← België

Arrest 198775 - Monumenten en Landschappen - 10/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.775 Rolnummer: A. 94108/VII-37446 Zaak: Arrest 198775 - Monumenten en Landschappen - 10/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-18 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 04:01 Fiche Arrest nr 198.775 van 10 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 198.775 van 10 december 2009 in de zaak A. 94.108/VII-37.

  1. In zake:
  2. Wilhelmina VANGENECHTEN
  3. Lodewijk MICHEL
  4. Maria-Hendrika MICHEL
  5. Henri MICHEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karel Van Overstraeten kantoor houdend te Mol Jacob Smitslaan 52 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  6. Het beroep, ingesteld op 31 juli 2000, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport van 15 mei 2000 houdende bescherming als monument, stads- en dorpsgezicht voor zover dit besluit betrekking heeft op de eigendom van de verzoekende partijen, gelegen aan de Markt 38 te Mol, dat als monument wordt beschermd. II. Verloop van de rechtspleging
  7. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur-generaal Patrik De Wolf heeft een verslag opgesteld. VII-37.446-1/8 De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 november
  8. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gert Hermans, die loco advocaat Karel Van Overstraeten verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Pieter-Jan Staelens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur-generaal Patrik De Wolf heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. III. Feiten 3.
  10. De verzoekende partijen zijn eigenaar van de gebouwen gelegen aan de Markt 38 te Mol, bekend ten kadaster 4de afdeling, sectie C, percelen nrs. 1093 c en 1094 c. 3.
  11. In een nota van 15 februari 1999 stelt de afdeling Monumenten en Landschappen voor om een aantal gebouwen te Mol, waaronder voornoemde gebouwen van de verzoekende partijen, als monument te beschermen. 3.
  12. Op 1 april 1999 beslist de verwerende partij om deze gebouwen op een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten te plaatsen. Een afschrift van dit voorlopig beschermingsbesluit wordt bij aangetekende brief verstuurd naar de betrokken openbare besturen en eigenaars, waaronder de verzoekende partijen. 3.
  13. Op 17 juni 1999 wordt onder meer door de verzoekende partijen een bezwaarschrift ingediend. VII-37.446-2/8 3.
  14. Op 28 juni 1999 geeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Mol een negatief advies met betrekking tot de bescherming van de "Oude Post", Markt 16 en de brouwerijgebouwen achter het pand, Markt 22 en wordt met betrekking tot de overige gebouwen van de ontwerplijst voorgesteld enkel de voorgevels van de panden te beschermen. 3.
  15. In een verslag van 19 januari 2000 worden de adviezen en bezwaren uiteengezet en onderzocht door de afdeling Monumenten en Landschappen. 3.
  16. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (hierna : KCML) brengt op 3 februari 2000 een gemotiveerd advies uit met betrekking tot de bescherming als monument van onder meer de gebouwen van de verzoekende partijen. 3.
  17. Op 15 mei 2000 neemt de verwerende partij het thans bestreden besluit, dat luidt als volgt : "Artikel
  18. Wordt beschermd, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 3 maart 1976: (...) Wegens zijn historische meer bepaald architectuurhistorische waarde: - als monument: huis Michel of 'de Wildeman' met tuin - Markt 38 gelegen te Mol : bekend ten kadaster: Mol, 4e afdeling, sectie F, perceelnummers 1093C, 1094C. (...) Art.
  19. (...) Huis Michel De historische meer bepaald architectuurhistorische waarde wordt als volgt omschreven : als een qua naam en oorsprong tot de 16de eeuw opklimmend breedhuis dat in 1886 in laat-classicistische stijl werd herbouwd met fraai van stucwerk en lijsten voorziene voorgevel en kroonlijst op modillons met dropmotief en met inbegrip van de grote tuin tot aan de Nete, waarin twee rode beuken en één oude linde. (...) Met het oog op de bescherming zijn van toepassing: A. De beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten (Belgisch Staatsblad 10 maart 1994)". VII-37.446-3/8 IV. Samenhang
  20. De verzoekende partijen vragen in de memorie van wederantwoord onderhavige zaak samen te voegen met de zaken gekend bij de Raad van State onder A. 85.502/X-9081, A. 94.105/X-9700, A. 94.106/X-9701, A. 94.109/X-9703 en A. 94.110/X-
  21. In deze zaken werd de afstand van geding echter vastgesteld in de arresten nrs. 130.945, 130.116, 130.946, 130.118 en 130.117 van 5 april 2004 en 3 mei 2004, zodat een gebeurlijke samenvoeging niet meer mogelijk is. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  22. De verzoekende partijen roepen in een eerste middel de niet- naleving in van substantiële vormen, onder meer de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet). Zij argumenteren dat het bestreden besluit een aanzienlijke erfdienstbaarheid en een ernstige beperking van hun eigendomsrechten oplegt terwijl de motivering volgens hen zo vaag is dat hieruit niet kan worden afgeleid waarom het openbaar belang de bescherming van, onder meer, hun eigendom als monument vereist. Zij stellen voorts dat van de oorspronkelijke staat van hun eigendom weinig overblijft en dat de motivering van het bestreden besluit enkel verwijst naar detailgegevens die volgens hen niet kunnen volstaan als afdoende motivering voor de bescherming als monument van het hele gebouw en de achterliggende tuin, zodat voornoemde motivering in feite niet evenredig is met het gewicht van de genomen beslissing. De verzoekende partijen stellen ten slotte dat vergelijkbare gebouwen in een recent verleden verdwenen zijn, wat volgens hen impliceert dat aan deze gebouwen geen historisch of architectuur-historisch belang werd toegeschreven, dat de bescherming als monument niet wordt gedragen door de lokale gemeenschap en dat het gemeentebestuur een negatief advies heeft uitgebracht.
  23. De verwerende partij antwoordt dat het noodzakelijk en voldoende is dat in het bestreden besluit wordt aangegeven welke historische waarde het pand VII-37.446-4/8 heeft dat naar het oordeel van het bestuur van algemeen belang is en dat dit te dezen gebeurd is. Zij stelt voorts dat de motivering het resultaat en de samenvatting is van een grondig onderzoek en dat een gebouw een geheel is dat als geheel in stand moet worden gehouden.
  24. De verzoekende partijen repliceren dat de motivering van het bestreden besluit enkel overwegingen bevat die de voorgevel betreffen terwijl het volledige gebouw wordt beschermd en ook de achterliggende tuin waarvoor, volgens hen, geen motivering is opgegeven. Zij stellen voorts dat de klassering als monument een overbodige maatregel is, aangezien niemand zonder voorafgaande schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen mag bouwen, afbreken, herbouwen of een bestaande woning verbouwen - uitgezonderd instandhoudings- of onderhoudswerken - zodat het ingrijpend wijzigen van de beschermde onroerende goederen kan worden voorkomen zonder dat een klassering als monument noodzakelijk is.
  25. De verzoekende partijen beklemtonen in hun laatste memorie nogmaals dat er van de oorspronkelijke staat van hun eigendom bijna niets overblijft aangezien er in het gebouw sinds 1952 belangrijke herinrichtingswerken zijn uitgevoerd en dat eind van de jaren zestig de zijgevel en de daarop aansluitende tuinmuur is vernieuwd.
  26. De verwerende partij argumenteert in haar laatste memorie dat de bescherming als monument perceelsgewijs kan geschieden wanneer het een bescherming betreft van een gebouw met bijhorende tuin en dat de tuin de monumentale waarde van het gebouw versterkt. Onder verwijzing naar de motiveringsnota van de afdeling Monumenten en Landschappen stelt zij voorts dat de tuin een waarde vertoont door zijn grootte en aanplantingen en dat het bestreden besluit deze aanplantingen en grootte van de tuin vermeldt. Beoordeling
  27. De motivering, vereist bij de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, is evenredig aan het belang en de aard van de beslissing. Het belangrijkste doel van de verplichting tot uitdrukkelijke motivering bestaat erin dat de bestuurde in de hem betreffende akte zelf de motieven kan aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, zodat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Bijgevolg VII-37.446-5/8 moet de motivering beantwoorden aan de aard en het belang van de betrokken handeling en de juridische en feitelijke overwegingen duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen beslissing kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. Op grond van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten beschikt de verwerende partij over een ruime discretionaire bevoegdheid bij de beslissing dat een onroerend goed als monument wordt beschermd. Gelet op die ruime discretionaire bevoegdheid moet in het beschermingsbesluit duidelijk en concreet vermeld worden omwille van welke waarde van artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel- archeologische of andere sociaal-culturele aard, de verwerende partij van oordeel is dat de bescherming van het betrokken onroerend goed van algemeen belang is. In het bestreden besluit wordt de bescherming als monument van de eigendom van de verzoekende partijen als volgt gemotiveerd : "Huis Michel De historische meer bepaald architectuurhistorische waarde wordt als volgt omschreven : als een qua naam en oorsprong tot de 16de eeuw opklimmend breedhuis dat in 1886 in laat-classicistische stijl werd herbouwd met fraai van stucwerk en lijsten voorziene voorgevel en kroonlijst op modillons met dropmotief en met inbegrip van de grote tuin tot aan de Nete, waarin twee rode beuken en één oude linde". Wat het huis zelf betreft, werd aldus voldaan aan de verplichting tot uitdrukkelijke motivering aangezien de feitelijke overwegingen die aangeven waarom tot bescherming van de gebouwen wordt overgegaan, concreet en specifiek vermeld zijn in het bestreden besluit en de verzoekende partijen in de gelegenheid waren om met kennis van de rechtvaardigingsgronden van de bescherming van de gebouwen uit te maken al dan niet een annulatieberoep in te stellen.
  28. Uit het bestreden besluit blijkt echter niet waarom ook de tuin als monument wordt beschermd. In het bestreden besluit worden alleen twee rode beuken en één oude linde vermeld Het blijkt ook niet uit de stukken van het administratief dossier zoals de motiveringssnota van de afdeling Monumenten en Landschappen en het advies van de KCML. Evenmin wordt in de memorie van antwoord een verantwoording gegeven. Het motiveringsbeginsel en de materiële motiveringverplichting zijn bijgevolg geschonden wat de bescherming van de tuin VII-37.446-6/8 betreft. De verzoekende partijen tonen evenwel niet aan dat het redelijkheids- en/of het evenredigheidsbeginsel manifest is geschonden. Het eerste middel is dus enkel gegrond voor zover het betrekking heeft op de bescherming als monument van de tuin. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  29. De verzoekende partijen roepen in een tweede middel de schending in van het gelijkheidsbeginsel omdat op de Markt en in de onmiddellijke omgeving ervan nog andere gebouwen zouden staan die niet in het voorlopig beschermingsbesluit en het bestreden besluit zijn opgenomen waaruit volgens hen blijkt dat de ontwerplijst en de navolgende bescherming willekeurig zijn opgesteld.
  30. De verwerende partij antwoordt dat het niet beschermd zijn van een bepaald pand, niet belet dat een ander pand met monumentale waarden beschermd wordt, dat zij systematisch te werk moet gaan en niet alle waardevolle panden tegelijkertijd kan beschermen, maar dat er nog waardevolle panden in het centrum van Mol zijn die voor bescherming in aanmerking komen.
  31. De verzoekende partijen repliceren dat er geen aanwijsbare, objectieve reden is om andere gebouwen op de Markt en in de onmiddellijke omgeving die onder de gehanteerde criteria vallen, niet te beschermen door middel van het bestreden besluit. Beoordeling
  32. Ingevolge het gelijkheidsbeginsel en het verbod op discriminatie mag de overheid personen die zich in dezelfde of een vergelijkbare toestand bevinden in beginsel niet op een verschillende wijze behandelen. Het gelijkheidsbeginsel is pas in het geding wanneer de categorieën van personen ten aanzien van wie een ongelijkheid wordt aangevoerd, kunnen worden vergeleken. De ingeroepen beginselen gaan echter niet op wanneer zij, zoals het te dezen het geval is, betrekking hebben op onroerende goederen. Het tweede middel is bijgevolg niet gegrond. VII-37.446-7/8 BESLISSING
  33. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport van 15 mei 2000 houdende bescherming als monument, stads- en dorpsgezicht in de mate dat de tuin achter het huis Michel, gelegen aan de Markt 38 te Mol, als monument wordt beschermd.
  34. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
  35. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het gedeeltelijk vernietigde besluit.
  36. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 694,12 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien december tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.446-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.775 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.