← België

Arrest 198664 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.664 Rolnummer: A. 129497/X-11187 Zaak: Arrest 198664 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-16 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 04:00 Fiche Arrest nr 198.664 van 8 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping heropening debatten Afstand Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 198.664 van 8 december 2009 in de zaak A. 129.497/X-11.187. In zake: 1. Marina APERS 2. Dianne CANT 3. Jean MALCORPS (overleden) rechtsgeding hervat door 1. Hilde ORLEANS 2. Denis MALCORPS 3. Christof MALCORPS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Matthias Storme kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: 1. de gemeente BEVEREN 2. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Sebreghts kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Mechelsesteenweg 27 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de n.v. M.S.C. TERMINAL ANTWERP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Herman Lange kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN Schermersstraat 30 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 19 november 2002, strekt tot de nietigverklaring van een “op 9 september 2002 (...) door het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Beveren (verleende) bouwvergunning (...) tot het oprichten van een containerterminal westkant Deurganckdok op het terrein te Beveren-Doel, met als adres Doel westkant Deurganckdok en met als X-11.187-1/27 kadastrale omschrijving: Beveren 7 afd (Doel), sectie B nrs 895, sectie C, nr. 246 C”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 118.728 van 28 april 2003 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De eerste en de derde verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de eerste en de derde verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 3 september 2003. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Chantal Bamps heeft een verslag opgesteld. De eerste en de derde verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. Uit het uittreksel uit het register der overlijdensakten van de stad Sint-Niklaas blijkt dat Jean MALCORPS is overleden op 27 april 2009. Op 28 mei 2009 dienen Hilde ORLEANS, Denis MALCORPS en Christof MALCORPS een verzoek tot gedinghervatting in. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 september 2009. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthias Storme, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Floris Sebreghts, die loco advocaat Hugo Sebreghts verschijnt X-11.187-2/27 voor de verwerende partijen, en advocaat Laurence Van Strydonck, die loco advocaat Herman Lange verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Eylenbosch heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Voor wat betreft de feitelijke gegevens van de zaak, kan worden volstaan met een verwijzing naar de uiteenzetting ervan in het hiervoor vermelde arrest nr. 118.728 van 28 april 2003. IV. De regelmatigheid van de rechtspleging 4. De hoofdgriffier heeft bij de kennisgeving aan de verzoekende partijen van het arrest houdende verwerping van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit melding gemaakt van artikel 17, § 4ter van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 15ter, § 1 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kortgeding voor de Raad van State. Naar luid van het voornoemde artikel 17, § 4ter geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest. De tweede verzoekster, Dianne CANT, heeft geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest. Op grond van het voornoemde artikel 15ter, § 1 spreekt de kamer de afstand van geding uit, tenzij zij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord. De tweede verzoekster heeft niet gevraagd om te worden gehoord. De afstand van het geding wordt in haren hoofde vastgesteld. X-11.187-3/27 V. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 5. In het verzoekschrift tot nietigverklaring zetten de verzoekende partijen hun belang bij de nietigverklaring van het bestreden besluit uiteen als volgt: “1. Positie van verzoekers. Verzoekster Apers is inwoner van Doel. Zij is eigenaar van het huis dat zij bewoont in de dorpskern, Scheldemolenstraat 61, 9130 DOEL. Zij bewoont dit met haar echtgenoot en twee kleine kinderen (net 13 en 8 jaar). Zij is des te meer getroffen daar ze voorheen reeds onteigend werd en uit haar huis gezet voor de bouw van de Waaslandhaven op het grondgebied van Kallo). Verzoekster Cant is eigenares van gronden boven de Verkortingsdijk die met verdroging bedreigd zijn door de bestreden vergunning. Zij is eigenares van sectie B, percelen nr. 641a, 641b en 641c. Aanpalend aan deze grond in eigendom pacht verzoekster nog de grond sectie B nrs. 639a (eigendom van haar ouders), zodat zij aldaar een aaneengesloten landbouwgrond uitbaat van ongeveer 3 ha. Deze gronden situeren zich een 120 meter boven de Verkortingsdijk en dus van de werken. De gronden ‘onder’ de Verkortingsdijk worden verhoogd tot 11 m T.A.W. Momenteel tracht men mevrouw Cant te onteigenen, en aldus ook diens gronden op te spuiten om er de zgn. leefbaarheidsbuffer te plaatsten. De gronden worden nu reeds met vernietiging bedreigd door opspuiting van nabijgelegen gronden en zullen blijvend vernatten door doorsijpelend perswater en kwelwater. Dergelijke opspuitingen hebben een blijvend effect op de bodem, bodemwater, fauna, flora, landschap en de mens. Eén en ander leidt onvermijdelijk tot verzilting en verontreiniging van het poldergebied en dus van de gronden van verzoekster Cant. Dit kan niet worden ontkend. Een verschil van 9 meter hoogte in gronden leidt uiteraard tot een ganse verandering van de ecologische en landbouwkundige situatie en leidt tot een verslechtering van de kwaliteit van de grond van verzoekster Cant. Verzoeker Malcorps woont in Doel sinds 1993. Hij is eigenaar van zijn huis. Hij woont er met zijn vrouw en twee zonen (12 en 14 jaar). Zijn woning is gelegen in de Camermanstraat, aan het uiteinde van het dorp, en zijn achtergevel kijkt uit op de werken. 2. Belangen waarin verzoekers zijn geschaad. Verzoekers verdedigen rechtmatige belangen die bedreigd worden door de bestreden beslissing, meer bepaald de volgende:

  1. a)Het belang bij de bescherming tegen van hun woonklimaat, leefmilieu, gezondheid en veiligheid. Dat dit belang rechtens wordt beschermd, blijkt onder meer uit art. 23 van de Grondwet, in het bijzonder lid 4, en art. 12 internationaal Verdrag economische, sociale en culturele rechten, New York 19 december 1966, geratificeerd bij wet van 15 mei 1981 en bij decreet van de Vlaamse Raad van 25 januari 1983, en uit art. 8 van het EVRM, dat uitdrukkelijk ook mede de eerbiediging van de woonst (‘eerbiediging van zijn huis’) omvat. Bovendien hebben de Vlaamse overheden krachtens art. 1.2.1. van het Vlaams decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid jegens onder meer verzoekers de verplichting om in al hun beslissingen een hoog niveau te garanderen van bescherming van mens en milieu - en in het bijzonder van de ecosystemen die betrekking hebben op de voedselvoorziening, de gezondheid en de andere aspecten van het menselijk leven - tegen milieuverontreiniging of X-11.187-4/27 onttrekking (van bodem, water, lucht of licht). De bestreden beslissing en de daardoor vergunde werken tasten in het bijzonder het persoonlijk leefmilieu en ecosysteem van verzoekers aan, aangezien zij als bewoner c.q. ondernemer van de zowel rechtstreeks als onrechtstreeks bedreigde zones in het bijzonder getroffen worden door die beslissing. Concreet maken de genoemde bepalingen dat verzoekers het recht hebben zich te verzetten tegen maatregelen die het woonklimaat of leefmilieu aantasten, zij het omdat daardoor het algemeen leefklimaat wordt aangetast, zij het omdat daardoor specifieke natuurwaarden in de buurt worden vernietigd (natuurgebied, vogelgebied, habitats, enz.), alsook het recht zich te verzetten tegen maatregelen die de gezondheid en veiligheid in het gedrang brengen, in casu de bouw van een containerterminal op enkele honderden meters van het dorp en binnen de perimeter van 1800 meter van een kerncentrale (waarbij het dorp tussen de terminal en de kerncentrale ligt). Zie ook punt d).
  2. b)Verzoekers zijn ook in belangen getroffen door het gebrek aan rechtszekerheid, dat op zijn beurt de leefbaarheid van het dorp waar zij wonen ernstig bedreigt. Enerzijds werd het definitief behoud van de woonkern Doel in 1976 vastgelegd in een gewestplan met als uitdrukkelijke motivering de rechtszekerheid, en dit in overeenstemming met de wil van de wetgever (parlementair verslag-Bode, zoals hoger aangehaald in de feiten) - gewestplan dat door de schorsing van dat van 1999 en de onwettigheid van het Gewestplanbesluit van 8 september 2000 op dit ogenblik nog steeds geldend is. Het gaat niet op om deze zekerheid reeds na een relatief korte tijdspanne (20 jaar in een mensenleven) weer in te trekken; het is de voorgespiegelde rechtszekerheid die de bewoners ertoe heeft gebracht in Doel te investeren, voor velen onder hen nadat zij reeds elders uit hun huizen waren verjaagd door de oprukkende haven, soms zelfs reeds tweemaal eerder! Anderzijds is de salamitactiek die de overheid volgt in dit dossier, waarmee men de bewoners voor voldongen feiten probeert te stellen en het hen onmogelijk probeert te maken om de bescherming van hun rechten als één geheel aan de rechter voor te leggen, een manifeste aantasting van het recht op rechtszekerheid en op een effectieve rechtsbescherming. De diverse Vlaamse overheden voeren een uitputtingsslag tegen eisers, waarvan zij perfect weten dat eisers dit moreel en financieel nooit zolang kunnen volhouden als verweerders, die onbeperkte financiële en andere middelen hebben. De overheid blijft maar beslissingen nemen opgedeeld in afzonderlijke deelbeslissingen, zonder dat tegelijkertijd de nodige maatregelen worden genomen om het voortbestaan en de leefbaarheid van het dorp voor de toekomst te garanderen. Zoals de leefbaarheidsstudie heeft aangetoond, vormen dit soort ‘halve’ beslissingen op zichzelf een reële psychologische bedreiging en aan aantasting van de socio-economische leefbaarheid van het dorp van verzoekers. Ook in de bestreden vergunning vindt men deze salamitactiek terug: verschillende gebouwen zullen het voorwerp uitmaken van een aparte aanvraag.
  3. c)Verzoekers worden verder getroffen in hun eigendommen, en hebben vanzelfsprekend een voldoende belang zodra hun eigendomsrecht wordt geschonden door hinder die de normale ongemakken van nabuurschap overschrijdt.
  4. d)Aantasting van de rustige, veilige en gezonde bewoning van de woonkern Doel, van een sociaal, gezond en veilig leefmilieu en van het eigendomsrecht van verzoekers - concrete aantastingen. Naast de precieze inplanting van de kaaimuren is tevens de vestiging van het dichtst gelegen bedrijf essentieel voor de overgebleven alternatieven in verband met de verdere beslissingen rond Doel. De leefbaarheid van Doel is onder bepaalde voorwaarden combineerbaar met het Deurganckdok (en de exploitatie X-11.187-5/27 ervan). Dit veronderstelt evenwel dat de containerterminal (bestreden vergunning) eerst begint te lopen op een afstand van circa 800 meter van de Schelde. Voorbij de eerste 800 meter neemt de schadelijkheid voor verzoekers van de werken waarover het hier gaat af. Het Vlaams Gewest, evenals lagere overheden, hebben evenwel geenszins de bedoeling om het alternatief van het behoud van Doel in rekening te brengen en proberen met alle macht en middelen de zaak te forceren. Zo legt men, middels de bestreden beslissing, de terminal pal onder het dorp. De werken zijn dus allesbehalve onschuldig: met name betreft de oprichting van een reusachtig bedrijf dat de leefbaarheid van Doel wel degelijk aantast. Het Vlaams Gewest voert gedurende nu al vier jaren de salamitactiek van de voldongen feiten: zij probeert voortdurend enerzijds te stellen dat elke aanvechting van beslissingen of handelingen voorbarig is, om telkens wanneer een bepaalde beslissing niet is aangevochten of daartegen geen uitspraak werd bekomen, daaruit een argument te putten om de plannen te verdedigen en te stellen dat zij daar nu niet meer op kunnen terugkomen, aangezien het te laat is. De bestreden beslissing beoogt enkel en alleen de uitvoering mogelijk te maken van de princiepsbeslissing van 20-1-1998, door de uitvoering waarvan het woongebied met culturele, historische en/of esthetische waarde van Doel -en daarmee ook de bewoonbaarheid van de woningen van eerste verzoeker- onherstelbaar en onomkeerbaar worden beschadigd. De opspuiting en aanleg van industriezones, de inplanting van een containerterminal, de wegenontsluiting, de verkeerstoename e.d.m. tasten de leefbaarheid van Doel en omgeving merkelijk aan. In bijlage 6 van de aan de beslissing van 20-1-1998 voorafgaande nota aan de Vlaamse regering (‘Containerdok-west: samenvatting leefbaarheidsstudie Doel’) komt men tot volgende conclusie: ‘Er dient dan ook besloten te worden dat de leefbaarheid van Doel bij uitbreiding van de Waaslandhaven boven het Doeldok niet verder kan worden gegarandeerd’. De princiepsbeslissing van 20-1-1998 stelde verder vast (onderdeel 1.4) ‘dat de leefbaarheid van de deelgemeente Doel niet kan gewaarborgd worden en verder achteruit gaat naarmate de industrialisatie voortschrijdt’. Gezien deze vaststellingen in die voorafgaande beslissing zelf staat schade die de door de bestreden beslissing vergunde werken wordt veroorzaakt, buiten twijfel. De genoemde beslissing van 20-1-1998 wijst op de sterk verminderde leefbaarheid die zal voortvloeien uit de geluidshinder, de (nachtelijke) lichthinder, de verkeersoverlast, de luchtvervuiling, en de vernieling van de natuurlijke en landschappelijke omgeving. Deze worden allen door de bestreden beslissing veroorzaakt (...). Het gaat hier niet op de eerste plaats om een financieel nadeel (dat immers nog herstelbaar zou kunnen zijn), maar om de menselijke en morele schade die aan verzoekers en alle betrokkenen wordt aangericht. In de beslissingen van de Vlaamse Regering staat nog steeds te lezen dat ‘Na grondige analyse van de verschillende milieuaspecten die de leefbaarheid van Doel beïnvloeden, moet worden geconcludeerd dat de leefbaarheid bij de inplanting van het ‘Containerdok-west’ volgens alle alternatieven en ook alternatief A 76 voor de landschappelijke effecten en de gezondheids- en veiligheidsaspecten van de bewoners van Doel in zekere mate zal worden aangetast’. Dit is de conclusie van de leefbaarheidsstudie die in opdracht van het Vlaams gewest werd uitgevoerd en waarop de Vlaamse Regering zich heeft gegrond in haar princiepsbeslissing van 20 januari 1998 (toelichting, punt 9). In de princiepsbeslissing zelf staat het nog duidelijker, namelijk onder punt 1.4.: ‘dat de leefbaarheid van de gemeente Doel ingrijpend wijzigt door de bouw van het Containerdok-West’. De recente leefbaarheidsstudie van april X-11.187-6/27 2000 komt tot de conclusie dat de leefbaarheid slechts kan worden gegarandeerd mits milderende maatregelen en spoedige rechtszekere garanties voor de toekomst op middellange termijn.
  5. e)Bouwvergunning Heel concreet brengen ook de nu reeds aangevatte werken nadelen mee omwille van de volgende feiten, specifiek voor: - de getroffen gebieden die op het nog steeds geldende gewestplan van 1978 wel al industriegebied waren, waren in werkelijkheid over een relatief grote afstand rustige gebieden zonder daadwerkelijke industrie, zodat ook de werken die daar plaatsvinden het leefmilieu van eisers ingrijpend wijzigen; - de werken omvatten nu ernstige bijkomende ophoging van de in bouwplan aangeduide terreinen rondom het dok: het terrein van ongeveer 100 hectaren zal verlopen van 9,00 m T.A.W. ter plaatse van de kademuur naar 11,00 T.A.W. zodat de werken dus belangrijke grondverplaatsingen en ophogingen omvatten - er is de lawaaihinder. Ze is afkomstig van de graafmachines op- en afrijdende vrachtwagens, grondverzet, en andere verticale elementen voor de kaaimuren en de oeverversteviging, e.d.m. Het gaat hier om lawaaihinder in de grootte-orde van 70-80 dB, waar een woongebeid een stiltegebied is waar het geluidsniveau normaal slechts 40 à 45 dB mag bedragen. Deze lawaaihinder zal er uiteraard ook zijn tijdens de exploitatie. - de aanleg ter hoogte van de Schelde-oever vernielt het jaagpad, dat de fiets- en wandelverbinding vormt tussen Doel en Kallo. Dit betekent dat de bewoners van Doel voor dergelijke verplaatsingen een omweg van vele kilometers moeten maken; - het doorbreken van de autoverbinding over de weg genaamd ‘Het geslecht’ (reeds gebeurd), die eveneens de kortste autoverbinding vormt naar Kallo, zowel als naar Antwerpen en naar de autosnelwegen in het algemeen, vermindert ook de bereikbaarheid van Doel per auto met vele kilometers, en wordt bestendigd door de bestreden beslissing. Deze weg werd tot voor de onderbreking dagelijks gebruikt door de bewoners. De voorlopige nieuwe ringweg is een zeer onhandige en bijzonder lange omweg. Intussen wordt een belangrijke schakel in het wegennet van de gemeente Beveren doorgeknipt. - dit betekent ook dat de enige vluchtweg die, in geval van een incident met de kerncentrale van Doel, de bewoners onmiddellijk van de kerncentrale kan verwijderen, met ettelijke kilometers wordt verlengd (de andere toegangsweg, nl. de Engelse steenweg, kan moeilijk als vluchtweg gelden, aangezien men daardoor juist binnen dezelfde perimeter van de kerncentrale blijft); - de werken veroorzaken verkeershinder in een voorheen op dat vlak zeer rustig gebied, en een aantasting van de veiligheid van verzoekers; door de bulldozers e.d. wordt er roekeloos gereden en de verkeersveiligheid ernstig aangetast; - het uitzicht wordt geschonden. De esthetische schade van deze werken was trouwens de reden voor een negatief advies over een bouwvergunning voor het Deurganckdok zelf voorheen uitgebracht door de cel monumenten en landschappen van AROHM Oost-Vlaanderen. Dit uitzicht wordt uiteraard ook door de bestreden beslissing ernstig geschonden (bijv. door de vele kranen o.a. met een hoogte van 106 m.). - de wandeldijken langs de Zeeschelde tussen Kallo, en Doel, de binnenwegen zoals het Geslecht e.d. hebben een grote recreatieve en natuureducatieve waarde, die door de vergunde werken wordt vernield. - tevens vervalt de feitelijke mogelijkheid om van Doel naar Fort liefkenshoek te wandelen, door de aansluiting van de terminal met de oever van de Schelde. - in de bouwvergunning worden t.a.v. de woonzone niet de vereiste milderende maatregelen opgelegd, wat in strijd is met de eisen van de rechtszekerheid, nu in alle voorbereidende stukken werd bepaald dat mits X-11.187-7/27 milderende maatregelen de leefbaarheid van het dorp wellicht kan worden behouden. Er wordt enkel verwezen naar de leefbaarheidsbuffer die zou worden aangelegd (Bouwvergunning C bekrachtigd bij decreet dd. 29 maart 2002). De (on)leefbaarheidsbuffer tussen Doel en het Deurganckdok ligt op een steenworp van de woning van verzoekers. Deze zandheuvel betekent niet alleen sociale isolatie, doch de aanleg ervan is tevens een onmiddellijk gevaar voor de veiligheid. De aanleg van een berg van 24m. op hydraulische wijze brengt immers een zeer reëel en zeer groot gevaar op voor dijkdoorbraken. In het verleden hebben zich reeds dergelijke problemen voorgedaan, bv. in 1987 met de dijkdoorbraak aan de kerncentrale). Tevens zullen de nabijgelegen gronden en huizen (Doeldorp - eerste en derde verzoekers wonen zeer dicht bij de buffer) ongetwijfeld te kampen krijgen met wateroverlast en mogelijks met verzakkingen en afspoeling van zulk een grote en hoge onstabiele grondmassa. Er (zal) tevens een groot visueel nadeel en een verbreking van de ruimtelijke lokale draagkracht (...) ontstaan door de aanleg van een leefbaarheidsbuffer van 24,5 TAW. (!) hoog, dit is dubbel zo hoog als de kruin van de Verkortingdijk na de geplande ophoging ingevolge de bouwvergunning van 13 juni 2000 (voorziet 11 m. + TAW kruinhoogte). Hierbij moet worden opgemerkt dat de polders en de woningen van verzoekers op ong. 3 à 4 TAW liggen. Door zijn te dichte ligging en zijn concept, wordt de buffer als bedreigend ervaren (zie ook het advies van het College van Burgemeester en Schepenen Beveren hieromtrent). (...) - daarnaast is het zo dat de vergunning te maken heeft met grootschalige infrastructurele werken, zoals opbreken van jaagpad, aanleg van wegen, spoorwegen en bijhorende bruggen, waardoor veel verkeer en lawaai zal ontstaan van voertuigen die materiaal op- en afvoeren, van pompinstallaties, grondmachines voor het grondverzet (bulldozers, kranen, ...). Dat het landschap zowel binnendijks als buitendijks helemaal zal wijzigen, aanleg van nieuwe wegen, ... waardoor de relatieve rust van voorheen zal verdwijnen, want schorren, braakliggende vlaktes, velden en weiden naast de Verkortingsdijk, enz. waren anders maar gebieden waar weinig mensen kwamen (ornithologen, wandelaars jaagpad, toezichthouders, landbouwers, toeristen, enz.). De vergunde wegenwerken zullen het gebied ook versnipperen en relatief onveilig en vervuilend maken door de enorme toename van het verkeer dat onvermijdelijk zal ontstaan.
  6. f)Landschap, visuele hinder en lichthinder. Aldus dreigt een ganse metamorfose, zowel visueel-landschappelijk als kwalitatief. In verband met de schade aan het landschap en het uitzicht kan men vooropstellen: - de Scheldedijk verdwijnt; - de onherstelbare opspuiting van ongeveer honderd hectaren poldergrond tot 11 m. TAW; Dus er ontstaat een echt inkuipingseffect, dat een visueel nadeel is. Dat effect zal ook na de bouwwerken dagelijks merkbaar zijn zowel vanaf de woning en tuinen, als vanaf de openbare wegen enz. Bovendien houden de vergunde werken de installatie in van immense kranen:

(1)13 containerkranen op de kade met een bouwhoogte van ca. 71 m. met bewegende delen die een hoogte van ca. 106 m. kunnen bereiken;
(2)3 kranen over de spoorbundel (5 sporen) met een bouwhoogte van ca. 24 m. Verzoeker Malcorps kijkt hierop uit. Er wordt ook voorzien in de bouw van 35 rolbrugconstructies, elk uitgerust met 2 rolbruggen voor de stapeling van volle containers tot 4 lagen hoog; de hoogte daarvan bedraagt ca. 15 m. en de bewegende delen bereiken een hoogte van max. 38,5 m. X-11.187-8/27 Tenslotte worden nog verlichtingsmasten van 30 m. hoog en verlichtingspalen van 12 m. hoog langs de parallelle wegen gebouwd. Dit alles situeert zich op ongeveer enkele honderden meters van de woningen van verzoekers en wetende dat de polders en de woningen nu liggen op ong. 3 à 4 + TAW... Verzoeker Malcorps woont in de Camerstraat en kijkt, langs de achterkant, uit op de werken en op de op te richten infrastructuur. Uit een simulatie, gedaan op verzoek van MSC, blijkt hoe de omgeving er zal uitzien (...) en hoe het uitzicht zal zijn. Zelfs de onleefbaarheidsbuffer (24,5 TAW) zal niet kunnen vermijden dat de kranen tot 106 m perfect zichtbaar zullen blijven en een dreigend gevoel zullen creëren. Tenslotte zal één en ander nog verergeren door de lichtmasten van 30m hoogte die tevens ernstige lichtpollutie inhouden.
  1. g)Nucleair risico De gezondheid en veiligheid van verzoekers wordt in het bijzonder bedreigd doordat de werken voor een deel plaatsvinden binnen een perimeter van 1800 meter van de kerncentrale en de installatie beogen van activiteiten die volgens algemeen aanvaarde normen niet mogen plaatsvinden binnen deze perimeter, namelijk de stockage, overslag en transport van gevaarlijke producten. Ook om deze redenen dienen de kaaimuren en de terminal binnen de genoemde perimeter van 1800 meter zo te worden gebouwd dat zij dergelijke activiteiten uitsluiten. Enkel op deze wijze kan de gezondheid en veiligheid van verzoekers worden gevrijwaard. Hierbij moet worden opgemerkt dat de intekening van de perimeter op de plannen onjuist is (en dat geldt ook voor deze gevoegd als bijlage bij de leefbaarheidsstudie van april 2000, figuur 14 tot 16), vermits deze perimeter de 2 koeltorens als vertrekpunt neemt, maar eigenlijk 1800 meter moet respecteren van élk van de installaties die deel uitmaken van de eigenlijke kerncentrale, dus niet alleen van de koeltorens, maar ook van de reactoren en opslagplaatsen van de kerncentrale. Onder meer om deze reden heeft Electrabel (uitbater van de kerncentrale) bezwaar ingediend tegen de voorgestelde gewestplanwijziging (tweede wijzigingsprocedure). De precieze risico’s en de concrete bedreiging die het project vormt, worden meer gedetailleerd uiteengezet in dit bezwaarschrift.
  2. h)Aantasting van het natuurlijk leefmilieu, van het woonklimaat, van het werkklimaat en van het leefklimaat. Ondanks de relatieve nabijheid van het havengebied, was de omgeving waarin eisers wonen (bij de aanvang van het project Deurganckdok) nog steeds een bij uitstek landelijke omgeving met een enorme schat aan natuurwaarden. De industrie was weliswaar zichtbaar op verre afstand (de kerncentrale op iets kortere afstand) maar tastte de leefbaarheid van het dorp nog geenszins aan. Zelfs de nabije kerncentrale (die overigens zeer veel inspanningen doet om natuurbeleving en natuurrecreatie te ondersteunen, o.m. door de uitbouw van een fietsroute en de terbeschikkingstelling van gratis fietsen) heeft geen afbreuk gedaan aan het eigen karakter van Doel. De vele reacties die het verdwijnen van Doel losweekte, de radio- en televisiereportages die aan Doel werden gewijd, onderlijnen het unieke landelijk karakter, de schitterende mogelijkheden tot natuurbeleving en aanverwante recreatie van dit dorpje waar de tijd stil is blijven staan. De leefkwaliteit van verzoekers wordt in sterke mate bepaald door het behoud van natuurgebieden, omdat die de rustige bewoonbaarheid verzekeren, een bijzonder leefklimaat voor de kinderen scheppen en grote mogelijkheden bieden tot gezonde en zinvolle recreatie. Verzoekers zijn actief in natuurverenigingen - bv. in de Werkgroep Natuurreservaten Linkeroever Waasland - in de streek en maken daadwerkelijk gebruik van de natuur. X-11.187-9/27 De biotopen van prioritaire diersoorten worden door de vergunde werken evenwel stilaan vernietigd. Een aanzienlijk deel (direct 100ha) van de natuurwaarden die verzoekers omringen worden onmiddellijk vernietigd en verminderen dus de levenskwaliteit van verzoekers en hun gezin, evenals hun woonklimaat. De (lager gelegen) gronden ten noorden van de Verkortingsdijk (o.a. van tweede verzoeker), zal door de betwiste bouwwerken en betonneringen opdrogen en dus in zijn natuurlijke kenmerken worden aangetast. Het gaat niet op om hiertegen in te brengen dat de getroffen zone als industriegebied werd ingekleurd in 1978. Men is immers teruggekomen op deze bestemming in 1988 toen men het als SBZ-V heeft in gekleurd c.q. in 1996 als SBZ-H. Deze bestemming tot SBZ heeft voorrang op de bestemming industriegebied. Het psychologisch leefklimaat van verzoekers is evenzeer. Daartegen kan onmogelijk aangevoerd worden dat dit reeds het gevolg is van de princiepsbeslissing van 20 januari 1998, aangezien Uw Raad juist heeft beslist dat die beslissing geen uitvoerbare en dus geen aanvechtbare beslissing is, of van de gewestplanwijzging van 1999, aangezien deze door Uw Raad werd geschorst bij arrest van 31 mei 2000 of die van 8 september 2000 geschorst door Uw Raad op 30 juli 2002. Elk beroep van de verwerende partij op deze beslissing om het psychologisch nadeel van verzoekers te betwisten, wordt dan ook met verontwaardiging van de hand gewezen. De psychologische schade is des te groter voor de kinderen uit het gezin van verzoekers, wiens leefklimaat op jonge leeftijd grondig wordt vernield. Ondanks het decreet van 15 juli 1997 op het kindereffectenrapport wordt in de bestreden beslissing en in het hele project met kinderen hoegenaamd geen rekening gehouden. Het moreel en psychologisch nadeel wordt nog versterkt doordat in strijd met alle beloften de werken een aanvang hebben genomen vooraleer het ‘sociaal begeleidingsplan’ rond is.
  3. i)Aantasting van het leefmilieu, i.h.b. aan de vogelrichtlijn- en habitatgebieden. Dat de uitvoering van de werken, dat het doel vormt van de bestreden beslissing, de betroffen gebieden definitief en onherstelbaar zal vernietigen, wordt niet betwist. De opspuiting van industriezones brengt in het polderlandschap ten Noord-Westen van het Doeldok, ernstige blijvende effecten met zich mee. Hiervoor kan worden verwezen naar het MER opgesteld voor het Deurganckdok, dat evenwel geen MER of passende beoordeling voor de bestreden beslissing uitmaakt. Verzoekers verwijzen enkel naar het MER en de studie van het Instituut Natuurbehoud om de natuurlijke kenmerken van het getroffen gebied te verduidelijken. De studies van het Instituut voor Natuurbehoud vat de gevolgen, op avifaunisch vlak, als volgt samen: ‘Door de aanleg van het Containerkaai/dok-west zullen verschillende populaties van zeldzame planten en vogels niet alleen in het onmiddellijke inplantingsgebied verdwijnen, maar ook direct of op termijn uit het gehele studiegebied. Voor sommige van deze soorten, bv. de Visdief, zal dit een sterk negatieve impact hebben op nationaal niveau. De populaties in aangrenzende gebieden van soorten die zich in het Linkeroever-studiegebied zullen kunnen handhaven, zullen te kampen krijgen met grotere barrières en verontreiniging. De globale leefbaarheid van deze populaties op lange termijn wordt dus gehypothekeerd.’ Voor een verdere uiteenzetting wordt verwezen naar het eerste middel.
  4. j)Verkeershinder. X-11.187-10/27 Bovendien zal de industrialisering de mobiliteitsproblemen rond Antwerpen en in het Waasland verder doen toenemen. De uitwasemingen zullen een onmiskenbare invloed hebben op verzoekers. Er is een oorzakelijk verband met de afbouw van de nu nog relatieve rust in Wase gemeenten zoals Stekene en Sint-Gillis-Waas. De voorziene industrie langsheen de autoweg komende van de Liefkenshoektunnel, is ook indicatief voor ontwikkelingen naar het binnenland toe. Op de webstek van de Gazet van Antwerpen stelt men hieromtrent het volgende: ‘Zelfs in het gunstigste geval dat ‘slechts’ 55% van de containers de camion op gaat (in 1999 was dat voor de hele haven nog bijna 63%), betekent dat nog altijd meer dan een half miljoen vrachtwagens extra. Vraag is hoeveel er daarvan de Liefkenshoek- en de Kennedytunnel zullen kiezen.Voor de Liefkenshoektunnel is er sowieso nooit een probleem. Daar is nog meer dan voldoende capaciteit voorhanden. De Kennedytunnel daarentegen zal ook zonder het bijkomend verkeer van het Deurganckdok in 2003 al twaalf uur per dag, van zeven uur ’s morgens tot zeven uur ’s avonds verzadigd zijn. En in het gunstigste geval, wanneer slechts een kwart van de vrachtwagens de Kennedy kiezen, komen daar nog 765 trucks met containers bij... Er moet dan ook alles aan gedaan worden om het verkeer naar de Liefkenshoektunnel te loodsen. Door de tol af te schaffen, door de onmisbare verbinding met de E17 aan te leggen én door een oplossing te zoeken voor de regelmatige files op de Ring op het vak Borgerhout/Berchem. Als 15% van de containers per spoor wordt vervoerd, komt dat neer op 31 extra treinen in 2003. De Kennedytunnel zou dat nog aankunnen, mits er bijkomende locomotieven worden ingezet. Maar bij een vol Deurganckdok, wanneer 72 en in piekperioden zelfs 100 treinen door de tunnel moeten, zal dat voor een derde niet lukken. Alleen een Liefkenshoek-spoortunnel kan dan uitkomst bieden. Kostprijs: 24 miljard.’ Hessenatie (MSC TERMINAL ANTWERP) heeft trouwens zelf tijdens de leefbaarheidsstudie verklaard dat de eerste fase (i.e. de huidige fase - en diegene die zich het dichtst bij Doel situeert) een aantal vrachtwagens van 2920 per dag zal generen. Later zullen daar nog 2790 vrachtwagens per dag bijkomen. Het uiteindelijk totaal zou 9600 vrachtwagens per dag zijn”. 6. De verwerende partijen werpen in hun memorie van antwoord een exceptie van niet ontvankelijkheid op wegens gebrek aan belang. Zij zetten deze exceptie uiteen als volgt: “34. Prof. William LAMBRECHTS omschrijft het belang ‘als het voordeel dat de verzoeker verwacht uit het verdwijnen van het nadeel dat voor hem is ontstaan uit het bestreden besluit, welke verdwijning het verhoopte gevolg is van de gevorderde vernietiging’. Het is een vaste rechtspraak van Uw Raad dat een verzoeker een belang dient te hebben bij zijn vordering en bij elk der aangevoerde middelen. 35. Eerste verzoekster woont op een zeer grote afstand van de vergunde werken. Artikel 19, eerste lid, van de R.v.St.-wet vereist niet enkel dat de verzoekende partij over het vereiste belang beschikt tot het instellen van een vernietigingsvordering, zij moet dit belang eveneens laten blijken. Het komt aan de verzoekende partij toe om het bestaan van een belang aan te tonen en eventuele twijfel daaromtrent weg te nemen. Laat de verzoekende partij dit na, of slaagt zij er niet in de twijfel op dat punt weg te nemen, dan is het beroep niet ontvankelijk. Krachtens de rechtspraak van Uw Raad dient het belang bovendien te worden uiteengezet in het verzoekschrift tot nietigverklaring. Uw X-11.187-11/27 Raad oordeelde dat het belang bij de vernietiging niet voor het eerst in de laatste memorie kan worden uiteengezet, aangezien hierdoor tekort wordt gedaan aan ‘de eisen van het behoorlijk verloop van het contradictoir debat’. Het is verzoekster niet toegestaan haar belang voor het eerst te omschrijven in een later procedurestuk. Het is vaste rechtspraak dat het belang, als één van de ontvankelijkheidvoorwaarden, de openbare orde raakt. De Raad van State wijst dan ook ambtshalve op het gemis aan belang in hoofde van de verzoekende partij, zelfs zo tussenkomende partij hierop niet zou wijzen. 36. Bij de bestrijding door een derde belanghebbende van een bouwvergunning, is het in concreto onderzoek van het belang belangrijk. Dat in concreto onderzoek is van groot belang daar een derde belanghebbende kan optreden tegen een bouwvergunning wanneer haar rechten geschonden worden indien zij in de onmiddellijke nabijheid woont van het perceel waarvoor de bouwvergunning werd afgegeven. Wat deze onmiddellijke nabijheid precies inhoudt, is een feitenkwestie. Duidelijk is wel dat de rechtspraak van de Raad van State zich voorhoudt dat men vlakbij moet wonen of verblijven. Verdergaand op deze rechtspraak lijkt een straal van 100m aanvaardbaar te zijn voor de Raad van State. De Raad van State aanvaardt dat de verzoekende partij die op een deugdelijke wijze aantoont dat zij eigenaar is van een pand of een perceel, dat paalt aan of gelegen is naast ofwel gelegen is tegenover datgene waarvoor een bouwvergunning is verleend, of in het algemeen, in de onmiddellijke nabijheid woont van een perceel waarvoor een bouwvergunning wordt afgegeven, daardoor alleen al doet blijken van een wettelijk vereist belang bij de vernietiging van de bouwvergunning voor dat gebouw of die constructie. In casu is aan die voorwaarden niet voldaan. 37. In casu paalt eerste verzoekster niet aan, haar eigendom is niet gelegen naast, noch tegenover de bouwvergunning a quo. Integendeel gaat het om een groot veelvoud van voornoemde 100 meter die blijken uit de rechtspraak van Uw Raad. Er is geen belang en geen ontvankelijke vordering. 38. Het past hier te verwijzen naar het eigen verzoekschrift van verzoekende partij waarin zij stelt dat elke beslissing die wordt genomen waarbij het behoud van het dorp in vraag blijft gesteld, de leefbaarheid van het dorp in het gedrang brengt. De alinea daarvoor wordt gesteld m.b.t. ‘de leefbaarheidstudie van de woonkern Doel’: ‘De studie kwam tot de conclusie dat de leefbaarheid van Doel technisch kan behouden blijven bij uitvoering van de bestreden werken, mits een aantal bijkomende maatregelen worden genomen, m.n. ter bestrijding van geluidshinder en andere vormen van milieuhinder.’ Het gebruik van het werkwoord ‘blijft’ duidt er duidelijk op dat verzoekende partij een tweede getijdendok vreest en, zolang er daarover voor haar geen duidelijkheid is, alles wordt betwist. Het gevolg is dan dat een toekomstig belang de grondslag is voor de vordering. Dat is geen actueel belang. 39. Er is de vereiste van een persoonlijk belang. Daaruit vloeit voort dat er een voldoende geïndividualiseerd verband moet bestaan tussen de bestreden beslissing en de verzoeker zelf. Dit is ingegeven vanuit de idee om een actio popularis uit te sluiten, zijnde de mogelijkheid voor een burger om op te komen ‘voor het belang van allen’. De wetgever heeft deze mogelijkheid trouwens zelf uitgesloten. Het rechtstreeks karakter van het belang heeft betrekking op de relatie die dient te bestaan tussen het nadeel en de bestreden beslissing. Het houdt in dat een direct of rechtstreeks causaal verband tussen beide moet vaststaan. Een middellijk of zijdelings verband volstaat niet. 40. Eerste verzoekster laat na concreet aan te tonen hoe, zonder dat zij zich ooit verzet heeft tegen de gewestplanbestemming ‘industriegebied’, de aangevochten vergunning haar belang bij de bescherming van haar woonklimaat, leefmilieu, gezondheid en veiligheid aantast op een wijze die, uitgaande van die bestemming, onvoorzienbaar is. Evenmin toont zij aan op welke wijze precies ze getroffen wordt in (haar) belangen door gebrek aan X-11.187-12/27 rechtszekerheid, en dat op zijn beurt de leefbaarheid van het dorp waar zij woont ernstig bedreigt. De woonkern Doel wordt door deze vergunning allerminst bedreigd. Verzoekster toont niet aan hoe zij door de aangevochten vergunning getroffen wordt in haar eigendommen. 41. Eerste verzoekster laat na haar precieze positionering t.o.v. de aangevochten bouwvergunning duidelijk te maken. Er is geen persoonlijk noch rechtstreeks belang. De vordering is niet ontvankelijk in haren hoofde. 42. Tweede verzoekster vergenoegt zich er mee te stellen dat zij ‘eigenares (
  5. is)van gronden boven de Verkortingsdijk die met verdroging bedreigd zijn door de bestreden vergunning’. Boven de Verkortingsdijk ligt het dorp Doel, de kerncentrale van Doel en nog verder de Nederlandse grens. Verwerende partij verwijst naar de hiervoor reeds m.b.t. eerste verzoekster geciteerde rechtspraak van Uw Raad m.b.t. het aan te tonen belang. 43. Er worden geen kadastrale gegevens bezorgd. Er is geen enkele aanduiding van ligging van eigendommen. Er is een ‘statement’ dat gronden ‘met verdroging bedreigd zijn door de bestreden vergunning’. Op grond van wat, hoe, waarom specifiek door deze vergunning, en hoe door deze vergunning en niet door de aanleg van het Deurganckdok zelf of de vergunde ophoging van het terrein, waartegen zij zich nooit heeft verzet, noch door de aanleg van de leefbaarheidbuffer, waartegen zij zich nooit heeft verzet, wordt met geen woord toegelicht. Hoe liggen haar gronden t.a.v. de vergunde leefbaarheidbuffer? Haar vordering is kennelijk onontvankelijk. 44. De opmerkingen die werden geformuleerd t.a.v. eerste verzoeker, gelden evenzeer en in dezelfde zin voor derde verzoeker. Er is geen persoonlijk noch rechtstreeks belang. De vordering is niet ontvankelijk in zijnen hoofde”. 7. In de memorie van wederantwoord beantwoorden de verzoekende partijen deze exceptie als volgt: “Indien verwerende partij het verzoekschrift tot voorzetting zoals ingediend door verzoekende partij had nagelezen dan had zij kunnen vaststellen dat mevrouw Dianna CANT de procedure niet voortzet (mede omdat zij onteigend werd). Verwerende partij had dus een litanie van een bladzijde kunnen vermijden. 1. Positie van verzoekers. 1. Verzoekster Apers is inwoner van Doel. Zij is eigenaar van het huis dat zij bewoont in de dorpskern, Scheldemolenstraat 61, 9130 DOEL. Zij bewoont dit met haar echtgenoot en twee kleine kinderen (net 13 en 8 jaar). Zij is des te meer getroffen daar ze voorheen reeds onteigend werd en uit haar huis gezet voor de bouw van de Waaslandhaven op het grondgebied van Kallo. De bestreden werken situeren zich inderdaad op ongeveer een kilometer van de woning van verzoekster Apers, doch het belang van verzoekster Apers, die als verzoekster in alle in het verzoekschrift (en in het schorsingsarrest) aangehaalde procedures optrad, werd telkens aanvaard en dit zowel bij de gewestplannen als bij de bouwvergunningen, zodat er geen reden is om te twijfelen aan het belang van verzoekster Apers, en dit omwille van de volgende redenen. De bij huidige procedure bestreden werken zijn die werken die het dichtst bij haar gelegen zijn, in die zin dat het gaat de terminal die het dichts bij haar dorp ligt en aldus in zeer belangrijke mate de leefbaarheid van het dorp bepaalt, leefbaarheid voor de welke zij nu al bijna 6 jaar strijdt voor Uw Raad. Gelet op de historiek en de plaats van verzoekster in deze procedure heeft zij ook bij deze procedure minstens een moreel belang. X-11.187-13/27 Het is bovendien duidelijk dat de bouw (en de exploitatie) van een terminal van 117,5 ha op nauwelijks 500m van de dorpskerk verschillende belangrijke nadelen verwekt. Er is het verkeer. Zo heeft Hessenatie (MSC TERMINAL ANTWERP) zelf tijdens de leefbaarheidsstudie verklaard dat de eerste fase (i.e. de huidige fase - en diegene die zich het dichtst bij Doel situeert) een aantal vrachtwagens van 2920 per dag zal generen. Later zullen daar nog 2790 vrachtwagens per dag bijkomen. Het uiteindelijk totaal zou 9600 vrachtwagens per dag zijn! Ongelukken zijn dus nauwelijks vermijdbaar waardoor verzoekster Apers het vereiste belang heeft (net zoals verzoeker Malcorps) en de rust van het dorp zal worden verstoord door voortdurend op- en afrijdende vrachtwagens. Trouwens, mede gelet op de geringe omvang van haar dorp heeft zij belang bij de ruimtelijke ordening van het ganse dorp (...). Er mag ook gewezen worden op het feit dat de werken plaatsvinden binnen een perimeter van 1800 meter van de kerncentrale van Doel en de installatie beogen van activiteiten die volgens algemeen aanvaarde normen niet mogen plaatsvinden binnen deze perimeter, namelijk de stockage, overslag en transport van gevaarlijke producten. Ook om deze redenen dient de terminal binnen de genoemde perimeter van 1800 meter zo te worden gebouwd dat hij dergelijke activiteiten uitsluit. Enkel op deze wijze kan de gezondheid en veiligheid van verzoekers worden gevrijwaard. Doordat de bestreden beslissing met dit alles geen rekening houdt, heeft verzoekster Apers het vereiste belang (net zoals verzoeker Malcorps). 2. Verzoeker Malcorps woont in Doel sinds 1993. Hij is eigenaar van zijn huis. Hij woont er met zijn vrouw en twee zonen (12 en 14 jaar). Zijn woning is gelegen in de Camermanstraat 11 (gekadastreerd volgens titel wijk B nrs. 834/C en 834/D - (...)), aan het uiteinde van het dorp, en zijn achtergevel kijkt uit op de werken. Het wordt niet betwist dat het onroerend goed van (verzoekende) partij zich op ongeveer 500m van de bestreden werken bevindt en dat (hij), vanuit de achterkant van zijn woning + tuin rechtstreeks uitkijkt op de werken. Hierdoor ondergaat verzoeker Malcorps directe visuele hinder. Zo houden de vergunde werken de installatie in van immense kranen:
(1)13 containerkranen op de kade met een bouwhoogte van ca. 71 m. met bewegende delen die een hoogte van ca. 106 m. kunnen bereiken;
(2)3 kranen over de spoorbundel (5 sporen) met een bouwhoogte van ca. 24 m. Er wordt ook voorzien in de bouw van 35 rolbrugconstructies, elk uitgerust met 2 rolbruggen voor de stapeling van volle containers tot 4 lagen hoog; de hoogte daarvan bedraagt ca. 15 m. en de bewegende delen bereiken een hoogte van max. 38,5 m. Verzoeker Malcorps kijkt hierop uit. Uit een simulatie, gedaan op verzoek van MSC, blijkt hoe de omgeving er zal uitzien (...) en hoe het uitzicht zal zijn. De maximale hoogte zijnde 106 m, is één meter minder dan de windmolens die voor Knokke-Zoute (107
  1. m)zouden worden gebouwd. In die zaak (...) weerhield Uw Raad een (moeilijk te herstellen ernstig) visueel nadeel. De woning van de verzoekster in die zaak was maar liefst 12,5 km verwijderd van de windmolens (en wellicht enkel bij goed weer waarneembaar). Dat in casu de woning van verzoeker op 500 meter ligt en dus veel verder (sic) (en steeds waarneembaar zelfs ’s nachts door de verlichting) en verzoeker Malcorps dus a fortiori een belang heeft om het visuele nadeel ongedaan te krijgen. Alhoewel verwerende partij het niet inroept mag worden beklemtoond dat de leefbaarheidsbuffer hieraan geen afbreuk doet. Dergelijke argumentatie wordt door Uw Raad niet aanvaard (...). Trouwens, deze buffer bezorgt enkel nadelen (...) en is bovendien technisch gezien niet te realiseren. X-11.187-14/27 2. Andere belangen waarin verzoeker is geschaad. Verzoekers verdedigen rechtmatige belangen die bedreigd worden door de bestreden beslissing, meer bepaald het belang bij de bescherming tegen van hun woonklimaat, leefmilieu, gezondheid en veiligheid en hun recht op rechtszekerheid (...). 1. Op 500 c.q. 1000 meter van de woning van verzoeker wordt een terminal en dit voor een oppervlakte van meer dan 100 hectaren neergeplant. Dat er grondwerken werden uitgevoerd op grond van een bekrachtigde bouwvergunning reduceert, zoals gezegd, het belang van verzoeker niet. Die grondwerken maken de vernieling niet definitief, de betonnering wel. De natuur kan zich niet herstellen met de betonnering. Zo kan het voorbeeld aangehaald worden van het Doeldok. Dit dok werd gegraven doch achtergelaten zonder betonnering van de ruimte achter de kaaien. Nadien nam de natuur terug wat van haar was en maakte van die streek (Putten Hoog en het Doeldok) een vrij geïntegreerd geheel. Het Doeldok werd een visvijver en samen met de Putten-omgeving een feitelijk leefgebied van vele vogels. Het werd zelfs SBZ-V en SBZ-H. Hetzelfde verhaal kan zich in casu voordoen. De afstanden die verwerende partij inroept van 100m zijn in casu niet van toepassing. Het gaat in casu niet om een duiventil of een garagebox doch om een bedrijf dat een oppervlakte van meer dan 100ha inneemt en een hoogte heeft tot 106m. Bovendien moet rekening gehouden worden met het feit dat het om vogelrichtlijngebied gaat. De leefkwaliteit van verzoeker wordt in sterke mate bepaald door het behoud van natuurgebieden, omdat die de rustige bewoonbaarheid verzekeren, een bijzonder leefklimaat voor de kinderen scheppen en grote mogelijkheden bieden tot gezonde en zinvolle recreatie. De bestreden beslissing daarentegen behelst o.a. de betonnering van meer (dan) 100 ha Vogelrichtlijngebied en Habitatrichtlijngebied zodat verzoekers het vereiste belang hebben. Aldus kan verzoekende partij van deze plek, in zijn onmiddellijke omgeving niet meer genieten. Het is duidelijk de inplanting van dergelijk bedrijf hinderlijk is een SBZ, in een waardevol gebied, en voor de ganse omgeving. 2. Verzoekers zijn in hun dorp komen wonen nadat het definitief behoud van de woonkern Doel in 1976 was vastgelegd in een gewestplan met als uitdrukkelijke motivering de rechtszekerheid, en dit in overeenstemming met de wil van de wetgever (parlementair verslag-Bode, zoals hoger aangehaald in de feiten) - gewestplan dat door de schorsing van dat van 1999 en de onwettigheid van het Gewestplanbesluit van 8 september 2000 op dit ogenblik nog steeds geldend is. Het gaat niet op om deze zekerheid reeds na een relatief korte tijdspanne (20 jaar in een mensenleven) weer in te trekken; het is de voorgespiegelde rechtszekerheid die de bewoners (verzoeker Malcorps in 1993 - (...)) ertoe heeft gebracht in Doel te investeren, voor velen onder hen nadat zij reeds elders uit hun huizen waren verjaagd door de oprukkende haven, soms zelfs reeds tweemaal eerder! Door de bestreden beslissing komt deze rechtszekerheid en het behoud van Doel, zijnde het dorp van verzoekers in het gedrang. De bestreden terminal ligt immers te dicht bij het dorp en brengt de leefbaarheid in het belang. 3. Verzoekers worden verder getroffen in hun eigendommen, en hebben vanzelfsprekend een voldoende belang zodra hun eigendomsrecht wordt geschonden door hinder die de normale ongemakken van nabuurschap overschrijdt zoals in casu. De verlichting zal dag en nacht branden, dag en nacht zal er geluidshinder zijn. Bovendien betekent de nabije ligging van de bestreden terminal vanzelfsprekend een devaluatie van de onroerende goederen van verzoekende partij”. X-11.187-15/27 8. De tussenkomende partij werpt in haar memorie eveneens een exceptie wegens gebrek aan belang op, welke zij uiteenzet als volgt: “1. Afgaande op de beschrijving van de geografische positie van verzoekende partijen in het verzoekschrift tot vernietiging, kan onmogelijk staande gehouden worden dat verzoekende partijen een wettelijk belang zouden hebben: -eerste verzoekster bewijst niet dat zij zo dicht bij de, overeenkomstig de thans aangevochten vergunning uit te voeren werken woont, dat deze werken haar op enigerlei wijze zouden treffen; integendeel, zij woont volgens haar eigen uiteenzetting in het verzoekschrift tot nietigverklaring (...) in de dorpskern van Doel, die zich op eerder grote afstand situeert van de terreinen waarop de vergunning betrekking heeft. In de memorie van wederantwoord wordt deze afstand gespecifieerd als zijnde ‘ongeveer een kilometer’. Dit is heel wat meer dan de afstand van ca 100 m die gebruikelijk door Uw Raad wordt aanvaard als zijnde constitutief voor de notie persoonlijk belang (...). De omstandigheid dat eerste verzoekster al eens zou zijn onteigend voor de bouw van de Waaslandhaven is, indien bewezen, quod non, niet relevant bij de beoordeling van het belang in onderhavige aangelegenheid en evenmin is relevant dat in andere procedures zou zijn aangenomen dat zij wel over een belang beschikte: deze andere procedures hadden evident een ander voorwerp en elke vergelijking is dan ook uit den boze. Uit de uiteenzetting in de memorie van wederantwoord, blz. 6, blijkt veeleer dat de vordering van eerste verzoekster (zoals ook deze van derde verzoeker) niets meer of minder is dan een actio popularis: ‘de leefbaarheid van het dorp’, ‘werken op nauwelijks 500 m van de dorpskerk’ (=dorpskern?), ‘het verkeer ... [waardoor] ... de rust van het dorp zal worden verstoord ...’, ‘de ruimtelijke ordening van het ganse dorp’, ‘de kerncentrale van Doel ...’. Er mag in dit verband ook niet uit het oog verloren worden dat de werken tot inrichting van de terminal en de terminal zelf, zich zullen situeren achter de leefbaarheidbuffer, en dus voor het overgrote gedeelte door verzoekster niet eens zullen kunnen waargenomen worden. -tweede verzoekster heeft uiteraard geen belang meer nu zij geen verzoek tot voortzetting van de procedure indiende. -derde verzoeker woont eveneens in Doel, en voor wat hem betreft geldt qua afstand hetzelfde als voor verzoekster sub 1: zijn woning is gelegen in de Camermanstraat, ‘en zijn achtergevel kijkt uit (sic) op de werken’. Er wordt in het verzoekschrift tot nietigverklaring geen enkele aanduiding gegeven i.v.m. afstand van deze woning tot de werken, meer nog, in het verzoekschrift (...) schrijven verzoekers zelf: ‘Dit alles situeert zich op ongeveer enkele honderden meters van de woningen van verzoekers...’. Slechts in de memorie van wederantwoord wordt voor het eerst gesproken over een concrete afstand (‘ongeveer 500 m’) overigens zonder dat aangetoond wordt dat zulks met de werkelijkheid overeenstemt. Al de constructies waarover derde verzoeker uitwijdt op blz. 7 van de memorie van wederantwoord situeren zich achter de leefbaarheidbuffer, en zullen dus voor verzoeker niet zichtbaar zijn. Dat deze buffer nadelen zou bieden en/of technisch onuitvoerbaar zou zijn zoals verzoeker beweert, zijn gratuite verklaringen, volstrekt onbewezen en niet terzake dienend. 2. X-11.187-16/27 Inzake beslissingen betreffende ruimtelijke ordening en stedebouw, geldt dat ‘het bestaan van een persoonlijk belang wordt m.a.w. als het ware ‘vermoed’ in hoofde van verzoekers die aantonen dat zij in de onmiddellijke nabijheid wonen van het perceel waarvoor de bestreden bouwvergunning is verleend. Wat begrepen dient te worden onder ‘onmiddellijke nabijheid’ is een feitenkwestie. Uit de rechtspraak van de Raad van State kan evenwel worden afgeleid dat dit ‘vlakbij’ moet zijn. Een kring van (ongeveer) 100 m. lijkt aanvaardbaar te zijn.’ (...) 3. Zoals blijkt uit de verklaringen in het verzoekschrift en in de memorie van wederantwoord, situeren de woningen van verzoekers zich op ‘enkele honderden meters’ (verzoekschrift) of op ‘een kilometer voor eerste verzoekster en 500 m voor derde verzoeker’ (memorie van wederantwoord) van de percelen waarop de bestreden vergunning betrekking heeft, en alhoewel deze situering zeker in het verzoekschrift (bewust ?) vaag gehouden is, is het toch duidelijk dat ‘enkele honderden meters, een kilometer of 500 m’ niet voldoen aan het criterium ‘onmiddellijke nabijheid’, of ‘vlakbij’. Verzoekende partijen tonen dus niet aan dat zij over een persoonlijk, rechtstreeks belang beschikken. In het arrest van Uw Raad van 28 april 2003, houdende verwerping van de vordering tot schorsing, werd reeds geoordeeld dat uit het betoog van de verzoekende partijen niet viel af te leiden ‘wat de ligging is van hun respectievelijke eigendommen t.a.v. de vergunde constructie, zodat het door hen opgeworpen moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dat reeds op zich uit vrij algemene beweringen bestaat, onmogelijk op zijn pertinentie kan worden beoordeeld ...’ Wat geldt voor het MTHEN, geldt mutatis mutandis ook voor het persoonlijk en rechtstreeks belang. Het is aan verzoeksters om dit belang aan te tonen, en het is duidelijk dat zij deze bewijslast niet inlossen. Loutere beweringen in verband met de afstand tussen de woningen van verzoekers en de werken in kwestie zijn zeker niet voldoende als bewijs. De vordering is dus niet ontvankelijk in hoofde van elk der verzoekende partijen bij gebrek aan een rechtstreeks, persoonlijk belang. 4. Daar komt nog bij dat de lectuur van het verzoekschrift tot nietigverklaring aantoont dat verzoekende partijen zich wederom en voor de zoveelste maal, getuige de uitvoerige uiteenzetting betreffende de talrijke procedure antecedenten, keren tegen de verschillende voorgaande beslissingen, die, zo betogen de verzoekende partijen, de leefbaarheid van het dorp niet blijvend zouden garanderen. De bestreden beslissing tast zelf evenwel de leefbaarheid van Doel helemaal niet aan, en evenmin kan staande gehouden worden dat het verlenen van de vergunning voor het uitrusten van een containerterminal verzoekers zou treffen doordat zij geconfronteerd zouden worden met een gebrek aan rechtszekerheid: als dit al op enigerlei wijze zou kunnen aangetoond worden, quod non, heeft ook dit beweerdelijk geschonden belang volstrekt geen uitstaan met de thans bestreden vergunning. Eigenlijk strekt de vordering van verzoekers er toe zich voor de toekomst veilig te stellen (...) ‘...zonder dat tegelijkertijd de nodige maatregelen worden genomen om het voortbestaan en de leefbaarheid van het dorp voor de toekomst te garanderen’. Deze problematiek situeert zich volledig buiten het kader van de bestreden vergunning, en betreft een eventueel toekomstig belang. De vordering is dus in hoofde van elk van de verzoekende partijen eveneens niet ontvankelijk bij gebrek aan een actueel belang. X-11.187-17/27 5. Dat de vordering van de verzoekende partijen helemaal niet gericht is tegen de bestreden vergunning blijkt ook uit wat uiteengezet wordt in het verzoekschrift (...) onder de titel
  2. e)Bouwvergunning. Zo beginnen verzoekers hun uiteenzetting door te verwijzen naar de ‘nu reeds aangevatte werken’; Dit slaat evident niet op wat vergund werd door de bestreden beslissing, want deze vergunde werken en constructies werden nog niet aangevat. Ook de sub
  3. e)geciteerde werken die beweerdelijk hinder en nadeel zouden veroorzaken, hebben niets te maken met de thans bestreden beslissing: Blz. 30 van het verzoekschrift 1ste paragraaf: ‘de werken die daar plaatsvinden’: dit betreft dus inderdaad niet de werken, gegund volgens de bestreden vergunning: op basis daarvan heeft immers nog helemaal niets ‘plaatsgevonden’. 2de paragraaf: ‘ernstige bijkomende ophoging’: in de bouwaanvraag worden helemaal geen ophogingswerken voorzien, dit behoort tot de bouwvergunning van het dok zelf. 3de paragraaf: ‘graafmachines..., grondverzet, en andere verticale elementen voor de kaaimuren...’: heeft wederom niets te maken met de bestreden vergunning, wel met de bouw van het dok zelf. Dat er tijdens de exploitatie van de terminal ‘uiteraard’ lawaaihinder zou zijn is een gratuite bewering: de exploitatie zal voldoen aan de opgelegde milieunormen. 4de paragraaf: ‘jaagpad ...’: ook dit is een gevolg van de thans aan gang zijnde werken, en heeft andermaal niets te maken met de bestreden vergunning. 5de paragraaf: ‘doorbreken autoverbinding’: is al gebeurd tengevolge van vroegere vergunningen 6de paragraaf: idem Blz. 31 van het verzoekschrift lste paragraaf: idem: de bulldozers die roekeloos zouden rijden hebben ook weer niets met de bestreden vergunning te maken 2de paragraaf: uitzicht idem: het ganse dok, terminal incluis zit achter de leefbaarheidbuffer 3de paragraaf: de wandeldijken worden niet vernietigd door de bestreden vergunning 4de paragraaf: hetzelfde geldt voor het pad van Doel naar Liefkenshoek 5de paragraaf: de leefbaarheidbuffer is evenmin een gevolg van de bestreden beslissing 6de paragraaf: verhoging terreinen is niet voorzien in de bestreden vergunning 7de paragraaf: de ‘grootschalige infrastructurele werken’ grijpen nu plaats, en deze die begrepen zijn in de bestreden vergunning situeren zich achter de leefbaarheidbuffer. Blz. 32 van het verzoekschrift Onder de titel
  4. f)Landschap, visuele hinder en lichthinder wordt aangeklaagd dat een ‘inkuipingseffect’ zal ontstaan, maar nogmaals dit vloeit voort uit de aanleg van de leefbaarheidbuffer, en is dus geen gevolg van de bestreden vergunning. De simulatie heeft ten andere aangetoond dat de visuele hinder van de containerterminal op zich verwaarloosbaar zal zijn: de lichtmasten staan achter de leefbaarheidbuffer, en schijnen naar beneden, het licht, evenals overigens mogelijke lawaaihinder zullen worden opgevangen door de bufferdijk. Er is verder doodgewoon geen enkel nucleair risico, er is trouwens vanwege Electrabel geen enkel bezwaar geopperd tegen de bestreden vergunning, en dus tegen de aanleg van de containerterminal. Er zal inderdaad een toename vast te stellen zijn van het verkeer, zodra de terminal operationeel zal zijn, daarom ook dat alternatieven worden ontwikkeld X-11.187-18/27 of gepland, zoals de tweede spoorontsluiting, intensivering van het binnenvaartverkeer (rechtstreekse pendel met rechteroever) enz. Tussenkomende partij wenst nogmaals te benadrukken dat de terreinen die zij als concessionaris toegewezen kreeg, en waarvoor de thans bestreden bouwvergunning werd afgeleverd, reeds opgespoten en verhoogde gronden zijn, waarop enkel de werken beschreven in de vergunning zullen worden uitgevoerd. Als er al sprake zou kunnen zijn van een persoonlijk en rechtstreeks nadeel dat verzoekende partijen zouden lijden, quod non, dan vloeit dit geenszins voort uit de bestreden beslissing. De huidige vordering is hoogstens niets meer of niets minder dan een actio popularis. Een en ander blijkt ook uit de memorie van wederantwoord (...): ‘behoud van natuurgebied’ (wat de terreinen overigens niet (meer) zijn), ‘betonnering van meer dan 100 ha vogelrichtlijngebied en habitatrichtlijngebied’ (wat de terreinen niet (meer) zijn), ‘het behoud van Doel’, etc.... Ook om bovenstaande redenen is de vordering dus niet ontvankelijk”. 9. In hun laatste memorie laten de verzoekende partijen met betrekking tot hun belang nog gelden wat volgt: “3. De Auditeur merkt terecht op (dat) de werken zich situeren achter de leefbaarheidsbuffer (vergund bij besluit van 18 maart 2002 van de Vlaamse regering-bouwvergunning C). Ingevolge Uw schorsingsarrest nr. 109.563 d.d. 30 juli 2002 (Apers) werd het projectgebied van het voorwerp van de bestreden stedenbouwkundige vergunning, met name de aanleg van een containerterminal, beperkt tot aan de Verkortingsdijk (het gebied daarboven is gelegen in agrarisch gebied (...)). 4. Geen enkele van de procespartijen betwist de ligging van de woningen van verzoekers. Verzoeker Malcorps woont in Doel sinds 1993. Hij is eigenaar van zijn huis (...). Hij woont er met zijn vrouw en twee zonen (circa 15 en 17 jaar). Zijn woning is gelegen in de Camermanstraat, aan het uiteinde van het dorp. De Camerstraat is de parallelle straat die het dichts bij de haven ligt (...). De achtertuin van verzoeker Malcorps kijkt uit op de leefbaarheidsbuffer en op de daar achterliggende haven. Tussen de achtertuin van verzoeker Malcorps (ten zuiden) en de leefbaarheidsbuffer ligt ongeveer 180 m. Tussen de achtertuin van verzoeker Malcorps (ten zuiden) en de Verkortingsdijk ligt ongeveer 500 m. Verzoekster Apers woont te Doel sedert 1992, met haar echtgenoot alsmede twee kleine kinderen (intussen circa 16 en 11 jaar). De woning van verzoekster ligt op ongeveer 550 en 600 m van de leefbaarheidsbuffer en ongeveer 1 kilometer van de vergunde werken. De eigendom van verzoekster Apers werd aangeduid in stuk 23. Voor alle duidelijkheid voegen verzoekers hieronder een ortho bij waarop de woning van verzoeker Malcorps met een stip is aangeduid en waarop duidelijk de leefbaarheidsbuffer (in aanvang) te zien is. De tuin van de heer Malcorps loopt uiteraard nog verder door naar de leefbaarheidsbuffer toe. (...) Bemerk dat de leefbaarheidsbuffer (als hoop zand) ondertussen aangelegd is. 5. Het feit dat sommige van de in het verzoekschrift en de memorie van antwoord vermelde nadelen betrekking hebben op de volledige X-11.187-19/27 havenuitbreiding doet geen afbreuk aan het feit dat verzoekers belang hebben om de nietigverklaring te vorderen van de bestreden vergunning die immers een deelvergunning of deelbeslissing uitmaakt van het project dat de onleefbaarheid van Doel als gevolg heeft en eigenlijk zelfs beoogt. Zo veroorzaakt de loutere aanleg van het Deurganckdok niet de verkeershinder die verzoekers zullen ondergaan, maar wel de terminals. Hessenatie (MSC TERMINAL ANTWERP) heeft trouwens zelf tijdens de leefbaarheidsstudie (...) verklaard dat de terminal aanvankelijk een aantal vrachtwagens van 2920 per dag zal generen. Later zullen daar nog 2790 vrachtwagens per dag bijkomen. Het uiteindelijk totaal zou 9600 vrachtwagens per dag zijn (...). 6. Wat de vernieling van natuurwaarden door ophoging en opspuiting van de gronden betreft, is het inderdaad zo dat dit nadeel grotendeels veroorzaakt wordt door de bekrachtigde bouwvergunning B, doch de bestreden vergunning voorziet in een bestendiging hiervan nu de vergunning voorziet in de (permanente) verharding van de opgespoten terreinen. 7. Het kan niet worden betwist dat de bestreden vergunning visuele nadelen oplevert voor beide verzoekers. Het is daarbij van belang te wijzen op de in het advies van de gemachtigde ambtenaar gegeven ‘beschrijving van de bouwplaats, de omgeving en de aanvraag’ (...). Deze beschrijving is op sommige punten veel gedetailleerder dan de eigenlijke aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning (...), inzonderheid wat de hoogte van de containeroverslaginstallaties betreft, waaromtrent het advies vermeldt: - 13 containerkranen op de kade met een bouwhoogte van ca. 71 m. met bewegende delen die een hoogte van ca. 106 m. kunnen bereiken; - 3 kranen over de spoorbundel (5 sporen) met een bouwhoogte van ca. 24m; - 35 rolbrugconstructies, elk uitgerust met 2 rolbruggen voor de stapeling van volle containers in 4 lagen (totaal ca. 116 m); de hoogte daarvan bedraagt ca. 15 m. en de bewegende delen bereiken een hoogte van max. 38, 5 m; Bij het verzoekschrift werd een door tussenkomende partij verspreide simulatie gevoegd die een beeld gaf van wat het uitzicht van verzoekers, inzonderheid verzoeker Malcorps, zou zijn na de voltooiing van de werken (...). Ondertussen werden enkele van de vergunde constructies geplaatst en werd ook de leefbaarheidsbuffer aangelegd met een hoogte van ongeveer 23 meter. Deze buffer voldoet echter niet om de visuele hinder weg te nemen. Momenteel zijn reeds enkele vergunde kranen gebouwd/geplaatst. Vanuit de tuin van verzoeker Malcorps geeft dit het volgende zicht: (...) M.a.w. veroorzaken de vergunde werken blijvende visuele hinder aan verzoeker Malcorps. (...) In zijn advies heeft de gemachtigde ambtenaar trouwens zelf aangegeven dat het gaat om diverse grootschalige constructies, waarvan de visuele impact op het noordwesten gelegen gebied (Doel-dorp) gemilderd, of beter slechts gemilderd, wordt door de aanleg van de leefbaarheidsbuffer (...). Het gaat hier dus slechts over een mildering, niet over een (totale) wegname. Bovendien zijn deze hoge hijskranen van zeer ver te zien en ‘kleuren’ zij de gehele omgeving en het landschap zodat ook verzoekster Apers belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden vergunning. (...) Bovenstaande foto is getrokken van op de Engelsesteenweg, i.e. de toegangsweg naar Doel-dorp die verzoekster Apers, net als iedere inwoner van Doel, dagelijks meermaals gebruikt (...). X-11.187-20/27 De hijskranen zijn duidelijk dominerend en ook verzoekster Apers wordt er, zoals gezegd, elke dag mee geconfronteerd. Ook haar belang staat dus vast. Deze foto’s konden evident niet bij het verzoekschrift worden gevoegd vermits de constructies en de leefbaarheidsbuffer pas (veel) later werden opgericht. 8. Verder zullen verzoekers ook lichthinder ervaren. De containerterminal zal permanent draaien en volgens de leefbaarheidsstudie (...) een belangrijke lichtbron vormen. De terminals en vooral de kade zullen in functie van de veiligheid en de bedrijfsvoering sterk verlicht worden. De bestreden beslissing voorziet dienaangaande in de vergunning van lichtmasten met een hoogte van 30m. Verzoekers zullen aldus een lichtgloed op zich zien afkomen. Vooral ’s nachts zal deze lichthinder zeer groot zijn. Vooral verzoeker Malcorps ervaart deze hinder. De leefbaarheidsbuffer noch het feit dat de lichten naar beneden zouden schijnen kunnen verhinderen dat verzoeker Malcorps ’s avonds een lichtgloed ziet schijnen boven de leefbaarheidsbuffer. 9. Tenslotte wijzen verzoekers er op dat Uw Raad aanvaardt dat de verzoeker die eigenaar of bewoner is van een pand of perceel, dat paalt aan, of gelegen is naast, ofwel gelegen is tegenover datgene waarvoor een bouwvergunning is verleend, of die in het algemeen, in de onmiddellijke nabijheid, woont van het perceel waarvoor een bouwvergunning werd afgegeven daardoor alleen al doet blijken van het wettelijke vereiste belang (...). (...) Gelet op de omvang, en vooral de hoogte, van de vergunde werken heeft verzoeker Malcorps als het ware per definitie een belang”. 10. In hun laatste memorie laten de verwerende partijen met betrekking tot de door hen opgeworpen exceptie nog gelden wat volgt: “10. In antwoord op de argumentatie van verzoekers dienen verwerende partijen te hernemen wat zij reeds in hun memorie van antwoord hebben geschreven. Artikel 19, eerste lid, van de R.v.St.- wet vereist niet enkel dat de verzoekende partij over het vereiste belang beschikt tot het instellen van een vernietigingsvordering, zij moet dit belang eveneens laten blijken. Het komt aan de verzoekende partij toe om het bestaan van een belang aan te tonen en eventuele twijfel daaromtrent weg te nemen. 11. Laat de verzoekende partij dit na, of slaagt zij er niet in de twijfel op dat punt weg te nemen, dan is het beroep niet ontvankelijk. Krachtens de rechtspraak van Uw Raad dient het belang bovendien te worden uiteengezet in het verzoekschrift tot nietigverklaring. Uw Raad oordeelde dat het belang bij de vernietiging niet voor het eerst in de laatste memorie kan worden uiteengezet, aangezien hierdoor tekort wordt gedaan aan ‘de eisen van het behoorlijk verloop van het contradictoir debat’. Het is de verzoekende partij niet toegestaan haar belang voor het eerst te omschrijven in een later procedurestuk. 12. Het spreekt voor zich dat de verzoekende partijen handelen in strijd met de eisen van het behoorlijk verloop van het contradictoir debat, wanneer zij slechts in de laatste memorie hun exacte woonplaats aanduiden (daarenboven van slechts één van de verzoekende partijen) en in deze laatste memorie ook maar voor het eerste uiteenzetten op welke afstand zij van de vergunde werken gelegen zijn. Om deze redenen alleen al dient de vordering als onontvankelijk bij gebrek aan belang te worden afgewezen. 13. Zoals verwerende partijen reeds argumenteerden in hun memorie van antwoord, wordt van de verzoekers slechts vermoed over het rechtens vereiste X-11.187-21/27 belang te beschikken indien zij binnen de onmiddellijke omgeving van de vergunde werken wonen. Wat deze onmiddellijke nabijheid precies inhoudt, is een feitenkwestie. Duidelijk is wel dat de rechtspraak van de Raad van State voorhoudt dat men vlakbij moet wonen of verblijven. Verdergaand op deze rechtspraak lijkt een straal van 100m aanvaardbaar te zijn voor de Raad van State. In hun laatste memorie geven verzoekers echter te kennen dat zij op één kilometer, respectievelijk 500 meter van de vergunde werken zouden wonen. Verzoekers kunnen gelet op deze grote afstand nog bezwaarlijk voorhouden dat hun belang bij het bekomen van de vernietiging van de bestreden beslissing kan worden vermoed, omdat zij in de onmiddellijke omgeving van de vergunde werken zouden wonen. 14. Zodoende rest het verzoekers in concreto aan te duiden dat zij ondanks de ruime afstand tussen de plaats van de vergunde werken en hun woning van een rechtstreeks en griefhoudend belang zouden kunnen doen blijken. Maar ook daarin slagen zij niet (meer) in hun laatste memorie. Verzoekers vatten hun kritiek op het auditoraatsverslag zelfs aan met de stelling dat de door hen ingeroepen nadelen die zij beweren te ondervinden niet zozeer voortvloeien uit de thans bestreden beslissing, maar eerder voortvloeien uit het ‘project van de havenuitbreiding’ in zijn totaliteit. De thans bestreden beslissing zou slechts een deelbeslissing uitmaken die kadert in het project havenuitbreiding. Dit gegeven zou verzoekers het rechtens vereiste belang verschaffen om ook de vernietiging te kunnen vorderen van de thans bestreden beslissing, hetgeen uiteraard niet het geval is. 15. De stelling van verzoekers dat de thans bestreden beslissing een deelbeslissing zou uitmaken, is niet van aard om verzoekers belang bij de vordering te verschaffen, wel integendeel. Verzoekers erkennen in casu dat zij geen rechtstreeks nadeel ondervinden van de thans bestreden beslissing, maar pogen hun belang eerder te rechtvaardigen door de thans bestreden beslissing te catalogeren als ‘deelbeslissing’ in een project (zijnde een groter geheel van beslissingen) dat verzoekers als griefhoudend ervaren. Uiteraard kan deze redenering verzoekers geen rechtstreeks nadeel bij de vordering tot vernietiging verschaffen. Wat verzoekers in concreto moeten aantonen is dat de tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing aan hen nadeel zou berokkenen. Hierin slagen verzoekers tot op heden nog altijd niet. 16. De thans bestreden beslissing kan geen concreet nadeel berokkenen aan verzoekers, dit gelet op de aanwezigheid van de leefbaarheidsbuffer. In hun laatste memorie stellen verzoekers dat er sprake zou zijn van visuele en lichthinder. De leefbaarheidsbuffer beperkt de nadelen die verzoekers ondervinden van de vergunde werken in belangrijke mate. De vergunde constructies worden door de aanwezigheid van deze leefbaarheidsbuffer voor het grootste deel aan het zicht van verzoekers ontnomen. 17. Het beperkte zichtbare gedeelte van de kranen en rolbruggen is overigens niet van aard om verzoekers op griefhoudende wijze te benadelen. Samen met de auditeur dient te worden vastgesteld dat de lichtpollutie ingevolge de aanwezigheid van de leefbaarheidsbuffer tot een aanvaardbaar (en dus niet griefhoudend niveau beperkt blijft. De thans bestreden beslissing brengt geen rechtstreeks griefhoudend nadeel teweeg voor verzoekers. Alleszins wordt in de laatste memorie niet voldoende concreet uiteengezet dat het tegendeel aannemelijk maakt, namelijk dat verzoekers van het vereiste rechtstreeks en persoonlijk griefhoudend belang zouden doen blijken. 18. Volledigheidshalve dient in deze context nog te worden opgemerkt dat de verwijzing naar het arrest nr. 117.482 van 25 maart 2003 inzake Soete, waarin uw Raad aanvaardde dat een windmolenpark van 50 windmolens in zee op 12.5 km van de kust een visueel nadeel, niet relevant is. 19. In de eerste plaats had dit arrest enkel betrekking op het aspect van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in het kader van een schorsingsprocedure X-11.187-22/27 en niet zozeer op het belang van de verzoekende partij. Voormelde rechtspraak stelt verzoekers daarenboven niet vrij van de op hen rustende bewijslast dat zij in concreto over het vereiste rechtstreekse en persoonlijke belang zouden beschikken bij de vordering tot vernietiging. Verzoekers hebben zonder deze werken thans reeds geen ongerept uitzicht. Zij wonen in de omgeving van de chemische en petroleuminstallaties van de haven. Er is geen vergelijking mogelijk met de situatie in het arrest nr. 117.482 van 25 maart 2003 inzake Soete. 20. Ook na het arrest nr. 117.482 van uw Raad blijft de rechtspraak van uw Raad onverkort overeind dat van een verzoeker slechts vermoed wordt over het rechtens vereiste belang te beschikken indien hij in de onmiddellijke omgeving van de vergunde werken woont en dat de verzoeker die niet in de onmiddellijke omgeving woont zelf in concreto dient aan te tonen waaruit zijn belang bestaat. Het arrest Soete kan uiteraard niet op die wijze worden uitgelegd dat wie binnen een straal van 12,5 km van de vergunde werken woont, vermoed wordt over het rechtens vereiste belang te beschikken bij de vordering tot vernietiging van de vergunning! 21. Overigens moet beklemtoond worden dat het voorwerp van de bouwaanvraag volgens het Gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren ligt in een zeehavengebied type 2. Wie op 1000 of 500meter woont van een dergelijk gebied, dient de daarbij horende hinder te tolereren. Volgens het RUP ‘Waaslandhaven 1 & omgeving’ is het eveneens zeehavengebied. 22. In die zin overwoog uw Raad in zijn arrest nr. 127.083 dat van diegene die ervoor geopteerd heeft om op een dergelijke locatie (in het aldaar betreffende geval industriegebied) te wonen, een veel grotere tolerantie mag worden verwacht ten aanzien van eventuele hinder die zou worden veroorzaakt door industriële activiteiten en installaties. 23. Met de auditeur dient te worden aangenomen dat verzoekers niet over het rechtens vereiste belang beschikken om de vernietiging van de thans bestreden beslissing te bekomen”. Beoordeling 11. Overeenkomstig artikel 19, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kunnen de beroepen tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van die wetten voor de afdeling bestuursrechtspraak worden gebracht door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang. Dit veronderstelt dat de verzoekende partij door het bestreden besluit is benadeeld en dat dit nadeel persoonlijk, rechtstreeks, zeker en actueel is. Daarenboven is vereist dat de nietigverklaring van het bestreden besluit aan de verzoekende partij een rechtstreeks voordeel verschaft. Het belang waarvan een verzoekende partij blijk moet geven, moet bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en die partij moet dat belang ook nog bezitten op het ogenblik van de uitspraak. 12. Het voorwerp van de stedenbouwkundige vergunning wordt in de beschrijvende nota omschreven als volgt: X-11.187-23/27 “1. Voorwerp van de aanvraag voor technische werken - De aanvraag heeft tot doel het aanleggen van een containerbehandelingsterrein in de haven op de Linkerscheldeoever (Waaslandhaven), aan het daar ingeplande nieuwe getijdendok (Deurganckdok). - Deze bouwaanvraag omvat de aanvraag van de volgende technische werken: - De aanleg van 2 zones terreinverhardingen, nl. een administratieve zone (aankomst vrachtwagens, administratieve plichtplegingen, technische controle camions bij in- en uitrijden, vertrek vrachtwagens) (31ha - zone 2) en de eigenlijke stapelzone van de containers (79ha - zone 1) (volle containers tot 4 hoog en lege containers tot 7 hoog). Deze 2 zones hebben elk een toegang van op de openbare weg, en worden bijkomend met elkaar verbonden door 2 private parallelwegen aan de openbare weg (7,5ha - zone 3). Deze aanleg omvat: - terreinverhardingen - rioleringen - ondergrondse leidingen (elektriciteit, drinkwater, telefonie) - trekbuizen-net - terrein-afsluitingen - Bouwen van een brug over de openbare weg (de ringweg) voor uitgaan vrachtwagenverkeer. - Bouwen van een industriële installatie voor het transport en de verdeling van elektriciteit, incl. omvormingsstations: - het hoofd-HS-transformatiegebouw (wordt gebouwd door Electrabel). - 3 HS-verdeelkabines; 1 voor de terminal, 1 voor de spoorbehandeling en 1 voor de koelcontainers en de gebouwen. - HS-onderstations - HS-transformatiekabines voor koelcontainers - Bouwen van verlichtingsmasten 30m hoog, verlichtingspalen 12m hoog langs de parallelle wegen. - Bouwen van overslag-installaties, nl. - 13 containerkranen op de kade - 3 kranen over de spoorbundel (5 sporen) - 35 rolbrugconstructies, elk uitgerust met 2 rolbruggen voor de stapeling van volle containers tot 4 hoog. - Bouwen van een industriële installatie voor het tijdelijk koelen van koelcontainers. - De op het terrein op te richten gebouwen zullen deel uitmaken van afzonderlijke stedebouwkundige aanvragen, die binnenkort zullen ingediend worden. Deze zijn: - het administratief gebouw bij aankomst aan de terminal - de gate-constructie (in en uit) bij aankomst en vertrek op de terminal - een douane-controle-loods (op vraag van Min. van Financiën) - het onderhoudsgebouw van het rollend materieel, gecombineerd met het kantoorgebouw voor het operationeel personeel, gesitueerd aan de achterzijde van de stapelzone van de containers. Deze bouwzones werden op de lay-out-plannen principieel aangeduid (kader met arcering)”. X-11.187-24/27 Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de containerkranen een hoogte hebben van circa 71 meter, met bewegende delen die een hoogte kunnen bereiken van circa 106 meter. De verlichtingsmasten hebben een hoogte van 30 meter. 13. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de eerste verzoekster woont op ongeveer 1 kilometer van de vergunde werken. Er blijkt niet, en zij beweert ook niet, dat zij vanop haar eigendom enig zicht heeft op deze werken. Zij beweert ook niet hiervan op haar eigendom enig concreet nadeel te ondervinden. In zoverre de eerste verzoekster stelt belang te hebben bij de bescherming van het woonklimaat, leefmilieu, gezondheid en veiligheid in het algemeen, zonder specifiek te zijn gekoppeld aan de vergunde werken, en zij er zich nog op beroept vanop de Engelsesteenweg, zijnde de toegangsweg van het dorp, dagelijks met de hijskranen te worden geconfronteerd, is haar belang onvoldoende persoonlijk om te voldoen aan de vereiste van het voormelde artikel 19, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Een louter moreel belang, met name dat zij al jaren strijdt voor de leefbaarheid van Doel en dat de betrokken terminal volgens haar in belangrijke mate de leefbaarheid van het dorp bepaalt, volstaat daartoe niet. In de gegeven omstandigheden doet de eerste verzoekster niet blijken van het rechtens vereiste persoonlijk en rechtstreeks belang. Het beroep is niet ontvankelijk in hoofde van de eerste verzoekster. 14. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de eigendom van de derde verzoeker is gelegen op ongeveer 500 meter van de vergunde handelingen en werken, en dat hij vanop zijn eigendom zicht heeft op een gedeelte van de vergunde installaties die uitsteken boven de leefbaarheidsbuffer. Gelet op de aard en de omvang van de vergunde handelingen en werken, moet in de gegeven omstandigheden worden aangenomen dat de derde verzoeker doet blijken van het vereiste persoonlijk en rechtstreeks belang, ook al bedraagt de afstand van zijn woonplaats tot de betrokken installaties circa 500 meter. Noch de omstandigheid dat de vergunde constructies door de aanwezigheid van de leefbaarheidsbuffer voor het grootste deel aan het zicht van de derde verzoeker worden onttrokken, noch de omstandigheid dat de betrokken X-11.187-25/27 gronden op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit volgens het gewestplan Sint-Niklaas - Lokeren waren bestemd tot “zeehavengebied type 2” en thans volgens het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Waaslandhaven 1 en omgeving zijn bestemd tot “zone voor waterwegeninfrastructuur”, doet aan de voormelde vaststelling afbreuk. 15. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat heeft zijn op grond van artikel 12 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State opgemaakt verslag over de zaak met toepassing van artikel 24, tweede lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beperkt tot het onderzoek van de voormelde exceptie. Het is noodzakelijk voor de oplossing van het geschil dat de zaak verder door een lid van het auditoraat wordt onderzocht en dat daarover verslag wordt uitgebracht. Er is reden om de debatten te heropenen. BESLISSING 1. De Raad van State stelt de afstand van het geding vast in hoofde van de tweede verzoekende partij. 2. De Raad van State verwerpt het beroep in hoofde van de eerste verzoekende partij. 3. De Raad van State heropent de debatten voor het overige. 4. Het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. 5. De tweede verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op 175 euro. De eerste verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. X-11.187-26/27 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht december 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Pierre Lefranc, staatsraad, met bijstand van Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-11.187-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.664 Gerelateerde publicatie(
  5. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.118.728 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.212.776 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.