id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.495 Rolnummer: A. 74700/X-7499 Zaak: Arrest 198495 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 03/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-11 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 03:58 Fiche Arrest nr 198.495 van 3 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 198.495 van 3 december 2009 in de zaak A. 74.700/X-
- In zake: Marc DE SCHRIJVER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Lindemans kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 17 juni 1997, strekt tot de nietigverklaring van de artikelen 2 en 3 van het besluit van 14 maart 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende intrekking van het ministerieel besluit van 27 februari 1997 en houdende hernieuwde verwerping van het beroep ingesteld door DE SCHRYVER-REYNE tegen het besluit van 18 juli 1996 van de deputatie van de provincieraad van Oost- Vlaanderen waarbij de vergunning is geweigerd voor het bouwen van een eengezinswoning op een perceel gelegen te Aalst, Sint-Amandstraat, kadastraal bekend sectie A, nr.
- II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 191.153 van 9 maart 2009 worden de debatten heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek. X-7499-1/10 Auditeur Ann Eylenbosch heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 oktober
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Filip De Preter, die loco advocaat Dirk Lindemans verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Paul Aerts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 26 april 1995 (datum van het ontvangstbewijs) vragen de verzoeker en zijn echtgenote aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst een vergunning voor het oprichten van een ééngezinswoning op een perceel gelegen aan een aftakking van de Sint-Amandstraat te Aalst, kadastraal bekend sectie A, nr.
- Door het bij koninklijk besluit van 30 mei 1978 vastgestelde gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem wordt het voornoemde perceel tot een diepte van ongeveer 30m bestemd tot woongebied en daarachter tot natuurgebied. Het betrokken perceel is niet gelegen binnen een gebied waarvoor een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat, en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. Het bouwperceel is gelegen achter het aan de Sint-Amandstraat palende perceel nr. 1800/a waarop zich de bij besluit van 7 juni 1996 van de X-7499-2/10 Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn als monument beschermde Sint-Amanduskapel bevindt. Het bouwperceel wordt ontsloten door een aftakkingsweg met een lengte van circa 20m tussen het perceel nr. 1800/a en het perceel nr. 1801/g, die uitmondt op de Sint-Amandstraat. 3.
- Op 17 augustus 1995 geeft de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies over de aanvraag waarin hij onder meer stelt dat het perceel aan een onvoldoende uitgeruste weg ligt. 3.
- Op 25 september 1995 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst de vergunning overeenkomstig het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 3.
- Op 18 juli 1996 verwerpt de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het beroep van de verzoeker en zijn echtgenote tegen voormelde weigeringsbeslissing. In dit besluit wordt onder meer gewezen op het gebrek aan riolering in de doodlopende ontsluitingsweg. 3.
- Op 20 augustus 1996 stelt de verzoeker en zijn echtgenote tegen voormelde weigeringsbeslissing beroep in bij de verwerende partij. 3.
- Op 6 februari 1997 wordt de verzoeker gehoord. 3.
- Op 26 februari 1997 stuurt de verzoeker “aanvullende informatie” aan de verwerende partij. Het betreft onder meer een aan de verzoeker gerichte factuur van 10 november 1995 voor de voorlopige aansluiting van het bouwperceel op het elektriciteitsnet en een aan de verzoeker gerichte factuur van 17 januari 1997 voor het verbruik van water op het bouwperceel sedert 1 november
- 3.
- Op 27 februari 1997 verwerpt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het beroep van de verzoeker en zijn echtgenote en wordt de vergunning opnieuw geweigerd omwille van de onvoldoende uitrusting van de doodlopende ontsluitingsweg. 3.
- Op 14 maart 1997 neemt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het thans bestreden besluit. Artikel 1 van het bestreden besluit trekt het voornoemde besluit van 27 februari 1997 in. Artikel 2 van het bestreden besluit verwerpt opnieuw het beroep van de verzoeker en zijn X-7499-3/10 echtgenote tegen de weigeringsbeslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. In het bestreden besluit wordt onder meer het volgende overwogen: “Overwegende dat het ontwerp de oprichting voorstelt van een vrijstaande woning met een voorgevelbreedte van 14,2 m bij een diepte van 10,3 m, in te planten op 4,5 m van de rechter perceelsgrens en op circa 25 m van de Sint-Amandstraat; dat tussen het eigendom in aanvraag en de openbare weg zich de als monument beschermde Sint-Amanduskapel bevindt, met omliggende grond; dat de bouwplaats bereikt wordt via een 2 m-brede met steenslag verharde openbare weg langs de linker zijde van de grond met het beschermde monument; (...) Overwegende dat door de advocaat van aanvrager een uitgebreide fotoreportage werd neergelegd, die de omgeving weergeeft en waaruit moet blijken dat voor gelijkaardige bouwwerken in de omgeving in het verleden vergunning werd afgeleverd; dat echter in die bewijsvoering zonder meer wordt voorbijgegaan aan het gegeven dat het eigendom slechts bereikbaar is langs een circa 20 m-lange summier verharde weg; dat een eventueel aan te leggen wegverharding, met aansluiting op bestaande weguitrusting langs de Sint-Amandstraat, niet door de aanvrager kan worden verwezenlijkt op het openbaar domein; dat het gegeven van onvoldoende weguitrusting ook door de gemeentelijke overheid als weigeringsgrond werd geformuleerd in haar negatief advies van 6 juli 1995; dat het dossier niet aantoont dat enig overleg werd gepleegd met de gemeentelijke overheid om dit openbaar wegdeel op een gepaste wijze uit te rusten; Overwegende dat het perceel, zoals hoger gesteld, slechts bereikbaar is via een met steenslag verharde 20 m-lange openbare weg die aansluit op de Sint-Amandstraat; dat door de advocaat van de aanvrager bij brief van 26 februari 1997 aanvullende gegevens werden voorgelegd waaruit blijkt dat ook in het weggedeelte tot het perceel in aanvraag zowel waterleiding als elektriciteitstoevoer aanwezig is; dat bovendien een brief wordt voorgelegd, uitgaande van de Vlaamse Milieumaatschappij d.d. 3 december 1996, waaruit het principieel akkoord blijkt dat het water na eventuele voorzuivering via een pompsysteem in de riolering wordt opgepompt; Overwegende dat uit een contact met de stedelijke technische dienst, als gevolg van de aanvullende informatie, blijkt dat een eventuele lozing in de afvoerbuis aan de rechter zijde van het perceel, naar de achterliggende beek niet aanvaardbaar is; dat hier op termijn een verdere uitwerking van het rioleringsnet zal doorgevoerd worden; dat het oppompen van het water naar de eindput van de riolering in de Sint-Amandstraat nog steeds zou moeten gebeuren via een op het openbaar domein aan te leggen riolering; dat gelet op het globaal negatief standpunt terzake van het college van burgemeester en schepenen het voorstel tot de aanleg van dergelijke buis op openbaar domein dan ook als niet realistisch en onuitvoerbaar dient beschouwd te worden; dat dergelijk voorstel slechts kan overwogen worden na een gunstig standpunt van de stadsoverheid; Overwegende dat enkel het perceel in aanvraag bereikbaar is via een zeer summiere wegverharding van grove steenslag; dat deze feitelijke wegstaat én het negatieve standpunt van het college doet besluiten dat het perceel grenst aan een onvoldoend uitgeruste weg; Overwegende dat artikel 50 van de stedebouwwet in §3 stelt: ‘De vergunning kan ook worden geweigerd voor het bouwen op een stuk grond, gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is X-7499-4/10 uitgerust.’; dat alle omliggende bebouwingen zich situeren aan de Sint-Amandstraat die als openbare weg de normale klassieke bitumenverharding bezit; dat kwestieus perceel, weliswaar vooraan gelegen in een 50 m-diep woongebied, met situering achter de Sint-Amanduskapel met omliggende grond, bereikbaar is via de 20 m-lange zijweg die door de feitelijke wegstaat én het negatieve standpunt van het college, als een onvoldoend uitgeruste weg dient beschouwd; dat op grond van deze vaststelling de bouwvergunning niet kan worden afgeleverd; Overwegende dat op grond van de aanvullende informatie dient vastgesteld dat het ministerieel besluit d.d. 27 februari 1997 zich deels baseerde op een niet gepaste motivering en dus dient ingetrokken te worden; dat de in dat besluit geformuleerde gronden, betreffende het ontbreken van elektriciteit en watervoorziening, vervallen; dat evenwel het basisgegeven van ‘onvoldoende weguitrusting’ behouden blijft om voormelde redenen en dus het beroep van de particulier dient verworpen”. IV Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het eerste middel 4.1.
- In het eerste middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 48, derde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van het recht van aangelanden van een openbare weg om aan te sluiten op riolering in die weg aangelegd, van het motiveringsbeginsel en van het redelijkheidsbeginsel. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “doordat de aangevraagde vergunning wordt geweigerd omdat het bouwperceel zou zijn gelegen aan een openbare weg die onvoldoende is uitgerust, gelet op enerzijds ‘de feitelijke wegstaat’ en ‘het negatieve standpunt van het college’, terwijl de voldoende uitrusting van de weg getoetst worden aan ‘de plaatselijke toestand’ en rekening houdend met het recht van de aangelanden van een openbare weg om aan te sluiten op aanwezige riolering. TOELICHTING Als aangelande heeft de verzoeker het recht om aan te sluiten op bestaande riolering. Of die aansluiting nu technisch ingewikkeld is of niet, doet niet ter zake. De verzoeker heeft met zijn bouwdossier aangetoond dat er technisch geen enkel probleem bestaat om afvalwaters van zijn woning op te pompen tot op het niveau van de voorliggende riolering in de Sint-Amandstraat. En dit als alternatief voor het lozen in de open riolering die loopt langs de grenzen van zijn perceel. Waarin ook buren lozen, en die - zoals ook door de verzoeker aangetoond is -zonder probleem een bouwvergunning hebben bekomen. Het is dan ook ten onrechte dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat ‘een eventueel aan te leggen wegverharding, met aansluiting op de bestaande weguitrusting langs de Sint-Amandstraat, niet door de aanvrager kan worden X-7499-5/10 verwezenlijkt op het openbaar domein’. Want een weggerechtigde heeft precies wél recht - weliswaar geen (civielrechtelijk) zakelijk recht - om aansluiting te nemen op de riolering aangelegd in een openbare weg. Welke aansluiting noodzakelijk steeds een gedeeltelijke inname van het openbaar domein waarin zich de riolering bevindt, tot gevolg heeft. Overigens heeft de verwerende partij moeten vaststellen dat alle andere nutsvoorzieningen (waterleiding, elektriciteit en teledistributie) aanwezig zijn. Waarom een rioolbuis dan principieel niet zou mogen worden aangelegd zonder voorafgaand akkoord van de gemeente, blijft in het ongewisse. De zienswijze om aansluiting op de riolering ‘onrealistisch’ te achten wegens verzet van de gemeente is in elk geval juridisch ongegrond. Kan het ontbreken van verharding van de weg dan op zich als verantwoording voor de weigering worden ingeroepen? Te dezen zeker niet. Want ook al heeft de overheid een zekere beoordelingsruimte wat betreft de kwalificatie ‘onvoldoende uitgeruste weg’, zij moet niettemin, krachtens de wet zelf, letten op de ‘plaatselijke toestand’. Welnu, toegang geven aan een woning langs een met steenslag verhard kort stukje openbare weg is, gelet op het algemene peil van verharding en uitrusting van de wegenis in de wijk, zeker niet ongewoon. De verzoeker voegt bij dit verzoekschrift een plan met daarop (in blauw aangeduid) de Fazantenlaan, gelegen in de nabijheid van het perceel van de verzoeker. Die Fazantenlaan is een met grind en dolomiet verharde weg van ± 500m. Langs die weg zijn recent nog bouwvergunning verleend (...). Verder dient bij de beoordeling van de noodzaak van een bepaald type verharding rekening te worden gehouden met het feit dat dit kleine stukje weg enkel het perceel van de verzoeker tot toegang dient, en aldaar slechts één woongelegenheid wordt opgetrokken. Verkeersproblemen of andere gebruiksproblemen zijn op een weg met steenslagverharding dus niet te vrezen (...). Bovendien mag bij dit alles niet uit het oog verloren worden dat artikel 48, derde lid van het Stedenbouwdecreet in wezen geen echt planologische bepaling is, maar de financiële belangen van de overheid dient. Die (gemeentelijke) overheid kan inderdaad niet onrechtstreeks - door ongecontroleerd bebouwen van allerlei percelen in woongebieden langsheen niet uitgeruste wegen - verplicht worden om nadien kosten te maken voor de uitrusting van die wegen (...). Bestaat die vrees voor ‘gedwongen financiering’ niet, dan is er geen reden tot weigering. Zo kan een verharding met kiezel van een 3 meter brede weg rechtens volstaan om een bouwvergunning te kunnen verlenen (...). De (kost van) uitrusting van een wegenis kan overigens ook worden afgewenteld op de aanvrager onder de vorm van een voorwaarde voor de bouwvergunning (...), zodat het te dezen had volstaan - zo de verharding dan al een echt bezwaar voor de vergunning vormde - bijv. te eisen dat de verzoekende partij het korte stukje met steenslag verharde weg op een andere wijze zou verharden. Kunnen door het opleggen van uitrustingsvoorwaarden de - door de overheid precies te formuleren - uitrustingsvoorwaarden van de wegenis worden gerealiseerd, dan is een weigering op grond van artikel 50, laatste lid van de Stedenbouwwet (thans art. 48, derde lid van het Coördinatiedecreet) niet rechtmatig (...) . Uit een en ander volgt dan ook dat de overheid in recht en redelijkheid niet tot de conclusie kon komen dat de bouwvergunning moest worden geweigerd wegens enerzijds het gebrek aan verharding van het kleine stukje ‘zijweg’ van de Sint-Amandstraat naar het perceel van de verzoeker en anderzijds het negatieve standpunt van de gemeente dat er van uitgaat dat de verzoeker geen recht tot aansluiting op het rioleringsnet in de Sint-Amandstraat zou hebben omdat dit de aanleg van een rioleringsbuis in het openbaar domein impliceert”. X-7499-6/10 Beoordeling van het eerste middel 4.1.2.
- Het toentertijd geldende artikel 48, derde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalde wat volgt: “De vergunning kan ook worden geweigerd voor het bouwen op een stuk grond, gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust”. Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is de Raad van State enkel bevoegd na te gaan of de bevoegde administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat het perceel grenst aan een onvoldoende uitgeruste weg. 4.1.2.
- Uit de gegevens van de zaak blijkt dat het bouwperceel wordt ontsloten door een circa 20 m lange enkel met grove steenslag verharde aftakkingsweg van de Sint-Amandstraat die niet is uitgerust met riolering. De stelling van de verzoeker dat een aangelande van een openbare weg het recht heeft om aan te sluiten op de bestaande riolering mist pertinentie aangezien het betrokken perceel paalt aan een weg die niet van riolering is voorzien. 4.1.2.
- Mede gelet op de summiere verharding van de ontsluitingsweg verhindert de omstandigheid dat een aansluiting op de bestaande riolering in de Sint-Amandstraat technisch mogelijk is niet dat de overheid vermocht te overwegen dat “deze feitelijke wegstaat én het negatieve standpunt van de overheid doe(n) besluiten dat het perceel grenst aan een onvoldoende uitgeruste weg”. Het gegeven dat verzoeker bereid zou zijn om de kost van de uitrusting van de wegenis te dragen, mogelijks door het opleggen van een voorwaarde bij de vergunning, laat uit zich niet toe te concluderen tot het onrechtmatig toepassen door de bevoegde overheid van artikel 48, derde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
- Geen bepaling of beginsel verplicht de overheid ertoe af te zien van de haar door artikel 48, derde lid geboden mogelijkheid de vergunning te weigeren in geval een aanvrager zou instaan voor de financiering. X-7499-7/10 4.1.2.
- De mogelijkheid door verzoeker geopperd in de memorie van wederantwoord om in afwachting van een verdere uitwerking van het rioleringsnet het huishoudwater te laten afvoeren via buizen in de bestaande open riool, rechts van het bouwperceel naar de achterzijde ervan en zo naar de achterliggende beek, blijkt geen betrekking te hebben op de weg waaraan het bouwperceel is gelegen. Derhalve valt niet in te zien hoe deze argumentatie de aangevoerde schending van artikel 48, derde lid kan ondersteunen. 4.1.2.
- Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het tweede middel 4.2.
- In het tweede middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 53, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
- In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “doordat de bestreden beslissing uitgaat van en wezenlijk steun vindt in de overweging dat ‘dat uit een contact met stedelijke technische dienst, als gevolg van de aanvullende informatie, blijkt dat een eventuele lozing in de afvoerbuis aan de rechterzijde van het perceel, naar de achterliggende beek niet aanvaardbaar is; dat hier op termijn een verdere uitwerking van het rioleringsnet zal doorgevoerd worden; dat het oppompen van het water naar de eindput van de riolering in de Sint-Amandstraat nog steeds zou moeten gebeuren via een op het openbaar domein aan te leggen riolering; dat gelet op het globaal negatief standpunt terzake van het college van burgemeester en schepenen het voorstel tot de aanleg van dergelijke buis op openbaar domein dan ook niet als realistisch en onuitvoerbaar dient beschouwd te worden; dat dergelijk voorstel slechts kan overwogen worden na een gunstig standpunt van de stadsoverheid;’ terwijl, het stadsbestuur niet mocht worden gehoord via contactname door de diensten van de verwerende partij, zonder dat deze partij is verschenen op de hoorzitting, bepaald met toepassing van artikel 53,§2, en zonder tegenspraak mogelijk te maken omtrent de beweringen van die betrokken partij, die overigens onjuist zijn en in elk geval geen deugdelijke motieven uitmaken om een bouwaanvraag te weigeren. TOELICHTING Door het stadsbestuur te horen buiten de procedure ingesteld door de wet, en die tegenspraak waarborgt, zijn de rechten van de verzoekende partij aangetast, wat bovendien te dezen heeft geleid tot een beslissing die niet deugdelijk is gemotiveerd. Er valt immers niet te begrijpen waarom het feit dat ‘hier op termijn een verdere uitwerking van het rioleringsnet zal doorgevoerd worden’ als dusdanig een beletsel vormt voor een desgevallend voorlopige lozing in de afvoerbuis aan de rechterzijde van het perceel van de verzoeker naar de achterliggende X-7499-8/10 beek - een open riool - en derhalve niet aanvaardbaar is. Dit is des te minder begrijpelijk omdat dit voor het verlenen van andere bouwvergunningen geen bezwaar is gebleken. Evenzeer onterecht is in dit niet door de wet georganiseerd ‘contact’ met het stadsbestuur aangevoerd dat het doorkruisen van het openbaar domein met een rioleringsbuis tot aan de bestaande riolering de voorliggende weg onvoldoende uitgerust maakt, wat een rechtens ondeugdelijk motief is, waaromtrent de verzoeker ook geen tegenspraak heeft kunnen voeren. Dat deze gegevens, aangebracht door het stadsbestuur buiten een hoorzitting op tegenspraak, de bestreden beslissing wezenlijk hebben beïnvloed blijkt overduidelijk uit een vergelijking tussen de motivering van het eerste (ingetrokken) besluit van 27 februari 1997 en het bestreden besluit van 14 maart
- Derhalve moet ook om deze procedurale reden de bestreden beslissing worden vernietigd”. Beoordeling van het tweede middel 4.2.2.
- Artikel 53, § 2, derde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 bepaalde destijds wat volgt: “De aanvrager of zijn raadsman, alsook het college of zijn gemachtigde worden op hun verzoek door de Vlaamse regering of diens gemachtigde gehoord. Wanneer een partij vraagt te worden gehoord, worden ook de andere partijen opgeroepen”. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat in overeenstemming met deze bepaling “alle partijen werden opgeroepen” voor de hoorzitting. Het gegeven dat het college niet is ingegaan op de uitnodiging om te worden gehoord, neemt niet weg dat aan de vereiste van artikel 53, § 2, derde lid is voldaan. 4.2.2.
- Het bestreden besluit weigert de vergunning om reden van een onvoldoende weguitrusting, meer bepaald omwille van de feitelijke wegstaat en het negatief standpunt van de stadsoverheid in verband met de aanleg van riolering in de ontsluitingsweg. Deze elementen waren de verzoeker gekend op het ogenblik van de hoorzitting. Het standpunt van de stadsoverheid omtrent een eventuele lozing in de afvoerbuis langs de rechterzijde van het perceel naar de achterliggende beek staat los van de vraag naar het voldoende uitgerust zijn van de betrokken ontsluitingsweg en blijkt geen doorslaggevend element voor de besluitvorming te zijn geweest. Het geciteerde artikel 53, § 2, derde lid staat er voorts niet aan in de weg dat de beslissende overheid in het kader van haar hervormingsbevoegdheid de nodige inlichtingen inwint, temeer nu deze informatiegaring bron vindt in door de verzoeker eveneens na de hoorzitting bijgebrachte aanvullende informatie. X-7499-9/10 In de gegeven omstandigheden valt niet in te zien op welke wijze het hoorrecht van de verzoeker zou zijn geschonden. 4.2.2.
- Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel In zijn laatste memorie doet de verzoeker afstand van het in het verzoekschrift aangevoerde derde middel. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 173,53 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie december 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-7499-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.495 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.153 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div