id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.786 Rolnummer: A. 185201/VII-37057 Zaak: Arrest 198786 - Milieuvergunningen - 10/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-18 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 04:01 Fiche Arrest nr 198.786 van 10 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 198.786 van 10 december 2009 in de zaak A. 185.201/VII-37.
- In zake: de gemeente ZEDELGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Antoon Lust en Jo Goethals kantoor houdend te Brugge Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE WEST-VLAANDEREN Tussenkomende partij: Joris DESCHEPPER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Doutreluingne kantoor houdend te Kortrijk Hendrik Consciencestraat 9 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 20 september 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 12 juli 2007 waarbij het beroep, ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zedelgem van 15 januari 2007 houdende het gedeeltelijk verlenen en het gedeeltelijk weigeren aan Joris Deschepper van de vergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een varkens- en rundveefokkerij, gelegen aan de Veldegemsestraat 24 te Zedelgem, gegrond wordt verklaard en de gevraagde vergunning integraal wordt verleend. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-37.057-1/7 De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 22 mei
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 november
- Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tim Vermeir, die loco advocaten Antoon Lust en Jo Goethals verschijnt voor de verzoekende partij, adjunct-adviseur Sandy Vanparys, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Pieter-Jan Staelens, die loco advocaat Marc Doutreluingne verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Sourbron heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De tussenkomende partij exploiteert een gemengd veebedrijf voor runderen en varkens, gelegen aan de Veldegemsestraat 24 te Zedelgem.
- Op 13 oktober 2006 dient zij bij de verzoekende partij een aanvraag in voor het verder exploiteren van de inrichting. Tot het voorwerp van de aanvraag behoort eveneens de "regularisatie" van 310 mestvarkens. Met betrekking tot voormeld onderdeel bevat de ingediende vergunningsaanvraag de volgende toelichting : VII-37.057-2/7 "Daarnaast vragen wij ook een regularisatie van 310 varkensstandplaatsen waarvoor na reeds een lange administratieve lijdensweg te hebben ondergaan tot op heden nog steeds geen vergunning voor gekregen is. In tegenstelling tot in eerder ingediende regularisatieaanvragen beperken we ons hier tot een regularisatie van 310 varkens. Deze vergunning is absoluut nodig om mijn bedrijf leefbaar te houden en ik hoop dan ook dat hier enige billijkheid wordt toegepast en alsnog deze vergunning wordt verleend". In een tot de milieudienst van de verzoekende partij gerichte brief van 29 december 2006 wordt nog verder toelichting gegeven.
- Bij beslissing van 15 januari 2007 verleent de verzoekende partij de gevraagde milieuvergunning, met uitzondering van de "regularisatie" van 310 mestvarkens.
- Met een op 12 februari 2007 aangetekend verstuurd schrijven stelt de tussenkomende partij bij de verwerende partij beroep in tegen voormelde beslissing van de verzoekende partij.
- In het kader van de beroepsprocedure worden verschillende adviezen uitgebracht over de milieuvergunningsaanvraag : - de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert voorwaardelijk gunstig voor de grond- waterwinning; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert de bevestiging van de beroepen beslissing; - de Vlaamse Landmaatschappij adviseert ongunstig; - de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert de bevestiging van de beroepen beslissing.
- Met een besluit van de verwerende partij van 12 juli 2007 wordt het beroep van de tussenkomende partij gegrond verklaard en wordt de beoogde vergunning volledig verleend voor een termijn van twintig jaar. Dit is het bestreden besluit. VII-37.057-3/7 IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Standpunt van de partijen
- In een enig middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 33ter, § 1, 1/, c), 3), van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet), de artikelen 5.9.3.1., §§ 1 en 2, en 5.9.4.
- van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), artikel 50, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning in samenhang met de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en voorts het standstillprincipe zoals vervat in het meststoffendecreet, de materiële motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Het eerste onderdeel van het middel houdt in essentie in dat de overheid ingevolge artikel 5.9.3.
- van Vlarem II geen vergunning kan afleveren voor de verandering van een bestaande vergunde veeteeltinrichting die een stijging van de vergunde mestproductie met zich brengt.
- De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat de verzoekende partij de uitgebreide historiek van de betrokken inrichting over het hoofd ziet, dat zij heeft vastgesteld dat de tussenkomende partij niet te kwader trouw is, dat deze laatste steeds heeft geprobeerd haar dieren vergund te krijgen en dat het bestreden besluit een bijsturing vormt van een vroegere beleidsvisie. Het bestreden besluit houdt volgens de verwerende partij de bevestiging in van hetgeen de exploitant al jaren eerder vergund kon krijgen.
- De tussenkomende partij betoogt, samengevat, dat de verhoging van de mestproductie reeds dateert van 1987, toen er voor die verhoging geen vergunningsplicht bestond, en dat zij slechts een aanvraag indiende voor 850 varkens, dit is ongeveer een vierde minder dan het aantal dieren dat wordt voorzien bij de in 2000 toegekende nutriëntenhalte. VII-37.057-4/7 In de laatste memorie voegt de tussenkomende partij nog toe "dat de zogenaamde 'stand still' regelgeving op dit ogenblik niet meer van toepassing is, wat de verzoekende partij (...) elk belang ontneemt". Beoordeling
- Artikel 33ter, § 1, 1/, c), 3), van het meststoffendecreet, zoals het ten tijde van het bestreden besluit gold, stond er aan in de weg een milieuvergunning te verlenen voor de verandering van een bestaande veeteeltinrichting die gepaard ging met een stijging van de vergunde mestproductie. Te dezen hebben zowel de afdeling Milieuvergunningen, de Vlaamse Landmaatschappij als de Provinciale Milieuvergunningscommissie in hun ongunstige adviezen opgemerkt dat de vergunningsaanvraag van de tussenkomende partij een stijging van de vergunde mestproductie met zich meebrengt en om die reden niet voldoet aan voormeld artikel 33ter, § 1, 1/, c), 3). Blijkens de motieven van het bestreden besluit is de verwerende partij van oordeel dat "het principe van de billijkheid hier wel kan spelen" en biedt voorliggend dossier de kans om "alsnog de exploitant billijkheidshalve het aantal dieren te geven waarop hij minimaal recht heeft". Artikel 33ter, §1, 1/,c), 3), van het meststoffendecreet laat aan de vergunningverlenende overheid geen beoordelingsruimte. Bijgevolg mag de overheid op grond van billijkheidsredenen deze decretale bepaling niet buiten toepassing laten om, in weerwil van een uitdrukkelijk wettelijk verbod, toch een milieuvergunning te verlenen. De uitgebreide "en niet zo eenvoudige" vergunningshistoriek waarnaar de verwerende partij verwijst, neemt niet weg dat voor het betrokken aantal varkens nooit een definitieve milieuvergunning werd verleend. De toekenning van een nutriëntenhalte impliceert niet dat het overeenstemmend aantal dieren is of wordt vergund, en de verwerende partij kan zich dan ook niet beroepen op een bestaande vergunning voor 1.245 varkens. Los van de vraag of de tussenkomende partij de argumentatie inzake het standstillbeginsel wel op ontvankelijke wijze voor het eerst in de laatste memorie kan aanvoeren, ziet de Raad van State niet in hoe een gebeurlijke VII-37.057-5/7 aanpassing van de regelgeving met betrekking tot de toepassing van dat beginsel het vereiste belang zou ontnemen aan de verzoekende partij. Het eerste onderdeel van het enig middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincie West-Vlaanderen van 12 juli 2007 waarbij het beroep, ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zedelgem van 15 januari 2007 houdende het gedeeltelijk verlenen en het gedeeltelijk weigeren aan Joris Deschepper van de vergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een varkens- en rundveefokkerij, gelegen aan de Veldegemsestraat 24 te Zedelgem, gegrond wordt verklaard en de gevraagde vergunning integraal wordt verleend.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. VII-37.057-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien december tweeduizend en negen, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, met bijstand van Dieter Decock, griffier. De griffier De voorzitter Dieter Decock Luc Hellin VII-37.057-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.786 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div