← België

Arrest 198563 - Penitentiair recht - 03/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.563 Rolnummer: A. 194766/IX-6619 Zaak: Arrest 198563 - Penitentiair recht - 03/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-04 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 03:58 Fiche Arrest nr 198.563 van 3 december 2009 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 198.563 van 3 december 2009 in de zaak A. 194.766/IX-6619 In zake : Khalid CHERRADI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mathieu Langerock kantoor houdende te Sint-Kruis (Brugge) Dampoortstraat 5 waar woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 30 november 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging, bij uiterst dringende noodzakelijkheid, van het besluit van 27 november 2009 van de attaché-gevangenisdirecteur van de gevangenis te Brugge waarbij Khalid CHERRADI de tuchtstraf “afzetting van zijn werk, mag onmiddellijk terug werk aanvragen” wordt opgelegd, aanvangend op 28 november
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 december
  4. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Verzoeker en zijn advocaat Mathieu Langerock en attaché Eva De Cock, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. IX-6619-1/4 Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De verzoeker is gedetineerd in de gevangenis te Brugge wegens veroordelingen voor diefstal met geweld. 3.
  7. Op 24 november 2009 wordt een tuchtrapport tegen hem opgesteld, waarin de penitentiair beambte melding maakt van laakbare uitlatingen die de verzoeker tegen hem geuit zou hebben en animositeit waarvan hij daags voordien tegenover hem blijk had gegeven. De beambte stelt voorts ook dat de verzoeker bij de medegedetineerden in de keuken “niet in goede aarde valt” wegens zijn dominante opstelling en dat hij “niet past op een serene en rustige sectie”. 3.
  8. De verzoeker wordt met zijn raadsman gehoord op 25 november 2009 en op 27 november 2009 treft de attaché-directeur van de gevangenis het bestreden besluit, waarbij de verzoeker “afgezet (wordt) van zijn werk, mag onmiddellijk terug werk aanvragen”. Er wordt ter motivatie vastgesteld dat de verzoeker de feiten toegeeft maar ze minimaliseert, dat zijn gedrag de goede orde op de keukensectie verstoort en dat het niet verenigbaar is met het werken in de keuken. IV. Onderzoek van de vordering
  9. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerleg- ging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is. IX-6619-2/4 Ernst van het aangevoerd middel Standpunt van de verzoeker
  10. In een enig middel voert de verzoeker de schending aan van het redelijkheidsbeginsel. De verzoeker vindt de tuchtstraf kennelijk onredelijk, aangezien de discussie die zich voorgedaan heeft niets te maken had met het werk van de verzoeker in de keuken, maar zich voordeed tijdens de beweging voor de wandeling. Zijn afzetting van het werk in de keuken heeft geen verband met zijn misdraging, die “pragmatisch kon opgelost worden”. In dat opzicht is het kennelijk onredelijk zijn werk in de keuken af te nemen en het feit dat hij onmiddellijk opnieuw hetzelfde werk mag aanvragen, helpt hem niet verder omdat er een wachtlijst van enkele maanden bestaat. Beoordeling
  11. De verzoeker betwist niet dat hij zich ongepast opgesteld heeft tegen een penitentiair beambte. Hij heeft tijdens het verhoor wel verklaard dat deze beambte “meerdere malen” of “steeds” problemen maakt en beweert ook dat de betrokkene niet nalaat hem in een slecht daglicht te stellen, maar hij heeft daarvoor ten aanzien van de gevangenisdirecteur zelfs geen begin van bewijs aangebracht. Dat mocht nochtans verwacht worden, aangezien een gevangene niet op voet van gelijkheid met zijn bewakers omgaat, het gezag van de bewakers zelfs veel stringenter -want gericht op het handhaven van de orde- is dan zulks binnen een hiërarchische structuur van een gewoon bestuur het geval is en de gevangene over de mogelijkheid beschikt om uitwassen van die gezagsuitoefening langs de geëigende weg aan te kaarten bij de bevoegde organen. Binnen dergelijke juridische context beschikt de overheid over een zeer ruime discretionaire bevoegdheid bij het beoordelen van tuchtrechtelijke inbreuken en bij de keuze van de gepaste maatregel.
  12. De verzoeker betwist niet dat het ontslag uit de keukenploeg als tuchtmaatregel kan opgelegd worden. Met de verwijzing naar de omstandigheid dat de gepleegde feiten geen verband vertonen met het werk van de verzoeker in de keuken, noch met het argument dat zich bij de tewerkstelling in de keuken geen problemen voorgedaan hebben, bewijst de verzoeker de kennelijke onredelijkheid van de straf niet. Het bestuur heeft geoordeeld dat de verwijdering uit de keuken de IX-6619-3/4 beste manier was om verzoeker te straffen voor zijn misdraging en daarmee de goede gang van zaken in de gevangenis te verzekeren.
  13. Het enig aangevoerd middel is niet ernstig. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
  14. De Raad van State verwerpt de vordering.
  15. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 3 december 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6619-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.563 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.