← België

Arrest 198444 - Monumenten en Landschappen - 03/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.444 Rolnummer: A. 91780/VII-37445 Zaak: Arrest 198444 - Monumenten en Landschappen - 03/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-15 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:58 Fiche Arrest nr 198.444 van 3 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 198.444 van 3 december 2009 in de zaak A. 91.780/VII-37.445. In zake: 1. André DROESBEKE 2. Adrienne DE VOGELAERE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Lachaert en tevens door advocaten Isabelle Larmuseau, Peter De Smedt en Bert Roelandts kantoor houdend te Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 12 mei 2000, strekt tot de nietig- verklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport van 10 februari 2000 in zoverre het perceel nr. 205 n, gelegen aan de Torrekensstraat te Merelbeke (Munte), als monument wordt beschermd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur-generaal Patrik De Wolf heeft een verslag opgesteld. VII-37.445-1/8 De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 november 2009. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ellen Van Bogaert, die loco advocaat Patrick Lachaert verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Saartje Callens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur-generaal Patrik De Wolf heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partijen zijn eigenaar van een braakliggend stuk grond gelegen aan de Torrekensstraat te Merelbeke (Munte), bekend ten kadaster, 5de afdeling, sectie A, nr. 205 n. Volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone ligt het perceel in een woonuitbreidingsgebied. 3.2. In een nota van 11 december 1998 stelt de afdeling Monumenten en Landschappen voor om het kerkhof en calvarieberg met grafkapel en omgeving, site met motte - waarin het perceel nr. 205 n begrepen is- te Merelbeke, Torrekensstraat en de kasseiweg te Merelbeke, Asselkouter, als monumenten te beschermen. VII-37.445-2/8 3.3. Op 5 februari 1999 beslist de verwerende partij om het kerkhof en calvarieberg met grafkapel en omgeving, site met motte te Merelbeke en de kasseiweg te Asselkouter, Merelbeke, als monumenten op een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten te plaatsen. Een afschrift van dat besluit wordt bij aangetekende brief verstuurd naar de betrokken openbare besturen en eigenaars, waaronder de verzoekende partijen. 3.4. Op 6 april 1999 tekenen de verzoekende partijen bezwaar aan tegen de voorgenomen bescherming van hun perceel. Zij wijzen er onder meer op dat hun perceel in het dorpscentrum is gelegen en dat zowel links als rechts van het perceel er een dichte open bebouwing is met allerlei nieuwbouw. Het weglaten van het perceel doet volgens hen geen afbreuk aan de wetenschappelijke en historische waarde van het kerkhof en calvarieberg met grafkapel. 3.5. De volgende adviezen worden uitgebracht : (

  1. a)de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen brengt op 6 mei 1999 een gunstig advies uit; (
  2. b)het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merelbeke geeft op 26 mei 1999 een gunstig advies; (
  3. c)de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen Oost-Vlaanderen verleent op 2 juni 1999 een gunstig advies. 3.6. In een verslag van 30 augustus 1999 worden de adviezen en bezwaren uiteengezet en beantwoord door de afdeling Monumenten en Landschappen. 3.7. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen brengt op 2 december 1999 een gunstig advies uit na kennis te hebben genomen van de adviezen en bezwaren. 3.8. Op 10 februari 2000 neemt de verwerende partij het thans bestreden besluit, dat luidt als volgt : "Artikel 1. Wordt beschermd, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 3 maart 1976: Wegens zijn historische, socio-culturele, volkskundige en wetenschappelijke waarde: VII-37.445-3/8 - als monument: kerkhof en calvarieberg met grafkapel en omgeving, site met motte, gelegen te Merelbeke (Munte), Torrekensstraat; bekend ten kadaster: Merelbeke, 5e afdeling, sectie A, perceelnummers 198B, 199, 200A, 201, 202B, 205N, 208. Wegens zijn historische waarde: -als monument: kasseiweg, deel van Asselkouter, gelegen te Merelbeke (Munte), Asselkouter; bekend ten kadaster: Merelbeke, 5e afdeling, sectie A, perceelnummer ZONDER. Art. 2. het algemeen belang gevormd door de historische waarde, en de historische, meer bepaald de archeologische waarde van het kerkhof en de calvarieberg met grafkapel en hun omgeving, site met motte wordt als volgt omschreven: De goed herkenbare site is een zeldzaam voorbeeld van een vrij gaaf bewaard middeleeuws aarden monument met karakteristieke tweeledige structuur in achtvorm samengesteld uit een neerhof, site van de vroegere 'eigenkerk' van Munte, het thans nog deels ommuurd kerkhof, en uit een opperhof met motte, ook bekend als calvarieberg. Sporen van de vroegere omgrachting zijn in het aanpalend weiland nog aanwezig. De site bezit de kenmerkende fysionomie van een klein type middeleeuwse castrale motte. De exceptionele ligging aan een kouter, visueel zeer goed vast te stellen, evenals de historische context van Munte, laten toe de site te interpreteren als een uitzonderlijk vroege vorm van castrale motte, wellicht ontwikkeld uit vroeg- middeleeuwse occupatie. De site is, als middeleeuwse verblijfplaats van de prominente heren van Munte, een representatief en archeologisch interessant voorbeeld van een karakteristieke feodale bewoningsvorm waarbij zich een dorpskern ontwikkelde. Aan de sacrale functie van het neerhof waarop de "eigenkerk" van de heren van Munte in de middeleeuwen werd gebouwd, herinnert, na sloop van de oude parochiekerk op het eind van de 19de eeuw, de huidige begraafplaats. Bovenop de motte, minstens sinds de 17de eeuw als calvarieberg gebruikt, tevens een galgenberg geweest, vervangt een grafkapel van omstreeks 1879- 1881 een calvariekapel uit 1786. De grafkapel bezit belang als voortzetting van een historische vereringsplaats. Architectuurhistorisch is de grafkapel een representatief voorbeeld voor de laat-19de-eeuwse religieuze architectuur van een fraai uitgewerkte kleine kapel van bak- en hardsteen in neogotische stijl horend bij een kerkhof. het algemeen belang gevormd door de wetenschappelijke waarde, meer bepaald de historisch-geografische waarde van het kerkhof en de calvarieberg met grafkapel en hun omgeving, site met motte wordt als volgt omschreven: de site met motte en resten van omgrachting vormen een impressionant en visueel goed bewaard topografisch geheel binnen het historisch gegroeide landschap van Munte. De site is een zeldzaam geografisch fenomeen in de provincie Oost-Vlaanderen, illustreert er de vroege occupatiegeschiedenis en een bijzondere middeleeuwse bewoningsvorm, relaterend aan specifieke geografische kenmerken. De verheven ligging aan een oude verbindingsweg op een dominerende kouterrug aan de rand van een kleine dorpskern bij de Scheldevallei zijn sterk bepalende factoren in dit verband. het algemeen belang gevormd door de socio-culturele en volkskundige waarde van het kerkhof en de calvarieberg met grafkapel en hun omgeving, site met motte wordt als volgt omschreven: VII-37.445-4/8 de motte aan de begraafplaats zou minstens sinds de 17de eeuw als calvarieberg bij de kerk met kerkhof van Munte dienst gedaan hebben en vormt aldus een zeldzaam overblijfsel van een oud en sterk verspreid volkskundig gebruik binnen onze westerse christelijke cultuur. Met de bouw omstreeks 1879-1881 van de neogotische grafkapel door de familie Godtschalck- Vergauwen ter vervanging van een kapel uit 1786 op de calvarieberg, kende het gebruik van een vereringsplaats op de motte bij het kerkhof een vervolg. De meest opvallende, monumentale grafzerken van het kerkhof, tevens de oudste, dateren van omstreeks 1900 en uit de eerste decennia van de 20ste eeuw. Het zijn voor die tijd typerende funeraire gedenktekens zowel wat betreft materiaal als naar vormgeving waarbij de hoogopgaande steles met bekronend kruis één van de karakteristieke elementen zijn. het algemeen belang gevormd door de historische waarde van de kasseiweg, deel van Asselkouter, wordt als volgt omschreven: De gekasseide weg is een deel van een historisch wegenpatroon, gelegen op een kouterrug, Asselkouter genaamd en is deels als holle weg in het landschap aanwezig Met het oog op de bescherming zijn van toepassing: A. De beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten (Belgisch Staatsblad 10 maart 1994)". IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. De verzoekende partijen roepen in een eerste middel de schending in van artikel 2, 2/, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) en van de materiële motiveringsplicht. Zij voeren eveneens het ontbreken van een feitelijke grondslag aan. Zij stellen dat de motieven van het bestreden besluit feitelijk onaanvaardbaar zijn en dat hun perceel niet als monument kan worden gekwalificeerd, aangezien dit perceel enkel een overwegend braakliggend stuk grond is waar visueel geen vroegere omgrachting waar te nemen is, dat er volgens het beschermingsdossier op dit perceel geen archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden waaruit de aanwezigheid van een vroegere omgrachting is gebleken, dat de verwijzing naar de drassige terreingesteldheid van het omringende weiland niet kan volstaan als bewijs van een dergelijke aanwezigheid en, ten slotte, dat de VII-37.445-5/8 gebeurlijke aanwezigheid van een wal niet zonder meer kan worden gelijkgesteld met de aanwezigheid van een gracht. 5. De verwerende partij antwoordt dat zowel de motiveringsnota, het bestreden besluit als het verslag na openbaar onderzoek aantonen dat niet alleen uit de nog aanwezige sporen van omgrachting, maar ook uit verscheidene historische gegevens waarnaar verwezen wordt, blijkt dat de historische site ruimer is dan de percelen nrs. 200 a, 201 en 202 b. Zij stelt dat de begrenzing van de bescherming duidelijk en uitgebreid gemotiveerd wordt in het verslag na openbaar onderzoek waarin, onder meer, gesteld wordt dat perceel nr. 205 n - het perceel van de verzoekende partijen - structureel en historisch tot de site met motte behoort - wat zou blijken uit historisch kaartmateriaal, uit sporen van een vroegere omgrachting en uit de ligging en fysionomie van het perceel - en dat het perceel als onderdeel van een aarden monument een meerwaarde bezit. Zij stelt voorts dat niet alleen de cel Monumenten en Landschappen de sporen van omgrachting heeft vastgesteld, maar ook de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen en dat er afdoende elementen zijn voor de waardering en de bescherming van de site. Ten slotte antwoordt de verwerende partij dat de woorden wal en gracht door elkaar gebruikt worden zodat de verwijzing in een historische bron naar een wal in plaats van een gracht, niets aantoont. Beoordeling 6. De Raad van State is als annulatierechter belast met een wettigheidstoezicht waarbij hij, wat de feiten betreft, enkel kan nagaan of de feiten die de overheid als uitgangspunt heeft genomen, vaststaan in het licht van de bewijselementen die beschikbaar waren. De verzoekende partijen gaan er ten onrechte van uit dat hun perceel enkel en alleen als monument wordt beschermd omdat er nog sporen van de vroegere omgrachting aanwezig zouden zijn. Uit het bestreden besluit blijkt immers dat het perceel in de bescherming wordt opgenomen omdat het deel uitmaakt van een historisch belangrijke site en van een goed bewaard topografisch geheel binnen het historisch gegroeide landschap van Munte. De historische en historisch- geografische waarde die aan de site wordt toegeschreven, is gebaseerd op een aantal historische bronnen en kaarten die in de motiveringsnota vermeld worden. VII-37.445-6/8 De vermelding in het bestreden besluit van "sporen van de vroegere omgrachting" en "resten van omgrachting" vindt steun in meerdere stukken van het administratief dossier. Zo wordt in de motiveringsnota immers gesteld dat de terrreingesteldheid van het omringende weiland met drassig karakter getuigt van een vroegere omgrachting waarvan het volledige patroon echter niet bekend is. Vervolgens vermeldt het verslag van de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen Oost-Vlaanderen dat de sporen van de vroegere omgrachting in het aanpalende weiland nog aanwezig zijn en, ten slotte, wordt in het verslag waarin de bezwaarschriften worden onderzocht, bevestigd dat er op het perceel nog sporen van de vroegere omgrachting aanwezig zijn. Bij het nemen van het bestreden besluit kon de verwerende partij er dus ook van uitgaan dat er op het perceel nr. 205 n sporen van de vroegere omgrachting aanwezig zijn. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 7. De verzoekende partijen roepen in een tweede middel de schending in van artikel 2, 2/, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten en van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. Zij voeren ook het ontbreken aan van een feitelijke grondslag doordat in het bestreden besluit hun perceel zonder nadere motivering onder de bescherming als monument wordt opgenomen. Zij stellen dat de vroegere omgrachting hooguit op een smalle rechterstrook van hun perceel kan zijn gesitueerd, zodat alleen deze smalle strook - en niet het hele perceel - als monument kan worden beschermd. 8. De verwerende partij antwoordt dat de motivering in het bestreden besluit voor de begrenzing van de bescherming veel ruimer is dan de sporen die nog gevonden kunnen worden en dat men de begrenzing aan de hand van historische kaarten heeft afgetekend op het huidige kadasterplan, waarbij de huidige perceelsgrenzen zijn gevolgd. VII-37.445-7/8 Beoordeling 9. Zoals hiervoor bij de bespreking van het eerste middel reeds werd uiteengezet, wordt het perceel nr. 205 n niet alleen beschermd omdat er sporen van de vroegere omgrachting op aanwezig zouden zijn, maar ook omdat het perceel deel uitmaakt van een historisch belangrijke site en van een goed bewaard topografisch geheel binnen het historisch gegroeide landschap van Munte. Er wordt bijgevolg wel degelijk een motivering opgegeven voor het geheel waarvan het perceel van de verzoekende partijen een onderdeel is. Het tweede middel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 347,06 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie december tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.445-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.444 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.