← België

Arrest 198605 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 07/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.605 Rolnummer: A. 193953/IX-6510 Zaak: Arrest 198605 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 07/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-11 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:59 Fiche Arrest nr 198.605 van 7 december 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 198.605 van 7 december 2009 in de zaak A. 193.953/IX-6510 In zake : Guy VANNESTE wonende te Brussel Mistrallaan 37-47, bus 1 alwaar woonplaats wordt gekozen tegen : de SENAAT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Van Orshoven kantoor houdend te Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 11 september 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het beperkt bureau van de Senaat van 16 juli 2009 waarbij Gisèle Stevens met ingang van 1 oktober 2009 wordt bevorderd tot directieassistente bij de Taaldienst. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 november 2009. Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. IX-6510-1/9 De verzoeker en advocaat Bart Martel, die loco advocaat Paul Van Orshoven verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op het tijdstip van de bestreden beslissing is de verzoeker eerste secretaris bij de Taaldienst van de Senaat. Op 2 juni 2009 wordt een betrekking van directieassistent bij de Taaldienst van de Senaat vacant verklaard. Krachtens artikel 20 van het organiek personeelsreglement is deze graad toegankelijk bij wege van keuzebenoeming. De verzoeker kandideert samen met drie andere collega’s waaronder Gisèle Stevens die op dat moment eerstaanwezend secretaris is bij de dienst Commissies. 3.2. Op 13 juli 2009 hoort een comité bestaande uit de directeur- generaal van de Qaestuur, de bestuursdirecteur van de Taaldienst en de bestuursdi- recteur van de dienst Personeel en HRM de verschillende kandidaten. Het verslag van deze hoorzitting bevat het volgende betreffende de verzoeker en Gisèle Stevens: “Mevr. Stevens is sinds 17 september 1990 in dienst bij de Senaat en heeft steeds gewerkt bij de Commissiedienst. Ze ziet de vacante functie als een interessante uitdaging: een directieassistente moet inderdaad andere vaardighe- den en kwaliteiten aan de dag kunnen leggen dan een ‘gewone’ secretaresse en zij meent aan die voorwaarde te beantwoorden. Ze verklaart overigens reeds leidinggevende ervaring te hebben opgedaan bij het toezien op de werkzaamhe- den van studenten die aan haar dienst waren toegewezen, alsook bij het superviseren van de taken van een collega die de dienst regelmatig komt versterken. Het solliciteren voor een leidinggevende functie binnen een andere dienst dan de hare, stelt in haar ogen de uitdaging nog meer in het licht. Mevr. Stevens, die over een kandidaatsdiploma vertaler-tolk beschikt, wordt in het IX-6510-2/9 bijzonder aangetrokken door het perspectief te kunnen meewerken met de Taaldienst. Ze heeft inlichtingen ingewonnen omtrent het belangrijke, technische luik van de functie en is zich ervan bewust dat ze tijdens haar ‘scholingsperiode’ onvermijdelijk op haar collega's zal moeten kunnen terugvallen. Ze zal er bijgevolg ten zeerste belang bij hebben haar bevordering als legitiem te doen beschouwen en haar competenties te bewijzen. Daartoe rekent ze op de steun van de directeur, maar ook op haar eigen zin voor communicatie en contactvaardigheid; die eigenschappen beschouwt ze als onontbeerlijk voor een directieassistente, want het opbouwen van een goede werksfeer binnen de dienst is voor haar, naast de inhoudelijke aspecten van het werk, van het grootste belang. Het Comité beschouwt mevr. Stevens als een ervaren en waardevolle kandidate die overigens uitstekend tweetalig is. Ze geeft blijk van een doordachte en opbouwende visie op de functie van directieassistente. Haar actieve deelname aan de werkgroep workflow staat er borg voor dat zij zich snel de technische instrumenten typisch voor de Taaldienst eigen zal kunnen maken, alsook de komende ontwikkelingen op informaticagebied zal kunnen begeleiden. Ook minimaliseert ze niet de moeilijkheden die kunnen opduiken bij de benoeming tot directieassistente van een kandidate die niet zelf tot de dienst behoort: ze verklaart daaraan het hoofd te kunnen bieden. Een deel van het Comité vraagt zich niettemin af of ze van meet af aan over de nodige autoriteit zal kunnen beschikken om de secretariaatsploeg te leiden. De heer Vanneste is sinds 1 juni 1991 in dienst bij de Senaat en bekleedt zijn huidige functie (eerste secretaris bij de Taaldienst) sinds 1 mei 2004. Hij verklaart ten stelligste dat hij over de nodige kwaliteiten beschikt, maar zou zonder problemen aanvaarden dat een kandidaat met een grotere anciënniteit binnen de dienst de voorkeur geniet. In zijn ogen vormt de anciënniteit binnen de Senaat en meer in het bijzonder die binnen de Taaldienst, een beslissend criterium. Hij voelt zich nu in staat zijn verantwoordelijkheid te dragen en zou een benoeming als directieassistent als de bekroning van zijn loopbaan beschouwen. Als secretaris beweert hij snel en accuraat te werken. Hij herinnert eraan dat een vorige directieassistente die een tiental jaren geleden op pensioen is gegaan, zich lovend over hem heeft uitgesproken. Nooit heeft hij geaarzeld aanvullende inspanningen te leveren en uit eigen beweging opleidingen te volgen tijdens zijn vrije tijd. Bij zijn aankomst in de Senaat had hij reeds informaticakennis opgedaan, terwijl dergelijke toepassingen bij de Senaat nog in de kinderschoenen stonden. Voorts onderstreept hij dat hij zowel met de vertalers van de Nederlandse sectie als met die van de Franse sectie de beste verstandhouding heeft. Als directieassistent zou hij speciaal aandacht schenken aan de motivatie van de ploeg, een element dat de huidige titularis naar zijn mening enigszins uit het oog heeft verloren. Hij zou er ten slotte niet voor terugschrikken de rol en de taken van de medewerkers te herschikken, indien hij zulks nodig acht. Het Comité beschouwt de h. Vanneste als een toegewijde en bekwame kandidaat die bovendien uitstekend tweetalig is. Toch betreurt het dat hij sterk op het verleden is gericht en meer aandacht blijkt op te brengen voor hetgeen voorbij is dan voor hetgeen de toekomst kan bieden. Bovendien is de h. Vanneste volgens het Comité thans nog niet geschikt leidinggevende taken op zich te nemen. IX-6510-3/9 BESLUIT EN ADVIES In aansluiting op de beoordeling van de kandidaturen wenst het Comité een voorkeur uit te drukken voor de dames Mattheus en Stevens, zonder evenwel éénparig advies te kunnen formuleren. Mevr. Mattheus kent de werking van het secretariaat goed en heeft reeds bewezen over de nodige autoriteit te beschikken voor de leiding van een ploeg. Daartegenover staat dat haar mondelinge kennis van het Frans bepaalde lacunes vertoont en dat er vragen kunnen rijzen bij haar vermogen de verdergaande informatisering van de dienst adequaat te begeleiden. Wat mevr. Stevens betreft, stelt het Comité vast dat zij, mede gelet op haar ervaring en de kwaliteit van haar werk binnen de Commissiedienst, haar medewerking aan de werkgroep workflow en haar uitstekende tweetaligheid, in grote mate beantwoordt aan de in het functieprofiel vermelde vereisten. Ze heeft een opbouwende en positieve visie op de functie van directieassistente ontwikkeld en beschikt daarenboven onmiskenbaar over kwaliteiten op menselijk en relationeel vlak. Evenwel heeft ze weinig ervaring met het leiding geven aan een ploeg. Haar autoriteit en capaciteit om de secretariaatsploeg van de Taaldienst te leiden, kunnen dus vragen oproepen.” 3.3. In een nota van 13 juli 2009 aan het college van questoren stelt de secretaris-generaal van de Senaat voor aan het beperkt bureau de benoeming van Gisèle Stevens voor te stellen. Hij motiveert zijn keuze uitvoerig als volgt: “Na een vergelijking van de kandidaturen en gelet op het gesprek heeft het Comité gemeend dat twee kandidaten, namelijk mevr. Geys en de h. Vanneste, op grond van de lichte reserves die te hunnen opzichte zijn geformuleerd, thans minder geschikt zijn in vergelijking met de dames Mattheus en Stevens om de functie van directieassistent(

  1. e)van de Taaldienst uit te oefenen. Wat de twee andere kandidates betreft, verwijst het Comité uitdrukkelijk naar alle competenties die zijn opgesomd in het functie- en competentieprofiel voor directieassistent bij de Taaldienst. Het Comité stelt vast dat beide overige kandidates elk duidelijk over verschillende kwaliteiten en troeven beschikken. Mevr. Mattheus kan bogen op een zeer lange ervaring, kent de werking van het secretariaat van de Taaldienst goed en heeft reeds bewezen over de nodige autoriteit te beschikken voor de leiding van een ploeg. Daartegenover staat dat haar mondelinge kennis van het Frans bepaalde lacunes vertoont en dat er vragen kunnen rijzen bij haar vermogen de verdergaande informatisering van de dienst adequaat te begeleiden. Wat mevr. Stevens betreft, stelt het Comité vast dat zij, mede gelet op haar ervaring en de kwaliteit van haar werk binnen de Commissiedienst, haar medewerking aan de werkgroep workflow en haar uitstekende tweetaligheid, in grote mate beantwoordt aan de in het functieprofiel vermelde vereisten. Ze heeft een opbouwende en positieve visie op de functie van directieassistente ontwikkeld en beschikt daarenboven onmiskenbaar over kwaliteiten op menselijk en relationeel vlak. Evenwel heeft ze weinig ervaring met het leiding geven aan een ploeg. Een deel van het Comité heeft dus vragen bij haar autoriteit en capaciteit om de secretariaatsploeg van de Taaldienst te leiden. IX-6510-4/9 Bijgevolg besluit het Comité dat zowel mevr. Mattheus als mevr. Stevens in aanmerking komt voor de bevordering tot directieassistente bij de Taaldienst. Na te zijn overgegaan tot een grondig onderzoek van het dossier, meen ik evenwel in het raam van de betrokken bevorderingsprocedure een voorkeur te moeten uitdrukken ten gunste van mevr. Stevens. Vooreerst deel ik volledig de mening van het Comité omtrent de kwaliteiten van de betrokken kandidate. Bovendien blijkt uit haar curriculum vitae waarin zij tevens wijst op haar basisopleiding als kandidaat-vertaler, alsook uit het feit dat zij geslaagd is in het externe examen dat de Senaat heeft gehouden voor assistent en uit het uitstekende werk dat zij in haar huidige dienst heeft geleverd, dat zij in staat zal zijn zich op korte termijn de technische en administratieve aspecten van haar nieuwe competentiedomein eigen te maken. Eveneens stel ik vast dat de degelijkheid van haar schriftelijke kandidatuur aantoont dat zij lang heeft nagedacht over de uitdagingen van de functie. Voorts acht ik het nuttig te vermelden dat mevr. Stevens reeds heeft gekandideerd voor andere promotie- functies en dat zij telkenmale een zeer gunstige indruk heeft nagelaten bij de evaluatoren. Overigens kan mevr. Stevens vlot communiceren, knoopt ze makkelijk contacten aan en wordt ze in staat geacht met diplomatie en energie leiding te kunnen geven. Naar mijn mening kan de versterking van het secretariaat van de Taaldienst met een externe kracht een verrijking betekenen van een ploeg die in het verleden reeds bepaalde moeilijkheden en spanningen heeft gekend. Ik ben ervan overtuigd dat mevr. Stevens op korte termijn een unaniem geapprecieerde en gerespecteerde directieassistente zal worden.” Dit college sluit zich volledig aan bij de visie van de secretaris- generaal. 3.4. Op 16 juli 2009 maakt de secretaris-generaal zijn voorstel met dezelfde motivering over aan het beperkt Bureau dat unaniem instemt met het voorstel op grond van de motieven die door de secretaris-generaal waren aang- ehaald. Bij besluit van dezelfde datum bevordert het Gisèle Stevens tot directieassis- tente bij de Taaldienst. Dit is de bestreden beslissing. 3.5. De verzoeker wordt bij brief van 17 juli 2009 op de hoogte gebracht van deze beslissing en van haar motivering, alsmede van het oordeel dat over zijn kandidatuur werd uitgebracht. IV. Onderzoek van de vordering tot schorsing 4. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die IX-6510-5/9 de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 5. Wat het moeilijk te herstellen en ernstig nadeel betreft, zijnde de tweede schorsingsvoorwaarde, leest de verwerende partij in het verzoekschrift dat de verzoeker aanvoert dat hij pijn en oneer voelt en dat hij door de bestreden beslissing wordt vernederd. Zij schrijft dat de verzoeker het bij die ene vage bewering laat en dat het zelfs niet duidelijk is wat nu juist de oorzaak van de pijn en oneer is. Hij somt in zijn verzoekschrift dermate veel aantijgingen, onregelmatigheden en onwettigheden op dat het zeer de vraag is of het nadeel dat hij aanvoert wel door de bestreden beslissing (alleen) is veroorzaakt. Daarom, zo besluit de verwerende partij, moet worden aangenomen dat de verzoeker zijn nadeel niet met concrete gegevens eigen aan de zaak zelf onderbouwt. Bovendien voert hij, aldus de verwerende partij, alleen een moreel nadeel aan en een dergelijk nadeel kan worden hersteld door de morele genoegdoe- ning die voortvloeit uit een eventueel vernietigingsarrest. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde 6.1. Het verzoekschrift bestaat uit één lange tekst die niet is onderverdeeld volgens de twee cumulatieve schorsingsvoorwaarden maar waarin feiten, beweerde onregelmatigheden en persoonlijk aanvoelen van de verzoeker door elkaar worden gehaald. Het is dus niet duidelijk wat de verzoeker nu juist als moeilijk te herstellen en ernstig nadeel aanvoert. In een dergelijk geval is het voor de verwerende partij moeilijk om zich te verdedigen. De rechten van de verdediging van de verwerende partij worden in een dergelijk geval slechts gerespecteerd door het verzoekschrift te lezen op de manier waarop de verwerende partij het heeft gedaan, behoudens indien deze kennelijk bepaalde dingen over het hoofd zou hebben gezien. 6.2. De verzoeker voert aan dat hij zich vernederd voelt en dat het een oneer is dat niet hij, maar wel een persoon met minder anciënniteit en afkomstig uit IX-6510-6/9 een andere dienst is benoemd. Daarbij is het gevoel van onrecht dat hij aanvoert in grote mate te wijten niet zozeer aan de persoon van de benoemde maar wel aan de wijze waarop de hogere overheid omgaat met zijn personeel. Hij beschuldigt de overheid ervan op een oneerlijke wijze de bevorderingen te verlenen door bepaalde kandidaten te bevoordelen waarvan hij voorbeelden uit het verleden aanhaalt. Zo stelt hij dat zij “de speelbal (zijn) geworden van deze heren die het welzijn der werknemers of het gewoonterecht aan hun laars lappen om als dusdanig te kunnen genieten over ons te beschikken”. Daarbij lijkt het erop dat de verzoeker eigenlijk maar één manier van bevorderen eerlijk vindt en dat is de bevordering volgens anciënniteit en de staat van dienst. Zo schrijft hij: “Door mijn ervaring in overheids- dienst weet ik maar al te best dat benoemingen op basis van dienstanciënniteit en tegelijkertijd op basis van de staat van dienst, de eerlijkste beslissing is (die) ieder de kans geeft te worden beloond...”. Ook kan hij het moeilijk aanvaarden dat de bevorderde uit een andere dienst afkomstig is. 6.3. Wat verzoeker aldus aanvoert is een moreel nadeel. Van een dergelijk nadeel wordt in het bevorderingscontentieux gesteld dat het in de regel zal worden ondervangen door de morele genoegdoening die gepaard gaat met de eventuele vernietiging van de bestreden beslissing. Het is slechts in uitzonderlijke gevallen dat inzake benoemingen een moreel nadeel geacht kan worden een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel te vormen, namelijk wanneer daarvoor specifieke redenen gelden. Uit de stukken van het administratief dossier kan niet worden afgeleid dat de overheid, door bij de bevordering geen doorslaggevend belang te hechten aan de anciënniteit of het behoren tot de dienst waar de betrekking te begeven is, een onredelijke of voor de verzoeker oneervolle werkwijze heeft gevolgd. Het statuut voorziet dat de bevordering tot directieassistent een benoeming naar keuze is en stelt geenszins dat daarbij de anciënniteit of het behoren tot de dienst waar de vacature zich situeert doorslaggevende criteria zijn. Integendeel moest het voor de verzoeker duidelijk zijn dat de overheid vanuit haar plicht om de beste kandidaat te benoemen niet noodzakelijk bij degene met de grootste anciënniteit moet uitkomen of noodzakelijkerwijze een kandidaat uit de dienst zelf moet verkiezen. De verzoeker moest dus inschatten dat dit ook wel eens niet het geval zou kunnen zijn. Trouwens bij vergelijking van de titels en verdiensten van de verzoeker met die van Gisèle Stevens blijkt dat deze laatste een iets grotere anciënniteit heeft bij de Senaat dan de verzoeker. Hij moest dus inschatten dat hij, IX-6510-7/9 zoals elke kandidaat die deelneemt aan een bevorderingsprocedure voor een benoeming naar keuze, mogelijk niet zou worden gekozen. Daarbij werd er bij de bespreking van de kandidatuur van de verzoeker over hem niets oneervols gezegd. De verzoeker kan het grondig oneens zijn met het feit dat over hem werd gezegd dat hij nog niet geschikt is om leidinggevende taken op zich te nemen, maar dergelijke uitspraak is op zich niet oneervol, temeer daar ook wordt gezegd dat hij toegewijd en bekwaam is. Zijn moreel nadeel stoelt hij ook op het feit dat hij naar zijn aanvoelen “de speelbal (
  2. is)geworden van deze heren die het welzijn der werkne- mers of het gewoonterecht aan hun laars lappen om als dusdanig te kunnen genieten over (hem) te beschikken”. Het blijft evenwel bij beweringen die hij niet hard maakt, zeker niet wat concreet de bestreden benoeming betreft. Er moet dan ook worden besloten dat de specifieke redenen die de verzoeker aanvoert in casu niet toelaten te besluiten dat het moreel nadeel dat hij aanvoert als een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel in de zin van de wet moet worden beschouwd. Verzoeker stelt ook, wat door de verwerende partij niet is opgemerkt, dat de bestreden beslissing hem kansloos maakt gezien de leeftijd van de kandidaten, om zelf nog die betrekking te kunnen invullen. Verzoeker is evenwel nog maar negenenveertig jaar en zegt zelf op negenenvijftig jaar met pensioen te willen gaan. Gelet op de daling van de doorlooptijd van de zaken bij de Raad van State die het gevolg zal zijn van het wegwerken van de achterstand waaraan momenteel hard wordt gewerkt moet er van uitgegaan worden dat in die periode de eventuele vernietiging van de bestreden beslissing de verzoeker zeker een nieuwe kans zal bieden. Verzoeker toont geen moeilijk te herstellen en ernstig nadeel aan. Er is bijgevolg niet voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. IX-6510-8/9 Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te verwerpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 december 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Daniël Moons, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Daniël Moons IX-6510-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.605 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.215.206 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.