviseur Pieter De Wulf, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Het door de gemeenteraad van “de vroegere badstad Knokke” aangenomen “reglement op het bouwen en afsluitingen” van 5 maart 1920 bepaalt in artikel 34, onder “paragraaf 8 - Hoogte der gebouwen”, wat volgt: “Paragraaf 8.- HOOGTE DER GEBOUWEN X-13.065-2/13 Art. 34. - Het College zal ten aanzien van de openbare veiligheid of gezondheid in ieder bijzonder geval eene hoogte mogen vaststellen die het gebouw niet zal mogen te boven gaan. De grootste hoogte der gebouwen is bepaald als volgt : 1/ 18 meters op de openbare plaatsen en in de straten van ten minste 12 m. breedte. 2/ 17 met. in de straten met 11 met. breedte; 3/ 16 “id;10id. 4/ 15 “id. 9id. 5/ 14 “id. 8id. 6/ 13 “id. 7id. 7/ 12 “id. 6id. 8/ 11 “id. 5id. 9/ 10 “id. 4id. 10/ 8 “id. 3id., en minder”. 3.2. Bij besluit van 30 januari 2003 heft de gemeenteraad van Knokke-Heist, na gunstig advies van de GECORO en de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar, het “(...) omzeggens geheel in onbruik (...) geraakt(
- e)(...) bouwreglement, aangenomen in zitting van de gemeenteraad van de gemeente Knokke op 05 maart 1920, nadien gewijzigd, en de verordening op het bouwen, aangenomen in zitting van de gemeenteraad van de gemeente Heist op 18 juni 1954” die niet “bestaanbaar zijn met heel wat stedenbouwkundige voorschriften die inmiddels opgenomen zijn in gemeentelijke aanlegplannen, die verordenende werking hebben bekomen” op en vraagt “het college van burgemeester en schepenen (...) te onderzoeken of het aangewezen is voor het algehele grondgebied van de gemeente Knokke-Heist, een bouwverordening op te maken, en, zo ja, daarvan te gelegener tijd een ontwerp aan de raad voor te leggen”. De bestendige deputatie van de provincieraad West-Vlaanderen keurt dit gemeenteraadsbesluit op 10 april 2003 niet goed “(om)dat een behoorlijk bestuur vereist dat dit (aan het college van burgemeester en schepenen gevraagd) onderzoek voorafgaat aan de opheffing van de bestaande verordening”. 3.3. Met het eerste bestreden besluit van 27 april 2006 neemt de gemeenteraad van Knokke-Heist, na gunstig advies van de GECORO en van de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar, een nieuwe gemeentelijke stedenbouwkundige verordening aan. Het heft de “bestaande bouwverordeningen” op, waaronder de bovengenoemde reglementen van 5 maart 1920 en 18 juni 1954. Het besluit geeft hiervoor de volgende motieven op: “Overwegende dat het College van Burgemeester en Schepenen in uitvoering van artikel 2 van het raadsbesluit van 30 januari 2003 een onderzoek heeft gewijd aan alle op het grondgebied van de gefuseerde gemeente Knokke-Heist bestaande bouwverordeningen, hun actualiteit, hun onderlinge X-13.065-3/13 samenhang en hun bestaanbaarheid met regelgeving van hogere hiërarchische rangorde; Overwegende dat uit dit onderzoek is gebleken dat het naast mekaar bestaan van diverse verordeningen oorzaak is van een totale rechtsonzekere toestand zowel voor de burgers als voor de gemeentelijke administratie; dat thans om te weten of en welke regels van toepassing zijn naast het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996, het nieuw decreet ruimtelijke ordening van 18 mei 1999, de uitvoeringsbesluiten ervan en de erop gesteunde gemeentelijke aanlegplannen, ook nog meerdere verordeningen moeten geconsulteerd worden, waarvan sommige slechts op bepaalde delen van het grondgebied van de gefuseerde gemeente van toepassing zijn; dat daardoor een kenbare, duidelijke, niet-tegenstrijdige en uitvoerbare regelgeving totaal ontbreekt; dat vaak niet meer met zekerheid is uit te maken of bepaalde voorschriften ingevolge onbruik al dan niet stilzwijgend zijn opgeheven; dat bovendien meerdere bepalingen veeleer het karakter van politieverordening dan van bouwverordening lijken te hebben; dat zulks vooral geldt voor de oude verordeningen van 1920 en 1954; Overwegende dat uit het onderzoek van het College van Burgemeester en Schepenen is gebleken dat het aangewezen is eenheid te scheppen; dat daarom wordt voorgesteld om alle bestaande bouwverordeningen samen te brengen in één enkele zogenaamde aanbouwverordening; dat zulks tot voordeel heeft dat de kenbaarheid van de lokale regelgeving gemaximaliseerd wordt vermits nog slechts één document zal moeten geraadpleegd worden; dat de aanbouwtechniek ook toelaat, met behoud van de eenheid van het norminstrument, gemakkelijker in te spelen op nieuwe noden en gewijzigde inzichten doordat wijzigingen en/of aanvullingen gemakkelijk kunnen worden ingevoegd”. 3.4. Met het tweede bestreden besluit van 31 augustus 2006 keurt de bestendige deputatie van de provincieraad West-Vlaanderen het voormelde gemeenteraadsbesluit goed. Het besluit overweegt onder meer wat volgt: “Door omwonenden werd een klacht gericht aan de gouverneur (met kopie aan de bestendige deputatie) betreffende de inhoud van de nieuwe stedenbouwkundige verordening van Knokke-Heist. De klagers voeren aan dat de nieuwe verordening geen voorschriften meer bevat inzake de maximale bouwhoogte, terwijl de oude verordeningen die bepalingen wel degelijk bevatten. Evenwel dateert de oude verordening van vóór de stedenbouwwet van 1962, met een totaal ander reglementair instrumentarium dan hetgeen nu in voege is. Artikel 54 DRO bevat een niet-limitatieve opsomming van aangelegenheden die in een stedenbouwkundige verordening kunnen worden geregeld. Het moeten evenwel voorschriften zijn van stedenbouwkundige aard die bovendien in overeenstemming moeten zijn met de bestaande materie in kwestie (art. 54 voorlaatste lid DRO). Dit betekent dat de stedenbouwkundige verordening geen regeling kan treffen waarvan de inhoud indruist tegen de voorschriften van de bestaande plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen. (...) Knokke-Heist heeft immers BPA’s waar de bouwhoogte wordt geregeld. Het opnemen van de maximale bouwhoogte in een stedenbouwkundige verordening zou in dat opzicht strijdig zijn met de bestaande BPA’s. Bijgevolg kan het bezwaar niet worden weerhouden”. Dit besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 oktober 2006. X-13.065-4/13 IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep 4. De verzoeker vraagt de bestreden besluiten te vernietigen “in de mate dat de bouwverordening van de vroegere gemeente Knokke wordt opgeheven zonder dat nieuwe bepalingen in de plaats worden gesteld met betrekking tot de nok- en kroonlijsthoogte van de gebouwen of het aantal bouwlagen”. Het beroep beperkt zich aldus tot de opheffing van het voormelde artikel 34 van “het gemeentelijk bouwreglement voor de stad Knokke van 05 maart 1920” door artikel 4.5 van het eerste bestreden besluit en de goedkeuring van die opheffingsbepaling. V. Ontvankelijkheid van het beroep 5. De eerste verwerende partij betwist het belang van de verzoeker omdat het opgeheven bouwreglement van 1920 “sedert vele jaren niet meer (werd) toegepast”, onder meer “bij de bouwvergunning voor het gebouw van de verzoekende partij” waardoor “niet in te zien valt welk persoonlijk belang de verzoekende partij nog kan hebben bij de verdere handhaving van een verordening waarvan zij reeds lang heeft ‘genoten’” en omdat uit “de instandhouding van de verordening (...) niet volgt dat in de toekomst in de omgeving van de verzoekende partij (...) noodzakelijkerwijs vergunningen zullen worden afgeleverd voor werken en handelingen die haar benadelen”. 6. De tweede verwerende partij betwist het rechtstreeks belang van de verzoeker omdat hij met zijn beroep “in de eerste plaats specifieke bouwprojecten viseert” en omdat er “(g)een rechtstreeks verband (
- is)tussen de goedkeuring van de stedenbouwkundige verordening en het mogelijke nadeel dat een eventueel bouwproject (...) verzoekende partij zou kunnen berokkenen”. 7. De verzoeker antwoordt dat de bestreden stedenbouwkundige verordening het mogelijk maakt om naast de residentie waarin hij een appartement betrekt, en in de onmiddellijke omgeving “(...) waar geen B.P.A./GRUP van toepassing is (...) megalomane torengebouwen van meerdere tientallen meters op te richten” waar een bouwhoogte van maximaal 20 m is toegelaten door de opgeheven bouwverordening. 8. Het belang van de verzoeker staat vast. De bestreden bepaling zou zijn situatie in ongunstige zin kunnen beïnvloeden omdat in zijn onmiddellijke X-13.065-5/13 omgeving niet langer de in artikel 34 van het bouwreglement van 1920 bepaalde bouwhoogten gelden. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel 9. In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de materiële motiveringsplicht, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 19 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna het gecoördineerde decreet), en voorts de ontstentenis van de rechtens vereiste juridische grondslag en machtsoverschrijding. De verzoeker betoogt dat “de noodzaak van uniformisering van de bestaande bouwreglementen (...) geen reden kan zijn om het bouwreglement van Knokke op te heffen zonder dat in het nieuwe reglement iets wordt bepaald in verband met de nok- en kroonlijsthoogte van de gebouwen of het maximaal aantal toegelaten bouwlagen”, uit de overweging in het bestreden gemeenteraadsbesluit “in de verordening slechts deze materies op te nemen die gelijkelijk moeten gelden over het grondgebied van de ganse gemeente” blijkt “dat de stedenbouwkundige problemen die zich stellen in de verschillende deelgemeenten gelet op de plaatselijke ordening zeer specifiek en eigen aan de betrokken deelgemeenten zijn” zoals het opgeheven bouwreglement dat een antwoord bood “op een lokale problematiek die zich niet/minder voordoet in de andere deelgemeenten” zodat er “helemaal geen reden was om het reglement van Knokke op te heffen”, uit het voormelde deputatiebesluit van 10 april 2003 “blijkt dat de noodzaak tot uniformisering geen afdoende verantwoording kan bieden voor de volledige opheffing zonder dat gelijkluidende bepalingen in de plaats worden gesteld”, ten onrechte rechtszekerheid wordt ingeroepen ter verantwoording van de opheffing van het bouwreglement dat nochtans “de enige rechtszekerheid ter plaatse voor de ruimtelijke ordening was nu er geen gemeentelijk uitvoeringsplan noch BPA bestaat”, “door de opheffing van het bouwreglement en de aanneming van een nieuw reglement” met voormelde materies “een gevaar voor willekeur bestaat”, het opgeheven bouwreglement de plaatselijke ordening bepaalde voor het “zeer beperkt gebied” binnen de deelgemeente Knokke dat “niet in een B.P.A. gelegen” is, “de werkelijke reden van de opheffing (...) en de vervanging (...) enkel en alleen bestaat in het feit dat (verzoeker) zich in het kader van het openbaar onderzoek betreffende voornoemde bouwaanvragen op het reglement van 1920 (beroept) en individuele X-13.065-6/13 promotoren van dit reglement willen afwijken” hetgeen blijkt uit het gemeenteraadsbesluit van 30 januari 2003. In de memorie van wederantwoord verduidelijkt de verzoeker dat het in dit middel “erover (gaat) dat in de nieuwe bouwverordening (...) enkel die materies zouden worden geregeld die op uniforme wijze over het ganse grondgebied moeten gelden en dat er daarom (...) dan ook geen reden was om de bepalingen inzake de nok- en kroonlijsthoogte in de oude bouwverordening op te heffen, gelet op het feit dat het hier gaat over een materie die niet op uniforme wijze voor het ganse grondgebied kan worden geregeld”. In de laatste memorie wijst de verzoeker er nog op dat dit middel “in essentie de motivering (bekritiseert) van het bestreden besluit stellende dat de bestaande bouwverordening wordt opgeheven om tegemoet te komen aan een noodzaak tot uniformisering”. 10. Gelet op de verduidelijkingen van de verzoeker zelf wordt het middel begrepen als een schending van de materiële motiveringsverplichting. In zover het middel de schending inroept van andere beginselen en/of (grond)wetgevende normen is het in die omstandigheden onontvankelijk te meer omdat het middel niet aangeeft op welke wijze deze beginselen en/of normen door de bestreden besluiten zouden zijn geschonden. 11. Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de gemeenteraad om op grond van artikel 55, § 2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), thans artikel 2.3.2, § 2 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), stedenbouwkundige verordeningen vast te stellen voor de materie omschreven in artikel 54 DRO, thans art. 2.3.1 VCRO, en bijgevolg om bestaande verordeningen op te heffen en/of te vervangen. De Raad van State kan bij het beoordelen van de motieven voor het bestreden gemeenteraadsbesluit -behoudens indien zij op feitelijk onjuiste gegevens zouden berusten- enkel nagaan of zij in redelijkheid verantwoord zijn. 12. Uit de overwegingen van het bestreden gemeenteraadsbesluit blijkt dat het werd genomen omdat door het naast mekaar bestaan van “meerdere verordeningen (...) waarvan sommige slechts op bepaalde delen van het grondgebied van de gefuseerde gemeente van toepassing zijn” en waarvan “niet meer met zekerheid is uit te maken of bepaalde voorschriften ingevolge onbruik al dan niet stilzwijgend zijn opgeheven” en “meerdere bepalingen veeleer het karakter van X-13.065-7/13 politieverordening dan van bouwverordening lijken te hebben”, “een totale rechtsonzekere toestand” is ontstaan waardoor “het aangewezen is eenheid te scheppen” door “alle bestaande bouwverordeningen samen te brengen in één enkele zogenaamde aanbouwverordening” met “enkel materies (...) die betrekking hebben op de eigenlijke materiële bouwwerkzaamheden en de daarmee gelijk gestelde handelingen en werken” en “die gelijkelijk moeten gelden over het grondgebied van de ganse gemeente”. Het besluit heft zeven bouwverordeningen/-reglementen op. 13. De verzoeker betwist niet dat deze motieven gesteund zijn op feitelijk juiste gegevens. Ingevolge artikel 62 van de wet van 29 maart 1962 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw en nadien, artikel 62 van het gecoördineerde decreet, hebben de voorschriften van de plannen van aanleg in de deelgemeente Knokke, de ermee strijdige bepalingen van het opgeheven artikel 34 van het bouwreglement van 5 maart 1920 opgeheven, zodat die bepaling slechts nog gelding had in een volgens de verzoeker “zeer beperkt gebied binnen de deelgemeente Knokke”. Tevens wordt vastgesteld dat het middel uitgaat van een verkeerde lezing van deze bepaling en van een verkeerd uitgangspunt: het opgeheven artikel 34 van het bouwreglement van 5 maart 1920 bepaalde dat het college van burgemeester en schepenen “in ieder bijzonder geval” de hoogte van het gebouw kon vaststellen zonder “de grootste hoogte der gebouwen” zoals bepaald in het tweede lid van dat artikel te kunnen overschrijden, en het bepaalde ook dat die bouwhoogten om reden “van openbare veiligheid of gezondheid” werden vastgesteld en derhalve niet om reden van “(goede) plaatselijke ordening” zoals de verzoeker wil doen aannemen. Deze bepaling regelde overigens enkel de hoogte van de gebouwen en derhalve niet de kroonlijst- of nokhoogte noch het aantal bouwlagen van die gebouwen. Er moet worden aangenomen dat de aangehaalde motieven in het eerste bestreden besluit en in het tweede bestreden besluit in redelijkheid verantwoord zijn. Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel 14. Het tweede middel leidt de verzoeker af uit de schending van de artikelen 48-53, artikel 54 juncto artikel 55, § 2 en 56 DRO, het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids- en “patere legem-beginsel”, de materiële motiveringsverplichting, de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag en machtsoverschrijding. X-13.065-8/13 In een eerste onderdeel betoogt de verzoeker dat voor “de afschaffing van deze bepalingen (inzake nok- en kroonlijsthoogte en maximaal toegelaten bouwlagen) de procedure voor de aanmaak van een gemeentelijk RUP, zoals bepaald in de artikelen 48 t.e.m. 53 DRO, diende gevolgd te worden” waarin “heel wat garanties (zijn) ingebouwd (adviesverplichting, openbaar onderzoek, ...)” en van “de gemeente (...) wordt verwacht te onderzoeken welke voorschriften van welke gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen strijdig zijn met het RUP en van rechtswege zullen worden opgeheven door het RUP” om daarvan “met het oog op de rechtszekerheid en vooral voor de inspraakmogelijkheden bij het openbaar onderzoek (...) een zo volledig mogelijke lijst” van op te maken. “A contrario volgt (hieruit) dat de gemeente niet zonder meer de voorschriften van een stedenbouwkundige gemeentelijke verordening - die bij gebreke van BPA de plaatselijke ordening nog steeds beheerst - kan opheffen”. “Indien de artikelen 48-53 en 54 juncto 55 § 2 en 56 DRO toelaten om de regeling van de nok- en kroonlijsthoogte van de gebouwen en het maximaal aantal toegelaten bouwlagen naar keuze te regelen via een gewone stedenbouwkundige verordening of via een ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP)” dan “moet de volgende prejudiciële vraag gesteld worden aan het Grondwettelijk Hof: “Schenden de artikelen 48-53 en 54 juncto 55 §2 en 56 DRO de artikelen 10 en 11 van de Grondwet omdat rechtsonderhorigen op wie een hoogteregeling van toepassing wordt zonder dat deze vervat ligt in een ruimtelijk uitvoeringsplan over aanzienlijk minder waarborgen en garanties (zoals een openbaar onderzoek) genieten in vergelijking met de rechtsonderhorigen op wie een hoogteregeling van toepassing wordt die wel vervat ligt in een ruimtelijk uitvoeringsplan ? Dat er immers geen enkel criterium is dat bepaalt op grond waarvan de hoogteregeling nu eens wel en dan weer niet met een RUP moet worden vastgesteld. Dat het ontbreken van ieder criterium ter zake de overheid de vrije keuze laat. Dat het systeem aldus in se willekeurig is. Dat immers moet gekeken worden naar de gevolgen van het systeem. Dat wanneer de overheid niet kiest voor een RUP de betrokkenen de rechtsbescherming van een openbaar onderzoek ontberen. Dat dit gevolg altijd onevenredig is met het beoogde doel, nl. de hoogte van de gebouwen te regelen, zodat het onderscheid tussen rechtsonderhorigen voor wie een hoogteregeling wordt bepaald bij verordening en rechtsonderhorigen voor wie een hoogteregeling wordt bepaald met een RUP discriminerend is”. In een tweede onderdeel acht de verzoeker het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden omdat de gemeenteraad niet heeft onderzocht “welke voorschriften (...) aan de ene kant kunnen worden opgeheven in het kader van een uniformisering van de verschillende stedenbouwkundige verordeningen en welke voorschriften aan de andere kant niet kunnen worden opgeheven omdat ze precies niet het voorwerp kunnen zijn van een uniform normeringsinstrument en dus onverkort van kracht moeten blijven” en evenmin “in welke mate het weglaten van X-13.065-9/13 enige bepaling in verband met de nok- en kroonlijsthoogte van gebouwen of het maximaal aantal toegelaten bouwlagen verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening”. Ook het rechtszekerheidsbeginsel werd geschonden door “de opheffing van de verordening en vervanging door een nieuwe zonder dat deze een vermelding bevat inzake de nok- en kroonlijsthoogte van de gebouwen of het toegelaten aantal bouwlagen” omdat “binnen het gebied begrensd door het Albertplein, de Zeedijk, het Wielingen-plein/Wielingenstraat en de Kustlaan de plaatselijke ordening, bij gebrek aan een gemeentelijk plan van aanleg, volledig werd beheerst door het opgeheven reglement”. 15. In de memorie van wederantwoord verduidelijkt de verzoeker dat het eerste “onderdeel erover (gaat) dat artikel 54 DRO niet spreekt over de bepaling van de nok- en kroonlijsthoogte van gebouwen zodat deze problematiek geregeld had moeten worden door middel van een RUP”. 16. De verzoeker wijst er in de laatste memorie nog op dat hij in dit tweede middel “in essentie (stelt) dat de problematiek van de bouwhoogte geregeld had moeten worden in een RUP en niet door middel van een stedenbouwkundige verordening en dat in casu deze problematiek wel degelijk geregeld wordt in de bestreden stedenbouwkundige verordening, doch waarvan de bestaande regel inzake kroonlijst- en nokhoogte eenvoudigweg wordt afgeschaft”. Verder betoogt hij daarin dat “indien de desbetreffende bepalingen (van artikel 34 van het opgeheven bouwreglement) niet de goede ruimtelijke ordening beogen dan niet (kan) voorbij gegaan worden aan de vaststelling dat het bestreden besluit ze wel heeft afgeschaft en de materie impliciet maar zeker had moeten regelen door middel van een stedenbouwkundige verordening, hetgeen thans in het bestreden besluit geenszins nog het geval is” waardoor binnen het voormelde begrensde gebied “zondermeer megalomane bouwprojecten van tientallen meters hoog neergepoot (kunnen) worden”. 17. Uit de bespreking van het eerste middel is reeds gebleken dat artikel 34 van het opgeheven bouwreglement van 5 maart 1920 niet de kroonlijst- of nokhoogte noch het aantal bouwlagen van de gebouwen regelde, doch enkel de hoogte van die gebouwen en zulks uit overwegingen van “openbare veiligheid of gezondheid” en niet van “plaatselijke ordening”. Anders dan de verzoeker voorhoudt regelt de nieuwe stedenbouwkundige verordening niet langer de bouwhoogte van de gebouwen. De in ondergeschikte orde voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof moet niet worden gesteld vermits het uitgangspunt X-13.065-10/13 daarin van de verzoeker, namelijk dat artikel 34 van het opgeheven bouwreglement “bij gebreke van (een) BPA de plaatselijke ordening nog steeds beheerst”, niet correct is. Voorts is reeds gebleken dat het vaststellen van gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen, en dus het opheffen en vervangen ervan, tot de discretionaire bevoegdheid van de gemeenteraad behoort en de motieven voor de nieuwe stedenbouwkundige verordening in redelijkheid verantwoord zijn. Daargelaten de vaststelling dat het beroep van de verzoeker zich niet uitstrekt tot het stilzitten van de gemeente door geen ruimtelijk uitvoeringsplan voor het voormelde begrensd gebied op te maken, behoort het ook, naar luid van artikel 36 DRO, thans artikel 2.1.19 VCRO, tot de discretionaire bevoegdheid van de gemeente om gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen al of niet op te maken. Het middel is in zijn beide onderdelen ongegrond. C. Derde middel 18. In het derde middel voert de verzoeker de schending aan van het fairplay-, onpartijdigheids- en vertrouwensbeginsel, artikel 42, § 1 van het Gemeentedecreet, artikel 52 DRO en het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 betreffende de openbare onderzoeken over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen, en machtsoverschrijding. De verzoeker betoogt “dat de werkelijke reden van de opheffing van het bouwreglement en vervanging door het nieuwe enkel en alleen bestaat in het feit dat (verzoeker) zich in het kader van het openbaar onderzoek betreffende voornoemde bouwaanvragen (van de N.V. New Plaza en van de N.V. P.O.C.-Partners) op het reglement (beroept) en individuele promotoren van dit reglement willen afwijken” en “het dus duidelijk is dat men (...) omwille van particuliere belangen een algemeen reglement buiten werking (beoogt) te stellen”. In het eerste onderdeel stelt de verzoeker dat het onpartijdigheidsbeginsel is geschonden “(om)dat (verzoeker) gefnuikt (wordt) in (zijn) bezwaarrecht in het kader van het openbaar onderzoek n.a.v. voornoemde bouwaanvragen”. In het tweede onderdeel betoogt hij dat artikel 42 § 1 van het Gemeentedecreet geschonden is “(om)dat het bouwreglement (...) werd opgeheven ter wille van particuliere belangen” en dus “niet kadert in het algemeen en/of gemeentelijk belang”. In het derde onderdeel argumenteert hij dat “de nieuwe stedenbouwkundige verordening precies wordt uitgevaardigd om reeds toegekende X-13.065-11/13 vergunningen (...) die strijdig zijn met de oude reeds bestaande bouwverordening post factum te dekken” en besluit hij tot “machtsafwending”. In het vierde onderdeel voert hij aan dat het vertrouwensbeginsel geschonden is omdat “de gemeenteraad (...) niet zo maar zonder enige concrete en met een goede ruimtelijke ordening verband houdende reden en zonder aanneming van een nieuw B.P.A., thans GRUP, afbreuk kan doen aan een constante sinds meerdere tientallen jaren bestaande beleidslijn verwoord in het bouwreglement en aldus afbreuk kan doen aan de rechtmatig opgewekte verwachtingen van de rechtsonderhorigen binnen die gebieden van Knokke-Heist waar geen B.P.A. bestaat en het bouwreglement dan ook nog steeds het verordenend voorschrift uitmaakt”. 19. Het middel komt in essentie neer op machtsafwending. In beginsel is er slechts sprake van machtsafwending wanneer een overheid de haar door de wet met het oog op het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang gegeven bevoegdheid gebruikt om een ander doel na te streven en wanneer dat ander oogmerk het enige doel van de betrokken bestuurshandeling is. Uit de hiervoor aangehaalde motieven van het bestreden gemeenteraadsbesluit blijkt genoegzaam welk doel daarmee wordt nagestreefd. Het feit dat dit besluit hangende aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning, naar aanleiding waarvan de verzoeker zijn bezwaren tegen de bouwhoogte heeft ingediend, doorkruist, toont op zich niet aan dat niet het in die motieven uitgedrukte doel door het gemeentebestuur wordt nagestreefd maar wel die particuliere belangen waarvan niet wordt beweerd dat ze zijn ingewilligd door het gemeentebestuur. Volledigheidshalve wordt erop gewezen dat het voorwerp van het beroep zich niet uitstrekt tot de beslissingen over de vergunningsaanvragen waaraan de verzoeker refereert, artikel 42 van het Gemeentedecreet eerst in werking is getreden na publicatie in het Belgisch Staatsblad van 30 november 2006 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 2006 betreffende de inwerkingtreding van sommige bepalingen van het gemeentedecreet van 15 juli 2005 en ter uitvoering van artikelen 160 en 179 van het gemeentedecreet van 15 juli 2005, en de verzoeker om de reden uiteengezet in de bespreking van het eerste en tweede middel, ook het laatste onderdeel van dit middel adstrueert vanuit een foutief uitgangspunt. Het middel is in al zijn onderdelen ongegrond. X-13.065-12/13 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee december 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens. X-13.065-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.429 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.167.239 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div