id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.777 Rolnummer: A. 193634/VII-37412 Zaak: Arrest 198777 - Monumenten en Landschappen - 10/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 04:01 Fiche Arrest nr 198.777 van 10 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 198.777 van 10 december 2009 in de zaak A. 193.634/VII-37.
- In zake:
- Isabelle DU CHASTEL DE LA HOWARDERIE
- Christian DE MARNIX DE SAINTE ALDEGONDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Ghysels kantoor houdend te Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 11 augustus 2009, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het ministerieel besluit van 11 mei 2009 houdende vaststelling van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare archeologische zone van de middenneolithische site van Ottenburg te Huldenberg. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 november
- Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. VII-37.412-1/5 Advocaat Jürgen De Staercke, die loco advocaat Jan Ghysels verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Saartje Callens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De eerste verzoekster is mede-eigenaar van de percelen kadastraal bekend : - Huldenberg, 5e afdeling, sectie B, perceelnummers 286A, 286B, 292, 293, 294, 378, 379; - Huldenberg, 5e afdeling, sectie C, perceelnummers 228A, 229A, 234C, 234D, 237B, 240B, 242B, 246C, 248C, 250A2, 250C2, 250T en 250V. Dit zijn percelen die het voorwerp uitmaken van voornoemd ministerieel besluit van 11 mei
- In een nota van 27 november 2007 stelt het Agentschap Ruimtelijke Ordening Vlaanderen - Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant voor de middenneolithische site van Ottenburg te Huldenberg te beschermen als archeologische zone omwille van het algemeen belang gevormd door de wetenschappelijke en cultuurhistorische waarde : "de prehistorische site te Ottenburg is één van de zeldzame gekende middenneolithische enclosure sites in Vlaanderen en van een uitzonderlijk wetenschappelijk belang. De site is een belangrijke archeologische zone en dient behouden te worden als een getuige enerzijds en met het oog op toekomstig onderzoek anderzijds". Op 11 mei 2009 beslist de viceminister-president van de Vlaamse regering en Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening om de voornoemde site als archeologische zone op een ontwerp van lijst te plaatsen van voor bescherming vatbare archeologische zones. Dit is het bestreden besluit. VII-37.412-2/5 IV. Onderzoek van de vordering
- Luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Standpunt van de partijen
- Met betrekking tot de tweede voorwaarde zetten de verzoekende partijen uiteen dat de beschermingsvoorschriften tot gevolg hebben dat de kwestieuze percelen niet langer meer gebruikt zullen kunnen worden voor de landbouw en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit tot gevolg heeft dat de huidige bestemming met onmiddellijke ingang stopgezet dient te worden. De facto heeft dit tot gevolg dat de verzoekende partijen hun landbouwactiviteiten definitief zullen moeten staken. Het is voor hen onmogelijk om de landbouwactiviteit op de kwestieuze percelen een aantal jaren stop te zetten en deze activiteiten, het weze als natuurlijke persoon, het weze in een vennootschapsvorm, volledig opnieuw te moeten opstarten nadat zij een vernietigingsarrest hebben verkregen. Een aantal percelen wordt via seizoenspacht ter beschikking gesteld aan derden. Wat deze gronden betreft, bestaat er een risico dat deze gronden ingevolge het jarenlange onbruik niet opnieuw aan derden ter beschikking zullen kunnen worden gesteld na het vernietigingsarrest.
- De verwerende partij antwoordt daarop dat de verzoekende partijen geen precisering geven van het soort en de oppervlakte van hun landbouwactiviteiten, van het aandeel van deze activiteiten in het geheel van hun activiteiten en inkomen, van de hoeveelheid van de verpachte gronden en van de wijze waarop zij verpacht zijn. Zij geven, steeds volgens de verwerende partij, evenmin aan waarom het onmogelijk zou zijn om later opnieuw te verpachten en VII-37.412-3/5 welke de ernst van het nadeel van de verzoekende partijen is bij de stopzetting van hun landbouwactiviteiten. Beoordeling
- Het bestreden besluit heeft slechts een zeer tijdelijke uitwerking. Die uitwerking is, gelet op artikel 15 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, beperkt tot één jaar na de publicatie van het ontwerp van lijst in het Belgisch Staatsblad. De inschrijving op het ontwerp van lijst vervalt van rechtswege indien binnen één jaar geen besluit is genomen tot inschrijving op de lijst van beschermde archeologische monumenten en zones. De voorlopige bescherming is maar een eerste stap in de beschermingsprocedure. Zij luidt een fase in waarin de adviezen van diverse instanties worden ingewonnen en waarin de betrokken eigenaars en gebruikers hun opmerkingen en bezwaren kunnen doen gelden. In dit licht lijkt de omzetting van de voorlopige bescherming in een definitieve bescherming geen automatisme of vanzelfsprekendheid. Hoe dan ook kan de definitieve bescherming in voorkomend geval zelf tot voorwerp van een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring worden. De verzoekende partijen dienen bijgevolg aannemelijk te maken dat reeds het moeten ondergaan van de essentieel kortdurende en provisoire effecten van de bestreden voorlopige bescherming hen een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel dreigt te berokkenen. Zulks wordt niet aangetoond door zonder meer te poneren dat de onmiddellijke uitvoering van het aangevochten besluit het voortbestaan van de landbouwactiviteit in gevaar brengt. Zulks is te algemeen, te vaag en mist de minimale precisie om in de gegeven omstandigheden voor ernstig te kunnen worden gehouden. VII-37.412-4/5 Overigens lijken de verzoekende partijen de onmogelijkheid om nog landbouwactiviteiten uit te oefenen af te leiden uit artikel 25 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, terwijl zij geen rekening houden met artikel 26, eerste lid, van het voornoemde decreet dat de bestaande exploitatie van de bossen en de bedrijfsvoering van een landbouwbedrijf uitdrukkelijk uitsluit uit de algemene en bijzondere beschermingsvoorschriften.
- Uit wat voorafgaat blijkt dat aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan. Die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien december tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, met bijstand van Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.412-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.777 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.216.968 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div