← België

Arrest 198647 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.647 Rolnummer: A. 193844/X-14357 Zaak: Arrest 198647 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:00 Fiche Arrest nr 198.647 van 8 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 198.647 van 8 december 2009 in de zaak A. 193.844/X-14.

  1. In zake: de gemeente SCHOTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves Loix kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Claes kantoor houdend te 2550 KONTICH Mechelsesteenweg 160 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de n.v. VERGIMMO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Dael kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN Amerikalei 122, vierde verdieping bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  2. De vordering, ingesteld op 3 september 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 1 juli 2009 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het administratief beroep van de gemeente Schoten tegen het besluit van 22 december 2005 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij het beroep van de n.v. Vergimmo tegen het besluit van 12 juli 2005 van het college van burgemeester en schepenen van Schoten tot weigering van de vergunning voor het bouwen van een meergezinswoning te Schoten, Schotenhofdreef 1, kadastraal bekend sectie D, nrs. 256/e5, b6, d5, z5 en b5, wordt ingewilligd. X-14.357-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november
  4. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yves Loix, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Christophe Coen, die loco advocaat Johan Claes verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Christophe Dael, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Tussenkomst
  6. Met een op 18 september 2009 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt de n.v. Vergimmo om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen, wat betreft het administratief kort geding. IV. Feiten 4.
  7. Op 12 juli 2005 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten de door de n.v. Vergimmo gevraagde stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een meergezinswoning te X-14.357-2/10 Schoten, Schotenhofdreef 1, kadastraal bekend sectie D, nrs. 256/e5, b6, d5, z5 en b
  8. 4.
  9. Op 22 december 2005 willigt de deputatie van de provincieraad van Antwerpen het administratief beroep van de aanvrager tegen de voormelde weigeringsbeslissing in. 4.
  10. Op 10 februari 2006 stelt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten administratief beroep in bij de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening tegen het voormelde besluit van de deputatie. 4.
  11. Op 21 mei 2007 stelt de tussenkomende partij in een brief aan de minister onder meer het volgende: “‘hoewel wij officieel geen kennis hebben van enig beroep van de gemeente Schoten tegen de uitspraak van de Bestendige Deputatie, hebben wij in de wandelgangen vernomen dat dit toch het geval blijkt te zijn’ en ‘omdat we er aan houden de procedure correct te volgen, willen wij U dan ook vragen om in deze zaak gehoord te worden’”. 4.
  12. Op 18 februari 2008 verwerpt de minister het beroep van het college. In dit besluit wordt onder meer het volgende gesteld: “Overwegende dat de betekening van de beslissing van de bestendige deputatie gebeurde op 18 januari 2006; dat het beroep van het college van burgemeester en schepenen ingesteld werd binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing; Overwegende dat de aanvraagster stelt dat zij nooit het hoger beroep van de gemeente heeft ontvangen; dat de gemeente op dit punt geen verdere inlichting kan geven dan een door de post afgegeven overzichtstatus van een zending met streepjescode 01054128850045621400068896110 die te Antwerpen is uitgereikt op 13 februari 2006, evenwel zonder vermelding van naam en adres van de aangeschrevene; dat de post zelf, daartoe specifiek aangeschreven, evenmin in staat was uitsluitsel te geven inzake bestemmeling en tijdstip; dat de gemeente dus geen ‘gedateerd afgiftebewijs’ kan voorleggen, en dat de post niet kan aantonen dat de brief met die streepjescode daadwerkelijk aan de NV Vergimmo is besteld geweest; Overwegende dat in deze zaak dus onmogelijk uitsluitsel kan gegeven worden; dat dan ook een beoordeling ten gronde het resterende onpartijdige middel is om tot een beslissing te komen”. 4.
  13. Op 20 oktober 2008 vernietigt de Raad van State in zijn arrest nr. 187.173 het voormelde ministerieel besluit omdat de verwerende partij zich heeft uitgesproken over de gegrondheid van het administratief beroep zonder eerst de ontvankelijkheid van dat beroep te onderzoeken. X-14.357-3/10 4.
  14. Op 1 juli 2009 verwerpt de minister opnieuw het beroep van het college. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende gesteld wordt: “Overwegende dat de gemeente geen sluitend bewijs kan voorleggen dat de aanvrager tezelfdertijd bij aangetekend schrijven op de hoogte is gebracht van het hoger beroep; dat geen verdere inlichting kon verstrekt worden dan een door de post afgegeven overzichtstatus van een zending met streepjescode 01054128850045621400068896110 die te Antwerpen is uitgereikt op 13 februari 2006, evenwel zonder vermelding van naam en adres van de aangeschrevene; dat de post zelf, daartoe specifiek aangeschreven zowel door de gemeente als door de Vlaamse overheid, evenmin in staat is uitsluitsel te geven inzake bestemmeling en tijdstip; dat de post tenslotte op 9 december 2008 bevestigt dat het afgiftebewijs van de betrokken zending niet kan worden teruggevonden; dat de gemeente, die als beroepsindiener de bewijslast draagt, dan ook niet eenduidig kan aantonen dat de aanvrager bij aangetekende zending in kennis werd gesteld van het hoger beroep; Overwegende dat bij de voorbereiding van een herstellende beslissing na een vernietigingsarrest van een verleende vergunning op grond van het door de Raad van State ambtshalve opgeworpen middel dat de ontvankelijkheid van het beroep van het college van burgemeester en schepenen onvoldoende werd onderzocht, niet mag worden voorbijgegaan aan recente ontwikkelingen in de rechtspraak van de Raad van State; Overwegende dat de aan de gemeente en aan de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar opgelegde verplichting het bij de regering ingestelde beroep ‘terzelfder tijd’ ter kennis te brengen aan de aanvrager door de rechtspraak is uitgelegd als een letterlijk op te vatten verplichting om tegelijkertijd een afschrift van het beroep aan de aanvrager te bezorgen, waarbij de notificatie inderdaad dezelfde dag moet gebeuren als het beroep ingesteld wordt en het niet volstaat dat de achteraf gedane kennisgeving nog gebeurd is binnen de beroepstermijn van dertig dagen (...); dat de rechtspraak de betreffende bepaling bovendien heeft uitgelegd als zijnde de grondslag van de verplichting van het college van burgemeester en schepenen of de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar erover te waken dat de aanvrager effectief kennis krijgt van een afschrift van het beroepschrift binnen de wettelijke beroepstermijn van dertig dagen, omdat het ‘ter kennis brengen’ daadwerkelijk ‘kennis’ in hoofde van de aanvrager veronderstelt, zodat het niet volstaat dat het afschrift enkel binnen de beroepstermijn werd verstuurd (...); dat de rechtspraak er eveneens toe gekomen is te stellen dat een proceduregebrek door het bestuur niet kan worden rechtgezet in de loop van de administratieve procedure, voorafgaand aan de eindbeslissing (...); Overwegende dat de aan de gemeente en aan de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar opgelegde verplichting het bij de bij de regering ingestelde beroep ‘terzelfder tijd’ ter kennis te brengen van de aanvrager door de recente rechtspraak niet langer letterlijk wordt opgevat; dat heden inderdaad door een kamer van de Raad van State geoordeeld wordt dat het niet enkel is om de begunstigde van de beslissing waartegen beroep is ingesteld toe te laten zijn verdediging voor te bereiden dat het beroep hem moet betekend worden bij aangetekend schrijven, maar ook en vooral opdat hij kennis zou hebben van het schorsend gevolg van dit beroep, het is te zeggen het hem opgelegde verbod de beslissing waartegen beroep werd ingesteld tot uitvoering te brengen; dat in een concreet geval de Raad van State oordeelt dat in het hem voorgelegde geval dat betrekking had op een regularisatievergunning die geen enkele uitvoering inhoudt, alle doeleinden die beoogd worden door het vervullen van het substantieel vormvoorschrift dat het ‘terzelfder tijd’ kennisgeven van het beroep bij de regering aan de aanvrager oplegt, op een andere wijze dan X-14.357-4/10 voorgeschreven werden bereikt; dat naar het oordeel van de Raad van State de niet-naleving van dit vormvoorschrift in dat geval niet tot gevolg heeft gehad, hetzij de aanvrager te verhinderen zijn verweer op correcte wijze voor te bereiden of hem de waarborg te ontnemen dat het onderzoek van het beroep niet zal worden uitgevoerd in onwetendheid omtrent zijn standpunt, hetzij dat zijn onwetendheid over de schorsing hem er zou toe gebracht hebben de door de vergunning toegestane werken uit te voeren; dat in dergelijk geval de Raad van State er heden toe komt de verzoeker die zich nog op een letterlijke lezing beroept van vergelijkbare bepalingen geldend in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, het wettelijk vereiste belang bij ,het middel te ontzeggen (...). Overwegende dat deze evolutie in de rechtspraak wordt verklaard in een arrest uitgesproken door de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bestaande uit 8 Franstaligen en 8 Nederlandstaligen die zeer recent de vraag onderzocht of de ‘kennisgeving’ van het beroep aan de gemeentelijke overheid, uiterlijk de laatste dag van de beroepstermijn al of niet een substantiële vormvereiste is; dat naar het oordeel van de algemene vergadering om op die vraag te antwoorden, nagegaan moet worden wat het doel is van het vormvereiste en van de termijn waarbinnen het vervuld moet worden; dat volgens deze rechtspraak geen schending van een vormvoorschrift voorhanden is indien het doel van het vormvoorschrift ook werd bereikt op een andere wijze dan door de letterlijke naleving van het vormvoorschrift; dat ook een aantal arresten van de Xde kamer van de Raad van State deze opvatting huldigen met betrekking tot bepaalde vormvoorschriften opgelegd door de in deze toe te passen bepaling (...); dat evenwel niet kan worden voorbijgegaan aan een fundamenteel verschil tussen de door de Raad van State in het arrest nr. 187.587 van 31 juli 2008, in zake s.p.r.l. El Bitar toegepaste Ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de decretale bepalingen geldend in het Vlaamse gewest: anders dan de ordonnantie bepaalt artikel 53, §2, tweede lid uitdrukkelijk dat de kennisgeving van het beroep aan de aanvrager op straffe van nietigheid een afschrift van het beroepschrift bevat, waaruit blijkt op welke datum het beroep werd ingesteld en welke de redenen zijn waarop het beroep is gegrond, met de eventuele bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van het beroep en die er een integrerend deel van uitmaken; dat de toe te passen bepaling een vormvoorschrift inhoudt dat op straffe van nietigheid is opgelegd waaraan niet alsnog kan worden verholpen; dat de toe te passen bepaling op dit punt duidelijk en helder is en derhalve geen verdere interpretatie mogelijk maakt of toelaat; dat het door het college van burgemeester en schepenen ingesteld administratief beroep om die reden onontvankelijk dient verklaard”; 4.
  15. Op 3 september 2009 vorderen André Van Waes en Kristin Daniëls voor de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring van onder meer het bestreden besluit (zaak A. 193.853/X-14.358). Deze vordering tot schorsing is nog hangende. V. Ontvankelijkheid van de vordering
  16. De verwerende en tussenkomende partij betwisten de ontvankelijkheid van de vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak X-14.357-5/10 over deze excepties dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen te dezen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. Ernst van het enig middel Overeenkomstig artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 6.
  17. Uiteenzetting van het enig middel In het enig middel wordt de schending aangevoerd van artikel 53, §2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet). In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Doordat overeenkomstig artikel 53, §2 DRO beroep aangetekend kan worden door het college van Burgemeester en Schepenen tegen de beslissing van de bestendige deputatie over een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning op voorwaarde dat dit beroep terzelfder tijd ter kennis gebracht wordt aan zowel de Vlaamse regering als de aanvrager. Doordat de kennisgeving op zich niet op straffe van nietigheid wordt voorgeschreven; Terwijl in casu de bestreden beslissing aan deze kennisgeving wel degelijk de nietigheid als sanctie gekoppeld heeft; Zodat de bestreden beslissing, door het beroep onontvankelijk te verklaren, de in de aanhef van het middel opgesomde bepalingen schendt. TOELICHTING BIJ HET MIDDEL
  18. Artikel 53, §2 DRO vereist dat het instellen van een beroep tegen de beslissing van de Deputatie gepaard dient te gaan met een kennisgeving aan zowel de aanvrager als aan de Vlaamse regering.
  19. In casu oordeelde de Vlaamse Regering in de bestreden beslissing dat verzoekende partij bij het instellen van haar beroep een substantiële vormvereiste geschonden heeft aangezien zij geen ontvangstbewijs van de aangetekende zending gericht aan de aanvrager kan voorleggen. Zij besliste dan ook om deze reden tot de onontvankelijkheid van het beroep.
  20. Van belang is echter te melden dat in casu geen substantiële vormvereiste geschonden werd. De nietigheid waarvan sprake is in art. 53, §2 wordt gekoppeld aan de inhoud van de kennisgeving en niet aan de kennisgeving op zich. Artikel 53, §2 DRO luidt immers als volgt: ‘§2 Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Vlaamse regering in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige X-14.357-6/10 deputatie tot verlening van een vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse regering gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college. De kennisgeving aan de aanvrager bevat minstens: 1/op straffe van nietigheid een afschrift van het beroepschrift, waaruit blijkt op welke datum het beroep werd ingesteld en welke de redenen zijn waarop het beroep is gegrond, met eventuele bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaken;(...)’
  21. De wijze van kennisgeving op zich kan niet aanzien worden als een substantiële vormvereiste. Wel dient de kennisgeving op straffe van nietigheid bepaalde elementen te bevatten.
  22. In casu is er wel degelijk sprake geweest van een kennisgeving. Verzoekende partij verstuurde NV Vergimmo een brief waarin zij deze berichtte over de beslissing tot beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie. Dat het ontvangstbewijs van de aangetekende zending niet meer kan worden teruggevonden, valt ten zeerste te betreuren.
  23. Los van het feit of de verzending al dan niet aangetekend gebeurde, werd het doel van de kennisgeving in ieder geval bereikt. NV Vergimmo had wel degelijk kennis van het beroep ingesteld door verzoekende partij en dit om redenen dat zij is tussengekomen en door middel van een zeer uitvoerig schrijven haar argumenten aan de Vlaamse Overheid heeft kenbaar gemaakt. Bovendien heeft zij 3 x een hoorzitting bijgewoond. Zo vond een hoorzitting betreffende ‘Aanvraag tot het bouwen van een meergezinswoning, Vergimmo NV’ plaats op 26 januari 2009, op 2 februari 2009 en op 25 juni
  24. In de zaak met rolnummer A/A.187.908/X-13.744 waar enkele buurtbewoners het Ministerieel 2008 aanvechten, stelde eerste auditeur F. De BUEL in het auditoraatsverslag van 3 juni 2008 in zijn feitelijke uiteenzetting bovendien het volgende vast: ‘(...) In een 21 mei 2007 gedateerde brief stelt de tussenkomende partij aan voornoemde minister dat ‘hoewel wij geen officiële kennis hebben van enig beroep van de gemeente Schoten tegen de uitspraak van de Bestendige Deputatie, wij in de wandelgangen vernomen hebben dat dit toch het geval blijkt te zijn’ en ‘omdat we er aanhouden om de procedure correct te volgen, wij U willen vragen om in deze zaak gehoord te worden’.(...)’(...)
  25. Aanvrager kan dus in geen geval voorhouden dat zij niet op de hoogte was van het beroep dat door verzoekende partij was ingesteld.
  26. Van een schending van de kennisgeving kan dan ook geen sprake zijn wanneer het doel van deze kennisgeving werd bereikt. Ook Uw raad is deze mening toegedaan. Zij drukte het belang van het doel van een vormschrift dan ook uit in talrijke voorgaande arresten.
  27. Zo oordeelde Uw Raad in een arrest nr. 71.041 dat formaliteiten immers niet ter wille van zichzelf vervuld moeten worden, maar ter wille van het doel dat zij moeten dienen. Een schending van een wetsbepaling zal dan ook niet door de aanvrager kunnen worden ingeroepen wanneer, rekening houdende met het doel van deze wetsbepaling, de belangen van deze aanvrager niet werden geschaad.
  28. Het doel van art. 53, §2 bestaat erin te voorzien dat de aanvrager tijdig kan tussenkomen en haar argumenten kenbaar kan maken. Zij dient immers haar verdediging te kunnen voorbereiden en kennis krijgen van het schorsend gevolg van het beroep. Dat verzoekende partij geen bewijs van aangetekende kennisgeving aan de aanvrager kan voorleggen bij het instellen van haar X-14.357-7/10 beroep, volstaat op zich niet om van een belangenschade te kunnen spreken. Het doel van art. 53, §2 is wel degelijk bereikt.
  29. Bovendien is vereist dat bij het inroepen van een schending van een vormvoorschrift belangenschade wordt aangetoond. Op deze noodzaak werd door Uw Raad meermaals de nadruk gelegd. Zo besliste zij in arrest nr. 139.563 het volgende : ‘(...)Dat bovendien dient te worden vastgesteld dat verzoekende partij, noch in haar verzoekschrift, noch in haar toelichtende memorie, aangeeft op welke wijze de kennisgeving van het beroep van de gemachtigde ambtenaar enkel aan haar raadsman haar belangen zou hebben geschaad. Dat in de gegeven omstandigheden uit de kennisgeving van het beroep enkel aan de raadsman van de aanvrager niet kan worden afgeleid dat deze kennisgeving geschiedde met schending van artikel 53, §2 van het decreet betreffende ruimtelijk ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996; dat het middel niet gegrond is. (...)’(...)
  30. In arrest nr. 161.313 was eveneens niet aan alle vormvoorschriften van art. 53, §2 voldaan. Toch besliste Uw Raad dat geen sprake was van een schending aangezien het doel van de bepaling bereikt was: ‘(...) Dat de verzoekende partijen met hun raadsman op de voornoemde hoorzitting aanwezig waren en werden gehoord, zoals blijkt uit de bewoordingen van het bestreden besluit; Dat het bestuur aldus, ook al werden het administratief dossier en de inventaris ervan niet samen met het beroepschrift van de gemachtigde ambtenaar aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht, aan dat gebrek overeenkomstig artikel 53, §2, 3/, in fine, van het gecoördineerd decreet ruimtelijke ordening heeft verholpen; dat aan de finaliteit van die bepaling, met name dat de aanvrager op de hoorzitting met volledige kennis van zaken zijn standpunt kan uiteenzetten, lijkt te zijn voldaan; (...) dat de verzoekende partijen overigens niet aangeven, laat staan aannemelijk maken, dat zij van bepaalde stukken uit het dossier geen kennis konden nemen; dat in deze stand van het geding moet worden aangenomen dat de verzoekende partijen derhalve geen nuttig belang kunnen doen gelden bij het middel; dat het enige middel om die reden niet ernstig is.(...)’ (...)
  31. In het arrest nr. 111.484 oordeelde Uw Raad: ‘(...)Dat die termijn evenwel geen substantieel vormvoorschrift is; dat de niet-naleving van dat vormvoorschrift bijgevolg niet tot de vernietiging kan leiden indien de niet-naleving de betrokkene niet heeft benadeeld (...)’ (eigen onderlijning)
  32. Verzoekers wensen tevens te verwijzen naar een zeer vergelijkbaar geval, waarover Uw Raad reeds uitspraak deed. In bedoeld arrest oordeelde Uw Raad dat ondanks de laattijdige kennisgeving, het vormvoorschrift haar doel bereikt heeft en geen belangenschade werd aangetoond zodat de exceptie van de onontvankelijkheid niet kon worden aangenomen : ‘(...) Dat het vormvereiste tot doel heeft de gemeentelijke overheid in staat te stellen tijdig tussen te komen in de procedure om haar argumenten te doen gelden bij de Waalse Regering of de minister die deze machtigt; (...) (...) Dat de vertraging waarmee verzoeker de stad een kopie van zijn beroep heeft overgezonden, de verdediging van haar belangen geenszins in het gedrang heeft gebracht; dat de exceptie niet wordt aangenomen. (...)’(...)
  33. Bovengaande rechtspraak toont het belang aan van het doel van het vormvoorschrift dat bereikt dient te zijn en de bijhorende belangenschade die dient worden aangetoond. In casu is van een belangenschade geen sprake. Zowel mondeling als schriftelijk heeft de aanvrager zijn argumenten kunnen toelichten. Hij heeft zijn standpunt op voldoende wijze kenbaar kunnen maken. X-14.357-8/10 Het beroep werd trouwens op ontvankelijke wijze ingesteld door verzoekende partij en de werken werden nooit gestart.
  34. De bestreden beslissing besliste dan ook onterecht tot de onontvankelijkheid van het beroep dat door verzoekende partij werd ingesteld. De Vlaamse Minister heeft nagelaten belangenschade aan te tonen alsook uiteen te zetten dat het doel van het vormvoorschrift, met name de kennisgeving, niet bereikt is.
  35. De bestreden beslissing schendt de in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen en dient bijgevolg in eerste instantie geschorst, en vervolgens vernietigd te worden”. 6.
  36. Beoordeling 6.2.
  37. Artikel 53, §2, 1e, 4e en 6e lid van het gecoördineerde decreet luidt als volgt: “Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Vlaamse regering in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van een vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse regering gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college. (...) De aanvrager kan bij de Vlaamse regering in beroep gaan bij gebreke van een beslissing van de bestendige deputatie, na afloop van de termijn waarbinnen deze plaats moest hebben. Dit beroep wordt bij een ter post aangetekende brief gezonden aan de Vlaamse regering, die een afschrift ervan aan het college en de bestendige deputatie stuurt binnen vijf dagen na ontvangst. (...) Van de beslissing van de Vlaamse regering wordt aan de partijen kennis gegeven binnen zestig dagen na afgifte bij de post van de aangetekende zending die het beroep bevat. Ingeval de partijen worden gehoord, wordt de termijn met vijftien dagen verlengd. Bij gebreke kan de aanvrager de zaak bij aangetekende brief aan de Vlaamse regering rappeleren”. Uit de aangehaalde decretale bepaling volgt dat het beroep bij de Vlaamse regering aangetekend ter post wordt verstuurd. 6.2.
  38. Uit de dubbele verplichting, eensdeels, het beroep bij aangetekend schrijven in te stellen, anderdeels, het beroep terzelfder tijd ter kennis te brengen van de aanvrager, vloeit voort dat de laatstgenoemde kennisgeving eveneens bij aangetekend schrijven moet gebeuren, aangezien de bouwaanvrager, ten aanzien van de aanzegging van het beroep, op gelijke voet moet worden gesteld met de minister. In onderhavige zaak stelt de aanvrager dat hij het beroepsschrift van het college van burgemeester en schepenen niet ontvangen heeft. De X-14.357-9/10 verzoekende partij betwist de overweging van het bestreden besluit niet volgens welke “de gemeente geen sluitend bewijs kan voorleggen dat de aanvrager terzelfdertijd bij aangetekend schrijven op de hoogte is gebracht”. In de gegeven omstandigheden leidt het gebrek aan kennisgeving aan de aanvrager bij een ter post aangetekende zending op het eerste gezicht op zich tot de onontvankelijkheid van het beroep, waarbij het niet ter zake doet of “het doel van de kennisgeving in ieder geval bereikt werd”, zoals in het middel opgeworden wordt. 6.2.
  39. Het enig middel is niet ernstig. 6.2.
  40. Er is niet voldaan aan één van de door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het eerste bestreden besluit te bevelen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
  41. Het verzoek van de n.v. Vergimmo tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
  42. De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht december 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens. Jan Clement. X-14.357-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.647 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.215.190 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.