id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.500 Rolnummer: Zaak: Arrest 198500 - Monumenten en Landschappen - 03/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-16 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 10:24 Fiche Arrest nr 198.500 van 3 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 198.500 van 3 december 2009 in de zaken A. 153.052/X-11.945 (I.) en A. 165.112/X-12.447 (II.). In zake: I. + II. Charles Ignace de WAUTIER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel Scholasse kantoor houdend te 1050 BRUSSEL Louizalaan 480 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: I. + II. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 BRUGGE Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep (zaak I.), ingesteld op 23 juni 2004, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 1 maart 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken houdende vaststelling van het ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare archeologische monumenten en zones van de Chartreuse te Brugge/Sint-Michiels, “voor wat betreft de percelen bekend ten kadaster Brugge, 24ste Afdeling, sectie A, nummers 766B, 767A, 780A en 781A, eigendom van verzoeker”. Het beroep (zaak II.), ingesteld op 12 augustus 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 20 april 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende inschrijving op de lijst van de beschermde archeologische monumenten en zones van de site van Chartreuse gelegen te Brugge (Sint-Michiels), Heidelbergstraat, Rijselstraat, Stuivenbergstraat X-11.945-12.447-1/14 en Chartreuseweg, “voor wat betreft de percelen bekend ten kadaster Brugge 24ste Afdeling, sectie A, nummers 767A, 766B, 780A en 781A”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft in beide zaken een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft in beide zaken een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld in beide zaken. De verzoekende partij heeft in beide zaken een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft in beide zaken een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 september 2009. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht in beide zaken. Advocaat Dominique Goetry, die loco advocaat Michel Scholasse verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Pieter-Jan Staelens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord in beide zaken. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft in beide zaken een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-11.945-12.447-2/14 III. Feiten 3.1. De verzoeker is mede-eigenaar van een aantal gronden te Brugge - Sint-Michiels, aan de Chartreuseweg, gekend op het kadaster als de perceelnummers 767/a, 766/b, 780/a en 781/a. 3.2. Volgens het gewestplan Brugge-Oostkust zijn de percelen 767/a en 766/b deels gelegen in woongebied en deels in natuurgebied en de percelen 780/a en 781/a deels in woongebied en deels in agrarisch gebied. Het bij ministerieel besluit van 26 januari 1996 goedgekeurde BPA Chartreuseweg-oost situeert de volledige eigendom van de verzoeker in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Artikel 14 van dit BPA stelt wat volgt : “In dit landschappelijk waardevol agrarisch gebied zijn nieuwe landbouw- of andere bedrijfsvestigingen niet toegelaten. Geen ander grondgebruik is toegelaten dan : - teelt van landbouwgewassen in open lucht. - weiland of hooiland. - rurale beplantingen, t.t.z. bomenrijen, houtkanten en perceelsrandbeplantingen waarbij slechts streekeigen soorten mogen aangewend worden. - bos- of parkbeheer met streekeigen boom- en struiksoorten Het oprichten van om het even welk bouwwerk, inrichting of installatie is verboden. (...)”. Het bij besluit van 31 maart 2006 definitief vastgestelde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Chartreuse” werd vernietigd bij arrest nr. 193.948 van 9 juni 2009. 3.3. In een motiveringsnota stelt het bestuur Monumenten en Landschappen voor om de archeologische zones van de site van de Chartreuse te Brugge (Sint-Michiels) aan de Heidelberg-, Rijsel-, Stuivenbergstraat en de Chartreuseweg te beschermen als archeologische site omwille van de historische en wetenschappelijke waarde: “De Chartreuse wordt als archeologische zone beschermd omwille van het algemene belang en de hoge wetenschappelijke en cultuurhistorische waarde. Deze zijn aan het licht gekomen bij luchtfotografische verkenningen. Gelet op de aard van de sporen zichtbaar op de luchtfoto’s gaat het zowel om vindplaatsen die te interpreteren zijn als sporen van verdwenen nederzettingsstructuren als met sites die zich duidelijk in de funeraire en de rituele sfeer bevinden. Een aantal sporen uit de funeraire en rituele sfeer zijn in X-11.945-12.447-3/14 verband te brengen met grafmonumenten uit de Metaaltijden en/of de Romeinse tijd. De sporen zichtbaar op de luchtfoto’s vertegenwoordigen slechts een fractie van het aanwezige bodemarchief. Dit maakt het volledige gebied een zone met een hoge cultuurhistorische en wetenschappelijke waarde. Een behoud van de archeologische erfgoedwaarden in situ is dan ook verantwoord. Een geïntegreerde landschapsarcheologie heeft daarenboven oog voor de onderlinge samenhang tussen de verschillende elementen van het cultuurlandschap; de bescherming omhelst dan ook de tussenliggende gronden”. 3.4. Met overname van deze laatste motieven stelt de minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken met het in zaak I. bestreden besluit van 1 maart 2004 het ontwerp van lijst van de voormelde voor bescherming vatbare archeologische zones van de Chartreuse te Brugge/Sint-Michiels vast. Een afschrift van het voorlopig beschermingsbesluit wordt bij aangetekende brief van 23 april 2004 verstuurd naar de betrokken eigenaars en besturen. Het voorlopig beschermingsbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 juni 2004. Dit is het in zaak I bestreden besluit. 3.5. De verzoeker dient een bezwaarschrift in tijdens het openbaar onderzoek. Daarin stelt hij vooreerst de vraag of “een definitief klasseringsbesluit de bestemming van woonzone niet uitholt, daar het voor hem onmogelijk zal worden een stedenbouwkundige vergunning te verkrijgen” en stelt hij voor “om het enige perceel dat gelegen is in woongebied -dat trouwens slechts 2 ha, 88 a, 89 ca uitmaakt van de totale oppervlakte, met name ongeveer 30 ha- niet in de definitieve lijst van beschermde archeologische zones op te nemen, zodat haar bestemming niet onmogelijk wordt gemaakt”. Voorts voert hij aan dat de bescherming “enkel gefundeerd (
- is)op numerieke luchtfoto’s en schriftelijke studies, zonder dat er ter plaatse opzoekingen werden gedaan” zodat er “onzekerheid (bestaat) over wat er zich werkelijk in de ondergrond bevindt” en “(h)et hoge cultuurhistorische en wetenschappelijke karakter (...) allerminst vast(staat)”. Tot slot werpt hij op dat “(m)en (...) zich derhalve de vraag (kan) stellen of de Vlaamse overheid bij wege van dit klasseringsbesluit niet terugkomt op haar eerdere beslissing tot bepaling van de bestemmingen van het gewestplan”. 3.6. De bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen brengt op 3 juni 2004 een gunstig advies uit. X-11.945-12.447-4/14 De groendienst van de stad Brugge brengt op 3 mei 2004 een gunstig advies uit, waarin gewezen wordt op “een aantal onvolledigheden in de opgave van de juridische toestand van het afgebakende gebied” en waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “Overwegende dat de voorgestelde bescherming o.i. geen fundamenteel knelpunt meebrengt t.o.v. de actuele ruimtelijke visie voor deze omgeving zoals ondermeer opgenomen in het nieuw voorstel van gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. De betrokken zone wordt daarin effectief als open ruimte gevrijwaard, terwijl de zone voor ontwikkeling van een hoofdkwartierenzone daar volledig buiten (ten westen ervan) voorzien wordt”. De stad Brugge verleent op 25 mei 2004 een gunstig advies mits een aantal opmerkingen met betrekking tot de herinrichting van het knooppunt Expressweg N31 - Chartreuseweg en de gewestplanbestemmingen in en de begrenzing van deze archeologische zone. De afdeling Land verleent op 29 april 2004 een gunstig advies. 3.7. De ingediende bezwaarschriften en adviezen worden uiteengezet en besproken in het verslag van het bestuur Monumenten en Landschappen van 28 oktober 2004. Daarin wordt onder meer het bezwaarschrift van de verzoeker als volgt weerlegd: “2.1. De bestemming van het betreffende perceel werd op 1 december 2000 via het Bijzonder Plan van Aanleg Chartreuseweg-Oost, gewijzigd van woongebied (zoals aangeduid op het gewestplan) naar landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De eigenaar diende hierop een klacht bij de Raad van State (
- in)en werd bij vonnis van 29 juni 2001 in het gelijk werd gesteld, waarop een integrale vergoeding werd uitgekeerd. Het BPA bleef echter van kracht en de bestemming van de percelen bleef (tot vandaag) gehandhaafd als agrarisch gebied. De beschermingsvoorschriften zoals geformuleerd in art. 4 van het uitvoeringsbesluit van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende de bescherming van het archeologisch patrimonium, gewijzigd bij besluit op 12 december 2003, conflicteren geenszins met de voorziene bestemming (agrarisch gebied). Bovendien kan een bescherming als archeologisch monument een bestemming van een perceel niet verhinderen. Indien ondanks en alsnog een conflict zou optreden, kan vanuit de administratie en in toepassing van art. 3 van het voornoemde uitvoeringsbesluit een afwijking op de beschermingsvoorschriften worden toegestaan, mits de nodige garanties worden geleverd dat het archeologisch bodemarchief niet ongedocumenteerd verloren gaat. De betrokken eigenaar verzoekt om het betreffende perceel te schorsen uit de bescherming. Op het perceel bevindt zich evenwel een bijzonder grote dichtheid aan archeologische sporen, waargenomen via luchtfotografie. Daarnaast werden op het perceel verschillende concentraties van archeologische artefacten aangetroffen. Het betreffende perceel is dan ook gelegen in één van de best X-11.945-12.447-5/14 gedocumenteerde archeologische zones, waardoor een schrapping uit het dossier op inhoudelijk- archeologische gronden niet wenselijk is. 2.2. ‘Zonder dat ter plaatste onderzoekingen werden gedaan’ dient in deze zin te worden gelezen als ‘zonder dat er archeologische opgravingen werden uitgevoerd’. Op het terrein werden tal van archeologische artefacten verzameld tijdens veldkartering vanaf het einde van de 19e eeuw. Ook in 1982 werd nog een intensieve oppervlaktekartering uitgevoerd op de betreffende gronden, met heel wat archeologisch materiaal als gevolg. Deze onderzoekingen kunnen wel degelijk als terreinonderzoek worden beschouwd. In combinatie met de (‘numerieke’) luchtfoto’s van het betreffende gebied, levert dit een gedegen inhoudelijk dossier op, ook al werd geen enkele bodemingreep uitgevoerd in functie van het archeologisch onderzoek. Uit deze aanzienlijke archeologische dataset kan men concluderen dat in de Chartreuse een grote dichtheid aan bodemsporen werd waargenomen die ontegensprekelijk te interpreteren zijn als archeologische sporen. Door de grote dichtheid en de uitgestrektheid van de sporen is de Chartreuse een archeologische zone met een bijzonder groot wetenschappelijk belang. De voorwaardelijke toon die wordt gehanteerd in het beschermingsdossier heeft in de eerste plaats betrekking op het detailniveau van de individuele sporen, aangezien de site niet werd opgegraven. Er blijft dus enige onduidelijkheid bestaan omtrent de precieze aard en datering van de individuele sporen, maar uit de foto's blijkt een evidentie wat betreft ensemblewaarde en context van de site als geheel. Echter, net doordat de site niet werd opgegraven is ze intact aanwezig in de bodem en blijft heel wat informatie -weliswaar niet ten volle gekend- voor de toekomst behouden. Opgraven is een methode om archeologische informatie te verzamelen, maar lang niet de enige methode. Het tweede luik van dit bezwaar heeft betrekking op het feit dat de archeologische data pas nu worden beschermd, terwijl ze niet in rekening werden gebracht bij bvb. de opmaak van de gewestplannen en de aanleg van de expressweg. Het is in dit licht belangrijk om erop te wijzen dat de systematische luchtfotografische verkenningen door de Universiteit Gent pas vanaf de jaren 1980 werden opgestart. In het verleden waren in het gebied een aantal vindplaatsen gevonden bij oppervlaktekartering (het in kaart brengen van archeologische artefacten), maar de grote waarde van de site (het ensemble van sporen) werd pas duidelijk bij de eerste luchtfoto’s, die onder meer het bestaan van de zgn. paperclip onthulden. Voordien (dus ten tijde van de opmaak van de gewestplannen en de aanleg van de expressweg) waren deze gegevens niet voorhanden en konden deze dus niet worden meegenomen in de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied”. 3.8. Op 12 januari 2005 brengt de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van de Vlaamse Gemeenschap (KCML) haar eenparig advies uit waarin de voormelde motieven van het voorlopig beschermingsbesluit worden overgenomen. X-11.945-12.447-6/14 3.9. Op 20 april 2005 beslist de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening om de voormelde “(a)rcheologische zones van de site van de Chartreuse” als archeologische zone te beschermen omwille van het voormelde cultuurhistorisch en wetenschappelijk belang. Dit is het in zaak II bestreden besluit dat aan de verzoeker wordt betekend met een aangetekende brief van 15 juni 2005 en in het Belgisch Staatsblad van 30 juni 2005 bij uittreksel wordt bekendgemaakt. IV. Samenhang 4. De zaak I en de zaak II worden wegens samenhang gevoegd. V. Ontvankelijkheid van het beroep in zaak I 5. Door het in de zaak II. bestreden definitieve beschermingsbesluit heeft het in de zaak I. bestreden besluit geen rechtsgevolgen meer. Zelfs indien het definitieve beschermingsbesluit zou worden vernietigd, hetgeen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is, kan het voorlopig beschermingsbesluit overeenkomstig artikel 15 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium (hierna: het archeologiedecreet) geen uitwerking meer hebben. De verzoeker heeft bijgevolg geen actueel belang meer bij de nietigverklaring van het bestreden besluit. Het beroep tot nietigverklaring is onontvankelijk. VI. Onderzoek van de middelen in zaak II A. Eerste en tweede middel Uiteenzetting van de middelen 6. De verzoeker voert in het eerste middel de schending aan van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol, eerste zin samengelezen met de derde zin, bij het EVRM. De verzoeker betoogt dat hij door het bestreden besluit “ertoe gehouden is het beweerde archeologisch patrimonium dat zich bevindt in de onderlagen van zijn percelen in goede staat te behouden en deze te behoeden voor ontsiering, beschadiging en vernieling”, “(d)e opname van de (...) percelen (...) X-11.945-12.447-7/14 780A gelegen in landschappelijk waardevol landbouwgebied en (...) 781A gelegen in woongebied op de lijst van de beschermde archeologische monumenten (...) een ernstige aantasting van de essentiële bestanddelen van het eigendomsrecht van verzoeker (is)” omdat “het perceel 781A (...) in feite en technisch gezien niet meer bebouwbaar (zal) zijn vermits het optrekken van een woning ondergrondse bouwwerken/funderingen vooronderstel(
- t)waarvoor men dient te graven, hetgeen strijdig is met (...) artikel 4, §§ 1 - 2 van het Archeologiedecreet” en “(d)ezelfde redenering geldt (...) voor het perceel 780A (...) waar gebouwen met een landbouwfunctie kunnen worden opgericht”, “(h)oewel (...) vergunningen binnen de grenzen van de beschermingsbesluiten kunnen afgeleverd worden, (...) de vergunningverlenende overheid de vergunningsaanvraag in de praktijk (zal) weigeren of zelfs moeten weigeren” omdat “een vergunning enkel (kan) worden toegekend ingeval van een onvoorwaardelijk gunstig advies van het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium” hetgeen enkel kan “worden verleend voor werken die ofwel verenigbaar zijn met het archeologisch patrimonium, ofwel door hun aard en omvang de waarde van het archeologisch patrimonium welke aan de rangschikking ten grondslag liggen, niet aantasten”, de planologisch toegelaten werken op de voormelde percelen geen zo’n werken zijn zodat een “feitelijk bouwverbod” geldt, door “(d)e beschermingsmaatregel (...) de percelen (...) praktisch onverkoopbaar worden”, en “het aangevochten besluit helemaal niet voorziet in een billijke schadeloosstelling zodat het billijk evenwicht tussen het eigendomsrecht van verzoeker en het algemeen belang is verbroken”. 7. In een tweede middel stelt de verzoeker dat het bestreden besluit strijdig is met artikel 2, § 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996. De verzoeker argumenteert dat de voormelde gewestplanbestemmingen die gelden voor zijn voormelde percelen verordenende kracht hebben en dat door het bestreden besluit krachtens artikel 4, § 2 van het archeologiedecreet die bestemmingen “verhinderd en/of onmogelijk word(
- en)gemaakt”. Beoordeling 8. Uit de bescherming als archeologische zone vloeien beperkingen voort die rechtens geen onteigening en evenmin een eigendomsberoving zijn, doch wel als een beperking van het “recht op het ongestoord genot van (hun) eigendom” zoals het wordt omschreven in artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol, moeten X-11.945-12.447-8/14 worden aangemerkt. Evenwel is een beperking van “het ongestoord genot” van het eigendom niet ipso facto een schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. Het tweede lid van artikel 1 bepaalt immers dat het recht op ongestoord genot “op geen enkele wijze” het recht aantast dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met “het algemeen belang”. Het archeologiedecreet maakt de bescherming van een archeologische zone mogelijk omwille van het wetenschappelijk en cultuurhistorisch belang ervan. In artikel 4 van het archeologiedecreet wordt ten andere aangenomen dat de bescherming van het archeologisch patrimonium “van algemeen nut” is. Een beschermingsbesluit zoals te dezen om reden van wetenschappelijke en cultuurhistorische waarden kan dan ook worden ingepast in artikel 1, tweede lid, van het Eerste Aanvullend Protocol. 9. De verzoeker betrekt geen van beide middelen op de percelen 767/a en 767/b. Anders dan de verzoeker meent is het voormelde BPA Chartreuseweg-oost hem wel tegenstelbaar aangezien hij niet aantoont dat het vonnis van 29 juni 2001 van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel dat overigens werd gewezen tussen zijn moeder en de stad Brugge, het Vlaamse Gewest en de Belgische Staat en zonder dat de verzoeker heeft aangetoond dat hij het hangende geding in hoger beroep heeft hervat namens zijn moeder, inmiddels kracht van gewijsde heeft verworven. In zoverre beide middelen uitgaan van de gewestplanbestemming woongebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied voor de respectieve percelen 780/a en 781/a mist het, gelet op de gelding van dit BPA en het voormelde voorschrift ervan, zodoende juridische en feitelijke grondslag. Beide middelen zijn ongegrond. B. Derde middel Uiteenzetting van het middel 10. Het derde middel is afgeleid uit de schending van het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. De verzoeker betoogt dat “de beslissing enkel (werd) genomen op basis van enkele luchtfoto’s, zonder enig verder grondonderzoek” zodat er “(g)een redelijke en goede voorbereiding” aan het bestreden besluit is voorafgegaan, en het advies van professor OTTE van X-11.945-12.447-9/14 25 november 2004 aantoont dat “verdere grondonderzoeken en peilingen noodzakelijk” waren. Beoordeling 11. Als annulatierechter is de Raad van State belast met een wettigheidstoezicht. Het komt de Raad van State niet toe het feitenonderzoek in de behandelde zaak over te doen en in de plaats van het bestuur te appreciëren of een goed wel als archeologische zone beschermingswaard is. De Raad van State vermag wel na te gaan of de administratieve overheid rechtmatig tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen. Hij kan dus nagaan of de feiten die de overheid als uitgangspunt heeft genomen, vaststaan in het licht van de bewijselementen die beschikbaar waren. 12. Te dezen vinden de motieven voor de wetenschappelijke en cultuurhistorische waarde van de beschermde archeologische zones steun in de motiveringsnota en bijgaand luchtfotomateriaal van het bestuur Monumenten en Landschappen, die zelf gebaseerd is op een aantal historische en archeologische publicaties, en in de hiervoor aangehaalde gemotiveerde weerlegging door hetzelfde bestuur van het bezwaar in verband met de bescherming zonder “onderzoek ter plaatse” die de verzoeker heeft ingediend in het kader van de beschermingsprocedure. Bovendien blijkt ook uit de door de verzoeker voorgelegde studie dat op de site duidelijk archeologische sporen zichtbaar zijn. De stelling in deze studie dat deze sporen niet noodzakelijk tot de bestreden bescherming moeten leiden, toont op zich niet aan dat op een kennelijk onredelijke wijze tot de bestreden bescherming werd besloten. Het middel is ongegrond. C. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 13. De verzoeker voert in een vierde middel de schending aan van artikel 21 van het archeologiedecreet. Hij stelt dat het bestreden besluit enkel verwijst naar algemene beschermingsvoorschriften terwijl “artikel 21 (...) de verplichting oplegt (...) om de algemene en bijzondere beschermingsvoorschriften op te nemen in het klasseringsbesluit zelf”. X-11.945-12.447-10/14 Beoordeling 14. Artikel 21 van het archeologiedecreet bepaalt wat volgt: “De regering maakt de lijsten op van beschermde archeologische monumenten en zones. De lijsten omvatten : (...) - de algemene en bijzondere beschermingsvoorschriften”. Artikel 2, § 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het archeologiedecreet (hierna: het archeologiebesluit) stelt dat de bijzondere beschermingsvoorschriften bepaald in de voorlopige of definitieve beschermingsbesluiten voorrang hebben op de algemene beschermingsvoorschriften in zoverre zij daarvan gedeeltelijk afwijken. Het bestreden besluit bepaalt in artikel 3 wat volgt: “Met het oog op de bescherming zijn van toepassing : De beschermingsvoorschriften en erfdienstbaarheden vermeld in :
- a)het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999 en 28 februari 2003,
- b)het besluit van de Vlaamse regering van 20 april 1994 tot uitvoering van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2003”. Uit het voorgaande volgt dat de voorschriften vervat in het voormelde archeologiedecreet en -besluit principieel van rechtswege van toepassing zijn op een voorlopig of definitief beschermde archeologische zone. En voorts bepaalt artikel 2, § 2 van het archeologiebesluit enkel dat de algemene beschermingsvoorschriften slechts niet van toepassing zijn wanneer er bijzondere voorschriften zijn opgenomen in het beschermingsbesluit en er gedeeltelijk van afwijken. Dit is te dezen niet het geval. Het bestreden besluit kon derhalve volstaan met de verwijzing zoals voorzien in artikel 3 van het bestreden besluit. Het feit dat in het bestreden besluit geen bijzondere voorschriften opgelegd worden, houdt evenmin een schending in van artikel 21 van het archeologiedecreet aangezien zulks in hoofde van de overheid facultatief is. Het middel is niet gegrond. X-11.945-12.447-11/14 D. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 15. Het vijfde middel wordt afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoeker betoogt dat uit het bestreden besluit blijkt dat enkel zijn eigendom langs de Rijselstraat werd opgenomen in het bestreden besluit “zonder dat het onderzocht werd of andere bouwgronden gelegen aan de overkant van de Rijselstraat aan dezelfde bescherming dienden te worden onderworpen” en dat dit “verschil in behandeling (...) niet objectief (
- is)en redelijk verantwoord, daar het enkel op luchtfoto’s rust en (...) de motivering van het besluit nochtans uitdrukkelijk erkent dat ‘door de aanwezigheid van de grote dichtheid aan gekende archeologische sporen en door de veronderstelde aanwezigheid van talrijke onzichtbare sporen, heeft het gebied een hoge wetenschappelijke en cultuurhistorische waarde’”. Beoordeling 16. Het gelijkheidsbeginsel kan slechts geschonden zijn indien in rechte en in feite gelijke gevallen ongelijk werden behandeld zonder dat er voor deze ongelijke behandeling een objectieve verantwoording bestaat. Het behoort aan de verzoeker die aanvoert dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, dit in het verzoekschrift met concrete en precieze gegevens aan te tonen. 17. Uit de gegevens van het dossier komt naar voor dat voor de begrenzing van de in het bestreden besluit bedoelde archeologische zone met inbegrip van een in artikel 3, 3/ van het archeologiedecreet bedoelde bufferzone, gekozen werd voor artificiële grenzen, meer bepaald de wegenis waaronder de Rijselstraat. Rekening houdend met de bespreking van het derde middel hiervoor, faalt de verzoeker in de bewijslast die op hem rust ter zake. Het is niet aangetoond dat het om gelijke gevallen gaat en evenmin dat in voorkomend geval, de verantwoording voor de afbakening niet objectief zou zijn. Het middel is niet gegrond. X-11.945-12.447-12/14 E. Zesde middel Uiteenzetting van het middel 18. Als zesde middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verzoeker laat gelden dat het bestreden besluit “voor wat betreft de eigendom van verzoeker tal van vage argumenten en feitelijke vergissingen inhoudt”, “de aanwezigheid van archeologische relicten in deze zone al lang een bekend feit was”, meer bepaald “sinds het einde van de 19de eeuw” wat nochtans “niet in rekening werd(...) genomen bij het aanleggen van de verschillende openbare wegen” en de goedkeuring van “het gewestplan Brugge-Oostkust (...) dat een deel van dit gebied (namelijk het perceel 781A) bestemt als woongebied”, en dat “(h)et bestreden besluit (...) geen enkele verantwoording (geeft) waarom de verwezenlijking van de bestemming van het gewestplan op het perceel 781A thans beperkt wordt, door de voorwaarden van artikel 6 van het Archeologiebesluit toepasselijk erop te maken”. Beoordeling 19. De verzoeker beperkt zich in dit middel dat enkel betrekking heeft op het perceel 781/a, tot een louter hernemen van zijn tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaarschrift, meer bepaald het laatste onderdeel daarvan dat door het bestuur werd weerlegd. Hij toont niet aan dat deze weerlegging of de in het bestreden besluit aangenomen wetenschappelijke en cultuurhistorische waarde van de beschermde archeologische zone onjuist zouden zijn. Bovendien geeft de verzoeker zoals blijkt uit de bespreking van het eerste en tweede middel, een verkeerde feitelijke grondslag aan het zesde middel door uit te gaan van de gewestplanbestemming en niet van het voormelde voorschrift volgens het BPA Chartreuseweg voor het in dit middel bedoelde perceel 781/a. Het middel is ongegrond. BESLISSING 1. De zaken A. 153.052/X-11.945 en A. 165.112/X-12.447 worden gevoegd. X-11.945-12.447-13/14 2. De Raad van State verwerpt de beroepen. 3. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de beroepen tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie december 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-11.945-12.447-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.500 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div