← België

Arrest 198666 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.666 Rolnummer: A. 173422/X-12859 Zaak: Arrest 198666 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-17 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 04:00 Fiche Arrest nr 198.666 van 8 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 198.666 van 8 december 2009 in de zaak A. 173.422/X-12.

  1. In zake: Benedict CLARYSSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Arnaud Declerck kantoor houdend te 8530 HARELBEKE Kortrijksesteenweg 387 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 OOSTENDE Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 29 mei 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 27 maart 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar en vernietiging van de beslissing van 13 januari 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen waarbij aan de verzoeker de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een ondergrondse waterput op een perceel gelegen aan de Gitse Voetweg te Hooglede, kadastraal bekend sectie B, nr. 761/b. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. X-12.859-1/18 De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 september
  4. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Arnaud Declerck, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Pascal Louage, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Op 20 januari 2004 willigt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie het beroep in van de gemachtigde ambtenaar en vernietigt bijgevolg de beslissing van 13 februari 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij aan de verzoeker een vergunning voor een periode van vijf jaar wordt verleend voor de regularisatie van plastiek serres met pomphuis en ondergrondse watertank aan de Lepelstraat 13b (Gitse Voetweg) te Hooglede, kadastraal bekend sectie B, nr. 761/b. Tegen dit besluit heeft de verzoeker een beroep tot nietigverklaring ingesteld. Dit beroep wordt verworpen bij arrest nr. 198.665 van 8 december
  7. 3.
  8. Inmiddels heeft de verzoeker op 31 maart 2004 (datum van het ontvangstbewijs) bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hooglede een aanvraag ingediend tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige X-12.859-2/18 vergunning voor het bouwen van een ondergrondse waterput op een perceel gelegen aan de Gitse Voetweg te Hooglede, kadastraal bekend sectie B, nr. 761/b. Het betrokken perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgestelde gewestplan Roeselare - Tielt gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen het beheersingsgebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan, en maakt evenmin deel uit van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. 3.
  9. Op 3 mei 2004 brengt de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies uit over de aanvraag, waarin hij onder meer stelt wat volgt: “- op 28.10.2002 werd door het college van burgemeester en schepenen een weigering afgegeven voor het regulariseren van wederrechtelijk uitgevoerde plastiek koepelserres alsook voor het plaatsen van de ondergrondse water(t)ank en een bijhorende pomphuis. Voorafgaandelijk werd door de gemachtigde ambtenaar dit aanvraagdossier ongunstig geadviseerd. Dit ongunstig advies en de daarop volgende weigering van het college van burgemeester en schepenen steunde op volgende overwegingen: In de uitstippeling van haar ruimtelijk beleid streeft de gemeente een duurzame ontwikkeling na. Dit houdt een ruimtelijke visie in op lange termijn, ten aanzien van het komen tot een gewenste ruimtelijke structuur, die mogelijkheden voor de toekomst niet hypothekeert. Een van de uithangspunten daarbij is dat in de gebiedsdelen met een belangrijke landschappelijke kwaliteit, wat met huidige aanvraag zeker het geval is, de natuurlijke structuur minstens evenwaardig is aan de agrarische structuur en dat zij bovendien de als fysische drager bepalend is voor de verdere ruimtelijke ontwikkelingen. In landschappelijk waardevolle gebieden kunnen ten hoogste bij bestaande vestigingen van landbouwbedrijven bijkomende ruimtelijke ontwikkelingen worden overwogen. Nieuwe vestigingen in de zin van glastuinbouw en/of intensieve teelten met een grote ruimtelijke weerslag op de omgeving in de zin van bedrijfsbebouwing en -constructies, zijn in dergelijke landschappelijke maar kwetsbare gebieden uit te sluiten. Serres voor groenteteelt dienen zich zoveel als mogelijk te bundelen in het landbouwgebied dat zich situeert, althans op gemeentelijk niveau, ten noorden van de deelgemeente Gits alwaar reeds een vrij hoge concentratie van glastuinbouw aanwezig is. Dergelijke bundeling heeft niet alleen voordelen voor de agrarische functie zelf maar ook en vooral op het vlak van de beeldkwaliteit en landschappelijke aspecten. De landschappelijke waarde en het grondgebonden karakter van de landbouw op de heuvelrug van Hooglede moet worden beschermd door bestemmingsverfijning. Dit impliceert minstens een planmatige aanpak bij middel van te ontwikkelen ruimtelijke uitvoeringsplannen die gelinkt zijn aan het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. In haar voorstel ter zake van bindende bepalingen stelt het gemeentebestuur terecht dat in het te ontwikkelen ruimtelijk uitvoeringsplan voor de heuvelrug van Hooglede onder meer als aandachtspunt moet worden vooropgesteld, het verhinderen van nieuwe bebouwing, zelfs agrarische bebouwing. X-12.859-3/18 Ook voor het tijdelijk gedogen van dergel(i)jke constructies zijn er vanuit ruimtelijke en stedenbouwkundige overwegingen geen aanvaardbare motieven. ALGEMENE CONCLUSIE Met het oog op het realiseren van een gewenste ruimtelijke structuur op schaal van de gemeente dient de betreffende aanvraag minstens te kaderen in een globale ruimtelijke benadering. Overwegende de ruimtelijke impact die het ontworpen project teweeg brengt op de omgeving is met het oog op het vrijwaren van een kwaliteitsvolle landschappelijk homogene open ruimte, een duurzame samenhangende benadering onontbeerlijk. Deze bouwaanvraag is een ad-hoc-benadering die uitsluitend kadert in een verder zetten van een bestaande trend zonder dat daarbij de ruimtelijke en stedenbouwkundige draagwijdte ervan wordt afgewogen en getoetst aan een vooropgestelde visie of kader. Dergelijke gemeent(e)lijke ruimtelijke beleidsvisie is reeds in volle ontwikkeling en gekend en zij maakt dat dit project onvoldoende of niet ondersteund is. Deze aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning kan niet worden gezien als een duurzame ruimtelijke ontwikkeling. - In beroep werd op 13.02.2003 door de bestendige deputatie een vergunning verleend voor een periode van 5 jaar. - Tegen deze beslissing werd door de gemachtigde ambtenaar een hoger beroep ingesteld. Dit beroep werd op 20.01.2004 in hoogste administratieve graad, door de voor Ruimtelijke Ordening bevoegde Vlaamse minister, ingewilligd.. - Op 01.03.2004 werd voor de als bouwmisdrijf vastgestelde wederrechtelijk uitgevoerde koepelserres een herstelvordering ingeleid bij de Procureur des Konings, waarbij voor het betreffende site een herstel in de oorspronkelijke staat werd gevorderd. BESCHRIJVING VAN DE BOUWPLAATS, DE OMGEVING EN DE AANVRAAG Het betreft het plaatsen van een ondergrondse watertank gesitueerd op quasi dezelfde plaats als deze waarvoor in de hiervoor vermelde geweigerde aanvraag (...) reeds een bovengrondse watertank werd voorzien. Een tweede gelijklopende aanvraag tot bekomen van een stedenbouwkundige vergunning betreft het bijhorende pomphuis, dat eveneens in de initiële aanvraag reeds werd voorzien en geweigerd. Het geheel van de geplande watertank en pomphuis situeert zich in de onmiddellijke nabijheid van de wederrechtelijk opgerichte en in hoogste graad van administratief beroep geweigerde koepelserres. BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING De motieven die eerder aan de basis lagen van de wegering van de regularisatie van de koepelserres (...) is ook hier op deze aanvraag integraal van toepassing. ALGEMENE CONCLUSIE Met het oog op het realiseren van een gewenste ruimtelijke structuur op schaal van de gemeente dient de betreffende aanvraag minstens te kaderen in een globale ruimtelijke benadering. Overwegende de ruimtelijke impact die het ontworpen project teweeg brengt op de omgeving is met het oog op het vrijwaren van een kwaliteitsvolle landschappelijk homogene open ruimte, een duurzame samenhangende benadering onontbeerlijk. Deze bouwaanvraag is een ad-hoc-benadering die uitsluitend kadert in een verder zetten van een bestaande trend zonder dat daarbij de ruimtelijke en stedenbouwkundige draagwijdte ervan wordt afgewogen en getoetst aan een vooropgestelde visie of kader. Dergelijke gemeent(e)lijke ruimtelijke beleidsvisie is reeds in volle ontwikkeling en gekend en zij maakt dat dit project onvoldoende of niet ondersteund is. X-12.859-4/18 Deze aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning kan niet worden gezien als een duurzame ruimtelijke ontwikkeling”. 3.
  10. Bij besluit van 14 juli 2004 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hooglede de gevraagde stedenbouwkundige vergunning op grond van het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 3.
  11. Op 17 augustus 2004 stelt de verzoeker beroep in tegen dit weigeringsbesluit bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen. 3.
  12. Bij besluit van 13 januari 2005 willigt de bestendige deputatie het beroep van de verzoeker in en verleent ze de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. In dit besluit wordt onder meer overwogen wat volgt: “Overwegende dat het ontwerp het bouwen voorziet van een ondergrondse waterput; dat deze waterput volledig onder de grond komt te liggen en bijgevolg niet zichtbaar zal zijn, waardoor deze geen impact zal veroorzaken op de omgeving; d(a)t het een watertank betreft die voorzien wordt in gewapend waterdicht beton en folie; dat er bovenop de betonnen gewelven geotextiel komt te liggen en daarboven nog een laag aarde; dat de watertank een voorziene breedte heeft van 5m en een lengte van 15m en 1,60m diep zal zijn; dat de totale opslagcapaciteit op 100.000l zal komen; Overwegende dat beroeper opwerpt dat de aanvraag voor de bouw van de ondergrondse watertank (en de bijhorende pompinstallatie) gekoppeld is aan de milieuvergunning van 27 augustus 2002 die verleend werd door het schepencollege voor de exploitatie van het landbouwbedrijf; dat hij stelt dat de diensten van de milieu-inspectie (aminal) beroeper verplicht hadden een ondergrondse watersilo en bijhorend pomphuis te plaatsen; dat beroeper namelijk tuinbouwer is van beroep; dat hij de ondergrondse watertank en de pompinstallatie (waarvoor vergunning gevraagd wordt in dossier 04/16/8962) zal gebruiken voor de beregening van de tuinbouwgewassen; Overwegende dat de bestendige deputatie in zitting van 17 juni 2004 een gelijkaardige beslissing heeft genomen inzake het dossier Pierre Maertens te Kortemark; Overwegende dat ook in huidig dossier dergelijke overwegingen kunnen toegepast worden; dat beroeper namelijk opwerpt dat het ontwerp ingegeven is van een vraag die gerezen is naar aanleiding van de milieuvergunning voor zijn bedrijf; dat hiermee onmiddellijk het argument van de gemachtigde ambtenaar weerlegd wordt dat stelt dat de bouwaanvraag een ad-hoc-benadering is die uitsluitend kadert in een verderzetten van een bestaande trend zonder dat daarbij de ruimtelijke en stedenbouwkundige draagwijdte ervan wordt afgewogen en getoetst aan een vooropgestelde visie of kader; dat het inderdaad zo is dat er een algemene oplossing moet gezocht worden voor het probleem van watergebruik; dat dit echter niet inhoudt dat de individuele aanvrager daarvoor verantwoordelijk moet gesteld worden; Overwegende dat deze werken werden opgelegd in een voorwaarde bij de milieuvergunning van 27 augustus 2002; dat het ontwerp bovendien geen X-12.859-5/18 impact zal hebben op de omgeving aangezien de pompinstallatie volledig onder de grond wordt voorzien; dat het ontwerp, gelet op het voorgaande, verenigbaar is met de goede plaatselijke aanleg”. 3.
  13. Op 7 februari 2005 stelt de gemachtigde ambtenaar tegen voormeld besluit van de bestendige deputatie beroep in bij de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening. Dit beroep is gemotiveerd als volgt: “Het betreffen hier twee gelijklopende aanvragen voor het bekomen van stedenbouwkundige vergunningen voor enerzijds het bouwen van een ondergrondse waterput en anderzijds het bouwen van een pompinstallatie. Beide constructie zijn voor hun werking aan elkaar gerelateerd. Zij liggen naast elkaar en situeren zich planologisch in een door het gewestplan vastgelegd ‘agrarisch landschappelijk waardevol gebied’. Van de onmiddellijk naastliggende en eveneens verband houdende constructies (plastiekserres), die op de bouwplannen van de beide betreffende aanvraagdossier worden vermeld en weergegeven als zijnde ‘bestaande plastiekserres’, werd eerder in hoogste graad van administratief beroep, door de voor ruimtelijke ordening bevoegde Vlaamse minister, met redenen omkleed beslist dat de door de bestendige deputatie verleende stedenbouwkundige vergunning is vernietigd. Bij de overwegingen van deze ministeriële beslissing werd onder meer gesteld dat de betreffende plaats geen deel uitmaakt van een aangetast agrarisch gebied, dat deze plastiekserres, waarvoor huidige aanvragen ook dienend zijn, volkomen solitair worden ingeplant, dat in de regel de oprichting van zone-eigen bedrijfsgebouwen bij de bedrijfswoning dienen te worden ingeplant dit teneinde een onverantwoorde versnippering van het nog homogene landbouwgebied te vermijden, dat de betreffende inplanting een verdere aantasting van dit nog landschappelijk homogeen gebied impliceert, dat zo aangetoond wordt dat geen mogelijkheden van oprichting bestaan op de grond van de bedrijfszetel zelf en dat moet gekozen worden voor de oprichting van bedrijfsgebouwen, in casus de plastiekserres bij de reeds bestaande bebouwde entiteiten in het agrarisch gebied. Ook een desbetreffende tijdelijke vergunning kon hier om zelfde hiervoor genoemde redenen niet worden overwogen. Aldus moet heel duidelijk worden gesteld dat de met huidige aanvragen verbandhoudende en zogezegd bestaande plastiekserres wederrechtelijk werden opgericht en dat zij op heden ook wederrechtelijk worden in stand gehouden. Dit niettegenstaande door de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur een herstelprocedure werd gestart. De motieven die eertijds aan de basis hebben gelegen voor het niet aanvaarden van de betrekking hebbende serres zijn ook hier zeer actueel en integraal van toepassing op huidige beide aangevraagde constructies. Temeer dat met de gevraagde pompinstallatie en het bijhorende waterreservoir een bediening van de wederrechtelijk instand gehouden serres wordt beoogd. In de door haar vooropgestelde beleidsvisie ten aanzien van de ruimtelijke ordening op schaal van de provincie stelt het provinciebestuur dat de rug van Hooglede een structurerende heuvelrug is waar versnippering van het landschap door bebouwing dient te worden vermeden. De bestendige deputatie houdt met haar huidige beslissingen inzake deze aanvragen helemaal geen rekening met de door haar goedgekeurde gewenste ruimtelijke structuur. Dergelijke ad hoc X-12.859-6/18 benadering staat lijnrecht tegenover de op alle bestuursniveaus voorgehouden en vooropgestelde duurzame ruimtelijke ontwikkelingen”. 3.
  14. Bij het thans bestreden besluit van 27 maart 2006 willigt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het beroep van de gemachtigde ambtenaar in en vernietigt het besluit van 13 januari 2005 van de bestendige deputatie houdende afgifte van de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat de aanvraag strekt tot het bouwen van een ondergrondse waterput; dat het een watertank betreft die voorzien wordt in gewapend waterdicht beton en folie; dat er bovenop de betonnen gewelven geotextiel komt te liggen en daarboven nog een laag aarde; dat de watertank een voorziene breedte heeft van 5 m en een lengte van 15 m en 1,60 m diep zal zijn; dat de totale opslagcapaciteit op 100.000 1 zal komen; dat de bijhorende pompinstallatie het voorwerp uitmaakt van een afzonderlijke van de ondergrondse watertank (en de bijhorende pompinstallatie -zie dossier SV/B/3069/5664) gekoppeld is aan de milieuvergunning van 27 augustus 2002 die verleend werd door het schepencollege voor de exploitatie van het tuin- en landbouwbedrijf, dat in deze vergunning sprake is van het boren van grondwaterwinningsputten en grondwaterwinning met een opgepompt debiet van 500 m³/jaar tot 30.000 m³/jaar, dat hij stelt dat de diensten van de milieuinspectie beroeper verplicht hadden een ondergrondse watersilo en bijhorend pomphuis te plaatsen, dat beroeper namelijk tuinbouwer is van beroep en dat hij de ondergrondse watertank en de pompinstallatie enkel zal gebruiken voor de beregening van de tuinbouwgewassen; Overwegende dat de plaats van de aanvraag zich bevindt halfweg tussen de woonkernen van Hooglede en Gits; dat het een open agrarisch gebied betreft dat plaatselijk aangetast is door bebouwing; dat de Gitse Voetweg een zijtak is van de Lepelstraat; dat de aanvrager zijn bedrijf in de Lepelstraat (perceel nr. 738b) heeft; dat de kwestieuze bouwplaats gelegen is op ongeveer 300 m van de bedrijfsgebouwen aan de Lepelstraat; Overwegende dat uit het technisch-stedenbouwkundig onderzoek blijkt dat het geheel van de geplande werken zich situeren in de onmiddellijke nabijheid van de wederrechterlijke plastiek koepelserres waarvoor bij ministerieel besluit van 20 januari 2004 de vergunning werd geweigerd; dat het ene bouwwerk niet los te koppelen is van het andere en bijgevolg het geheel dient beoordeeld te worden; dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat op die plaats werkelijk aan openluchtgroenteteelt wordt gedaan, integendeel blijkt zelfs dat de aanwezigheid van de serres nog steeds een belangrijk gegeven is voor de uitoefening van de tuinbouwactiviteit op die plaats; dat tevens niet aangetoond wordt waarom de bestaande waterwinningsput op het perceel nr. 728 niet voldoende is om water aan te voeren naar het nabijgelegen perceel; Overwegende dat met het oog op het realiseren van een gewenste ruimtelijke structuur op schaal van de gemeente de aanvraag minstens moet kaderen in een globale ruimtelijke benadering; dat om deze reden de goede ruimtelijke ordening van het betrokken gebied in het gedrang wordt gebracht; Overwegende dat de motieven die eerder aan de basis lagen van de weigering van de regularisatie van de koepelserres, watertank en de pompinstallatie ook hier op deze aanvraag van toepassing zijn; dat de beslissing van de bestendige deputatie in strijd is met een degelijk beleid inzake X-12.859-7/18 ruimtelijke ordening en stedenbouw; dat de gemachtigde ambtenaar met reden in hoger beroep is gekomen; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  15. In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit), van artikel 2, § 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), en van “de bindende kracht van de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Roeselare-Tielt”. Hij zet dit middel uiteen als volgt: “
  16. De aanvraag van de ondergrondse waterput is gelegen in een agrarisch landschappelijk waardevol gebied. Agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in ruime zin. Zij bevatten de voor het landbouwbedrijf noodzakelijke gebouwen (art. 11 van het K.B. van 28.12.1972). Er bestaat geen betwisting over het feit dat de aangevraagde vergunning voor het bouwen van een ondergrondse waterput in overeenstemming is met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan. Dit wordt trouwens erkend door de gemachtigde ambtenaar in zijn advies van 03.05.2004 (...). Nochtans kan de kwalificatie ‘landschappelijk waardevol gebied’ nooit van aard zijn om een bouwverbod op te leggen van constructies die toelaatbaar zijn aan agrarisch gebied.
  17. In zijn hiervoor geciteerde - uiterst summiere - motivering onder randnummer 10, sluit de Minister in zijn beoordeling van de goede ruimtelijke ordening zich zonder meer aan bij de motieven die aan de basis lagen van de weigering door het Gemeentebestuur van Hooglede van de eerder door verzoeker aangevraagde vergunning van de vijf bestaande en één bijkomende koepelserre, waaraan ook de aanvraag werd gekoppeld voor het bouwen van een ondergrondse watertank en een pompstation ((...) ‘Overwegende dat de motieven die eerder aan de basis lagen van de weigering van de regularisatie van de koepelserres, watertank en de pompinstallatie ook hier op deze aanvraag van toepassing zijn;’). Op grond van een onredelijke beoordeling dat de inplanting van de plastiek serres de schoonheidswaarde van het landschap zou aantasten, werd in de motivering van het eerder bestreden besluit zonder meer gesteld dat op de bouwplaats geen enkele constructie kan worden toegestaan, omdat de schoonheidswaarde van het landschap zich verzet tegen de bouw van eender welke inrichting die niet onmiddellijk paalt aan bestaande bedrijfsgebouwen. (...) X-12.859-8/18 ‘Overwegende dat de grond te bereiken is via een ca. 42 m lange en 5 m brede doorgang aan de Gitse Voetwet; dat de niet verharde Gitse Voetweg een zijstraat is van de Lepelstraat, waar de bedrijfszetel van de aanvrager is gelegen; dat vanaf ongeveer 300 m verder in zuidelijke richting al dan niet zonevreemde bebouwing aan de Lepelstraat en in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied voorkomt, dat 600 tot 700 m zuidelijk en zuidwestelijk het woongebied van de gemeente Hooglede is gelegen, dat de dichtstbijzijnde bebouwing, meerbepaald slechts 2 woningen, zich op ongeveer 100 m situeert van de bouwplaats, aan de Gitse Voetweg; Overwegende dat de plaats geen deel uitmaakt van een plaatselijk aangetast agrarisch gebied; dat de gevraagde infrastructuur volkomen solitair is ingeplant; dat in de regel de oprichting van zone-eigen bedrijfsgebouwen hier bij de bedrijfswoning dient te gebeuren, dit teneinde een onverantwoorde versnippering van het nog homogene landbouwgebied te vermijden; dat de inplanting een verdere aantasting van het verder nog homogene gebied impliceert; dat zo aangetoond wordt dat geen mogelijkheden van oprichting bestaan op de grond van de bedrijfszetel zelf en dat moet gekozen worden voor de oprichting van bedrijfsgebouw, in casu de betreffende infrastructuur, bij reeds bestaande bebouwde entiteiten in het agrarisch gebied; Overwegende dat de aanvraag om de voornoemde reden resulteert in de aantasting van de schoonheidswaarde van het agrarisch gebied en er derhalve strijdigheid bestaat met de vigerende bestemmingsvoorschriften van het gewestplan en niet kan ingestemd worden met de tijdelijke vergunning, zoals verleend door de bestendige deputatie; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd.’ In het kader van de eerdere regularisatieaanvraag, stelde de Minister aldus, met verwijzing naar een onbestaand (toekomstig) ruimtelijk uitvoeringsplan, elke vorm van bebouwing in het agrarisch gebied te willen verhinderen. Naar deze motivering wordt bij de beoordeling van de huidige bouwaanvraag voor de ondergrondse watertank zonder meer verwezen door de Minister, wat uiteraard niet kan, gezien het opleggen van een bouwverbod niet tot de bevoegdheid van de Minister behoort, én wat overigens flagrant in strijd is met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan. In het Ruimtelijk Structuurplan West-Vlaanderen is trouwens enkel terug te vinden dat het gebied op de rug van Hooglede geselecteerd is onder de rubriek ‘natuurverbindingsgebieden’, meer bepaalde onder de ‘clusters kleine landschapselementen en kleine natuurgebieden’. Nergens in het structuurplan is een voorschrift opgenomen dat bebouwing zou verhinderen, of dat bestemmingsvoorschriften van het van kracht zijnde gewestplan buiten werking zou stellen. Zelfs de bindende bepalingen van een structuurplan kunnen nooit ingeroepen worden in strijd met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan, zolang dit van kracht blijft (ROELANTS, B., Ruimtelijke structuurplanning, in ‘Het nieuw decreet op de ruimtelijke ordening’, 1999, p. 93-94, nrs. 54 en 59). Art. 19, §6 D.R.O. laat er trouwens geen twijfel over bestaan: ‘de ruimtelijke structuurplannen vormen geen beoordelingsgrond voor de werken en handelingen, bedoeld in art. 99 en 101, noch voor het stedenbouwkundig uittreksel en attest, bedoeld in art. 135.’
  18. Artikel 15, 4.6.1., van het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, bepaalt dat in de landschappelijk waardevolle gebieden ‘bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen’, en ‘in deze gebieden (...) alle handelingen en werken (mogen) worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur X-12.859-9/18 aangegeven bestemming, voorzover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen’. De omzendbrief van 08.07.1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, laatst gewijzigd op 25.10.2002, inhoudende de toelichting bij het KB van 28.12.1972, verduidelijkt wat onder ‘bepaalde beperkingen’ moet worden verstaan (...): ‘In de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden zijn in principe dezelfde ordeningsmaatregelen van toepassing als in de gewone agrarische gebieden (art. 11). Bij elke vergunningsplichtige handeling of werk dient evenwel te worden nagegaan of de betrokken handeling of werk al dan niet onderworpen dient te worden aan bijkomende voorwaarden om verenigbaar te kunnen worden geacht met de specifieke schoonheidswaarden van het betrokken gebied. Deze eventueel op te leggen voorwaarden kunnen betrekking hebben op de landschapsinkleding, de gebruikte materialen, de bouwhoogte, het bouwvolume en de plaats van inplanting, maar zij mogen niet van die aard zijn dat handelingen of werken die overeenstemmen met de agrarische bestemming rechtstreeks of onrechtstreeks zouden verboden worden.’ Welnu, door in het bestreden besluit te verwijzen naar de eerdere motivatie van de weigering van de aanvraag tot regularisatie, en aldus eveneens als regel te stellen dat geen enkele constructie vergunbaar zou zijn in landschappelijk waardevol gebied, tenzij deze zou aansluiten bij een reeds bestaand bedrijfsgebouw, heeft de Minister een bouwverbod uitgevaardigd op alle percelen die niet rechtstreeks aansluiten op de bestaande entiteiten. Deze beslissing is strijdig met de bestemmingsvoorschriften zoals vastgelegd in de artikelen 11 en 15 van het KB van 28.12.1972, en met de draagwijdte van deze bepalingen zoals toegelicht in de hiervoor geciteerde omzendbrief. In een landschappelijk waardevol gebied kunnen beperkingen worden opgelegd, rekening houdend met de schoonheidswaarde van het landschap, maar kan de bouw van de voor de landbouwexploitatie noodzakelijke infrastructuur niet zonder meer worden verboden, of onderworpen aan algemeen geldende regels die resulteren in een bouwverbod op alle open ruimtes. Verzoeker wijst er nog op dat hij in de praktische onmogelijkheid verkeert om de serres te plaatsen vlak bij zijn bedrijfsgebouwen. Het uitvaardigen van een algemeen bouwverbod op zijn verderop gelegen gronden, zou zonder meer gelijkstaan met een feitelijk verbod om de huidige exploitatie (groenteteelt) verder te zetten! Het betreft nochtans een exploitatie die precies de schoonheidswaarde van het landschap in stand houdt, en er zijn geen economisch alternatieve landbouwactiviteiten denkbaar die minder impact op het landschap hebben.
  19. Besluit: de situering van de ondergrondse waterput in landschappelijk waardevol gebied laat de overheid niet toe om een vergunning te weigeren voor het bouwen van constructies die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van het landbouwbedrijf, en bijgevolg in overeenstemming zijn met de bestemmingsvoorschriften voor agrarische gebieden (art. 11 van het K.B. van 28.12.1972). De kwalificatie landschappelijk waardevol gebied kan nooit van aard zijn om een bouwverbod op te leggen van constructies die toelaatbaar zijn in agrarisch gebied. Het uitvaardigen van zulk bouwverbod is fundamenteel in strijd met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan, en derhalve onwettig”. X-12.859-10/18 Beoordeling
  20. Waar de verzoeker aanvoert dat het ruimtelijk structuurplan West- Vlaanderen geen beoordelingsgrond kan vormen voor zijn vergunningsaanvraag, dient te worden vastgesteld dat de motivering van het bestreden besluit tot inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar niet is gesteund op strijdigheid van de aanvraag met welkdanig voorschrift dan ook van dat ruimtelijk structuurplan. Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.
  21. Voorts meent de verzoeker dat de beslissing van de minister neerkomt op het opleggen van een bouwverbod, hetgeen volgens hem in strijd is met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan. Artikel 11, 4.1 van het inrichtingsbesluit bepaalt wat volgt: “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft (...)”. Artikel 15, 4.6.1 van hetzelfde besluit bepaalt: “De landschappelijke waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen”. Uit de samenlezing van de voormelde bepalingen volgt dat de toelaatbaarheid van bouwwerken in landschappelijk waardevolle agrarische gebieden op grond van een tweevoudig criterium moet worden getoetst: 1) een planologisch, hetwelk veronderstelt dat de overheid nagaat of de te vergunnen werken in overeenstemming zijn met de bestemming agrarisch gebied, en 2) een esthetisch, hetwelk inhoudt dat bedoelde werken moeten kunnen worden overeengebracht met de eisen ter vrijwaring van het landschap. X-12.859-11/18
  22. Krachtens artikel 2, § 1 van het gecoördineerde decreet hebben alle voorschriften van de plannen van aanleg dezelfde bindende en verordenende kracht, en mag er alleen van worden afgeweken in de gevallen en in de vormen door dit decreet bepaald. Het motief dat de handelingen en werken waarvoor de vergunning wordt gevraagd de schoonheidswaarde van het landschap in gevaar brengen, kan derhalve volstaan om de weigering van deze vergunning wettig te verantwoorden. Het betoog van de verzoeker dat handelingen en werken die in overeenstemming zijn met de bestemming agrarisch gebied, niet kunnen worden geweigerd om reden alleen dat zij de schoonheidswaarde van het landschap in gevaar brengen, kan dan ook niet worden bijgetreden. De omstandigheid dat de verzoeker in de praktische onmogelijkheid verkeert om de serres vlak bij zijn bedrijfsgebouwen te plaatsen, is geen wettige reden om van het gewestplanvoorschrift te kunnen afwijken.
  23. In zoverre de verzoeker nog verwijst naar de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen, moet worden vastgesteld dat omzendbrieven gericht aan de vergunningverlenende overheden die richtsnoeren bevatten nopens de interpretatie en de toepassing van de bestaande wetten en verordeningen, geen enkel bindend karakter hebben, ongeacht of zij zijn bekendgemaakt of niet. De niet- naleving van een dergelijke omzendbrief kan dan ook door een verzoeker niet worden aangevoerd als vernietigingsgrond ter ondersteuning van een annulatieberoep gericht tegen een individuele bestuursbeslissing die zou zijn genomen met miskenning van de door het bestuur in het algemeen verleende interpretatie.
  24. Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  25. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van “de formele en materiële motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel”. Hij zet dit middel uiteen als volgt: X-12.859-12/18 “
  26. Eerste onderdeel Afgezien van het feit dat verzoeker de weigering van de eerder gevraagde vergunning voor de plastiekserres op goede gronden aanvecht voor de Raad van State, is de Minister er in zijn besluit ten onrechte van uitgegaan dat de huidige aanvraag opnieuw eenzelfde voorwerp zou hebben, en dat hij dus gewoon op dezelfde gronden opnieuw een negatieve beslissing kan nemen. Dit is evident een misvatting. De huidige aanvraag betreft uitsluitend de aanleg van een waterput die zich bovendien volledig ondergronds situeert. Ongeacht of verzoeker in de toekomst verder gebruik maakt van de in 1990 geplaatste plastiekserres, dan wel of hij zou overschakelen op wegneembare serres van kleinere omvang waarvoor geen vergunning is vereist (Artikel 3, 10/ van Besluit van 14 april 2000 laat serres toe met een hoogte tot 2,50 meter zonder vergunning), dan wel of hij helemaal geen serres meer zal gebruiken, in elke hypothese vereist het kweken van groentes dat de gewassen beregend kunnen worden - afhankelijk van de weersomstandigheden - wanneer dit voor een goede teelt vereist is. Ongeacht of de heer CLARYSSE het plantgoed ter plaatse kweekt in serres, dan wel elders kweekt of bij derden aankoopt, in elk geval worden de groenten overgeplant in volle grond en in open lucht. Begin 2002 hadden de diensten van de milieu-inspectie (AMINAL) verzoeker verplicht een ondergrondse watersilo en bijhorend pomphuis te plaatsen, om zo het regenwater op te vangen en aan te wenden voor de beregening van de gewassen in periodes van droogte en alzo het oppompen van grote hoeveelheden grondwater te vermijden. De aanvraag voor de bouw van de ondergrondse watertank (en de bijhorende pompinstallatie) is gekoppeld aan de milieuvergunning van 27.08.2002 voor de exploitatie van het landbouwbedrijf, verleend door het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Hooglede op 19.08.2001 (...). De te vergunnen waterput is volstrekt noodzakelijk voor een verantwoorde en ecologische exploitatie van het landbouwbedrijf. Samen met het pompstation, moet de ondergrondse wateropslagplaats het verzoeker toelaten om de omliggende velden te beregenen in droogteperiodes, zonder daarvoor onnodig grondwater te moeten oppompen. De geplande wateropslagplaats en bijhorende pompinstallatie vormen op zichzelf dus een noodzakelijk onderdeel van een ecologisch verantwoorde landbouwexploitatie, volledig onafhankelijk van het al dan niet gebruiken van koepelserres. De Minister houdt dan ook geheel ten onrechte voor dat onvoldoende bewezen zou zijn dat er werkelijk aan openlucht groenteteelt wordt gedaan en hij verwijst tevens geheel onterecht naar de eerdere motivering die aan de basis lagen van de weigering tot regularisatie van de bestaande plastiek koepelserres. Deze motivering van de Minister, als zou de aangevraagde constructie bij een verder gelegen bestaand landbouwbedrijf horen, en dat het in feite een nieuwe ruimtelijke entiteit betreft die niet los te koppelen is van de bestaande entiteit, is dan ook volstrekt niet ter zake. Het berust op een volstrekt foutieve inschatting van het voorwerp van de aanvraag: het gaat niet over koepelserres, maar enkel om een ondergrondse waterput! De Minister vertrekt aldus van de volstrekt onjuiste voorstelling van zaken dat de pompinstallatie en de waterput dienstig zouden zijn voor het in stand houden van de betwiste serres. Overigens is het zo dat, zelfs in de hypothese dat de vaste serres verwijderd zouden moeten worden (daarover loopt een procedure voor de Raad van State, en een burgerrechtelijke procedure voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk, nadat de Procureur des Konings geweigerd heeft om een strafrechtelijke vervolging in te stellen), dan nog zou verzoeker perfect X-12.859-13/18 gerechtigd zijn om zonder vergunning soortgelijke serres te gebruiken, voor zover hij ze na de oogst verwijdert (artikel 3, 10/ van het besluit van de Vlaamse Regering van 14.04.2002).
  27. Tweede onderdeel Overeenkomstig art. 19, laatste lid, van het K.B. van 28.12.1972, betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp gewestplannen en gewestplannen, kan een vergunning slechts worden afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening, ook al is de aanvraag niet in strijd met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan. In het bijzonder wat de toelaatbaarheid betreft van bouwwerken in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, moet naast het louter planologisch criterium ook worden nagegaan of de beoogde werken overeengebracht kunnen worden met de eisen ter vrijwaring van de schoonheidswaarde van het landschap. Bij het hem opgedragen wettigheidstoezicht vermag de Raad van State zijn beoordeling met betrekking tot de bestaanbaarheid van het bouwproject met de schoonheidswaarde van het betrokken gebied in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Wel kan worden nagegaan aan de hand van de concrete gegevens van de zaak of de overheid de feiten waarop haar beoordeling steunt, correct heeft vastgesteld en of zij op grond van die feiten in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het te vergunnen bouwwerk de schoonheidswaarde van het landschap al dan niet in gevaar brengt; bij deze toetsing kan de Raad van State enkel rekening houden met de feiten en de beoordeling ervan zoals zij blijken uit de bestreden beslissing zelf (...). De algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29.06.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vereisen dat de motivering met betrekking tot de goede plaatselijke ordening, en in het bijzonder de bestaanbaarheid van de te vergunnen werken met de schoonheidswaarde van het landschap, de concrete redenen vermeldt waarop de overheid haar beslissing steunt, op zodanig wijze dat daaruit blijkt dat zij is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, dat zij die correct heeft beoordeeld, en dat zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. In de motivering mag de overheid zich niet beperken tot inhoudsloze en nietszeggende stijlformules die voor eender welke bouwaanvraag zouden kunnen gelden (...). Zoals hierna wordt aangetoond, kon de Minister in redelijkheid niet tot het bestreden besluit komen.
  28. Zoals gezegd, dient in het kader van deze aanvraag dus alleen te worden onderzocht of de aangevraagde ondergrondse waterput als zodanig een ontoelaatbare schending zou impliceren van de schoonheidswaarde van het landschap. In alle redelijkheid dient vastgesteld te worden dat dit allerminst het geval is, en dat niet ernstig volgehouden kan worden dat het landschap dermate verstoord zou worden dat dit tot een feitelijk verbod zou moeten leiden voor de verdere exploitatie van het landbouwbedrijf van verzoeker. Enerzijds dient opgemerkt dat ook bij de vorige bouwaanvraag het advies van de gemachtigde ambtenaar en het besluit van het Gemeentebestuur enkel verwijzen naar de ruimtelijke impact van de serres. Er wordt nergens gewag gemaakt van de impact van de ondergrondse watertank of de pompinstallatie. Anderzijds wordt noch in het voorafgaand negatief advies van de gemachtigde ambtenaar, noch in de motivering van diens beroep van 07.02.2005, zelfs maar gesuggereerd dat de ondergrondse waterput op zich het X-12.859-14/18 landschap zou verstoren. Er is enkel sprake van de betwiste serres, die hier evenwel niet aan de orde zijn, zoals hiervoor aangetoond. Vermits huidige aanvraag betrekking heeft op de bouw van een ondergrondse waterput, konden noch de Minister, noch de gemachtigde ambtenaar, noch het gemeentebestuur zich er mee vergenoegen te verwijzen naar de eerdere motivering die louter betrekking heeft op de koepelserres. Anderzijds heeft de Minister geen rekening gehouden met de volgende pertinente argumenten van verzoeker waarmee werd aangetoond dat de ondergrondse waterput onmogelijk wezenlijk kan storend zijn voor het landschap. Verzoeker verwijst daartoe naar de brieven van 16.08.2004 en 08.03.2005 van zijn raadsman, zoals ook toegelicht op de hoorzitting van 07.04.2005: (i) Volgens het aangevraagde ontwerp wordt de watertank niet geplaatst op de heuvelrug maar onderaan de heuvel, gezien zich daar de te beregenen velden bevinden. Deze plaatsing is eveneens ingegeven door het feit dat zich onderaan de heuvel het grondwater bevindt en daar ook het afstromend oppervlaktewater van de heuvelrug kan worden opgevangen. Verzoeker merkt daarbij volledigheidshalve op dat de bestaande waterwinningsput op perceel nr. 728 niet aan hem toebehoort (...), zodat deze uiteraard niet kan aangewend worden voor het aanvoeren van water naar zijn perceel. Bovendien zou deze waterput volstrekt onbruikbaar zijn. De voorziene inplanting van de watertank (en bijhorende pompinstallatie) kadert aldus in het algemeen waterwinningsbeleid van de provincie, zijnde een rationeel en duurzaam gebruik van water. (ii) De waterput is in het thans voorliggend ontwerp volledig ingegraven. Een volledig ondergrondse constructie kan per definitie geen enkele invloed (...) hebben op het landschappelijk uitzicht, en onmogelijk het open en gaaf karakter van de hoogterug in Hooglede aantasten Iedere motivering waarbij verwezen wordt naar het verstoren van een landschappelijk homogene open ruimte is dus gewoon niet terzake. De watertank zal visueel onzichtbaar zijn, laat staan dat er sprake zou kunnen zijn van een verstoring van het landschap! (iii) De bouwaanvraag gaf geen aanleiding tot enige opmerking of klacht van omwonenden. Zelfs in de aanvraagprocedure m.b.t. de koepelserres waren er geen opmerkingen of klachten van omwonenden, precies omdat niemand ernstig kan volhouden dat de schoonheidswaarde van het landschap in het gedrang zou komen. Geen van de bovenstaande elementen wordt in het bestreden besluit beantwoord, laat staan weerlegd. Het gaat nochtans om concrete gegevens die niet kunnen worden genegeerd wanneer de overheid een regelmatig gemotiveerde beslissing moet nemen. Het volstaat niet om in abstracto voor te houden dat de serres de schoonheidswaarde van het landschap aantasten, wanneer niet wordt ingegaan op de feitelijk aangevoerde gegevens waarmee wordt aangetoond dat er geen sprake kan zijn van een wezenlijke verstoring van het landschap. Evenmin heeft de Minister rekening gehouden met de na de hoorzitting door de raadsman van verzoeker nog aan de A.R.O.H.M. toegestuurde documenten (...), en meer in het bijzonder met het advies van het Provinciaal Centrum voor Landbouw en Milieu van 21.04.2005 waaruit blijkt dat de waterbehoefte voor de exploitatie ruim 5.500 m³ per jaar bedraagt, waarvan slechts een miniem gedeelte verband houdt met serreteelten. Nochtans bevestigt dit advies dat de geplande wateropslagplaats met bijhorende pompinstallatie een noodzakelijk onderdeel vormen van een verantwoorde landbouwexploitatie, volledig onafhankelijk van het al dan niet gebruik van de betwiste koepelserres, en dus ongeacht de uitslag van de lopende procedures voor de Raad van State en voor de Rechtbank van Eerste X-12.859-15/18 Aanleg te Kortrijk m.b.t. deze serres, of het overschakelen op niet vergunningsplichtige serres die na de oogst worden verwijderd (artikel 3, 10/ van het besluit van de Vlaamse Regering van 14.04.2002)
  29. Uit hetgeen hierboven uitvoerig uiteengezet, blijkt: - dat de bouwaanvraag niet geweigerd kan worden op grond van een ruimtelijk structuurplan of een ruimtelijk ordeningsplan; - de ondergrondse wateropslagplaats volstrekt noodzakelijk is voor een economisch en ecologisch verantwoorde exploitatie van het landbouwbedrijf; - de waterput een onontbeerlijk onderdeel is van de landbouwexploitatie, geheel los van het al dan niet verder gebruiken van naastgelegen serres; - de volledig ingegraven waterput volstrekt onzichtbaar is en in geen enkel geval de schoonheidwaarde van het landschap kan aantasten; - het bestreden besluit volkomen voorbijgaat aan elk van deze gegevens, de argumentatie van verzoeker op geen enkele wijze heeft ontmoet of weerlegd, en een beslissing heeft geweigerd zonder ernstige motivering en op grond van motieven die allerminst draagkrachtig zijn voor het weigeringsbesluit”. Beoordeling
  30. De verzoeker betwist niet dat de ondergrondse waterput waarvoor hij de vergunning heeft aangevraagd, ook dienstig is voor de serres die het voorwerp hebben uitgemaakt van het hiervoor vermelde weigeringsbesluit van 20 januari 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie. In zijn laatste memorie stelt hij hieromtrent uitdrukkelijk dat “de behoefte van 2.000 m³ per jaar aan grondwater is op te delen in 1.200 m³ voor de teelt in open lucht en 800 m³ voor de serreteelt”. De minister is dan ook, op grond van het technisch stedenbouwkundig onderzoek waaruit blijkt dat het geheel van de geplande werken zich situeert in de onmiddellijke nabijheid van de wederrechterlijke plastiek koepelserres waarvoor bij voornoemd besluit van 20 januari 2004 de vergunning werd geweigerd, terecht in de motivering van zijn besluit tot de vaststelling kunnen komen dat “het ene bouwwerk niet los te koppelen is van het andere en bijgevolg het geheel dient beoordeeld te worden”. De verzoeker betoogt voorts dat de minister geheel ten onrechte voorhoudt dat “uit het dossier onvoldoende blijkt dat op die plaats werkelijk aan openluchtgroenteteelt wordt gedaan, integendeel blijkt zelfs dat de aanwezigheid van de serres nog steeds een belangrijk gegeven is voor de uitoefening van de tuinbouwactiviteit op die plaats”, maar brengt zelf geen enkel concreet gegeven bij ter staving van zijn bewering dat dit motief van het bestreden besluit op onjuiste feitenvinding is gesteund. X-12.859-16/18 De omstandigheid dat het thans een afzonderlijke vergunningsaanvraag voor de waterput alleen betreft, dat deze waterput “samen met het pompstation” in droogteperiodes ook voor het beregenen van de omliggende velden zal worden gebruikt, en dat de in betrokken serres gekweekte groenten nadien worden overgeplant in volle grond in open lucht, doet aan de voormelde vaststellingen geen afbreuk. Hetzelfde geldt voor de argumenten van de verzoeker dat de bouw van de waterput is gekoppeld aan de milieuvergunning en noodzakelijk is voor een verantwoorde en ecologische exploitatie van het landbouwbedrijf. De verzoeker beweert ook niet dat de serres die het voorwerp uitmaken van voormeld ministerieel weigeringsbesluit van 20 januari 2004, niet vergunningsplichtig zouden zijn. Voorts dient te worden vastgesteld dat de inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar niet is gesteund op de onverenigbaarheid van de betrokken pompinstallatie als zodanig met de schoonheidswaarde van het landschap. Ten slotte is de minister, wanneer hij op grond van artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet als orgaan van het actief bestuur over een beroep uitspraak doet, er niet toe gehouden alle in het beroep aangevoerde argumenten te beantwoorden, maar kan hij volstaan met in zijn beslissing duidelijk de redenen aan te geven waarop deze is gesteund. Het tweede middel is niet gegrond. BESLISSING
  31. De Raad van State verwerpt het beroep.
  32. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. X-12.859-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht december 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, met bijstand van Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-12.859-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.666 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.