id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.611 Rolnummer: A. 194750/IX-6617 Zaak: Arrest 198611 - Penitentiair recht - 07/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-08 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:59 Fiche Arrest nr 198.611 van 7 december 2009 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 198.611 van 7 december 2009 in de zaak A. 194.750/IX-6617 In zake : Carlos SANTANA MEDINA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Millen kantoor houdend te Hoeselt Tongersesteenweg 4, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 28 november 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 25 november 2009 van de directeur van de gevangenis te Hasselt, waarbij aan Carlos SANTANA MEDINA de tuchtsanctie wordt opgelegd van drie maanden individueel regime (glasbezoek, individuele wandeling, geen gemeen- schappelijke wandeling en geen gemeenschappelijke eredienst). II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 december
- Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. IX-6617-1/9 Advocaat Mathieu Langerock, die loco advocaat Jürgen Millen verschijnt voor de verzoeker, en attaché Jan Brewaeys, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar voornamelijk wegens slagen en verwondingen. Hij verblijft op het moment van de feiten in de gevangenis van Hasselt. 3.
- De verzoeker krijgt op 19 november een tuchtrapport. In dit rapport aan de directeur staat : “- Verborgen in de suikerpot: een klein dichtgebrand zakje met daarin een weinig wit poeder, en twee kwartjes van medicatie in pilvorm (beide bijge- voegd bij dit verslag) - Verstopt onder het bed: achtergehouden poetsgerei (emmer en aftrekker) Verder spaart bovenstaande gedetineerde consequent ondergoed, kousen en t-shirts op. Het teveel is door ons van cel gehaald.” 3.
- De verzoeker wordt in aanwezigheid van de raadsman gehoord op de zitting van 25 november
- Hij verklaart: “Het klopt allemaal! Ik heb teveel aan wasgoed op mijn cel. De twee pillen zijn ook van mij. Het is Seroquel. Het poeder is afkomstig van pillen. Die waren stuk en ik heb het poeder dan in een zakje gestoken in de suikerpot. Ik had dit al reeds van een andere gevangenis en dit is mee op transfer gekomen. Ik wist zelfs niet meer dat ik dit nog had. Het zijn inslapers.” 3.
- Op 25 november 2009 legt de gevangenisdirecteur de verzoeker als tuchtsanctie drie maanden individueel regime (glasbezoek, individuele wandeling, geen gemeenschappelijke wandeling en geen gemeenschappelijke eredienst) op. Deze beslissing wordt als volgt gemotiveerd: IX-6617-2/9 “- overwegende dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het opsparen van kledij, het achterhouden van poetsgerei en het stellen van verdachte handelingen mbt het verbergen van een substantie; - dat op basis van ervaring en de wijze waarop betrokkene de substantie heeft trachten te verbergen er ernstige vermoedens bestaan dat het een verboden substantie betreft; - dat het gebruik en/of handel in verboden substanties ernstige overlast binnen de inrichting berokkent en tevens de veiligheid van andere gedetineerden in het gedrang brengt.” IV. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is. A. Ernst van de middelen
- Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker betoogt dat de hem opgelegde sanctie neerkomt op een straf in de zin van artikel 6.2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat hij dienovereen- komstig geniet van het vermoeden van onschuld. Wat de toepasselijkheid van artikel 6.
- betreft verwijst hij naar een vonnis van 13 november 2008 van de correctionele rechtbank te Hasselt, waarin geoordeeld is dat een tuchtsanctie van zes maanden individueel regime een straf betreft, waardoor de strafvordering vervalt. Wat betreft de miskenning van het vermoeden van onschuld, waarop hij krachtens artikel 6.
- EVRM een beroep kan doen, verwijst hij naar het feit dat er bij hem een dichtge- brand zakje met wit poeder aangetroffen is en dat hij daarvoor veroordeeld is op basis van loutere vermoedens, want zonder dat nagegaan is wat dit wit poeder inhoudt. IX-6617-3/9 IX-6617-4/9 Beoordeling
- Het standpunt ingenomen door de correctionele rechtbank te Hasselt in haar vonnis van 13 november 2008, verplicht de Raad van State niet om ook in het onderhavige geval, waarin overigens de gegevens zowel wat de tenlastelegging betreft als de opgelegde straf sterk verschillend zijn, te besluiten tot het bestaan van een straf in de zin van artikel 6.
- EVRM en op grond daarvan een onderzoek te wijden aan de schending van het vermoeden van onschuld.
- Eigenlijk voert verzoeker in het middel aan dat hij gestraft is voor een feit dat niet bewezen is. De verzoeker heeft tijdens zijn verhoor bij de gevangenisdirecteur gesteld -zie punt 3.3- dat de vaststellingen van het tuchtrapport kloppen. Er is dus bij hem in verdachte omstandigheden een ongedefinieerde substantie aangetroffen. Om te stellen dat de omstandigheden waarin de substantie werd aangetroffen verdacht was beschikken de bewakers over voldoende ervaring en er worden geen gegevens aangebracht om hun objectiviteit in vraag te stellen. De gevangenisdirecteur kon er derhalve een deugdelijk bewijselement in vinden. Hetzelfde geldt wat betreft de inhoud van het aangetroffen zakje. Gewis kan er slechts absolute zekerheid daaromtrent bestaan na expertise van het staal, maar dit belet niet dat de gevangenisdirecteur in de vaststellingen van zijn medewerkers, getoetst aan de -ongeloofwaardige- uitleg van de gevangene, voldoende gegevens kon vinden om in redelijkheid aan te nemen dat het inderdaad om een verboden product ging. Daarbij mag ook niet uit het oog verloren worden dat het behoud van de orde in de gevangenis een prompt en doortastend optreden vereist, wat noodzakelijk impliceert dat niet gewacht kan worden op absolute bewijzen, maar dat afgegaan moet worden op met elkaar overeenstemmende gegevens die op dat ogenblik voorhanden zijn.
- De Raad van State stelt vast dat de gevangenisdirecteur op grond van de gegevens die hem voorlagen in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de tenlastelegging bewezen was.
- Het middel is niet ernstig. IX-6617-5/9
- Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker voert de schending aan van artikel 6.
- EVRM, doordat hij voor zijn zaak het recht heeft op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie die bij de wet ingesteld is. De persoonlijke onpartijdigheid betekent dat de rechter geen speciale band mag hebben met een procespartij en dat hij zich niet mag laten leiden door emotionele factoren. Te dezen heeft de gevangenisdirecteur de tuchtprocedure niet willen uitstellen totdat het onderzoek van de zogenaamde verboden substantie bekend zou zijn, maar hij heeft een beslissing genomen op basis van het vermoeden dat het om een verboden substantie zou gaan. Beoordeling
- Daargelaten de vraag of artikel 6 EVRM van toepassing is op een tuchtprocedure tegen een gedetineerde, wordt vastgesteld dat de verzoeker de mogelijkheid heeft om tegen de bestreden beslissing, die uitgaat van een orgaan van het actief bestuur, bij de Raad van State een annulatieberoep in te dienen. Volgens vaste rechtspraak, zoals ook nog gesteld in bijvoorbeeld het arrest nr. 160.759 van 29 juni 2006 inzake Lamoen, is de Raad van State een rechtscollege dat voldoet aan de vereisten gesteld door artikel 6.
- EVRM en dat de beslissingen conform die bepalingen onderzoekt.
- In zoverre de verzoeker het gebrek aan onpartijdigheid aanvoert als een algemeen rechtsbeginsel dat ook in tuchtzaken van toepassing is -hier de subjectieve partijdigheid van de directeur die voorbarig zou besloten hebben dat er een verboden stof was aangetroffen- , wordt vastgesteld dat zulks op zich niet wijst op enige partijdigheid of vooringenomenheid en dat de verzoeker geen andere gegevens voorlegt die tot het tegendeel kunnen doen besluiten.
- Het middel is niet ernstig. IX-6617-6/9
- Derde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker voert de schending aan van de ministeriële omzendbrief nr. 1777 en met name de daarin vermelde verplichting om een tuchtstrafbeslissing nauwkeurig, juist, pertinent en toelaatbaar te motiveren. Hij had gevraagd om de tuchtprocedure met betrekking tot de substantie uit te stellen en dat werd geweigerd. Dat kan geen correcte weigeringsbeslissing opleveren, want de inhoud van de substantie staat niet vast. Voorts wordt ook niet gemotiveerd waarom de aangehouden feiten het opleggen van een zware straf van drie maanden individueel regime verantwoorden, terwijl de basiswet verwijst naar tuchtstraffen van één maand. Beoordeling
- Een omzendbrief bevat onderrichtingen aan de ambtenaren over de wijze waarop zij de geldende rechtsregels moeten toepassen, zonder zelf rechtsgeldig nieuwe dwingende bepalingen in het rechtsverkeer te kunnen brengen. De schending van een omzendbrief kan geen grondslag vormen voor de vernietiging van een administratieve beslissing. Het middel is niet ontvankelijk.
- De verzoeker betwist eigenlijk de motivering van het bestreden besluit. Wat zijn eerste punt van kritiek betreft wordt vastgesteld dat het bestreden besluit verwijst naar het tuchtrapport, het verhoor van de verzoeker, de ervaring van het personeel en de wijze van opbergen van de aangetroffen substantie. Daarmee duidt de gevangenisdirecteur de gegevens aan waarop hij zich steunt om de feiten bewezen te achten. Uit de bespreking van het eerste middel volgt dat de directeur in die gegevens een deugdelijke grondslag kon vinden voor dat bewijs. Wat het tweede punt van kritiek betreft -het beweerd buitenmatig karakter van de opgelegde tuchtstraf- stelt de bestreden beslissing dat het gebruik en de handel in verboden substanties “ernstige overlast binnen de inrichting berokkent en de veiligheid van andere gedetineerden in het gedrang brengt”. De gevangenis-directeur heeft voor de keuze van een aangepaste tuchtstraf een zeer IX-6617-7/9 ruime discretionaire bevoegdheid. De Raad van State oefent daar slechts een marginaal toezicht op uit, met dien verstande zelfs dat de gevangenisdirecteur hier handelt in een aangelegenheid die rechtstreeks verband houdt met de orde in de gevangenis en de interne en de externe veiligheid, hetgeen de afstandelijke opstelling van de Raad van State nog vergroot. De verwijzing naar de overlast die het gebruik en de handel in drugs veroorzaakt houdt evident verband met de verantwoordelijkheid waar de gevangenisdirecteur voor staat. De vastgestelde inbreuk ligt in die sfeer en de verwijzing naar de overlast vormt zodoende een deugdelijke verantwoording voor de opgelegde straf.
- Het middel is niet ernstig.
- Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker voert “de onnauwkeurigheid van het tuchtrapport” aan, waarin gesproken wordt van “het teveel” aan ondergoed, kousen en T-shirts dat bij hem uit de cel gehaald is, terwijl de rapporteur gemakkelijk had kunnen vermelden om hoeveel zaken het ging. Die onnauwkeurigheid tast het gehele tuchtrapport aan. Beoordeling
- De verzoeker heeft tijdens zijn verhoor zelf toegegeven dat hij teveel wasgoed in zijn cel had. Hij betwist de feitelijke juistheid van de vaststelling niet. Dat er niet precies wordt vermeld wat er teveel was of hoe groot het “teveel” was is tijdens het tuchtonderzoek nooit aan de orde gesteld om de tenlastelegging voor bewezen te houden of de strafmaat vast te stellen. De beweerde onnauwkeurig- heid van het tuchtverslag wordt niet relevant aangevoerd.
- Het middel is niet ernstig.
- Geen van de aangevoerde middelen zijn ernstig. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijk- IX-6617-8/9 heid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 december 2009, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, met bijstand van Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6617-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.611 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div