id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.569 Rolnummer: A. 192944/XII-5852 Zaak: Arrest 198569 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 04/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-17 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:59 Fiche Arrest nr 198.569 van 4 december 2009 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 198.569 van 4 december 2009 in de zaak A. 192.944/XII-
- In zake: Eduard SERVAES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de SCHOLENGROEP 16 MIDDEN-LIMBURG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Guido Van Den Eynde kantoor houdend te Geel Diestseweg 155 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 9 juni 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de raad van bestuur van scholengroep 16 Midden-Limburg van het Gemeenschapsonderwijs, waarbij aan Eduard Servaes geen nieuwe affectatie als onderwijzer wordt verleend en hij met ingang van 1 mei 2008 ambtshalve gepensioneerd wordt. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 november
- XII-5852-1\12 Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Verzoeker en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Sofie Cauwenberghs, die loco advocaat Noël Devos verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker fungeert sinds 2001 als directeur van de basisschool De Mozaïek die deel uitmaakt van de scholengroep 16 Midden-Limburg van het Gemeenschapsonderwijs; hij was er voorheen van 1980 tot 1998 onderwijzer en staat al in het onderwijs sinds
- Op 1 april 2007 wordt hij na toelating tot de proeftijd met ingang van 1 april 2006 vast benoemd directeur. Hij is als directeur niet “klasvrij” maar behoudt een opdracht als onderwijzer. Een dalend leerlingenaantal noopt verwerende partij er toe de pedagogische begeleidingsdienst van het Gemeenschapsonderwijs in te schakelen, die op 31 januari 2007 een analyseverslag opstelt. De opmerkingen die in dit verslag worden gemaakt over het directiebeleid geven er aanleiding toe dat de algemeen directeur op 16 augustus 2007 bij hoogdringendheid beslist om verzoeker preventief te schorsen. Verzoeker wordt uitgenodigd voor een hoorzitting op 11 september 2007 voor de raad van bestuur, die op dezelfde datum beslist om de opgelegde preventieve schorsing te bekrachtigen en om de onderzoekscommissie te vragen zo snel mogelijk het functioneren van verzoeker alsook de gehele schoolwerking te onderzoeken. De onderzoekscommissie dient op 26 november 2007 haar verslag in. XII-5852-2\12 3.
- Op 8 januari 2008 wordt verzoeker uitgenodigd voor een hoorzitting “in het kader van tuchtprocedure en verwijdering uit het ambt”, op 24 januari
- In deze brief wordt verduidelijkt dat de raad van bestuur beslist heeft om twee procedures op te starten: - de verwijdering uit het ambt met toepassing van artikel 53, eerste lid, b, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs (hierna : het rechtspositiedecreet), en - de terugzetting in rang met toepassing van artikel 67, § 2, van het rechtspositiedecreet. De raad van bestuur beslist op 24 januari 2008 met toepassing van artikel 53, eerste lid, b, van het rechtspositiedecreet bij verstek aan de kamer van beroep voor te stellen verzoeker uit het ambt van directeur van de BS Houthalen te verwijderen. Op 28 april 2008 beslist de raad van bestuur dat de verwijdering definitief is geworden, dat hij geen akkoord verleent aan een nieuwe affectatie in de scholengroep, dat alle beschikbare uren in de basisschool opgenomen zijn, dat verzoeker ter beschikking gesteld wordt wegens ontstentenis van betrekking en dat gelet op artikel 83 van het rechtspositiedecreet hier de onmiddellijke en ambtshalve oppensioenstelling van verzoeker uit volgt met ingang van 1 mei
- 3.
- Bij arrest nr. 189.314 van 6 januari 2009 verwerpt de Raad van State het beroep dat verzoeker had ingesteld tot nietigverklaring van de beslissing van 24 januari 2008, bevestigd op 28 april 2008, van de raad van bestuur van de scholengroep 16 Midden-Limburg van het Gemeenschapsonderwijs, waarbij verzoeker wordt verwijderd uit zijn ambt van directeur van de basisschool De Mozaïek te Houthalen. Met hetzelfde arrest beveelt de Raad van State, wegens het ernstig bevinden van de schending van de hoorplicht, de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 28 april 2008, van de raad van bestuur van de scholengroep 16 Midden-Limburg van het Gemeenschapsonderwijs, waarbij geen akkoord wordt verleend aan een nieuwe affectatie van verzoeker in de scholengroep, verzoeker ter beschikking wordt gesteld wegens ontstentenis van betrekking en hij ambtshalve op pensioen wordt gesteld met ingang van 1 mei
- XII-5852-3\12 3.
- Op 3 maart 2009 trekt verwerende partij de geschorste beslissing in en op 5 maart 2009 nodigt zij verzoeker uit om op 23 maart 2009 gehoord te worden omdat “uit het dossier tevens blijkt dat ook uw functioneren als onderwijzer onaanvaardbare tekortkomingen vertoonde”, zodat zij overweegt om verzoeker geen nieuwe affectatie als onderwijzer toe te wijzen. 3.
- Op 27 april 2009 beslist de raad van bestuur om aan verzoeker “geen nieuwe affectatie als onderwijzer toe te kennen en betrokkene gezien hij in BS Houthalen ter beschikking gesteld wordt wegens ontstentenis van betrekking, en hij na de leeftijd van 60 jaar niet langer ter beschikking gesteld kan worden of gehouden, met ingang van 1 mei 2008 ambtshalve op pensioen te stellen”. IV. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. V. Beoordeling van de eerste schorsingsvoorwaarde
- Verzoeker voert in het inleidend verzoekschrift vier vernietigings- gronden aan, die hij ook alle vier op hun ernstig karakter beoordeeld wil zien worden. Uiteenzetting van het eerste middel
- Het eerste middel is geput uit de schending van het redelijkheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheids- beginsel. Verzoeker wijst op zijn lange staat van dienst waardoor het volstrekt niet gewoon is dat er beslist wordt dat hij geen enkele functie op onderwijskundig vlak zou kunnen vervullen, zodat het bestuur die beslissing moet staven. Volgens verzoeker bestaat er echter geen materieel motief om te oordelen XII-5852-4\12 dat hij niet meer zou voldoen om als onderwijzer te fungeren. Het eerder gebezigde motief -zijn stilzitten in de eerste procedures- wordt niet meer behouden in de thans bestreden beslissing als argument. Dit sluit niet per definitie uit dat een nieuw motief wordt aangebracht, maar “in deze omstandigheden zou het dan toch aan de verwerende partij toekomen om op zeer duidelijke wijze aan te tonen, krachtens zeer duidelijke kritiek weerstaande motieven, waarom verzoeker, ondanks zijn onderwijsverleden en ondanks het feit dat dit de eerste maal niet werd ingeroepen, toch om enig motief niet meer als onderwijzer zou kunnen fungeren”. Verzoeker betoogt dat een dergelijk besluit niet geschraagd kan worden door de bevindingen van het onderzoek nopens zijn fungeren als directeur. Dit onderzoek was door de onderzoekers zelf afgebakend tot “het volledige functioneren van [verzoeker] als directeur van de BS De Mozaïek, op basis van het model van functiebeschrijving van directeur basisonderwijs”. Het onderzoek ging over een directeur, niet over de vraag hoe verzoeker zich eventueel als onderwijzer zou opstellen. Het is niet redelijk, aldus verzoeker, uit een onderzoek naar bij voorbeeld de wijze van leerlingenbegeleiding als directeur iets te distilleren over zijn eventuele fungeren als onderwijzer. Verwerende partij verliest uit het oog dat een directeur die een aantal uren invult met hoeken- en contractwerk zich anders zal opstellen dan de onderwijzer die de leerlingen de hele dag onder zijn hoede heeft. De opmerking in het bestreden besluit dat hij leerlingen altijd gelijk zou geven slaat overigens nergens op. Beoordeling
- Tijdens de eerste procedure ging verwerende partij er van uit -volgens het schorsingsarrest prima facie onterecht- dat de ambtshalve pensionering van verzoeker een loutere gevolgakte was van zijn verwijdering uit het ambt. Het laat zich dan op het eerste gezicht begrijpen dat er toen géén specifiek motief nodig werd geacht noch werd gegeven voor die beslissing en dat pas, gelet op de motieven van het schorsingsarrest, in de thans bestreden beslissing uitdrukkelijk motieven worden veruitwendigd waarom aan verzoeker een nieuwe affectatie geweigerd wordt. De wijze van motivering van de beslissingen van 28 april 2008 lijkt door verzoeker dan ook niet dienstig vergeleken te worden met het thans bestreden besluit om aldus het eerste middel te adstrueren. Overigens is de vorige beslissing ingetrokken. XII-5852-5\12
- Mag het onderzoeksrapport dan al betrekking hebben op verzoeker “als directeur”, de raad van bestuur lijkt op bladzijde 22 van de bestreden beslissing niet onterecht op te merken dat verzoeker dan toch wel directeur met lesopdracht was en dat het onderzoeksteam in zijn rapport ook aan dit gegeven aandacht heeft besteed. De raad van bestuur, die geconfronteerd wordt met de vraag om aan verzoeker al dan niet een nieuwe affectatie als onderwijzer te geven, moet die beslissing nu eenmaal niet onderwerpen aan een soort proeftijd maar beslist aan de hand van de bestaande gegevens van verzoekers dossier. De raad van bestuur mag dan op het eerste gezicht en in beginsel zowel de uitoefening van verzoeker van die lesopdracht als de kwaliteiten of tekortkomingen van verzoeker die getransponeerd kunnen worden van zijn optreden als directeur naar een eventueel fungeren als onderwijzer in de beoordeling betrekken. Door de voorliggende vraagstelling op die wijze te benaderen handelt de raad van bestuur prima facie niet onredelijk of onzorgvuldig.
- Toegepast op de zaak, stelt de Raad van State vast dat de raad van bestuur zijn beslissing op de bladzijden 23 en 24 aldus onderbouwt : “Onder hoofdstuk 6 'Leerlingenbegeleiding' werd onderzocht hoe de heer Servaes als directeur met lesopdracht, dus ook als onderwijzer functioneerde. Het onderzoeksrapport laat aan duidelijkheid niet te wensen over. Volgend citaat spreekt wat zijn onderwijsopdracht betreft boekdelen: ‘Ook hebben leerkrachten gezien en gehoord dat de heer Servaes tijdens activiteiten met kinderen geen gezag heeft, nooit streng optreedt en daardoor constant tuchtproblemen heeft. De leerkrachten in wiens klas de heer Servaes binnen zijn lesopdracht met kinderen werkt hebben de wederkerende ervaring dat hij weinig tucht heeft en de kinderen meestal helemaal niet in de hand heeft. Een onderwijzer, die omwille van een deeltijdse opdracht niet op vrijdag werkt, getuigt dat de heer Servaes op vrijdagnamiddag samen met iemand van de gemeentelijke academie het kunstproject in haar klas begeleidde. De activiteiten liepen toen volgens deze onderwijzer zo uit de hand dat in overleg met de academie het kunstproject niet meer op vrijdag maar op woensdag in haar aanwezigheid georganiseerd werd. De heer Servaes bevestigt dit verhaal maar zegt dat het niet hij was die niet met de kinderen overweg kon maar wel de leerkracht van de gemeentelijke academie. Die vroeg daarom een omwisseling van dag en de heer Servaes ging daarmee akkoord.’ De heer Servaes acht de opmerkingen van de leerkrachten onterecht, maar geeft wel toe dat het er soms lawaaierig aan toe ging: ‘De heer Servaes ontkent alle verwijten in verband met de leerlingenbegeleiding aan zijn adres en doet ze af als belachelijk en helemaal niet terecht. Soms ging het er in zijn activiteiten met kinderen wel wat losser en wat rumoeriger aan toe maar dat vindt de heer Servaes niet meer dan normaal omdat hij binnen zijn lesopdracht vooral aan hoeken- en contractwerk deed.’ Alhoewel volgende opmerking op het eerste zicht meer te maken lijkt te hebben met hoe de heer Servaes als directeur met de leerlingen omging, illustreren deze XII-5852-6\12 opmerkingen toch hoe de heer Servaes als 'onderwijsmens', dus ook als onderwijzer met kinderen meent te moeten omgaan: ‘Volgens de meeste leerkrachten heeft de heer Servaes een goed contact met alle kinderen en hebben de kinderen hem heel graag. De meeste teamleden zeggen dat de kinderen hem letterlijk rond de hals vliegen als hij zich tussen hen begeeft. Bijna iedereen heeft de ervaring dat de heer Servaes de kinderen te vriend wil houden en geen afstand tussen hem en hen wil creëren. Soms vinden ze dat een goede zaak maar meestal niet. Volgens hen is er immers zo weinig afstand tussen de heer Servaes en de kinderen dat velen respectloos met hem omgaan door bijvoorbeeld hem aan te tikken, zijn pet af te pakken en hem weinig respectvol aan te spreken. Een leerkracht formuleert het als volgt: "In de zaal klopten de kinderen hem op de rug of pakten hem de pet af. En dat moesten wij dan corrigeren, wat toch een absurde situatie was. Hij dwong geen respect af, noch van de leerlingen noch van de leerkrachten". Een getuige die door de heer Servaes zelf is aangebracht, ondervond tijdens haar bezoek aan de school dat de leerlingen tegen haar nogal cassant waren en het viel haar op dat de heer Servaes dit niet corrigeerde. Een aantal leerkrachten heeft al dikwijls ervaren dat kinderen meestal gelijk krijgen van hem en zomaar van de speelplaats naar zijn bureau lopen om bij hem hun gelijk te halen. Ze vinden dat kinderen daar dikwijls misbruik van maken. Kinderen stormden soms massaal naar zijn bureau bij problemen in de klas. De meeste leerkrachten sturen dan ook bij problemen geen kinderen meer naar de heer Servaes. Hij zal de leerlingen wel eens kort berispen maar heeft volgens de meeste leerkrachten niet de autoriteit om de kinderen de boodschap te brengen dat ze fundamenteel iets fout gedaan hebben. Een leerkracht formuleert het als volgt: "We stuurden weinig of nooit de leerlingen naar de directeur. Hij bemoederde de leerlingen te veel, zo van: hij heeft me beloofd van het nooit meer te doen". Een andere leerkracht zegt: ‘Als ik de leerlingen straf durfde geven, liepen ze snel naar de directeur, waar ze bijna altijd gelijk kregen. Daardoor werd ons gezag ondermijnd en voelden we ons machteloos’.” Voor de Raad van Bestuur is het duidelijk dat de heer Servaes ook als onderwijzer onvoldoende gezag heeft t.a.v. kinderen. De heer Servaes geeft de leerlingen gelijk en denkt op die manier de leerlingen te kunnen 'omkopen'. Als hij het hen niet te lastig maakt, niet te veel eisen stelt, op hun vragen steeds ingaat, hen altijd gelijk geeft, zullen zij het hem op hun beurt niet te moeilijk maken, lijkt de redenering van de heer Servaes te zijn. Uiteraard klopt dit niet. Leerlingen zullen een leerkracht die aan hen geen of nauwelijks eisen stelt, waarbij ze kunnen doen wat zij willen, die hen niet of nauwelijks terechtwijst als ze over de schreef gaan, binnen de kortste tijd alle respect ontzeggen. En dan komt men inderdaad in een situatie terecht waarbij de leraar het vriendje wordt van de leerlingen, waarbij de leerlingen de leerkracht aantikken, zijn pet afpakken, hem weinig respectvol aanspreken, ... Een leerkracht die in een dergelijke situatie terechtkomt, bevindt zich in een bijna onmogelijke positie. De overdracht van kennis, het leren leren, het bijbrengen van de gepaste attitudes zijn processen die enige druk vereisen. Dit gaat niet vanzelf. Als een leerkracht omdat hij het respect van de leerlingen verloren is, hij de facto niet meer als leraar beschouwd wordt, aan de leerlingen geen eisen meer kan stellen, of zijn eisen genegeerd worden, wordt het onmogelijk nog aan kennisoverdracht, leren leren, attitudevorming te doen. Deze processen, die het wezen van het onderwijs uitmaken, vallen dan stil. De Raad van Bestuur moet na studie van het onderzoek door de leden van de Onderzoekscel vaststellen dat dit nu net de positie van de heer Servaes is. De Raad van Bestuur is van oordeel dat het ongepast zou zijn kinderen die nog alles moeten leren aan de heer Servaes toe te vertrouwen. Kinderen hebben recht op ernstig onderwijs. Aan kinderen moet kennis overgedragen worden, XII-5852-7\12 moeten attitudes bijgebracht worden. De Raad van Bestuur is van oordeel dat de heer Servaes terzake de nodige bekwaamheden ontbeert. Om die reden beslist de Raad van Bestuur dan ook geen akkoord te verlenen aan een nieuwe affectatie van de heer Servaes in de scholengroep”. De raad van bestuur lijkt uit de aangehaalde getuigenissen van de leerkrachten, zoals ze zijn opgenomen in het onderzoeksrapport, terecht te mogen afleiden dat verzoeker er niet in slaagt de tucht te bewaren in de klassen waar hij les geeft en dat ook buiten de lessen zijn omgang met de leerlingen als directeur - functie toch met groter gezag- mocht doen vrezen dat hij als voltijds onderwijzer er niet in zou slagen de lessen naar wens te laten verlopen. Dit gegeven relateert de raad van bestuur op vooralsnog aanvaardbare wijze aan de vereisten van kennisoverdracht en attitudevorming. Verzoeker overtuigt de Raad bijgevolg niet dat de deducties van verwerende partij “kant noch wal” raken. Overigens volstaat het niet, zoals verzoeker het doet in het verzoekschrift, louter te beweren dat de verklaringen waar de raad van bestuur op steunt “werkelijk nergens op [slaan]”, om voor de Raad van State de geloofwaardigheid van deze getuigenverklaringen of van het rapport van de onderzoekscel aan het wankelen te brengen. Bovendien stelt de Raad van State vast, in de weergave van de neergelegde verweernota en van het mondeling verweer door verzoeker tijdens de hoorzitting -bladzijde 15 tot 19 van de bestreden beslissing-, dat ook in dat stadium van de procedure de feitelijke vaststellingen in het onderzoeks-rapport door verzoeker op geen enkel punt meer concreet tegengesproken of ontkend lijken te zijn geweest.
- Het eerste middel is niet ernstig. Uiteenzetting van het tweede middel
- In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Andermaal herinnert hij aan zijn jarenlange carrière, zonder negatieve opmerkingen, als onderwijzer. De aangevoerde beginselen worden volgens verzoeker geschonden “door nu plots te gaan beweren, krachtens een zijdelings verwijzen naar het functioneren als directeur op een bepaald punt dat verzoeker toch als onderwijzer niets waard zou zijn”. Verzoeker werd voorheen zo geapprecieerd, dat hem zelfs een promotie is gegeven tot directeur en wegens diezelfde houding wordt hij nu de grond ingeboord. Er valt XII-5852-8\12 niet in te zien waarom verzoeker nu niet meer zou kunnen wat hij van 1980 tot 2001 heeft gekund. Beoordeling
- Zoals uit de toepasselijke rechtspositieregeling blijkt, is de nieuwe affectatie geenszins de regel, maar wel een uitzondering waarover het bestuur een discretionaire beslissing neemt. Dat verzoeker tot ieders tevredenheid heeft gefungeerd als onderwijzer van 1980 tot 2001, ontneemt aan het bestuur niet het recht om een beslissing over een eventuele nieuwe affectatie, in casu een weigering, te steunen op bevindingen over verzoekers meer recente functioneren. Bij de bespreking van het eerste middel is al opgemerkt dat de bevindingen van de onderzoekscel op het eerste gezicht in rechte en in feite ook voor de inschatting van zijn functioneren als onderwijzer in aanmerking mogen worden genomen. Nergens blijkt voorts dat het bestuur eertijds toezeggingen of beloften aan verzoeker zou hebben gedaan. Verzoeker ontleent in die omstandigheden aan het vertrouwens- beginsel en de rechtszekerheid prima facie geen gerechtvaardigde verwachtingen om bij een verwijdering uit het ambt als directeur ipso facto weer aan de slag te kunnen als onderwijzer.
- Het tweede middel is niet ernstig. Uiteenzetting van het derde middel
- Volgens het derde middel schendt het betwiste besluit het zorgvuldigheidsbeginsel en het onpartijdigheidsbeginsel. Verzoeker herinnert er aan dat een eerste beslissing werd geschorst door de Raad van State wegens het “complete gemis aan zorgvuldigheid bij de procedure”. Volgens verzoeker werd een nieuwe stok gezocht om te slaan, heeft hij nooit een eerlijke kans gekregen en mocht hij “hoe dan ook” niet meer fungeren. Beoordeling
- De Raad van State heeft uit de eerste procedure onthouden dat het schoolbestuur er van uitging -weze het prima facie onterecht- dat tot de XII-5852-9\12 terbeschikkingstelling besloten mocht worden zonder verzoeker hieromtrent te horen en dat het mocht volstaan verzoeker te horen over de verwijdering uit zijn ambt. Die verwijdering uit het ambt is ondertussen definitief, zodat verzoeker wegens de onbeschikbaarheid van betrekkingen in de instelling waarin hij voor zijn vaste benoeming geaffecteerd was -gegeven dat verzoeker niet betwist- automatisch op een terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking afstevent, met wegens zijn leeftijd ook de ambtshalve oppensioenstelling, tenzij precies het bestuur aan verzoeker nog een affectatie elders in de scholengroep zou geven of zou instemmen met een mutatie. Als vervolgens verwerende partij verzoeker alsnog oproept om hem over die mogelijkheid te horen, kan de Raad van State daarin op het eerste gezicht noch een onzorgvuldig handelen, noch een blijk van (objectieve?, subjectieve?) partijdigheid bespeuren. De karige, met niets geconcretiseerde beweringen van verzoeker waarmee hij zijn middel toelicht overtuigen in de huidige stand van de procedure geenszins.
- Het derde middel ontbeert alle ernst. Uiteenzetting van het vierde middel
- Volgens het vierde middel zijn het non retro-activiteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel geschonden. Er bestaat volgens verzoeker geen enkele grond om op 28 april 2009 te besluiten dat hij per 1 mei 2008 met pensioen wordt gesteld. Beoordeling
- Dit middel is niet dienstig aangevoerd in een schorsingsprocedure. De finaliteit van de nagestreefde schorsing is immers om het dreigende, moeilijk te herstellen en ernstig nadeel niet te moeten ondergaan in afwachting van de nietigverklaring. Welnu, de eventuele inwilliging van het vierde middel zou enkel leiden tot de nietigverklaring -in de huidige stand van de procedure: de schorsing van tenuitvoerlegging- van het bestreden besluit in de mate waarin het terugwerkt tot 1 mei
- Een schorsing heeft echter slechts uitwerking voor de toekomst, zodat verzoeker uit de voorlopige vaststelling van het onwettig retroageren van het XII-5852-10\12 bestreden besluit geen concreet voordeel kan putten. Ter terechtzitting wijst verzoeker wel op de morele genoegdoening van een dergelijke vaststelling. Die morele genoegdoening brengt verzoeker evenwel geen enkele stap nader bij een nieuwe kans om in het onderwijs alsnog effectief aan de slag te blijven, waar het hem dan toch in essentie om te doen is. De vraag of het besluit al dan niet mag terugwerken in de tijd is voorts, mede gelet op het feit dat verzoeker tijdens die periode reeds preventief geschorst was, een -weliswaar niet onbelangrijke- “techniciteit” in het licht van hetgeen verzoeker op moreel vlak wezenlijk grieft, te weten de miskenning van zijn jarenlange inzet voor het onderwijs. Een gedeeltelijke vernietiging of schorsing van het bestreden besluit, enkel op grond van het vierde middel, zou aan die motieven en effecten van het besluit en, bijgevolg, aan dat morele nadeel, niet verhelpen.
- Om die reden is het vierde middel in de schorsingsprocedure niet ontvankelijk, en dus niet ernstig.
- Er is bijgevolg niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 4 december 2009, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Frank Bontinck, griffier. De griffier, De voorzitter, XII-5852-11\12 Frank BONTINCK Geert VAN HAEGENDOREN XII-5852-12\12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.569 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.212.930 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.