← België

Arrest 198460 - Dienst Vreemdelingenzaken - 03/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.460 Rolnummer: A. 191222/XIV-30901 Zaak: Arrest 198460 - Dienst Vreemdelingenzaken - 03/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-24 Raadplegingen: 183 - laatst gezien 2026-07-01 23:50 Fiche Arrest nr 198.460 van 3 december 2009 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 198.460 van 3 december 2009 in de zaak A. 191.222/XIV-30.

  1. In zake : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Migratie- en asielbeleid, thans de Staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Antwerpsesteenweg 59 B tegen : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat I. BOCKSTAELE, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Migratie- en asielbeleid, thans de Staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid, op 30 januari 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 21.046 van 23 december 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4012 van 11 februari 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 9 juli 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 november 2009; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.901-1/13 Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. BRACKE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. XXX, van Kameroense nationaliteit, dient op 10 april 2008 een aanvraag tot vestiging in. 1.
  5. Op 11 april 2008 neemt de gemachtigde van de Minister van Migratie- en asielbeleid een beslissing tot weigering van vestiging met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. XXX dient op 26 juni 2008 tegen deze beslissing een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  7. Bij arrest nr. 21.046 van 23 december 2008 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing van de Minister van Migratie- en asielbeleid van 11 april 2008 vernietigd en de vordering tot schorsing zonder voorwerp verklaard. Dit is het bestreden arrest: “WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST:
  8. Nuttige feiten ter beoordeling van de zaak. Op 10 april 2008 dient verzoekster een aanvraag tot vestiging in. Op 11 april 2008 neemt de gemachtigde van de minister van Migratie- en Asielbeleid de beslissing tot weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied te verlaten. Dit is de bestreden beslissing, die luidt als volgt: “In uitvoering van artikel 61§4 (Belg) van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981 zoals gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 27.04.2007 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt de vestiging aangevraagd op 10/04/2008 door N. B., M. B., geboren te (…) op (…), onderdaan van Kameroen, geweigerd. Aan de betrokkene wordt het bevel gegeven om binnen de 30 dagen het grondgebied te verlaten. XIV-30.901-2/13 REDEN VAN DE BESLISSING: Voldoet niet aan de voorwaarden om te genieten van het recht op vestiging in de hoedanigheid van ascendent. Bij het indienen van de vestigingsaanvraag heeft betrokkene niet bewezen ten laste te zijn van haar vervoegd familielid. Betrokkene is niet ten laste van haar minderjarige zoon.”
  9. Onderzoek van het beroep. 2.
  10. In een eerste middel voert verzoekster de schending van de materiële motiverings- plicht, het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel en machtsafwending aan. Verzoekster betoogt dat de beslissing onvoldoende naar recht is verantwoord, aangezien er geen rekening gehouden wordt met de concrete omstandigheden: met name dat ze een duurzame relatie heeft met een Belg en dat haar kind Belg is. Verwerende partij had daarom, minstens formeel, moeten motiveren en aangeven om welke dwingende reden, nodig in een democratische samenleving, de bestreden beslissing noodzakelijk was. 2.
  11. Uit de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: de Vreemdelingenwet) blijkt dat de vestiging het hoogste verblijfsrecht is dat een vreemdeling in België kan verkrijgen. Dit brengt met zich mee dat de vreemdeling die de vestiging aanvraagt zorgvuldig dient te zijn en er van hem een medewerkingsplicht wordt verwacht. Zo dient hij in zijn aanvraag en ten laatste voor het nemen van de bestreden beslissing alle nuttige inlichtingen te verschaffen aan de overheid. Ten laste zijn is een wettelijke voorwaarde en houdt in dat de tenlastenemer een natuurlijke persoon is die over voldoende middelen beschikt om een bijkomende persoon in onderhoud te voorzien en dat degene die ten laste wordt genomen onvermogend is. Het bestuur mag nagaan of er voldaan is aan deze wettelijke voorwaarde. Het is niet onredelijk van het bestuur om aan de aanvrager te vragen het bewijs te leveren dat hij ten laste is van de persoon bij wie hij zich komt vestigen. Wanneer de Raad als annulatierechter een administratieve beslissing aan de wet toetst treedt hij niet op als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen. Hij onderzoekt enkel of de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid in redelijkheid is kunnen komen tot de door hem gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn. In het kader van een marginale toetsing wordt de aangeklaagde onwettigheid slechts dan gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is. Het beslissingsformulier “gezinshereniging artikel 40 W.15/12/80”, opgesteld door Dorien De Schepper, dat in het administratief dossier zit, geeft aan dat verzoekster ook een aanvraag tot gezinshereniging heeft gedaan ten aanzien van haar “echtgenoot”. Op dit document staat bovendien met de hand geschreven: “geen twijfel omtrent relatie, maar zijn niet gehuwd”. Verzoekster heeft bijgevolg zowel een aanvraag tot gezinshereniging ten aanzien van J. E. als ten aanzien van haar zoon C. E. ingediend. Bovendien heeft J. E. op 28 september 2007 een verbintenis tot tenlasteneming van verzoekster getekend. De bestreden beslissing geeft echter als enig motief op: “Voldoet niet aan de voorwaarden om te genieten van het recht op vestiging in de hoedanigheid van ascendent. Bij het indienen van de vestigingsaanvraag heeft betrokkene niet bewezen ten laste te zijn van haar vervroegd familielid. Betrokkene is niet ten laste van haar minderjarige zoon.” De verwerende partij antwoordt hier bijgevolg enkel op de aanvraag tot gezinshereni- ging ten aanzien van verzoeksters minderjarige zoon. Het buiten beschouwing laten van het stuk waaruit duidelijk blijkt dat verzoekster een aanvraag tot gezinshereniging ten aanzien van J.E. heeft ingediend, is kennelijk onredelijk. Het middel is in die mate gegrond. 2.
  12. Uit voorgaande blijkt dat de zaak slechts korte debatten heeft vereist. De verzoekende partij heeft een gegrond middel aangevoerd. Er is derhalve grond om toepassing te maken van artikel 36 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 XIV-30.901-3/13 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, is zonder voorwerp. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Artikel
  13. Vernietigd wordt de beslissing van de minister van Migratie- en asielbeleid van 11 april 2008 tot weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied te verlaten. Artikel
  14. De vordering tot schorsing is zonder voorwerp.”.
  15. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  16. Overwegende dat de verzoekende partij als eerste middel aanvoert: “3.
  17. Eerste middel Verzoeker beroept zich in een eerste middel op een schending van: - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - art. 39/2, § 2 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, afzonderlijk en in samenhang met de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - art. 39/2, § 2 en art. 39/60 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Doordat in het bestreden arrest als volgt wordt geoordeeld: "2.
  18. In een eerste middel voert verzoekster de schending van de materiele motiveringsplicht, het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel en machtsafwen- ding aan. Verzoekster betoogt dat de beslissing onvoldoende naar recht is verantwoord, aangezien er geen rekening gehouden wordt met de concrete omstandigheden: met name voert ze aan dat ze een duurzame relatie heeft met een Belg en dat haar kind Belg is. Verwerende partij had daarom, minstens formeel, moeten motiveren en aangeven om welke reden, nodig in een democratische samenleving de bestreden beslissing noodzakelijk was. 2.2.... Het beslissingsformulier "gezinshereniging artikel 40 W. 15/12/80", opgesteld door Dorien De Schepper, dat in het administratief dossier zit, geeft aan dat verzoekster ook een aanvraag tot gezinshereniging heeft ingediend ten aanzien van haar "echtgenoot". Op dit document staat bovendien met de hand bijgeschreven: "geen twijfel omtrent relatie, maar zijn niet gehuwd". Verzoekster heeft bijgevolg zowel een aanvraag tot gezinshereniging ten aanzien van J.E. als ten aanzien van haar zoon C.E. ingediend. Bovendien heeft J.E. op 28 september 2007 een verbintenis tot tenlasteneming van verzoekster getekend. De bestreden beslissing geeft echter als enig motief op: "Voldoet niet aan de voorwaarden om te genieten van het recht op vestiging in de hoedanigheid van ascendent. Bij het indienen van de vestigingsaanvraag heeft betrokkene niet bewezen ten laste te zijn van haar vervoegd familielid Betrokke- ne is niet ten laste van haar minderjarige zoon". De verwerende partij antwoordt hier bijgevolg enkel op de aanvraag tot gezinshere- niging ten aanzien van verzoeksters minderjarige zoon. Het buiten beschouwing laten van het stuk waaruit duidelijk blijkt dat verzoekster een aanvraag tot gezinshereniging ten aanzien van J.E. heeft ingediend, is kennelijk onredelijk". (onderlijning toegevoegd) Eerste onderdeel. XIV-30.901-4/13 Nu de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest heeft geoordeeld dat: De bestreden beslissing geeft echter als enig motief op: "Voldoet niet aan de voorwaarden om te genieten van het recht op vestiging in de hoedanigheid van ascendent. Bij het indienen van de vestigingsaanvraag heeft betrokkene niet bewezen ten laste te zijn van haar vervoegd familielid Betrokkene is niet ten laste van haar minderjarige zoon". De verwerende partij antwoordt hier bijgevolg enkel op de aanvraag tot gezinshere- niging ten aanzien van verzoeksters minderjarige zoon. Het buiten beschouwing laten van het stuk waaruit duidelijk blijkt dat verzoekster een aanvraag tot gezinshereniging ten aanzien van J.E. heeft ingediend, is kennelijk onredelijk dient te worden besloten dat dit rechtscollege aldus de bewijskracht heeft miskend van de vestigingsaanvraag van verweerster, ingediend op 10.04.2008 (bijlage 19): "AANVRAAG TOT VESTIGING C. FAMILIELEDEN Ik ondergetekende, ... Verzoekt om vestiging in België als : bloedverwant in neergaande lijn van XXX ... "(stuk 3). Een zodanig oordeel van de rechter in vreemdelingenzaken, waar geïnsinueerd wordt dat een aanvraag tot het verkrijgen van een visum gezinshereniging (visum type D) dient gelijk gesteld te worden met een aanvraag tot vestiging, quod certe non, is immers niet verenigbaar met de inhoud van dit stuk, waaruit onmiskenbaar blijkt dat verweerster op 10.04.2008 een aanvraag tot vestiging en geenszins een visumaanvraag heeft ingediend in functie van haar minderjarige zoon, vestigingsaanvraag waaromtrent de oorspronkelijk bestreden beslissing dd. 11.04.2008 is genomen. Deze aanvraag tot vestiging dd. 10.04.2008, kan bezwaarlijk worden aangezien als een vestigingsaanvraag in functie van haar partner T.E., noch als een aanvraag tot gezinshereniging tot het bekomen van een visum type D in functie van deze partner J.E. Verder wordt door de rechter in vreemdelingenzaken ook de bewijskracht miskend van de beslissing tot weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied te verlaten (bijlage 20), nu hierin duidelijk vermeld wordt dat de beslissing genomen wordt nopens "de vestiging, aangevraagd op 10.04.2008". Voormelde stukken (bijlage 19 dd. 10.04.2008 en bijlage 20 dd. 11.04.2008) maken deel uit van het administratief dossier dat met toepassing van art. 39/59, § 1, eerste lid, Vreemdelingenwet aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is toegezonden en afschriften ervan, die voor zoveel als nodig door de advocaat van de verweerder in de annulatieprocedure, thans verzoeker, eensluidend worden verklaard met de exemplaren van het genoemde dossier (cf. Cass. 26 oktober 2000, AR C.99.0526.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001026.6, Arr. Cass. 2000, 1664), worden hierna gevoegd als stukken 3 en
  19. De voormelde miskenning van de bewijskracht van deze stukken die dus samenhangt met de in dit onderdeel veronderstelde lezing van het bestreden arrest, maakt een schending uit van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Het eerste onderdeel van het eerste middel is gegrond. Tweede onderdeel Nu de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest heeft geoordeeld dat: De bestreden beslissing geeft echter als enig motief op: "Voldoet niet aan de voorwaarden om te genieten van het recht op vestiging in de hoedanigheid van ascendent. Bij het indienen van de vestigingsaanvraag heeft betrokkene niet bewezen ten laste te zijn van haar vervoegd familielid. Betrokkene is niet ten laste van haar minderjarige zoon". De verwerende partij antwoordt hier bijgevolg enkel op de aanvraag tot gezinshere- niging ten aanzien van verzoeksters minderjarige zoon. Het buiten beschouwing laten van het stuk waaruit duidelijk blijkt dat verzoekster een aanvraag tot gezinshereniging ten aanzien van J.E. heeft ingediend, is kennelijk onredelijk XIV-30.901-5/13 dient te worden besloten dat dit rechtscollege aldus de bewijskracht heeft miskend van de visumaanvraag van verweerster, waaromtrent op 08.02.2008 een (definitief geworden) weigeringsbeslissing werd genomen. Een zodanig oordeel van de rechter in vreemdelingenzaken is immers niet verenigbaar met de inhoud van. de stukken van het administratief dossier, waaruit onmiskenbaar blijkt dat: - verweerster in 2007 een aanvraag heeft ingediend tot het verkrijgen van een visum gezinshereniging (zie stuk 4): - de gemachtigde van de federale Minister van Binnenlandse Zaken op 08.02.2008 een beslissing tot weigering heeft genomen (zie stuk 6), - deze beslissing definitief is geworden bij gebreke aan enig beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Behoudens het gegeven dat nopens de visumaanvraag van verweerster op 08.02.2008 reeds een definitief geworden weigeringsbeslissing is genomen door de Minister of zijn gemachtigde, zodat hierover geenszins nog een beslissing dient genomen te worden, dient verder te worden vastgesteld dat oordelen dat de visumaanvraag van verweerster in 2007 niet alleen in functie van de minderjarige zoon, doch ook in functie van de partner zou zijn ingediend, eveneens een volledige miskenning uitmaakt van de bewijskracht van de (officiële) stukken van het administratief dossier (zie ook stuk 4 a en b): " aanvraag Schengenvisum, ondertekend door verweerster, met in bijlage o.m. stukken nopens het schoolgaan van de zoon van verweerster: Hoofdreisdoel: opvang van schoolgaand zoontje Doel van de reis: andere: opvang van schoolgaand zoontje met Belgische nationaliteit in een Nederlandstalige school, zie inschrijving in bijlage " elektronisch visumformulier: « regroupement familial avec enfant belge mineur se trouvant en Belgique. Voir mail » " Email Ambassade : « ... Le fils se trouve actuellement en Belgique pou y poursuivre sa scolarité. Le père doit rester au Cameroun pour ses activités professionnelles, mais la mère désire être auprès de son fils en Belgique. La mère et le fils sont financièrement soutenus pas Jules Esquenet ». Door in zijn arrest evenwel voor te houden dat er in de oorspronkelijk bestreden beslissing ten onrechte niet is geantwoord nopens een aanvraag tot gezinshereniging ten aanzien van JE.', schendt de rechter in vreemdelingenzaken dan ook duidelijk de bewijskracht van de stukken van het administratief dossier. Het loutere gegeven dat de partner van verweerster, de heer J.E., een verbintenis tot tenlasteneming heeft ondertekend, en verweerster dit stuk bij haar visumaanvraag heeft gevoegd, maakt uiteraard niet dat de visumaanvraag in functie van de minderjarige zoon plots in functie van deze partner zou zijn ingediend. Het voorgaande temeer daar - zoals ook blijkt uit de email van de Ambassade - de partner van verweerster zich nog steeds in Kameroen bevond, zodat er geenszins een visumaanvraag in functie van deze partner kon zijn ingediend. Terwijl ook het gegeven dat op een `beslissingsformulier gezinshereniging artikel 40 W.15/12/80' (stuk 5), hetgeen een louter intern werkdocument uitmaakt, verkeerdelijk wordt vermeld dat de aanvraag in functie van de 'echtgenoot zou gedaan zijn' en er met de hand is op geschreven 'geen twijfel omtrent relatie, maar zijn niet gehuwd', aan het voorgaande geen afbreuk kan doen. De beperkte lezing van een intern werkdocument, in strijd met alle officiële stukken van de administratief dossier, waaronder de visumaanvraag in 2007 en de weigeringsbeslis- sing van 08.02.2008, maakt dan ook onbetwistbaar een schending uit van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Voormelde stukken maakten deel uit van het administratief dossier dat met toepassing van art. 39/59, § 1, eerste lid, Vreemdelingenwet aan de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen is toegezonden en afschriften ervan, die voor zoveel als nodig door de advocaat van de verweerder in de annulatieprocedure, thans verzoeker, eensluidend worden verklaard met de exemplaren van het genoemde dossier (cf. Cass. 26 oktober XIV-30.901-6/13 2000, AR C.99.0526.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001026.6, Arr. Cass. 2000, 1664), worden hierna gevoegd als 4 en 6 bijlagen. De voormelde miskenning van de bewijskracht van deze stukken dat dus samenhangt met de in dit onderdeel veronderstelde lezing van het bestreden arrest, maakt een schending uit van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek. Het tweede onderdeel van het eerste middel is gegrond. Derde onderdeel Door in het kader van een annulatie- en schorsingsberoep, gericht tegen de beslissing dd. 11.04.2008 houdende weigering van de vestiging met bevel (bijlage 20): - te verwijzen naar documenten die betrekking hebben op de visumaanvraag van verweerster in functie van haar minderjarige zoon, visumaanvraag die op 08.02.2008 werd afgesloten met een weigeringsbeslissing dewelke definitief is, - en aan deze documenten te verbinden dat verweerster tevens een 'aanvraag tot gezinshereniging heeft ingediend ten aanzien van J.E.' miskent de rechter in vreemdelingenzaken zodoende de bewijskracht van de stukken van het administratief dossier (zie voorgaande onderdelen), maar gaat de rechter in vreemdelingenzaken ook zijn bevoegdheid als annulatierechter te buiten. In het aangevochten arrest miskent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de aard van het in casu bij hem ingestelde beroep en de grenzen die daaraan eigen zijn. Blijkens de bepaling van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 die er deze aard aan verleent en die door het bestreden arrest dus wordt geschonden, te weten art. 39/2, § 2, Vreemdelingenwet, is dit beroep immers, in tegenstelling tot het beroep met volle rechtsmacht dat kan worden ingesteld tegen de meeste beslissingen in asielzaken genomen door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (cf. § 1 van het laatstvermelde wetsartikel), maar naar het beeld van het beroep ex art. 14, § 1, R.v.St.-Wet (zie Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2479/001, medio p. 98), een annulatieberoep. Een zodanig beroep behoort, overeenkomstig art. 39/60 Vreemdelingenwet, uitsluitend te worden beoordeeld aan de hand van de beperkende opgave van een of meer middelen die van meet af aan op een voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze worden uiteengezet in het inleidende verzoekschrift, derwijze dat de ingeroepen vernietigings- gronden in beginsel niet regelmatig kunnen worden uitgebreid in verdere schriftelijke of mondelinge fasen van de beroepsprocedure, noch door het betrokken administratieve rechtscollege in zijn beslissing, en zodanig dat wordt gewaarborgd dat, met eerbiedi- ging van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, tegen alle aangevoerde grieven een nuttig verweer kan worden gevoerd. Betreffende de aard van de beroepen tot nietigverklaring die, met toepassing van art. 14, § 1, R.v.St.-Wet, bij de Raad van State kunnen worden ingesteld tegen de akten van de onderscheiden administratieve overheden, kan naar analogie nuttig worden verwezen naar de vaste rechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld R.v.St. nr. 47.017, 25 april 1994, Arr. R.v.St. 1994; R.v.St. nr. 41.148, 25 november 1992, R.A.C.E. 1992). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onderzoekt enkel of de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid in redelijkheid is kunnen komen tot de door hem gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn. In het kader van de marginale toetsing die door de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen wordt verricht kan de aangeklaagde onwettigheid slechts dan worden gesanctio- neerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is (zie o.m. R.v.St. 17 januari 2007, nr. 166.820; R.v.St. 20 september 1999, nr. 82.301, www.raadvst-consetat.be). Wanneer de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een administratieve beslissing aan de wet toetst, treedt hij niet op als rechter in hoger beroep die de ware toedracht van de feiten opnieuw gaat beoordelen. Dit ook conform de vaste rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (zie o.m. R.v.V. nr. 1113 dd. 6.8.2007). XIV-30.901-7/13 Het komt daarbij allerminst aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toe om zich in de plaats te stellen van het bestuur en deze appreciatie over te doen. "3.
  20. Overwegende dat de Raad van State, beschikkende op het annulatieberoep gericht tegen het besluit waarbij de minister van Binnenlandse Zaken overeenkom- stig artikel 8 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, uitspraak doet over de inschrijvingen in het bevolkingsregister, niet de bevoegdheid heeft om in de plaats van het bestuur vast te stellen waar iemand daadwerkelijk zijn hoofdverblijf heeft; dat ambtshalve moet worden vastgesteld dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het ertoe strekt te laten vaststellen dat het gezin van verzoeker niet in Maasmechelen maar in Riemst verblijft; " (R.v.St. 9 mei 2000, nr. 87.156, www.raadvst-consetat.be). Verzoeker dient vast te stellen dat de rechter in vreemdelingenzaken in het thans bestreden arrest deze annulatiebevoegdheid te buiten gaat. Immers, - door voor te houden dat de gemachtigde bij het nemen van zijn beslissing nopens de vestigingsaanvraag van verweerster dd. 10.04.2008, geen rekening heeft gehouden met het feit dat verweerster 'zowel een aanvraag tot gezinshereniging' t.a.v. haar partner als ten aanzien van haar minderjarige zoon heeft ingediend, - en door desbetreffend te verwijzen naar een document ("beslissingsformulier gezinshereniging art. 40 W. 15/12/80") dat: " enkel een intern werkdocument betreft (niet ondertekend door betrokkene zelf - in tegenstelling tot de eigenlijke visumaanvraag), " betrekking heeft op de visumaanvraag van verweerster die door verweerster was ingediend in functie van haar zoon en werd afgesloten op 08.02.08 en waartegen geen beroep werd ingediend, zodat deze beslissing definitief is, " geen uitstaans heeft met de aanvraag tot vestiging dewelke verweerster heeft ingediend op 10.04.2008, in functie van haar minderjarige zoon, - terwijl de partner niet het voorwerp uitmaakte van de aanvraag tot vestiging dd. 10.04.08, aanvraag waarop de oorspronkelijk bestreden beslissing tot weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied te verlaten is genomen, stelt de rechter in vreemdelingenzaken zich in de plaats van het bestuur, en gaat hij zijn bevoegdheid als annulatierechter duidelijk te buiten. Inderdaad komt het aan de rechter in vreemdelingenzaken niet toe om bij de beoorde- ling als annulatierechter van een beslissing houdende weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied te verlaten, te oordelen dat: - een intern werkdocument dat betrekking heeft op een eerdere visumaanvraag van verweerster (dan nog in functie van de minderjarige zoon) en waarover reeds een definitieve weigeringsbeslissing is genomen, deel uitmaakt van de aanvraag tot vestiging van verweerster, ingediend op 10.04.2008, - de gemachtigde hiermee rekening had moeten houden bij het nemen van zijn beslissing nopens de vestigingsaanvraag van verweerster. Los van het gegeven dat het intern werkdocument waarnaar de rechter in vreemdeling- enzaken in zijn arrest verwijst niet maakt dat de visumaanvraag van verweerster zou zijn ingediend in functie van de partner, dient te worden vastgesteld dat nopens de visumaanvraag van verzoekster een definitieve beslissing is genomen op 08.02.
  21. Het komt dan ook allerminst aan de rechter in vreemdelingenzaken toe - cf. supra - zich in de plaats te stellen van de Minister of zijn gemachtigde, en de appreciatie door de gemachtigde van de Minister van Migratie en Asielbeleid nopens de vestigingsaanvraag van verweerster van 10.04.2008 over te doen, en hierbij een 'aanvraag gezinshereniging' (zijnde een visumaanvraag, gelet op het stuk waarnaar de rechter in vreemdelingenza- ken verwijst) in functie van de partner als het ware 'toe te voegen' aan de vestigingsaan- vraag dd. 10.04.
  22. Door in het aangevochten arrest uitdrukkelijk te stellen dat de gemachtigde had dienen rekening te houden met een stuk dat betrekking heeft op de afgesloten visumaanvraag XIV-30.901-8/13 van verweerster, gaat de rechter in vreemdelingenzaken dan ook duidelijk zijn bevoegdheid te boven. Gelet op het voormelde stelt zich tevens de vraag of de Minister of zijn gemachtigde, wanneer een nieuwe beslissing zou dienen te worden genomen, wel nog vermag te oordelen dat er enkel in functie van de minderjarige zoon een aanvraag tot vestiging was ingediend, zonder daarbij de inhoud van het thans aangevochten arrest te miskennen. Zodoende zou de Minister of zijn gemachtigde bij het uitoefenen van zijn appreciatiebe- voegdheid alsdan gebonden zijn door het oordeel van de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen. Zulks vormt uiteraard een fundamentele aantasting van de bestuurlijke beoordelings- vrijheid. De rechterlijke macht vermag niet aan de administratieve overheid haar beoordelings- vrijheid te ontnemen en zich aldus in de plaats te stellen van deze instanties die wettelijk bevoegd zijn om het recht op verblijf van vreemdelingen toe te kennen (Cass., 19 april 1991, R. W., 1991- 92, 86). Gelet op het voorgaande staat het vast dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de grenzen van zijn annulatiebevoegdheid heeft overschreden en aldus heeft geoordeeld in strijd met artikel 39/2 §2 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Het derde onderdeel is gegrond. Vierde onderdeel In het aangevochten arrest heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met miskenning van de grenzen van het bij hem aanhangig gemaakte annulatieberoep, de initieel bestreden administratieve beslissing vernietigd op grond van motieven die een uitbreiding uitmaken van de door verweerster in haar verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingeroepen vernietigingsgronden, zodat art. 39/60 van de wet dd. 15.12.1980, evenals het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, geschonden zijn. Blijkens de bepaling van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 die er deze aard aan verleent en die door het bestreden arrest dus wordt geschonden, te weten art. 39/2, § 2., Vreemdelingenwet, is dit beroep immers, in tegenstelling tot het beroep met volle rechtsmacht dat kan worden ingesteld tegen de meeste beslissingen in asielzaken genomen door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (cf. § 1 van het laatstvermelde wetsartikel), maar naar het beeld van het beroep ex art. 14, § 1, R.v.St.-Wet (zie Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2479/001, medio p. 98), een annulatieberoep. Een zodanig beroep behoort, overeenkomstig art. 39/60 Vreemdelingenwet, uitsluitend te worden beoordeeld aan de hand van de beperkende opgave van een of meer middelen die van meet af aan op een voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze worden uiteengezet in het inleidende verzoekschrift, derwijze dat de ingeroepen vernietigings- gronden in beginsel niet regelmatig kunnen worden uitgebreid in verdere schriftelijke of mondelinge fasen van de beroepsprocedure, noch door het betrokken administratieve rechtscollege in zijn beslissing, en zodanig dat wordt gewaarborgd dat, met eerbiedi- ging van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, tegen alle aangevoerde grieven een nuttig verweer kan worden gevoerd. Betreffende de aard van de beroepen tot nietigverklaring die, met toepassing van art. 14, § 1, R.v.St.-Wet, bij de Raad van State kunnen worden ingesteld tegen de akten van de onderscheiden administratieve overheden, kan naar analogie nuttig worden verwezen naar de vaste rechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld R.v.St. nr. 47.017, 25 april 1994, Arr. R.v.St. 1994; R.v.St. nr. 41.148, 25 november 1992, R.A.C.E. 1992). In casu wordt door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen echter geoordeeld: "Verzoekster heeft bijgevolg zowel een aanvraag tot gezinshereniging ten aanzien van JE. als ten aanzien van haar zoon C.E. ingediend ... De verwerende partij antwoordt hier bijgevolg enkel op de aanvraag tot gezinshereniging ten aanzien van XIV-30.901-9/13 verzoeksters minderjarige zoon. Het buiten beschouwing laten van het stuk waaruit duidelijk blijkt dat verzoekster een aanvraag tot gezinshereniging ten aanzien van J.E. heeft ingediend, is kennelijk onredelijk " Verzoekende partij dient vast te stellen dat verweerster op geen enkel ogenblik, noch in haar aanvraag tot vestiging, noch in haar verzoekschrift tot schorsing/nietigverklaring voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, heeft aangevoerd dat zij een 'aanvraag tot gezinshereniging had ingediend t.a.v. haar partner, waarop niet zou zijn geantwoord. Integendeel heeft verweerster in haar verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen, zoals onder 2.
  23. ook wordt erkend door de rechter in vreemdelingenza- ken, enkel 'de schending van de materiele motiveringsplicht, het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel en machtsafwending' aangevoerd: "Verzoekster betoogt dat de beslissing onvoldoende naar recht is verantwoord, aangezien er geen rekening gehouden wordt met de concrete omstandigheden: met name voert ze aan dat ze een duurzame relatie heeft met een Belg en dat haar kind Belg is. Verwerende partij had daarom, minstens formeel, moeten motiveren en aangeven om welke reden, nodig in een democratische samenleving, de bestreden beslissing noodzakelijk was". De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen doet kennelijk 'ambtshalve' de vaststelling dat huidig verweerster in haar verzoekschrift tot schorsing/nietigverklaring 'ook een aanvraag tot gezinshereniging ten aanzien van J.E.' heeft ingediend, waarop in de bestreden beslissing niet zou geantwoord zijn. De Raad voor Vreemdelingenbetwisting- en meent dit te kunnen afleiden uit de stukken van het administratief dossier, meer bepaald 'het beslissingsformulier artikel 40 W. 15/12/80'. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermag vanzelfsprekend niet op grond van zulke ambtshalve vaststellingen, te besluiten tot de vernietiging van een bestuurlijke beslissing. Daarenboven beroept de rechter in vreemdelingenzaken zich op een eenzijdig door hem gedane vaststelling om de initieel bestreden administratieve beslissing dd. 11.04.2008 tot weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied te verlaten nietig te verklaren, zonder dat aan partijen de gelegenheid werd gegeven hierop tegenspraak te voeren. Verzoekende partij stelt dan ook vast dat, door vast te stellen dat "Verzoekster heeft bijgevolg zowel een aanvraag tot gezinshereniging ten aanzien van J.E. als ten aanzien van haar zoon C.E. ingediend. ... De verwerende partij antwoordt hier bijgevolg enkel op de aanvraag tot gezinshereniging ten aanzien van verzoeksters minderjarige zoon. Het buiten beschouwing laten van het stuk waaruit duidelijk blijkt dat verzoekster een aanvraag tot gezinshereniging ten aanzien van J.E. heeft ingediend, is kennelijk onredelijk", de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet alleen artikel 39/60 schendt, doch tevens het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, nu de verzoekende partij (oorspronkelijk verweerder) zich niet op dit in het bestreden arrest opgenomen argument heeft kunnen verweren. Het vierde onderdeel van het middel is gegrond. Het eerste middel is gegrond.”; 2.
  24. Overwegende dat de verzoekende partij in haar toelichtende memorie het middel zoals uiteengezet in haar inleidend verzoekschrift herneemt; XIV-30.901-10/13 2.
  25. Overwegende dat in een eerste onderdeel de verzoekende partij betoogt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de bewijskracht heeft miskend van de vestigingsaanvraag van verweerster, ingediend op 10 april 2008, dat hieruit duidelijk blijkt dat verweerster een aanvraag tot vestiging en geenszins een visumaanvraag heeft ingediend in functie van haar minderjarige zoon, dat deze aanvraag tot vestiging bezwaarlijk kan aanzien worden als een vestigingsaanvraag in functie van J.E., noch als een aanvraag tot gezinshereniging tot het bekomen van een visum type D in functie van J.E., dat door de rechter in vreemdelingenzaken ook de bewijskracht wordt miskend van de beslissing tot weigering van de vestiging met bevel om het grondgebied te verlaten, nu hieruit duidelijk blijkt dat de beslissing genomen wordt nopens “de vestiging, aangevraagd op 10 april 2008"; dat in een tweede onderdeel de verzoekende partij stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen de bewijskracht van de visumaanvraag van verweerster van 2007 heeft miskend, waaromtrent op 8 februari 2008 een definitief geworden weigeringsbeslissing werd genomen, dat oordelen dat deze visumaanvraag ook in functie van de partner zou zijn ingediend een volledige miskenning uitmaakt van de officiële stukken van het administratief dossier, dat het loutere gegeven dat de partner van verweerster een verbintenis tot tenlasteneming heeft ondertekend, niet maakt dat de visumaanvraag in functie van haar minderjarige zoon plots in functie van haar partner zou zijn ingediend, dat het “beslissings- formulier gezinshereniging artikel 40 W. 15/12/80" louter een intern werkdocument betreft en geen afbreuk doet aan het feit dat er geenszins een visumaanvraag in functie van de partner is ingediend; dat uit het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt dat de rechter van oordeel is dat XXX , huidige verwerende partij, niet enkel een aanvraag tot gezinshereniging heeft ingediend in functie van haar minderjarige zoon maar tevens in functie van J.E.; dat het buiten beschouwing laten van het stuk waaruit blijkt dat huidige verwerende partij tevens een aanvraag tot gezinshereniging heeft ingediend ten aanzien van J.E. kennelijk onredelijk is, aldus de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; dat uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan, blijkt dat XXX, onder meer, op 2 oktober 2007 een aanvraag visum gezinshereniging (type D) in functie van haar minderjarige zoon XXX heeft ingediend; dat deze aanvraag tot gezinshereniging een verbintenis tot tenlasteneming bevatte ondertekend door J.E..; dat de verzoekende partij kan worden bijgetreden waar zij stelt dat dit stuk geenszins betekent dat de aanvraag gezinshereniging is ingediend ten aanzien van deze persoon; dat op 8 februari 2008 hierin door de Minister van Binnenlandse Zaken een weigeringsbeslissing werd genomen; dat uit het administratief dossier blijkt dat huidige verwerende partij vanuit België op 10 april 2008 een aanvraag tot vestiging in functie van haar minderjarige zoon heeft ingediend; dat uit het aanvraagformu- lier blijkt dat XXX verzoekt om vestiging in België als bloedverwant in neergaande lijn van XXX; dat er dus geen twijfel kan over bestaan dat deze aanvraag een aanvraag tot vestiging XIV-30.901-11/13 betrof en geen aanvraag tot gezinshereniging, enerzijds, en dat de aanvraag tot vestiging enkel is ingediend in functie van haar minderjarige zoon XXX, anderzijds; dat in het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de aanvraag tot vestiging en de aanvraag tot gezinshereniging door elkaar worden gehaald; dat de beslissing die voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is aangevochten enkel de beslissing tot weigering van de vestiging betreft; dat de beslissing tot weigering gezinshereniging van 8 februari 2008 niet is aangevochten en bijgevolg definitief is geworden; dat de aanvraag tot vestiging enkel is ingediend in functie van XXX zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte stelt dat het buiten beschouwing laten van het stuk waaruit blijkt dat huidige verwerende partij tevens een aanvraag tot gezinshereniging heeft ingediend ten aanzien van J.E. kennelijk onredelijk is; dat de schending van de bewijskracht van de stukken dient aangenomen; dat het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel gegrond zijn, BESLUIT: Artikel
  26. Vernietigd wordt het arrest nr. 21.046 van 23 december 2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  27. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschre- ven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel
  28. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. XIV-30.901-12/13 Artikel
  29. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie december tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.901-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.460 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001026.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.