← België

Arrest 198776 - Milieuvergunningen - 10/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.776 Rolnummer: A. 192347/VII-37353 Zaak: Arrest 198776 - Milieuvergunningen - 10/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-18 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-02 12:25 Fiche Arrest nr 198.776 van 10 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 198.776 van 10 december 2009 in de zaak A. 192.347/VII-37.

  1. In zake: Ronny DE SERANNO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom Malfait en Lies Du Gardein kantoor houdend te Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te Dendermonde Noordlaan 82-84 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BVBA M+PIGS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc D'Hoore kantoor houdend te Brugge Dirk Martensstraat 23 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  2. De vordering, ingesteld op 23 april 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 23 februari 2009 houdende uitspraak over het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 17 juli 2008, waarbij een vergunning wordt verleend aan de BVBA M+Pigs voor het veranderen van een varkenshouderij door wijziging, toevoeging en de uitbreiding met een mestverwerkingsinstallatie, gelegen aan de Smalle Heerweg 160 te Lochristi. VII-37.353-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 november
  4. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tom Malfait, die verschijnt voor de verzoeker, advocaat Patrick Vandendael, die loco advocaat Dirk Abbeloos verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Gregory Vermaercke, die loco advocaat Marc D'Hoore verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De BVBA M+Pigs exploiteert een varkenshouderij aan de Smalle Heerweg 160 te Lochristi. De lopende milieuvergunning werd haar verleend op 9 juni 2005, voor een termijn van twintig jaar, en heeft betrekking op het houden van 1.334 zeugen en 285 "andere" varkens, en op een mestverwerkingsinstallatie. 3.
  7. De verzoeker woont op een afstand van hoogstens 300 meter van de inrichting, langs dezelfde weg. 3.
  8. Zowel de inrichting als de woning van de verzoeker bevinden zich, volgens het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna : GRUP) "afbake- VII-37.353-2/10 ning grootstedelijk gebied Gent", deelproject "Vliegveld Oostakker-Lochristi", grafisch plan 18, in agrarisch gebied met nabestemming bos- en natuurontwikkeling. 3.
  9. Op 5 maart 2008 dient de BVBA M+Pigs een milieuvergunnings- aanvraag in voor het veranderen van de inrichting. Het gaat in hoofdzaak om een nieuwe mestverwerkingsinstallatie. Het is de bedoeling dat die installatie wordt geplaatst in een afgesloten loods, en dat er gebruik gemaakt wordt van gesloten opslagtanks. Het laatste stadium van het mestverwerkingsproces is de finale waterzuivering die plaats zal vinden in een rietveld van twee hectaren met daarin of daarbij ook vijvers met andere waterplanten. 3.
  10. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek worden veertien bezwaarschriften ingediend, waaronder een petitie met 266 ondertekenaars. 3.
  11. Op 17 juli 2008 verleent de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen de gevraagde vergunning. 3.
  12. Er wordt een administratief beroep ingediend door een aantal buurtbewoners. 3.
  13. Terwijl de procedure van het administratief beroep loopt, wordt door de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen in beroep een stedenbouwkun- dige vergunning verleend, nadat deze aanvankelijk was geweigerd door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lochristi. 3.
  14. Volgende adviezen worden verleend : - de Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Operationeel Waterbeheer adviseert gunstig; - het stedenbouwkundige advies is ongunstig : artikel 4 van het GRUP verzet zich er tegen dat vergunningen worden verleend voor uitbreiding die de noden van de bestaande landbouwbedrijven overstijgen; - de dienst Polder van Moervaart en Zuidlede adviseert eveneens ongunstig; - de Vlaamse Milieumaatschappij, afdeling Ecologisch Toezicht, adviseert gunstig; - de afdeling Milieuvergunningen is van oordeel dat de te verwerken mest afkomstig moet zijn van bedrijven binnen een straal van 10 km, en adviseert in die zin voorwaardelijk gunstig; VII-37.353-3/10 - de afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling adviseert gunstig; - het Agentschap voor Natuur en Bos adviseert voorwaardelijk gunstig; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert ongunstig, om de redenen die aangegeven zijn in het stedenbouwkundige advies; - desgevraagd wordt na de zitting en het advies van de Gewestelijke Milieuvergun- ningscommissie het ongunstige stedenbouwkundige advies herhaald. Op 23 februari 2009 wordt de bestreden beslissing genomen. De vergunning wordt verleend, met toevoeging van de voorwaar- de dat de te verwerken mest afkomstig moet zijn van bedrijven binnen een straal van 20 km. IV. Tussenkomst
  15. Met een op 19 mei 2009 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt de BVBA M+Pigs om in het geding te mogen tussenkomen. Aangezien zij de begunstigde is van het bestreden besluit, kan dit verzoek worden ingewilligd, wat betreft het administratief kort geding. V. Ontvankelijkheid van de vordering Uiteenzetting van de exceptie
  16. De tussenkomende partij voert aan dat de verzoeker niet het vereiste belang heeft, omdat de afstand tot de inrichting te groot is opdat hij zich een "onmiddellijke nabuur" zou kunnen noemen, zoals hij in het verzoekschrift doet. Als bewoner van agrarisch gebied moet hij een hogere tolerantie aan de dag leggen ten aanzien van hinder uit agrarische activiteiten. Hij heeft zich, volgens de tussen- komende partij, pas ter plaatse gevestigd toen de varkenshouderij er al was. In ondergeschikte orde stelt de tussenkomende partij dat de verzoeker eigenlijk fungeert als een vertegenwoordiger voor een feitelijk buurt- comité, zodat hij niet het vereiste persoonlijke belang heeft. VII-37.353-4/10 Beoordeling
  17. De aangevoerde exceptie heeft veeleer te maken met een nadeel dan met een belang. Zij kan derhalve niet leiden tot de onontvankelijkheid van de vordering. Bovendien heeft de verzoeker, gelet op de korte afstand van zijn woning tot de geplande inrichting en gelet op de aard en de omvang ervan, het vereiste belang bij zijn vordering. De loutere omstandigheid dat nog andere buurtbewoners gekant zijn tegen de geplande uitbating kan het belang van de verzoeker niet doen teloorgaan. De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van de vordering
  18. Luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Standpunt van de partijen
  19. Met betrekking tot de tweede voorwaarde stelt de verzoeker dat zijn woning zich op "amper 200" meter van de betrokken inrichting bevindt en dat hij op heden reeds in belangrijke mate hinder ondervindt van de exploitatie van de bestaande varkenskwekerij. De uitbreiding van deze varkenskwekerij met een mestverwerkingsinstallatie, loods en rietveld zal volgens de verzoeker deze hinder nog in "een gevoelige en onaanvaardbare mate" doen stijgen. Zo zal de exploitatie van de mestverwerkingsinstallatie ongetwijfeld aanleiding geven tot nog meer geurhinder omdat in de vergunning niet voldoende waarborgen voorzien zijn om de VII-37.353-5/10 stank van deze activiteiten tegen te houden. De verzoeker vreest dat hij, vooral op warme dagen, windstille dagen en dagen met noordoostenwind, nog minder zal kunnen genieten van zijn woning en tuin. Ook vreest hij voor meer verkeer en voor verontreiniging die onder meer door het rietveld veroorzaakt zal worden, zodat "het woon- en leefklimaat van de omwonenden in onaanvaardbare mate" zal worden aangetast. De verzoeker koestert reeds geruime tijd het voornemen om bij zijn gerenoveerde boerderij "een bed en breakfast in te richten". De exploitatie van de mestverwerkingsinstallatie zal deze plannen echter definitief onmogelijk maken. De verzoeker vreest eveneens verkeershinder omdat het aantal transportbewegingen "ernstig" zal toenemen en het zal meestal gaan om zwaar verkeer over grote afstand, terwijl "de lokale openbare landelijke wegen totaal onaangepast zijn voor zware transporten". Hij voert ten slotte ook aan dat de bestreden beslissing luchtver- ontreiniging zal veroorzaken, verontreiniging van de bodem, van het grondwater en het oppervlaktewater, dat er massaal ongedierte zal worden aangetrokken en dat er ook visuele hinder zal zijn.
  20. De verwerende partij antwoordt dat verzoekers woning op 200 meter afstand staat van de geplande mestverwerkingsinstallatie, zodat gelet op die afstand het niet evident is dat de verzoeker bovenmatige hinder zal ondervinden. Daarbij moet rekening worden gehouden met de hogere tolerantiedrempel die mag worden verwacht van bewoners van agrarisch gebied, ten aanzien van hinder uit agrarische activiteiten. En het moet gaan om hinder die het rechtsreekse gevolg is van de vergunde uitbreiding, en niet van de definitief geworden exploitatievergun- ning van een varkenshouderij. Met betrekking tot de aangevoerde visuele hinder stelt de verwerende partij dat een groenscherm moet worden aangelegd en dat rietvelden, eendenkroosvijvers en vloeivelden niet als een storend element kunnen worden gezien bij de visuele beleving van het landschap. Zij verwijst naar de stedenbouwkundige vergunning die de visuele impact op de omgeving en het landschap beperkt. VII-37.353-6/10 Met betrekking tot de aangevoerde geurhinder argumenteert de verwerende partij voornamelijk dat er geen emissies zullen zijn van ammoniak en lachgas omdat gelijkaardige installaties reeds werden vergund en omdat uit die ervaring blijkt dat bij een goede sturing van het proces geen geur of ammoniak vrijkomt, zodat de mestverwerking geen geurhinder zal veroorzaken. Dat zal ook niet het geval zijn bij het transport, omdat het transport geschiedt met een gesloten tankwagen en het laden en lossen gebeurt in een volledige gesloten opstelling. Wat betreft verkeershinder, stelt de verwerende partij dat door de aanleg van het rietveld er minder transporten zullen gebeuren, die over het ganse jaar verspreid zullen zijn en beperkt tot de werkdagen en de normale werkuren. Wat ten slotte de hinder door luchtverontreiniging, verontreiniging van de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater en het massaal aantrekken van ongedierte betreft, antwoordt de verwerende partij als volgt : "Allereerst is het evident dat de vermeende overschrijding van de norm voor nitraten niet het gevolg is van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Hier kan dan ook geen rekening mee gehouden worden. Voor de lozing van het gezuiverde effluent worden bovendien lozingsnor- men opgelegd. Bij gelijkaardige installaties worden deze normen zonder problemen gehaald, waardoor er geen gevaar is voor aanrijking van nitraten in het grondwater als gevolg van deze inrichting. Bovendien zullen de bodems van de rietvelden en de eendenkroosvijvers van de plantgebaseerde nazuivering bestaan uit een folie of betonietmatten. Dit maakt ze ondoorlaatbaar zodat het risico op grondwaterverontreiniging vermeden wordt. Met betrekking tot het aantrekken van extra 'ongedierte', is het zo dat de aanleg van zuiveringsbekkens met planten een andere fauna zullen aantrekken dan de huidige maïsakker, waardoor een grotere biodiversiteit zal tot stand komen. De exploitant beschikt over een contract met een firma om ongedierte te bestrijden. Anderzijds kan het natuurlijk niet de bedoeling zijn om bestrijdings- middelen te gebruiken tegen elk levend wezen, mede gelet op de nabestemming van het gebied als bos en natuurontwikkeling. Tenslotte meent (...) de verzoeker dat er een groot gevaar bestaat voor het overbrengen van ziekten omwille van het feit dat de exploitant een Specific Pathogen Free bedrijf is. Het is niet duidelijk voor verweerster wat het verband is met de tenuitvoer- legging van de bestreden beslissing. Zoals reeds vermeld, werd de basismilieu- vergunning voor de varkenshouderij reeds lange tijd geleden verleend, met name op 9 juni
  21. Bovendien toont de verzoeker geenszins aan dat een dergelijk bedrijf inderdaad een groter gevaar zou creëren voor het overbrengen van ziekten. Het is niet duidelijk op welke stukken of wetenschappelijke studies de verzoeker zich beroept om dit standpunt te staven". VII-37.353-7/10
  22. De tussenkomende partij wijst er op dat ten aanzien van bewoners van agrarisch gebied een hogere tolerantiedrempel moet gelden voor de hinder veroorzaakt door agrarische activiteiten. Wat betreft de aangevoerde geurhinder stelt de tussenkomende partij dat alle activiteiten, zowel opslag als verwerking van mest, binnenin de loods geschieden en het transport in afgesloten vrachtwagens. De nitrificatie- en de denitrificatietank zijn weliswaar niet overdekt, doch gelijkaardige installaties in Vlaanderen en Bretagne tonen aan dat er geen geur en ammoniak vrijkomt tijdens de beluchtingfase, zodat een geurloos effluent naar de finale nazuivering gebracht wordt. De aangevoerde verkeershinder berust volgens de tussenkomende partij op loutere beweringen omdat de milieuvergunningsaanvraag zelf gewaagt van een gemiddelde van nauwelijks vier transporten per week. Wat betreft de aangevoerde vrees voor luchtverontreiniging, verontreiniging van de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater en het massaal aantrekken van ongedierte, wijst de tussenkomende partij er op dat de verzoeker zijn beweringen in dat verband niet staaft. Ten slotte stelt de tussenkomende partij dat de visuele hinder geenszins voortvloeit uit het bestreden besluit, waarbij een milieuvergunning wordt verleend voor de geplande inrichting, maar uit een stedenbouwkundige vergunning. Beoordeling
  23. De verzoeker woont in agrarisch gebied zodat voor hem de hinder uit agrarische activiteiten tot de mogelijkheden moet behoren. Opdat derhalve het nadeel ernstig en moeilijk te herstellen zou zijn, moet die hinder buitengewone proporties aannemen. Er wordt in dezen niet aangenomen dat, gelet op de reeds bestaande exploitatie van een varkenshouderij met 1.334 zeugen en 285 "andere" varkens, een nieuwe mestverwerkingsinstallatie de geurhinder ter plaatse in buitengewone proporties zal doen toenemen, temeer daar de installatie zal worden ondergebracht in een gesloten loods, dat er gesloten opslagtanks zullen worden VII-37.353-8/10 gebruikt, dat het laden en het lossen met slangen met snelkoppelingen zal gebeuren en het transport in gesloten tankwagens. De verzoeker overtuigt ook niet afdoende dat de finale waterzuivering in het rietveld aanleiding zou geven tot ernstige geurhinder. Met betrekking tot de aangevoerde gevreesde verkeershinder maakt de verzoeker niet aannemelijk dat er een beduidende toename van verkeer zal ontstaan als gevolg van de werking van de mestverwerkingsinstallatie en spreekt hij ook niet tegen dat er slechts sprake is van vier bijkomende transporten per week. De aangevoerde verontreiniging van de bodem, van het grondwater en van het oppervlaktewater, alsook de luchtverontreiniging en de geluidshinder worden door de verzoeker niet geschraagd en hij slaagt er niet in om het onderzoek daarover, dat in de bestreden beslissing wordt beschreven, te weerleggen. Voorts geeft de verzoeker niet aan waarom de exploitatie van de onder voorwaarden vergunde mestverwerkingsinstallatie beduidend meer ongedierte zou aantrekken dan de exploitatie van de reeds bestaande varkenshouderij. Ten slotte is de beweerde visuele hinder, zo er visuele hinder zou zijn, niet het gevolg van de bestreden beslissing maar van de stedenbouwkundige vergunning.
  24. Uit wat voorafgaat blijkt dat aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan. Die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit af te wijzen. BESLISSING
  25. Het verzoek van de BVBA M+Pigs tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
  26. De Raad van State verwerpt de vordering. VII-37.353-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien december tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, met bijstand van Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.353-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.776 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.216.849 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.