← België

Arrest 198631 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.631 Rolnummer: A. 81981/X-8649 Zaak: Arrest 198631 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-17 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 03:59 Fiche Arrest nr 198.631 van 7 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAKnr. 198.631 van 7 december 2009 in de zaak A. 81.981/X-

  1. In zake : Johan LOGGHE, die woonplaats kiest bij advocaat B. NAEYAERT, kantoor houdende te 8820 TORHOUT, Aartrijkestraat 38 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, Archimedesstraat
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johan LOGGHE op 15 januari 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 29 oktober 1998 van de minister vice-president van de Vlaamse regering en Vlaams minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar en houdende vernietiging van de beslissing van 5 maart 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij aan de verzoeker de bouwvergunning wordt verleend voor het bouwen van een rundveestal en sleufsilo’s op een perceel gelegen te Gistel, Nieuwpoortse Steenweg, kadastraal bekend sectie D, nr. 548/c en a; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 15 december 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-8649-1/11 Gelet op de beschikking van 18 juni 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 september 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. LOUAGE, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. De feiten 1.
  4. Op 7 augustus 1997 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker een bouwvergunningsaanvraag in bij de stad Gistel voor de bouw van onder meer een rundveestal op het perceel gelegen te Gistel aan de Nieuwpoortse Steenweg 201, kadastraal bekend sectie D, nr. 548/c en a. Dit perceel maakt een onderdeel uit van het dorpsgezicht beschermd bij “M.B. van 30 november 1977 betreffende de bescherming van de abdij ‘Ten Putte’, de rosmolen, het looppad en het bakhuis van de hoeve gelegen Abdijstraat 74, als monument en de omgeving van de abdij ‘Ten Putte’ als dorpsgezicht, met uitbreiding K.B. van 19 december 1980”. De vereiste milieuvergunningen voor de uitbreiding van het gevestigd landbouwbedrijf werden reeds verkregen. 1.
  5. De afdeling Monumenten en Landschappen van de Administratie voor Ruimtelijke Ordening, Huisvesting, Monumenten en Landschappen brengt op 23 oktober 1997 volgend bindend negatief advies uit: “ONGUNSTIG, voor de aanvraag zoals voorgesteld op het plan in bijlage bij de aanvraag, omwille van de schaalgrootte en de ruimtelijke impact van de aangevraagde constructies in het open landschap midden in het beschermde dorpsgezicht. Binnen de eigendom kan een alternatieve inplantingsplaats voorgesteld worden die het karakter van het beschermde dorpsgezicht minder schaadt. Bovendien dient het totale bedrijfscomplex van bij de aanvang ingekleed te worden in een aangepast groenscherm en dient de architectuur derwijze aangepast dat de X-8649-2/11 esthetische waarde van het dorpsgezicht minder in het gedrang komt (vb. geen zichtbare lichtstraten)”. 1.
  6. Een eveneens negatief advies wordt op 26 november 1997 afgeleverd door de gemachtigde ambtenaar die verwijst naar het voorgaande ongunstig advies. Door zijn ligging in een beschermd dorpsgezicht en meer bepaald in een volledig open ruimte met landschappelijke waarde adviseert hij de weigering van de bouwvergunning. Als alternatieve locatie wijst hij de verzoeker op een perceel dat aanleunt bij het nabijgelegen industriegebied. 1.
  7. Op 8 december 1997 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Gistel de gevraagde bouwvergunning op grond van volgende overwegingen: “ONGUNSTIG, vermits - het perceel gesitueerd is in een bij het KB d.d.19/12/1980 beschermd dorpsgezicht; - de aangevraagde bouwplaats in een volledig open ruimte gelegen is, met landschappelijke waarde; - de aanvraag kan gesitueerd worden in de onmiddellijke omgeving van de zone voor milieubelastende bedrijven; - dus niet de eigenlijke aanvraag gecontesteerd wordt maar de gevraagde locatie, zodat de aanvraag met heel wat minder visuele storing kan worden gerealiseerd op een andere plaats; - door de cel Monumenten en Landschappen bijgaand bindend ongunstig advies d.d. 23/10/1997 werd uitgebracht; - het ontwerp niet in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen en/of niet verenigbaar is met zijn onmiddellijke omgeving en met de goede plaatselijke aanleg”. 1.
  8. De verzoeker tekent hiertegen beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen die op 5 maart 1998 dit beroep ontvankelijk en gegrond verklaart. Als motieven worden de aansluitende inplanting op de bestaande bedrijfsgebouwen, het reeds aanwezig zijn van andere gebouwen in de omgeving en de niet-strijdigheid met de goede plaatselijke aanleg aangebracht. 1.
  9. Op 24 maart 1998 tekent de gemachtigde ambtenaar beroep aan tegen de beslissing van de bestendige deputatie bij de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening. 1.
  10. Er volgt op 22 september 1998 een voorwaardelijk gunstig advies vanwege de afdeling Monumenten en Landschappen dat als volgt luidt: X-8649-3/11 “BRENGT BINDEND ADVIES UIT ALS VOLGT : GUNSTIG, voor het bouwen van een rundveestal en sleufsilo’s, mits de schaalgrootte, de ruimtelijke en visuele impact van de aangevraagde constructie, midden in het beschermde dorpsgezicht, wordt beperkt door : - het ontdubbelen en verlagen van de dakconstructie, door het overlangs opsplitsen in twee evenwijdige dakvolumes, met kleinere zichtbare dakvlakken, - het verwerken van de visueel storende lichtstraten in de niet zichtbare dakvlakken, - het afwerken van de topgevels boven de poorten, gelijkvormig aan het dakmateriaal of de houten bebording; - het aanplanten en blijvend in stand houden van een volledig streekeigen groenscherm met een hoogstamboomgaard en de heraanplanting van knotwilgen in het noorden, een gemengde losse haag in het westen (minimum zo hoog als de gebouwen) en een groenscherm met dubbele rij inlandse struiken en hoogstammige bomen om de tien meter ten noorden, ten zuiden en ten oosten van het gebouwencomplex, waarvoor vooraf een beplantingsplan ter goedkeuring wordt voorgelegd, conform het ontwerp in het beroepsdossier, uit te voeren ten laatste in het eerstvolgende plantseizoen, na de start van de bouwwerken, - alle bouwwerken, stapeling van goederen en materiaal dienen te gebeuren binnen dit groenscherm; - het gebruik van de bestaande veedrinkpoel voor de opvang van het regenwater en de integratie ervan in het groenscherm; - het verwijderen van alle uitgegraven grond buiten het beschermde dorpsgezicht; Het bouwaanvraagdossier dient te worden vervolledigd met een tracering voor de nutsleidingen en desgevallend de kapvergunning voor bomen, beiden onderhevig aan een bindend advies ingevolge het beschermingsbesluit”. 1.
  11. Op 29 oktober 1998 wordt de bestreden beslissing genomen. Hierin wordt door de minister verwezen naar voornoemd voorwaardelijk gunstig advies van de afdeling Monumenten en Landschappen om te wijzen op het feit dat het volgen van dat advies zou geleid hebben tot een grondige herwerking van de bouwplannen wat op zijn beurt tot het indienen van een nieuwe bouwaanvraag zou hebben geleid.
  12. Ten gronde 2.
  13. Het eerste middel 2.1.
  14. Standpunt van de partijen 2.1.1.
  15. In het eerste middel voert de verzoeker aan dat de minister zijn weigeringsbeslissing baseert op het volgens hem bindend advies van de afdeling Monumenten en Landschappen. Door dit advies als vereist en bindend te beschouwen baseert de minister zich mede op het koninklijk besluit van 19 december 1980 dat het perceel van de verzoeker mee heeft opgenomen in het X-8649-4/11 betrokken beschermd dorpsgezicht. De verzoeker voert de onwettigheid van dit koninklijk besluit aan op grond van de schending van artikel 2.3/ van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna: het monumentendecreet) omdat volgens hem het perceel ten onrechte opgenomen is in het beschermd dorpsgezicht. De verzoeker licht het middel als volgt toe: “
  16. De bescherming van de gronden als dorpsgezicht bij K.B. van 19 december 1980 was onwettig om volgende redenen : Het perceel waarop verzoeker wenst te bouwen en overigens nog veel andere percelen, die beschermd zijn in het K.B. van 19 december 1980 konden in 1980, ten tijde van de bescherming, niet als dorpsgezicht beschouwd worden. Immers volgens het artikel 2.3/ van het decreet van 3 maart 1976 zoals het toen was gestipuleerd werden enkel als dorpsgezichten beschouwd : - een groepering van één of meer monumenten en/of onroerende goederen met de omgevende bestanddelen, zoals onder meer beplantingen, omheiningen, waterlopen, bruggen, wegen, straten en pleinen, die vanwege haar artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industriëel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde van algemeen belang is. De gronden van beroeper vielen en vallen niet onder deze definitie. Ze zijn op ruime afstand (500 m, 700 m) van de monumenten gelegen en behoren niet tot de onmiddellijke omgeving ervan. Ze kaderen eerder in de bescherming van een landschap dat, behalve de er hier en daar in aanwezige en zeker niet als monument te rangschikken hoeve’s, volledig bestaat uit niet-bebouwde landbouwgronden. Tengevolge van procedures voor de Raad van State om bescherming van landschappen als dorpsgezicht nietig te laten verklaren werd het decreet van 3 maart 1976 in 1995 aangepast. Vermits men ook de visuele omgeving bij monumenten wou kunnen beschermen als stads- en dorpsgezicht werd bij decreet van 22 februari 1995 (B.S. 5 april 1995) de definitie stads- en dorpsgezicht uitgebreid met de directe er onmiddellijk mee verbonden visuele omgeving van een monument. Er werd daartoe een tweede gedachtenstreepje aan artikel 2.3/ toegevoegd. Het volgende tweede gedachtenstreepje werd door dat decreet aan artikel 2.3 van het decreet van 3 maart 1976 toegevoegd : - de directe, er onmiddellijk mee verbonden visuele omgeving van een monument, bepaald in 2/ van dit artikel, die door haar beeldbepalend karakter de intrinsieke waarde van het monument tot zijn recht doet komen dan wel door haar fysische eigenschappen de instandhouding en het onderhoud van het monument kan waarborgen. Vermits de gronden van de bouwkavel van beroeper in 1980 duidelijk in een landschap gelegen zijn en in juridische zin niet als dorpsgezicht beschouwd konden worden, werden ze op onwettige wijze beschermd als dorpsgezicht. (...)
  17. Vermits dit K.B. van 19 december 1980 onwettig is inzoverre ondermeer het perceel van verzoeker mee is opgenomen in het beschermde dorpsgezicht, terwijl daartoe niet de wettelijke basis aanwezig was, kan, mag en moest het niet worden toegepast. Dit op grond van het legaliteitsbeginsel. Het legaliteitsbeginsel houdt in dat bij het beoordelen van deze bouwaanvraag alleen de besluiten en verordeningen mogen worden toegepast die wettig zijn. Het legaliteitsbeginsel, dat eigenlijk een algemeen rechtsbeginsel of een beginsel van behoorlijk bestuur is, is ruimer dan hetgeen in de grondwet onder artikel 159 wordt bepaald. X-8649-5/11 Dit advies was dus niet vereist en kon in die zin ook niet bindend zijn voor de Minister. Dat het legaliteitsprincipe ook door administratieve instellingen bij het nemen van hun individuele beslissingen moet worden gerespecteerd werd bevestigd in de rechtspraak van Uw Raad.
  18. Hoedanook is de gewraakte beslissing uiteindelijk gebaseerd op een onwettig beschermingsbesluit en het daaruit voortvloeiende beweerdelijk bindend advies van Monumenten en Landschappen, en is deze beslissing op zich dus ook aangetast door een onwettigheid zodat ze vatbaar is voor vernietiging door Uw Raad”. 2.1.1.
  19. De verwerende partij repliceert: “1.
  20. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat verzoekende partij ten onrechte aanvoert dat de betrokken percelen deel uitmaken van een beschermd ‘landschap’. Uit het advies van de afdeling Rohm West-Vlaanderen, Monumenten en landschappen blijkt te dezen reeds dat de gronden in kwestie wel degelijk deel uitmaken van een beschermd ‘dorpsgezicht’: ‘Gelet op het M.B. van 30 november 1977 betreffende de bescherming van de abdij ‘Ten Putte’, de rosmolen, het looppad en het bakhuis van de hoeve gelegen Abdij straat 74, als monument en de omgeving van de abdij ‘Ten Putte’ als dorpsgezicht, met uitbreiding K.B. 19 december 1980’; Ook in het bestreden besluit wordt er vanuit gegaan dat het betrokken eigendom gesitueerd is binnen de afbakening van een beschermd dorpsgezicht rond de abdij ‘Ten Putte’: ‘Overwegende dat schuin achter op circa 700 m de als monument beschermde St. Godelieve-abdij Ten Putte ligt en achter op circa 500 m de beschermde rosmolen, looppad en bakhuis met hoeve; dat de voorgestelde uitbreiding volledig ten zuiden, langs de overkant van de bestaande bebouwing ten opzichte van de beschermde gebouwen gebeurt; dat verder rechts op circa 500 m het industriegebied Konijnenbos ligt’; In tegenstrijd met wat verzoekende partij aanvoert kunnen de betrokken percelen wel degelijk gedefinieerd worden als de omgevende bestanddelen, horende bij een groepering van één of meer monumenten en/of onroerende goederen. De door haar gevoerde argumentatie nopens de onwettigheid van het K.B. van 19 december 1980 is te dezen dan ook niet relevant. 1.
  21. Trouwens dient opgemerkt te worden dat, daar waar de onwettigheid van reglementaire besluiten steeds kan worden ingeroepen, deze onwettigheidsexceptie niet meer kan ingeroepen worden tegen niet-reglementaire besluiten, -hetzij individuele besluiten die rechten creëren in hoofde van de verzoeker of van een derde-, na het verstrijken van de annulatietermijn. Het besluit dat strekt tot de bescherming van een dorpsgezicht is ontegensprekelijk geen reglementair besluit. Verzoekende partij kan dan ook niet met goed gevolg de onwettigheid van het K.B. van 19 december 1980 aanvoeren, wanneer zij het beschermingsbesluit nooit tijdig heeft bestreden met een annulatieberoep. 1.
  22. Het ingeroepen legaliteitsbeginsel laat daarenboven de administratieve overheid niet zelf toe een reglement, dat zij onwettig acht, buiten toepassing te laten. Het prerogatief van de wettigheidscontrole is immers aan de rechter voorbehouden krachtens artikel 159 van de Grondwet. Het is dan ook ten onrechte dat verzoekende partij voorhoudt dat het K.B. van 19 december 1980 door de administratieve overheid niet kon noch mocht worden toegepast. 1.
  23. Tenslotte weze opgemerkt dat dit middel overbodig is, gezien reeds op grond van de schoonheidswaarde van dit landschappelijk waardevol agrarisch X-8649-6/11 gebied kon besloten worden tot de strijdigheid van het voorgelegde project met een goede ruimtelijke ordening en stedenbouw”. 2.1.1.
  24. De verzoeker dupliceert: “2.a. Het K.B. van 19 december 1980 is als beschermingsbesluit een reglementair of verordenend besluit dat aan een bepaalbare categorie van personen, namelijk degenen die bepaalde activiteiten uitoefenen op de gronden en met de gebouwen die binnen het beschermde dorpsgezicht liggen, beperkingen oplegt. Integenstelling tot wat verweerder stelt, gaat het niet om een besluit dat aan één of meerdere bepaalde individuen bepaalde subjectieve rechten verleent, zoals dat bij een bouwvergunning of verkavelingsvergunning het geval is. (...) Het beschermingsbesluit gaat dus verder dan het louter opleggen van verplichtingen aan individueel aangeduide en aangeschreven eigenaars en vruchtgebruikers. Al diegenen die een bouwvergunning aanvragen binnen het beschermd gebied zijn onderworpen aan de verplichte adviesverlening van Monumenten en Landschappen, los van de vraag of men nu eigenaar, vruchtgebruiker of wat dan ook is.
  25. Of de administratieve overheid nu al of niet zelf het reglement diende toe te passen in het kader van het legaliteitsbeginsel doet in die zin niet terzake dat Uw raad in ieder geval de gewraakte beslissing kan vernietigen voorzover ze gesteund is op een onwettig Koninklijk Besluit. Bemerk dat verweerder hier in zijn memorie zelf van ‘reglement’ gewaagt, wat zijn eigen argumentatie ontkracht omtrent het ‘individueel’ karakter van het beschermingsbesluit. Voor het overige verwijst verzoeker naar het inleidend verzoekschrift.
  26. Stellen dat ‘reeds op grond van de schoonheidswaarde van dit landschappelijk waardevol agrarisch gebied kon besloten worden tot de strijdigheid van het voorgelegde project met een goede ruimtelijke ordening en stedenbouw’, is een interpretatie post-factum van verweerder. Deze motivering komt alszodanig niet voor in de gewraakte beslissing en zou overigens op zich niet draagkrachtig zijn voor de beslissing”. 2.1.
  27. Beoordeling Artikel 9, eerste lid van het monumentendecreet bepaalt dat beschermingsbesluiten “verordenende” kracht hebben, doch te dezen moet onder verordenende kracht worden begrepen verbindende kracht. Uit het loutere feit dat in dat artikel de term “verordenend” wordt gebruikt kan niet worden afgeleid dat de decretale wetgever aan beschermingsbesluiten een reglementair karakter heeft willen geven. Besluiten tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten hebben essentieel een individueel karakter en bezitten geen normatieve kracht, zodat de regelmatigheid ervan niet kan worden betwist bij wege van een op artikel 159 van de Grondwet gesteunde exceptie. De verzoeker voert voor het eerst, en derhalve laattijdig, in zijn laatste memorie aan dat de exceptie op grond van artikel 159 van de Grondwet desondanks in casu ook ontvankelijk zou kunnen worden aangevoerd omdat de X-8649-7/11 beroepstermijn om tegen het beschermingsbesluit op te komen nog niet zou zijn verstreken. Het eerste middel is derhalve niet gegrond. 2.
  28. Tweede middel 2.2.
  29. Standpunt van de partijen 2.2.1.
  30. In het tweede middel werpt de verzoeker de schending op van artikel 11, §2 van het monumentendecreet en van de materiële motiveringsplicht omdat de minister uit het volgens hem ongunstig en bindend advies van de afdeling Monumenten en Landschappen afleidt dat om die redenen de aanvraag onmogelijk wordt en hij het verlenen van de bouwvergunning vernietigt. De verzoeker stelt: “Er van uitgaande dat, overeenkomstig artikel 11, §2 van het decreet van 3 maart 1976, het advies van Monumenten en Landschappen bindend was, en aangezien dit advies van Monumenten en Landschappen gunstig was, had de Minister de aanvraag van verzoeker moeten toekennen na verzoeker de gelegenheid te hebben gegeven om zijn plannen aan te passen. Enerzijds is er de situatie waar een aanvrager in de loop van een beroep tegen een beslissing in eerste aanleg aangaande een bouwaanvraag op eigen initiatief de plannen wijzigt, zodat het dossier dat in eerste aanleg voorkwam, niet hetzelfde dossier was als datgene dat in hoger beroep voorkomt. In die situatie heeft Uw raad reeds meerdere malen het standpunt ingenomen dat een nieuwe aanvraag dient te gebeuren. Anderzijds is er de huidige situatie waar een aanvrager in de loop van de aanvraagprocedure en zoals in casu in derde aanleg op advies van de bindend adviesverlenende instantie en niet op eigen initiatief, zijn bouwplannen zou moeten aanpassen. Wanneer dit advies aan verzoeker zou worden meegedeeld met het verzoek het plan aan te passen doet verzoeker niets anders dan zijn plan conformeren aan de verzuchtigingen van de overheid zelf. Verzoeker ziet niet in op grond van welke wettellijke basis, na indiening van het gewijzigd plan, de aanvraag, rekening houdend met de opmerkingen van de adviesverlenende overheid, niet zou kunnen worden toegekend. Er ligt immers geen nieuw dossier ter beoordeling maar wel een bestaand dossier waar op verzoek van de adviesverlenende instantie en de beoordelende overheid iets is aan gewijzigd”. 2.2.1.
  31. De verwerende partij repliceert het volgende: “2.
  32. Het door verzoekende partij gemaakte onderscheid is echter niet ter zake. Onafhankelijk het gegeven of het aanvankelijk bouwaanvraagdossier gewijzigd wordt ingevolge eigen initiatief of ingevolge advies van een adviesverlenende instantie, hebben noch de bevoegde minister noch de bestendige deputatie de bevoegdheid zich over deze fundamenteel gewijzigde bouwaanvraag uit te spreken. De ratio legis hiervan is namelijk weer te vinden in het gegeven dat het College van Burgemeester en Schepenen het best X-8649-8/11 geplaatst blijft om met kennis van lokale situatie te oordelen over de stedenbouwkundige aspecten van het voorgelegde project. (...) 2.
  33. Verzoekende partij kan trouwens bezwaarlijk voorhouden dat de voor- waarden die door de afdeling Monumenten en Landschappen bepaald werden geen essentiële wijzigingen aan het oorspronkelijk plan inhielden. De Vlaamse Minister vermocht dan ook, zonder hiermee afbreuk te doen aan dit advies, te besluiten als volgt: ‘Overwegende dat het voorwaardelijk gunstig advies van voormelde afdeling niet anders dan tot een grondige aanpassing van de bouwplannen leidt; dat voormelde voorwaarden dan ook een essentiële wijziging aan de ingediende plannen inhouden; dat in onderhavige beroepsprocedure een dergelijke wijziging niet kan aanvaard worden, gelet op de rechtspraak van de Raad van State; dat tevens aan de voorwaarden van het college van burgemeester en schepenen dient voldaan te worden; dat een grondige herwerking van de bouwplannen zich dan ook opdringt; Overwegende dat, gelet op voormeld advies van de afdeling Monumenten en Landschappen over de oorspronkelijke plannen, geen vergunning kan verleend worden; dat de beslissing van de bestendige deputatie dan ook in strijd is met een degelijk beleid inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw; dat de gemachtigde ambtenaar met reden in hoger beroep is gekomen’”. 2.2.1.
  34. De verzoeker dupliceert : “(...) Voorzover het advies van Monumenten en Landschappen als bindend moet beschouwd worden, had ook het College van Burgemeester en Schepenen niet anders gekund dan dit advies te volgen. In die zin wordt dus geen afbreuk gedaan aan de bevoegdheden van het college van Burgemeester en Schepenen. Zij zouden immers net zo goed als de Minister dit advies heb(b)en moeten aanvaarden”. 2.2.1.
  35. In hun laatste memories voegen de verzoeker en de verwerende partij niets wezenlijks toe aan hun eerdere argumenten. 2.2.
  36. Beoordeling Het toentertijd geldende artikel 11, § 2 van het monumentendecreet luidt als volgt: “Onverminderd de in een besluit van de Vlaamse regering tot bescherming bepaalde algemene en specifieke voorschriften inzake instandhouding en onderhoud, zijn voor alle vergunningen te verlenen op grond van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, alle vergunning verlenende instanties alsmede de gemachtigde ambtenaar van stedebouw ertoe gehouden binnen de dertig dagen na ontvangst van het dossier advies in te winnen bij de Minister of zijn gemachtigde. De Minister brengt binnen dertig dagen bij hen een bindend advies uit. Bij ontstentenis van een binnen de voorgeschreven termijn overgezonden advies, wordt dit als gunstig beschouwd”. X-8649-9/11 Krachtens artikel 42, § 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), is de beslissing over de bouwaanvraag in de eerste plaats opgedragen aan de gemeenteoverheid. Buiten het in artikel 52, § 1 van hetzelfde decreet bedoelde geval waarin het college van burgemeester en schepenen verzuimd heeft zich binnen de in deze bepaling gestelde termijn over de vergunningsaanvraag uit te spreken, kan geen andere overheid over de vergunningsaanvraag beschikken zonder dat eerst de gemeente erover uitspraak heeft gedaan. Daaruit volgt dat, ingeval er essentiële wijzigingen aan de oorspronkelijk aan het college van burgemeester en schepenen voorgelegde bouwplannen worden aangebracht, nadat beroep werd ingesteld op grond van artikel 53 van het gecoördineerde decreet, naargelang het geval, de bestendige deputatie en/of de Vlaamse regering zich over de aldus gewijzigde plannen niet vermogen uit te spreken. Daarbij dient aangestipt dat het niet ter zake is of die essentiële wijzigingen nu al dan niet zijn ingegeven om tegemoet te komen aan bezwaren of aan, al dan niet bindende, adviezen. Immers, anders dan de verzoeker poogt voor te houden, kan uit voornoemd artikel 11, § 2 van het monumentendecreet niet worden afgeleid dat ook aan de, in voormeld artikel 42, § 1 van het gecoördineerde decreet, bedoelde bevoegdheidsregeling werd geraakt, meer bepaald dat het bindend advies de bestendige deputatie en/of de Vlaamse regering zou toestaan uitspraak te doen over essentieel gewijzigde plannen. Het middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  37. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  38. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-8649-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven december 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS kamervoorzitter J. BOVIN staatsraad, J. CLEMENT staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-8649-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.631 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.