← België

Arrest 198663 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 08/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.663 Rolnummer: A. 154267/X-12001 Zaak: Arrest 198663 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 08/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-16 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:00 Fiche Arrest nr 198.663 van 8 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 198.663 van 8 december 2009 in de zaak A. 154.267/X-12.

  1. In zake:
  2. Paul GROOTJANS
  3. Erna WERBROUCK
  4. Corinne GROOTJANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thierry Hoschet kantoor houdend te 3000 LEUVEN Sint-Maartenstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 BRUGGE Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp
  5. Het verzoekschrift, ingediend op 29 juli 2004, strekt tot het vorderen, op grond van artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, van een herstelvergoeding voor buitengewone schade van “114.500 EUR meer vergoedende sedert 25.3.2004, zijnde de datum van de verkoop van de woning inclusief koetshuis en tuin, minstens de gerechtelijke intresten vanaf de indiening van het verzoek, hetzij 25.5.2004”. II. Verloop van de rechtspleging
  6. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. X-12.001-1/6 De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 september
  7. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Belinda Moschion, die loco advocaat Thierry Hoschet verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Pieter Jan Staelens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. III. Feiten
  9. Tot aan de verkoop ervan op 25 maart 2004, waren de verzoekende partijen onverdeelde eigenaars van een sedert 1943 als monument beschermd herenhuis, een koetshuis en een tuin, genaamd “De Bloempot”, gelegen aan de Koning Albertstraat 38 te Diest.
  10. Bij besluit van 4 december 2003 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken, wordt ook de tuin van het beschermde pand als monument beschermd wegens zijn historische waarde.
  11. De verzoekende partijen hebben in het kader van de voorafgaande beschermingsprocedure, waarin hen het voorlopig beschermingsbesluit van 10 oktober 2002 werd betekend, geen bezwaarschrift ingediend. Zij hebben evenmin na de betekening van het voormelde besluit van 4 december 2003 een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State ingediend. X-12.001-2/6
  12. De verzoekende partijen hebben de genoemde minister naar aanleiding van het laatstgenoemde ministerieel besluit bij aangetekend schrijven van 30 april 2004 wel verzocht het thans gevorderde bedrag te betalen als herstelvergoeding voor buitengewone schade. Met een schrijven van 3 juni 2004 antwoordt de minister dat “onze wetgeving geen mogelijkheid voorziet tot schadeloosstelling” en dat “er mogelijkheid (was) om tijdens de beschermingsprocedure bezwaar aan te tekenen en/of in beroep te gaan bij de Raad van State. Indertijd werd evenwel niet gereageerd zodat de procedure ongewijzigd werd verder gezet”.
  13. Het betrokken perceel ligt volgens het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Aarschot-Diest in woongebied met culturele, historische en/of esthetische waarde. Het ligt tevens in een multifunctionele zone S2 volgens het bij ministerieel besluit van 10 maart 1995 goedgekeurde B.P.A. “De Demer”. IV. Ontvankelijkheid Standpunt van de partijen
  14. De verzoekende partijen betogen dat het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten geen vergoeding voorziet voor de eigenaar die een waardevermindering ondergaat als gevolg van een besluit tot bescherming als monument van zijn onroerend goed. Zij stellen dat zij door het voormelde beschermingsbesluit van 4 december 2003 de gevorderde waardevermindering van hun onroerend goed ondergaan omdat het statuut van bouwgrond dat het onroerend goed had volgens de bestemming en voorschriften van het B.P.A. “De Demer” door dat besluit “werd afgenomen”. Dat beschermingsbesluit komt volgens hen neer op “een de facto onteigening dan wel een totale wijziging van bestemming van het onroerend goed”. De verzoekende partijen voeren nog aan dat zij “de administratieve overheid geen verwijt (kunnen) maken over de gevolgde procedure die geleid heeft tot de uiteindelijke beslissing en klassering van het goed nu, voor zover zij konden nagaan, aan alle wettelijke vereisten werd voldaan, zodanig dat in tegenstelling (tot) hetgeen de overheid voorhoudt een annulatieberoep bij de Raad van State zonder voorwerp zou zijn geweest bij gebrek aan rechtsmiddelen” en dat het beschermingsbesluit “een beleidsbeslissing (betreft) en het niet behoort tot de X-12.001-3/6 bevoegdheid van de Raad van State zich te mengen dan wel in de plaats te zetten van de overheid en een welbepaalde beslissing te herzien”.
  15. De verwerende partij laat onder meer gelden dat de verzoekende partijen “blijkbaar geen bezwaren (hadden) tegen de bescherming als monument” waardoor “de beschermingsprocedure ongewijzigd (werd) verder gezet”, en dat “dit onbenut laten van het openbaar onderzoek (...) er uiteraard niet toe (kan) leiden dat de formulering van een bezwaar of nadeel in een verzoekschrift voor de Raad van State kan omgebogen worden in ‘buitengewone schade’”.
  16. De verzoekende partijen antwoorden dat “nu de facto bij gebrek aan enige procedurefouten, er geen enkele wettelijke grond was voor verzoekers om bezwaar in te dienen nu men als burger geen verhaal heeft tegen het gevoerde beleid van een overheid voor zover uitgevoerd binnen de grenzen van de bevoegdheden en de terzake geldende bepalingen” en “de betrokken overheid haar bevoegdheden (niet) heeft overschreden noch (...) enig misbruik zou gemaakt hebben van haar bevoegdheden, hetgeen echter niet uitsluit dat zij door dit handelen van de overheid, schade hebben geleden”. Voorts voeren zij aan dat “ingevolge de bescherming van de tuin, (...) het argument van het statuut van bouwgrond niet meer gebruikt (kon) worden als verkoopsargument, hetgeen (...) tot een effectieve minwaarde van het perceel heeft geleid bij de verkoop ervan”, en dat “de verandering in de bestemming van (hun) eigendom het noodzakelijk gevolg is van (het) door het betrokken overheid toegewezen beschermd statuut”. In de laatste memorie laten de verzoekende partijen nog gelden dat het beschermingsbesluit een beleidsbeslissing is die “in zoverre zij conform de terzake geldende bepalingen werd uitgevaardigd (...) niet (kan) worden aangevochten voor de gewone rechtbanken noch het voorwerp uitmaken van een annulatieberoep” en dat “door te erkennen dat de bestemming van het goed de facto werd gewijzigd (...) de auditeur het abnormaal karakter van de gevolgen, en derhalve de schade die deze beslissing met zich meebracht voor verzoekers, erkent”. Beoordeling
  17. De vordering tot herstelvergoeding voor buitengewone schade is slechts ontvankelijk na uitputting van alle rechtsmiddelen die kunnen leiden tot de wijziging, het uitstel of de vernietiging van de schadeverwekkende handeling. Uit de feitenuiteenzetting blijkt dat de verzoekende partijen geen beroep tot X-12.001-4/6 nietigverklaring hebben ingesteld tegen het beschermingsbesluit van 4 december 2003 dat, anders dan de verzoekende partijen menen, een voor nietigverklaring vatbare bestuurshandeling is waarvan de beoordeling tot de rechtsmacht van de Raad van State behoort. De verzoekende partijen kunnen niet doen gelden, ter verantwoording van het afzien van een annulatieberoep bij de Raad van State, dat het beschermingsbesluit “aan alle wettelijke vereisten” voldoet en tezelfdertijd, ter verantwoording van de huidige vordering, voorhouden dat dit besluit de uitvoering van de bestemmingsvoorschriften van het voormelde B.P.A. “De Demer” onmogelijk maakt. In die omstandigheden blijkt niet, noch is aannemelijk gemaakt dat het niet instellen van een annulatieberoep tegen de schadeverwekkende bestuurshandeling werd ingegeven door de vaststelling dat de verzoekende partijen de wettigheid van deze griefhoudende akte redelijkerwijze niet in vraag konden stellen. Derhalve zijn niet alle voorafgaande rechtsmiddelen die redelijkerwijze konden worden aangewend, uitgeput. Ambtshalve wordt vastgesteld dat de vordering niet ontvankelijk is. BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt de eis tot herstelvergoeding voor buitengewone schade.
  19. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de eis tot herstelvergoeding voor buitengewone schade, begroot op 525 euro, elk voor een derde. X-12.001-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht december 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, met bijstand van Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-12.001-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.663 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.