id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.634 Rolnummer: A. 80428/X-8436 Zaak: Arrest 198634 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-16 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 03:59 Fiche Arrest nr 198.634 van 7 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAKnr. 198.634 van 7 december 2009 in de zaak A. 80.428/X-
- In zake : Eugène VANGOETSENHOVEN, die woonplaats kiest bij advocaat J. STIJNS, kantoor houdende te 3001 HEVERLEE, Philipssite 5/2e verd. tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. VAN BEVER, kantoor houdende te 1850 GRIMBERGEN, Pastoor Woutersstraat 32/
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eugène VANGOETSENHOVEN op 25 september 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 juli 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van zijn beroep ingesteld tegen de beslissing van 16 april 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij de vergunning is geweigerd voor het bouwen van een zwembad op een perceel gelegen te Bertem, Tervuursesteenweg, kadastraal bekend sectie C, nr. 103/a; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 10 januari 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 juni 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 september 2009; X-8436-1/10 Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. SMEETS, die loco advocaat J. STIJNS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat M. VAN BEVER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Op 6 december 1984 bekomt de verzoeker een bouwvergunning voor de bouw van een woning met notariskantoor gelegen te Bertem (Leefdaal), Tervuursesteenweg 462, op een perceel kadastraal bekend sectie C, nr. 103/a. 1.
- Het perceel is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven. Het is niet gelegen in een zone waarvoor een bijzonder plan van aanleg is goedgekeurd en maakt geen deel uit van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 1.
- Op 19 september 1997 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker bij het gemeentebestuur van Bertem een bouwaanvraag in voor de bouw van een open zwembad in de tuin van voornoemd perceel, meer bepaald achter de woning op 3,85 m van de zijdelingse perceelgrens en op 6,95 m van de achterste perceelgrens. Het zwembad heeft een oppervlakte van 10,60 m bij 5,60 m en een diepte van 2 m. 1.
- Op 14 oktober 1997 brengt de gemachtigde ambtenaar een negatief advies uit : “De bouwplaats is volgens het gewestplan Leuven, vastgesteld bij KB van 7 april 1997, gelegen in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Deze gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin en mogen enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen bevatten en de woning van de bedrijfsleider, voor zover deze een integrerend deel uitmaakt van een X-8436-2/10 leefbaar bedrijf. Bovendien kunnen beperkingen worden opgelegd met het doel het landschap te beschermen. Het ingediend project voorziet het bouwen van een zwembad, hetgeen strijdig is met de planologische voorschriften gevoegd bij het gewestplan Leuven, i.c. artikel 11 en 15 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen. De bouw van een zwembad doet afbreuk aan dit imperatief planologisch gegeven en brengt om deze reden de toekomstige aanleg van het gebied in het ge(d)rang. Aldus ONGUNSTIG om bovenvernoemde redenen en besluit ik tot weigering van de bouwvergunning”. 1.
- De afdeling Land van AMINAL verleent op 22 oktober 1997 een gunstig advies. Daarin wordt gesteld dat er uit landbouwkundig oogpunt geen bezwaar is tegen de voorgestelde werken. 1.
- Bij besluit van 20 oktober 1997 weigert het college van burgemeester en schepenen de bouwvergunning. 1.
- Tegen deze laatste beslissing tekent de verzoeker beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. De bestendige deputatie beslist op 16 april 1998 dit beroep niet in te willigen. De doorslaggevende motieven van het weigeringsbesluit van 16 april 1998 luiden als volgt: “Overwegende dat de woning, vergund in 1984, een zonevreemde constructie is; dat eveneens alle aanhorigheden aan de woning zoals het gazon, de verharde oprit, terras en trapconstructie zonevreemd zijn; dat ook een zwembad behoort tot de normale tuinuitrusting en complementair is aan de residentiële functie; dat dient nagegaan te worden in hoeverre de bouw van het zwembad bijdraagt tot het bestendigen van de residentiële functie en het herstel van de landbouwfunctie verhinderd wordt; Overwegende dat een zwembad op een ingrijpende manier (reliëfwijziging, bouwen kuip...) het latere herstel van de landbouwgrond belast; dat de bestemming onverenigbaar blijft met de voorschriften aangaande agrarische gebieden die bepalen dat deze gebieden bestemd zijn voor landbouw in de ruime zin van het woord; Overwegende dat art.15 van de officiële coördinatie d.d. 8 juli 1997 (BS 23 augustus 1997) bij het KB van 28 december 1972 aangaande landschappelijk waardevolle gebieden bepaalt dat in deze gebieden alle handelingen en werken mogen worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen; dat een tuininrichting door de kleinschaligheid en beslotenheid afbreuk doet aan de schoonheidswaarde van de uitgestrekte landbouwstructuren en een zwembad hier nog verder toe bijdraagt”. 1.
- De verzoeker stelt vervolgens beroep in bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening. X-8436-3/10 Bij het bestreden besluit van 27 juli 1998 wordt dit beroep verworpen.
- Ten gronde 2.
- Uiteenzetting van de middelen In het verzoekschrift worden het eerste en het tweede middel als volgt uiteengezet : “Eerste rechtsmiddel : Schending van de motiveringsverplichting a. Aangezien elke bestuurshandeling moet steunen op motieven in rechte en in feite. Dat overeenkomstig de art. 2 en 3 van de Wet dd. 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen van de overheid - in casu de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening - verplicht bij elke bestuurshandeling met individuele draagwijdte in de beslissing zelf de feitelijke en juridische grondslag aan te duiden waarop zij steunt. Aangezien de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen, afdoende moeten zijn. Dit betekent niet alleen dat de motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing, maar ook dat de aangevoerde motieven pertinent moeten zijn en de beslissing moeten verantwoorden. (...) Dat de motivering inderdaad moet aangeven hoe de feiten en gegevens van het dossier tot de beslissing hebben geleid. (...) b. Aangezien het bestreden Ministerieel Besluit overweegt dat ‘het kwestieuze bouwwerk in strijd is met de artikelen 11 en 15 van het KB dd. 28.12.1972 die stellen dat die gebieden uitsluitend bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin; dat de woning, vergund in 1984, alsmede het zwembad, dat behoort tot de normale tuinuitrusting en complementair is aan de residentiële functie, een zonevreemde constructie is en daaruit afleidt dat de aanvraag is strijd is met de in het gewestplan vastgelegde bestemming; Dat de Minister echter zichzelf tegenspreekt waar hij iets verder stelt dat ‘het oprichten van een open zwembad met als een verbouwing aan de residentiële woning kan beschouwd worden en derhalve niet valt onder de toepassing van art. 43, &2, zesde lid van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, waarvoor een afwijking van de gewestplanvoorschriften mogelijk is; dat het bewuste artikel immers slechts gebouwen als dusdanig regelt, geen andere aanhorigheden of constructies op zich zoals het gevraagde zwembad;’ Dat waar het Decreet geen bouwprocédés beschrijft voor het uitbreiden van een gebouw, waarvan de woonfunctie moeilijk kan worden ontkend, de Minister zijn Besluit ten aanzien van voornoemd artikel 43, &2 niet ernstig naar recht heeft gemotiveerd; Dat het Ministerieel Besluit immers, hoewel het voorziet in een uitzondering op de in art. 43 J2 afwijkingsregel met betrekking tot het uitbreiden van een vergund gebouw, zich niet houdt aan een enge interpretatie van de uitzondering op het begrip gebouw; X-8436-4/10 Dat overigens een zwembad een gebouw is in de zin van artikel 1792 van het Burgerlijk Wetboek en in casu een aaneengesloten geheel vormt met de woning; dat het oprichten van een open zwembad wel degelijk beschouwd kan worden als een verbouwing aan een bestaande vergunde residentiële woning en aldus ressorteert onder voormeld art. 43; c. Dat de Minister derhalve niet motiveert waarom de aanvraag, alhoewel ze betrekking had op de uitbreiding van een bestaand vergund gebouw en er een gunstig advies van AMINAL was, niet in aanmerking kwam voor de afwijking van het gewestplan; Tweede rechtsmiddel : schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de wet a. Aangezien artikel 43 &2 van het Decreet van 22 oktober 1996 voorziet in de mogelijkheid af te wijken van de voorschriften van een gewestplan indien de aanvraag betrekking heeft o.m. op het uitbreiden van een vergunde woning; Dat immers uit het motiverend gedeelte van het bestreden Ministerieel Besluit blijkt dat de aanvraag als voorwerp had het uitbreiden van een woonfunctie, doch, zoals uiteengezet in het eerste rechtsmiddel, deze beslissing niet ernstig gemotiveerd is waar zij tot het besluit komt dat het geen gebouw betreft; Dat zij door deze te enge interpretatie van het begrip gebouw en de daarmee samenhangende verruiming van de uitzondering tevens het artikel 43 J2 van voormeld decreet schendt, daar zij zonder ernstige motivering een uitzondering voorziet op de afwijkingsregel; Dat aan een uitzondering, per definitie, een enge, strikte interpretatie gegeven moet worden; Dat de Minister, door zich niet te houden aan deze strikte interpretatie, het voormeld artikel 43 &2 en artikel 1792 van het Burgerlijk Wetboek, dat een beperkende interpretatie van het begrip gebouw uitsluit, schendt, daar hij een niet voorziene uitzondering creëert op de afwijkingsregel; b. Aangezien bij de vaststelling en waardering van de feiten waarop het besluit rust, de nodige zorgvuldigheid moet worden betracht; Dat de bevoegde overheid, wil zij op een rechtmatige wijze een beslissing nemen, ingelicht moet zijn over de belangrijke gegevens welke die beslissing kunnen beïnvloeden; (...) Dat de Raad van State in duidelijke termen heeft onderstreept dat de overheid zich op deskundige wijze zou laten voorlichten vooraleer tot besluitvorming over te gaan; (...) Dat de overheid enkel tot een besluitvorming kan komen na een behoorlijke en zorgvuldige afweging van alle ter zake dienende gegevens; Dat de belangen van de burger niet onnodig geschaad mogen worden; c. Aangezien de Minister had dienen vast te stellen dat het advies van AMINAL gunstig was; Dat hij dienvolgens had moeten vaststellen dat de aanvraag, gezien ze betrekking had op een uitbreiding van een bestaand vergund gebouw en er een gunstig advies was, voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een afwijking van het gewestplan; Dat hij, door het tegendeel voor te houden, de wet heeft geschonden; d. Aangezien het ten overvloede vaststaat dat de overheden die hebben geoordeeld over de vergunningsaanvraag en over het ingestelde beroep, zich ten aanzien van verzoeker negatief uitspraken, vertrekkend van de motivering dat de bouwplaats gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; Dat blijkt uit het motiverend gedeelte van het Ministerieel Besluit, alsook uit dat van de voorgaande beslissingen, dat de respektieve overheden X-8436-5/10 zich, zonder oog te hebben gehad voor de concrete feitelijke toestand, beperkt hebben tot het overschrijven van onderdelen van bepaalde artikelen van het Decreet van 22.10.1996 en het K.B. van 28.12.1972; Dat echter van een overheid mag worden verwacht dat zij zorgvuldig tewerk gaat om te komen tot haar voorstelling van de feiten (...) en tot de feitenvinding (...); (...) Dat waar de wetgeving en reglementering op een abstracte manier ontworpen zijn, opdat zoveel mogelijk concrete situaties onder hun toepassing zouden kunnen vallen, men tegelijkertijd dient aan te nemen dat hun concrete toepassing op een dergelijke situatie slechts adequaat kan zijn, als de feiten zo grondig mogelijk worden onderzocht en gemeten aan de algemene regel; Dat het behoort tot de marginale toetsingsbevoegdheid van de Raad van State, te onderzoeken of de overheid, in casu de Minister, voldoende heeft onderzocht alvorens te komen tot zijn besluit; Het is dan ook niet voldoende vast te stellen dat de kwestieuze constructie gelegen is in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, doch een marginale toetsing van het terrein had kunnen aantonen dat deze functie in het desbetreffende gebied wel degelijk vergund kan worden: het betrokken agrarisch gebiedsdeeltje heeft in casu immers geen enkele landbouwkundige betekenis meer door de ruimtelijke situering in de nabijheid van een landelijk woongebied en door zijn structurele geaardheid; De kwestieuze constructie vormt dan ook op geen enkele manier een bijkomende en structurele aantasting en/of belasting van het agrarisch gebied nu de onmiddellijke omgeving geenszins een uitgebaat landbouwgebied betreft; Bij het beoordelen van de verzoenbaarheid met de onmiddellijke omgeving moet immers worden uitgegaan van de specifieke kenmerken van die omgeving, die voornamelijk afhangen van de aard en het gebruik of de bestemming van daar bestaande gebouwen of open ruimten; Dat trouwens alleen al door deze afwezigheid van bijkomende structurele aantasting, er geen risico bestaat dat een precedent kan worden geschapen voor uitgebaat landbouwgebied; Dat voldoende realiteitszin moet doen inzien dat landbouw met de kwestieuze zone van het gewestplan heden geen uitstaans meer heeft en dat de ratio legis van de wetgeving inzake het bestaand gewestplan derhalve niet langer aanwezig is; Aangezien de Minister, door uitsluitend een te rigide lezing en interpretatie voor te houden van het Decreet van 22.10.96, het KB van 28.12.72 en het gewestplan - het gewestplan wordt reeds jaar en dag niet meer door de feiten gestaafd - dan ook het zorgvuldigheidsbeginsel schendt”. 2.
- Beoordeling 2.2.
- De partijen betwisten niet dat het betrokken perceel volgens het gewestplan Leuven is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Artikel 2, § 1, derde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), bepaalt dat de plannen verordende kracht hebben, dat zij blijven gelden totdat zij X-8436-6/10 door andere plannen kunnen worden vervangen na een herziening en dat er alleen mag worden van afgeweken in de gevallen en in de vormen door dit decreet bepaald. De voorschriften van het gewestplan Leuven zijn derhalve verbindend. 2.2.
- Gezien de ligging van het betrokken perceel in landschappelijk waardevol agrarisch gebied zijn de artikelen 11 en 15,4.6.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen van toepassing. Overeenkomstig deze bepalingen, samengelezen, is het terrein bestemd voor landbouw in de ruime zin en gelden bovendien bepaalde beperkingen met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen; alle handelingen en werken mogen er worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen. 2.2.
- Artikel 43, § 2, zesde lid en volgende van het gecoördineerde decreet bepaalt onder welke voorwaarden mag worden afgeweken van de gewestplanvoorschriften. Deze bepaling luidde, op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit, als volgt : “Bij het verlenen van een gunstig advies mag de gemachtigde ambtenaar afwijken van de voorschriften van een ontwerpgewestplan of gewestplan indien de aanvraag betrekking heeft op : a) hetzij het verbouwen van een bestaand vergund gebouw binnen het bestaande bouwvolume en niet betrekking hebbend op het volledig herbouwen; b) hetzij het uitbreiden van een bestaand vergund gebouw met uitzondering van woningbouw met een gebouw of een vaste inrichting op voorwaarde dat de uitbreiding het noodzakelijk gevolg is van overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden, strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu; c) hetzij het uitbreiden van een vergunde woning. De uitbreiding van een bestaand vergund gebouw, met uitzondering van woningbouw, kan slechts de vermeerdering tot gevolg hebben die het noodzakelijk gevolg is van in het kader van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden, strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu. De uitbreiding van een vergunde woning kan met inbegrip van de bijgebouwen slechts leiden tot een maximale vermeerdering van het bouwvolume met 20 %. Het totale bouwvolume mag na uitbreiding maximum 700 m³ bedragen. X-8436-7/10 De afwijking kan slechts verleend worden op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. Dit betekent onder meer dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort. Het naleven van bovenvermelde voorwaarden moet blijken uit de motivering van de gemachtigde ambtenaar. Voor verbouwingen en uitbreidingen van bestaande vergunde gebouwen in agrarische gebieden dient het advies gevraagd aan de bevoegde administratie. Bij ontstentenis van dit advies binnen dertig dagen wordt het geacht gunstig te zijn. De Vlaamse Regering bepaalt binnen welke gebieden van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen deze afwijkingen niet of slechts gedeeltelijk kunnen worden toegepast. De aanvraag wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek, waarvan de kosten ten laste van de aanvrager komen. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het onderzoek gebeurt. De weigering van het verlenen van een afwijking tot het verbouwen of uitbreiden van een bestaand vergund gebouw kan geen aanleiding geven tot het verschuldigd zijn van een vergoeding als bedoeld in artikel
- (...)”. 2.2.
- Het bestreden besluit is gemotiveerd als volgt : “(...) Overwegende dat de woning, vergund in 1984, een zonevreemde constructie is; dat eveneens alle aanhorigheden aan de woning zoals het gazon, de verharde oprit, terras en trapconstructie zonevreemd zijn; dat ook, het zwembad, dat behoort tot de normale tuinuitrusting en complementair is aan de residentiële functie, strijdt met de bindende bepalingen van het gewestplan; Overwegende dat artikel 43, § 2, zesde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 stelt dat bij het verlenen van een gunstig advies de gemachtigde ambtenaar mag afwijken van de voorschriften van een ontwerp-gewestplan of gewestplan onder meer indien de aanvraag betrekking heeft op ofwel het verbouwen van een bestaand vergund gebouw binnen het bestaande bouwvolume en niet betrekking hebbend op het volledig herbouwen; ofwel op het uitbreiden van een bestaand vergund gebouw met uitzondering van woningbouw; dat het oprichten van een open zwembad niet als een verbouwing aan de residentiële woning kan beschouwd worden en derhalve niet valt onder de toepassing van voormeld artikel 43; dat het bewuste artikel immers slechts gebouwen alsdusdanig regelt, geen andere aanhorigheden of constructies op zich, zoals het gevraagde zwembad; (...)”. 2.2.
- De verzoeker betwist in het middel niet dat de geplande constructie geen landbouwbestemming noch een para-agrarische bestemming heeft. Hij stelt wel dat het bestreden besluit ten onrechte tot de conclusie komt dat geen afwijking van het gewestplan mogelijk is op grond van artikel 43, § 2 van het gecoördineerde decreet. Artikel 43, § 2 van het gecoördineerde decreet heeft betrekking op het verbouwen of uitbreiden van een bestaand vergund “gebouw” of vergunde X-8436-8/10 “woning”. De toegelaten uitbreiding wordt -met uitzondering van het in casu niet van toepassing zijnde punt b)- uitgedrukt in volume. Tijdens de besprekingen van het ontwerp van decreet dat het oorspronkelijk decreet van 28 juni 1984 houdende aanvulling van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw is geworden, is zowel in de bevoegde commissie als in de algemene vergadering van de Vlaamse Raad er herhaaldelijk op gewezen dat het ontwerpdecreet “alleen gebouwen” betreft (Gedr. St., Vl. R., 1983-1984, nr. 260/2, 3 en 10 en Vl. R. Hand. nr. 29, van 26 juni 1984, 1173, 1179 en 1183). Door de bevoegde gemeenschapsminister werd zelfs uitdrukkelijk gesteld dat “het ontwerp van decreet (...) uitsluitend (gaat) over gebouwen en de uitbreiding ervan en niet over constructies” zoals “het aanbrengen van een verharding” (Vl. R. Hand. nr. 29, van 26 juni 1984, 1181). In de stedenbouwwetgeving is geen definitie voorhanden van het begrip “gebouw”. Derhalve dient te worden teruggegrepen naar de gewone spraakgebruikelijke betekenis, en niet, zoals de verzoeker doet, naar een definitie ontwikkeld door een andere wetgeving, in casu artikel 1792 B.W., en, zoals de verzoeker doet in zijn laatste memorie, evenmin naar de definitie van “bouwen” in het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Van Dale definieert het begrip “gebouw” als “hetgeen gebouwd is, bouwwerk van tamelijke of aanzienlijke grootte en in het algemeen vervaardigd van duurzaam materiaal, dienende tot woning, samenkomst of andere maatschappelijke verrichtingen, tot berging (een pakhuis, arsenaal), als monument of anderszins”. Bezwaarlijk kan worden aangenomen dat een open zwembad beantwoordt aan deze definitie van het begrip “gebouw”. Door de afwijking te weigeren omdat “het bewuste artikel (43, § 2) immers slechts gebouwen alsdusdanig regelt, geen andere aanhorigheden of constructies op zich, zoals het gevraagde zwembad”, heeft het bestreden besluit artikel 43, § 2 van het gecoördineerde decreet correct toegepast. Uit wat voorafgaat, vloeit voort dat de motieven van het bestreden besluit geenszins tegenstrijdig zijn. Het is niet omdat een zwembad kan worden beschouwd als deel uitmakend van de gewone tuinuitrusting en aldus complementair aan de residentiële functie dat het ook deel uitmaakt van het gebouw, dat dienst doet als woning, als dusdanig. Voorts volstaat het motief van de strijdigheid met de gewestplanvoorschriften als motief om de vergunning te weigeren. De overheid diende geen verder onderzoek te voeren naar het al dan niet overschrijden door de geplande constructie van de ruimtelijke draagkracht van het gebied. X-8436-9/10 2.2.
- De verzoeker vermag niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in zijn laatste memorie aan te voeren dat het “doorslaggevende” advies van de afdeling Land en een omzendbrief zouden moeten doen besluiten dat het kwestieuze zwembad zou beantwoorden aan het begrip “landbouw in de ruime zin”. Evenmin vermag hij zich te beroepen op regelgeving daterend van na het nemen van het bestreden besluit. 2.2.
- De middelen zijn ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven december 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, J. CLEMENT, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-8436-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.634 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div