← België

Arrest 198849 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 11/12/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.849 Rolnummer: A. 144010/X-11641 Zaak: Arrest 198849 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 11/12/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-12-23 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 04:01 Fiche Arrest nr 198.849 van 11 december 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 198.849 van 11 december 2009 in de zaak A. 144.010/X-11.

  1. In zake: de b.v. KLOMP HOLDING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Lamon kantoor houdend te 3500 HASSELT de Schiervellaan 23 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van LIMBURG --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 17 november 2003, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 11 september 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg houdende de niet-inwilliging van het beroep tegen het besluit van 30 april 2003 van het college van burgemeester en schepenen van Hamont-Achel en houdende weigering van de stedenbouwkundige vergunning tot regularisatie van de inplanting van een woning aan de Oude Pastorijstraat 6 te Achel, kadastraal bekend sectie A, nr. 458/e. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. X-11.641-1/9 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 juni
  4. Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hugo Lamon, die verschijnt voor de verzoekende partij, bestuurssecretaris Tom Roosen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Op 26 februari 2001 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Achel een stedenbouwkundige vergunning voor het afbreken van een bestaande woning en het bouwen van een nieuwe woning op een perceel gelegen aan de Oude Pastorijstraat 6 te Achel, kadastraal bekend sectie A, nr. 458/e. Het betrokken perceel is volgens het bij koninklijk besluit van 22 maart 1978 goedgekeurd gewestplan Neerpelt-Bree, gelegen in woongebied en is tevens gelegen binnen de grenzen van het bij ministerieel besluit van 10 oktober 1990 goedgekeurd bijzonder plan van aanleg “Achel-Centrum”. Het perceel is niet gelegen binnen het gebied van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. Artikel 8, c, van de voorschriften van voormeld bijzonder plan van aanleg bepaalt voor wat betreft de “inplanting en verkaveling” in de “zone voor open bebouwing” dat “de afstand van een niet gemeenschappelijke zijgevel tot de laterale grens van de kavel minimum ten minste 3 m moet bedragen”. De woning werd in strijd met dit voorschrift gebouwd op 2,70 meter van de linker perceelsgrens. X-11.641-2/9
  7. Op 2 september 2002 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoekende partij aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hamont-Achel een stedenbouwkundige vergunning voor de uitbreiding en de regularisatie van de inplanting van de voormelde woning. Met de uitbreiding wordt de bouw van een veranda beoogd.
  8. Op 10 oktober 2002 verleende het college van burgemeester en schepenen een gunstig advies over de aanvraag. De 22 oktober 2002 gedateerde zendbrief, waarmede het college van burgemeester en schepenen het dossier voor advies aan de gemachtigde ambtenaar toezendt, vermeldt, onder de rubriek “Korte samenvatting advies college + datum”: “gunstig advies 10/10/l” (moet zijn: “10/10/02”). Onder de rubriek “Opmerkingen” staat het volgende: “Dossier wordt verzonden naar ROHM Limburg voor het treffen van een beslissing inzake de verkeerde inplanting van de woning. Voor de veranda kan gunstig advies worden verleend gezien de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens wordt gerespecteerd”.
  9. De gemachtigde ambtenaar, die de betrokken zendbrief blijkbaar begrepen heeft als een vraag om advies “over een afwijkingsaanvraag (art. 49)”, geeft op 12 februari 2003 een ongunstig advies voor wat betreft de inplanting van de woning en een gunstig advies voor de oprichting van een veranda. In dit advies wordt onder meer het volgende overwogen: “Overwegende het voorstel van het college van burgemeester en schepenen van Hamont-Achel van 10 oktober 2002; ‘Het dossier wordt verzonden naar ROHM voor het treffen van een beslissing inzake de verkeerde inplanting van de woning. Voor de veranda kan gunstig advies verleend worden gezien de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens wordt gerespecteerd’. Overwegende dat de aanvraag aan een openbaar onderzoek werd onderworpen, bepaald bij besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 betreffende de openbaarmaking van de aanvragen; dat geen bezwaarschriften werden ingediend; Overwegende dat de aanvraag enerzijds het bouwen van een veranda betreft; dat deze wordt voorzien volgens de stedenbouwkundige voorschriften; dat de aanvraag anderzijds het regulariseren van de inplanting van de woning ten opzichte van de linker perceelgrens op minder dan 3 meter betreft; Overwegende dat op 7 maart 2002 de weigering van vergelijk werd afgeleverd gemotiveerd als volgt: ‘Overwegende dat de stedenbouwkundige voorschriften van het bijzonder plan van aanleg dienen gevolgd te worden en dat de aanvraag in tegenstrijd is met artikel 8c, met name de afstand tot de zijdelingse perceelgrenzen van minimaal 3 meter, De aanvraag betreft een voorstel van vergelijk met betrekking tot de inplanting van de woning op minder dan 3 meter ten opzichte van de linker X-11.641-3/9 perceelsgrens. Gelijktijdig wordt voor de woning op het aanpalend rechter perceel hetzelfde voorstel van vergelijk ingediend, met name de afstand van de woning op minder dan 3 meter ten opzichte van de 1inker perceelsgrens. Ter verduidelijking dient de historiek van beide percelen geschetst te worden: Het perceel gekend onder het kadastrale nummer 458 d/ex werd opgedeeld in 2 loten (lot 1 voorzien voor nieuwbouw en lot 2 bestaande woning, blijft aan eigenaar). Voor deze opdeling heeft het college van burgemeester en schepenen op 4 november 1999 een verkavelingsvergunning verleend, waarbij de stedenbouwkundige voorschriften van het bijzonder plan van aanleg ‘Achel Centrum’ van 10 oktober 1990 dienen gevolgd te worden. Het goedgekeurde verkavelingsplan voorziet immers een afstand van minimaal 3 meter ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrenzen, zoals bepaald in artikel 8c van het bijzonder plan van aanleg. Op datum van 7 september 2000 wordt door het college van burgemeester en schepenen de stedenbouwkundige vergunning verleend voor het bouwen van een woning op lot
  10. Het bijgevoegd ontwerp voldoet aan de voorgeschreven afstand van minimaal 3 meter. Op datum van 26 februari wordt door het college van burgemeester en schepenen een stedenbouwkundige vergunning verleend voor de afbraak van de bestaande woning op lot 2 in functie van nieuwbouw. Het bijgevoegd ontwerp voorziet een afstand van minimaal 3 meter ten opzichte van de linker perceelsgrens. Nadien wordt voor lot 1 een afwijking aangevraagd voor het bouwen van een garage. De afwijking werd gunstig geadviseerd op 5 juni
  11. Het ontwerp bij deze aanvraag voorziet de inplanting van de woning eveneens op 3 meter ten opzichte van de rechter perceelsgrens. Er kan dus gesteld worden dat, gelet op de meerdere aanvragen (nieuwbouw woning, nieuwbouw aanpalend perceel en nieuwbouw garage) meermaals de mogelijkheid (opmeting ter plaatse) voorhanden was, om mits een afwijking volgens artikel 55 van het decreet van 22 oktober 1996 voor het verleggen van de gemeenschappelijke perceelsgrens de afstand van minimaal 3 meter te respecteren. Gezien het bijzonder plan van aanleg hoofdzakelijk open bebouwing voorziet, dient er over gewaakt te worden dat aan het gelijkheidsprincipe niet geraakt wordt ten opzichte van de nieuwe aanvragen. Bij nieuwbouw of grondige verbouwing dienen de hoofdgebouwen eveneens te voldoen aan de voorgeschreven zijdelingse afstand. Overwegende dat huidige aanvraag geen bijkomende gegevens verstrekt om de aangehaalde argumenten vanuit ruimtelijk oogpunt te herzien, zodat het voorgestelde niet kan aanvaard worden; Overwegende dat de administratieve overheid haar beoordelingsbevoegdheid in het kader van artikel 49 niet met evenveel vrijheid mag uitoefenen wanneer de gebouwen reeds zonder vergunning tot stand gebracht zijn en zij aldus voor een voldongen feit geplaatst is indien het gerealiseerde geen enkele wezenlijke verbetering inhoudt ten opzichte van het oorspronkelijk bedoelde volgens de geldende voorschriften”.
  12. Op 30 april 2003 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde regularisatie van de inplanting van de woning, maar het verleent wel de stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van de veranda.
  13. Op 13 juni 2003 stelt de verzoekende partij administratief beroep in tegen de weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie. X-11.641-4/9
  14. Op 11 september 2003 wordt de thans bestreden beslissing genomen, die gemotiveerd wordt als volgt: “Overwegende dat het beroep ertoe strekt vergunning te verkrijgen voor de regularisatie van de inplanting van een woning langs de Oude Pastorijstraat te Achel; dat de woning op het links naastgelegen perceel eveneens het voorwerp uitmaakt van een beroepsprocedure tegen de weigering van de regularisatievergunning voor de inplanting, eveneens op aanvraag van Klomp Holding BV; dat beide woningen werden gerealiseerd op 2,70 m van de tussenliggende perceelsgrens; Overwegende dat volgens het gewestplan het perceel gesitueerd is in een woongebied; dat de ordening ter plaatse bepaald is met het BPA ‘Achel-Centrum’, goedgekeurd bij ministerieel besluit d.d. 10 oktober 1990; dat volgens dit BPA het perceel in de hoofdbouwstrook gesitueerd is in een zone voor open bebouwing; dat volgens de geldende voorschriften in artikel 8 de afstand tussen een niet gemeenschappelijke zijgevel en de kavelgrens tenminste 3 meter moet bedragen; Overwegende dat de vergunningsaanvraag buiten de regularisatie van de inplanting van de woning ook het bijbouwen van een veranda, aan achterzijde van de woning betrof; dat dit onderdeel van de aanvraag wel werd vergund, en beroeper uitdrukkelijk stelt dat deze vergunning niet in huidig beroep begrepen is; dat deze veranda een uitbreiding betreft aan de andere zijgevel en deze constructie wel voldoet aan de voorschriften van het BPA; Overwegende dat de vergunning voor de regularisatie van de inplanting van de woning werd geweigerd op ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar over een afwijkingsaanvraag; Overwegende dat overeenkomstig artikel 49 van het decreet op de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, op een met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen afwijkingen kunnen toegestaan worden van de voorschriften van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of van een verkavelingsvergunning, enkel wat betreft de perceelsafmetingen, de afmetingen en de plaatsing van de bouwwerken, alsmede de voorschriften in verband met hun uiterlijk; dat (...) met betrekking tot de inplanting van deze woning er geen met redenen omkleed voorstel door het college van burgemeester en schepenen tot afwijking van de voorschriften werd geformuleerd; dat de loutere stelling ‘Dossier wordt verzonden aan ROHM Limburg voor het treffen van een beslissing inzake de verkeerde inplanting van de woning...’ ter zake niet als een onderbouwd voorstel kan worden beschouwd; dat derhalve niet voldaan is aan de voorwaarde gesteld in artikel 49; dat naar aanleiding van het beroepschrift het college van burgemeester en schepenen in zitting van 26 juni 2003 de argumenten van beroeper niet bijtreedt; Overwegende dat het perceel zoals voorgesteld op het inplantingsplan niet beantwoordt aan de configuratie van de verkaveling, van toepassing voor het links naastgelegen perceel; dat volgens de vroegere bouwvergunning de inplanting op de oorspronkelijke kavel wel aan het betreffende voorschrift van het BPA voldeed; dat gezien de quasi gelijktijdige vergunningsaanvragen voor beide nieuwbouwwoningen en de latere aanvragen voor bijgebouwen een aanpassing van de perceelsgrenzen vóór oprichting van de bouwwerken nog wel realistisch te noemen was; Overwegende dat vanuit ruimtelijk oogpunt een versmalling van de zijdelingse bouwvrije strook hier niet te verantwoorden valt; dat doordat beide woningen tot op 2,70 m van de tussenliggende perceelsgrens zijn ingeplant, thans de onderlinge afstand tussen beide zijgevels (5,40 m) kleiner is dan de kroonlijsthoogte van beide woningen (6,00 m); dat dit aanleiding kan geven tot X-11.641-5/9 hinder voor licht, lucht en bezonning; dat bovendien deze nauwe onderlinge aansluiting, ter plaatse als opvallend vast te stellen, niet past in het meer open en luchtig karakter van de omgevende bebouwing; dat verder de administratieve overheid haar beoordelingsbevoegdheid in het kader van artikel 49 niet met evenveel vrijheid kan uitoefenen wanneer de gebouwen reeds zonder vergunning zijn tot stand gebracht en zij aldus voor een voldongen feit is geplaatst, indien het gerealiseerde geen enkele wezenlijke verbetering inhoudt ten opzichte van het oorspronkelijk bedoelde volgens de geldende voorschriften (...); dat noch uit de nota bij het aanvraagdossier, noch uit de stukken van het gemeentelijk dossier blijkt in welk opzicht kwestieuze afwijking een verbetering van de geldende voorschriften zou inhouden; Overwegende dat om bovenvermelde redenen de voorgestelde regularisatie in afwijking op de geldende voorschriften niet kan worden aangenomen; dat het standpunt van de gemachtigde ambtenaar moet worden bijgetreden”. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  15. In een enig middel wordt de schending aangevoerd van de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. De verzoekende partij argumenteert dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt gesteld dat het college van burgemeester en schepenen geen onderbouwd voorstel tot afwijking van de verkavelingsvergunning of van een bijzonder plan van aanleg zou hebben geformuleerd overeenkomstig artikel 49 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet). In een eerste onderdeel stelt de verzoekende partij dat de verwerende partij er tijdens de hoorzitting mee instemde een kopie van het ontbrekende advies van 10 oktober 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hamont-Achel aan het dossier toe te voegen en een kopie te bezorgen aan de verzoekende partij, zodat zij de gelegenheid kreeg er schriftelijk op te repliceren. De verzoekende partij ontving de beloofde kopie evenwel niet. Op 11 september 2003 wordt het bestreden besluit genomen, waarbij aan te nemen is dat het betrokken advies zich op dat tijdstip niet in het dossier bevond. De verwerende partij kon bijgevolg niet met volledige kennis van zaken het bestreden besluit hebben uitgevaardigd. In het bestreden besluit wordt weliswaar verwezen naar een beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hamont-Achel, zonder evenwel te preciseren om welke beslissing het gaat. Daaruit kan bovendien nog niet worden opgemaakt dat het advies van X-11.641-6/9 10 oktober 2002 zich alsnog in het dossier bevond bij het nemen van het bestreden besluit. In een tweede onderdeel betoogt de verzoekende partij dat uit de stukken die zich wel in het dossier bevonden op het ogenblik dat de verwerende partij haar beslissing nam, blijkt dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hamont-Achel wel degelijk voorgesteld heeft af te wijken van de voorschriften van het bijzonder plan van aanleg. Dit kan ook worden opgemaakt uit het advies van de gemachtigde ambtenaar, dat “ongunstig (is) voor de afwijkingsaanvraag”. Aangezien in het bestreden besluit wordt voorgehouden dat het college geen onderbouwd voorstel heeft geformuleerd met betrekking tot de afwijking van de voorschriften van het bijzonder plan van aanleg, miskent het de in dit middel aangehaalde beginselen. In een derde onderdeel, dat in ondergeschikte orde wordt aangevoerd, argumenteert de verzoekende partij dat in het zo-even aangehaalde advies van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hamont-Achel wordt beslist dat het dossier wordt bezorgd “aan ROHM Limburg met het oog op het treffen van een beslissing inzake de verkeerde inplanting van de woning”. In zijn beslissing van 30 oktober 2002 interpreteert het college zijn advies van 10 oktober 2002 als een voorstel om af te wijken van de bepalingen van het bijzonder plan van aanleg, terwijl deze interpretatie door het bestreden besluit wordt miskend, in strijd met de in dit middel aangehaalde beginselen. Beoordeling
  16. Artikel 49 van het gecoördineerde decreet luidt als volgt: “Op met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen kan de Vlaamse regering of de gemachtigde ambtenaar afwijkingen toestaan van de voorschriften van een door de Vlaamse regering goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en van de voorschriften van een verkavelingsvergunning, enkel wat de perceelsafmetingen, de afmetingen en de plaatsing van de bouwwerken, alsmede de voorschriften in verband met hun uiterlijk betreft”. Het advies van 10 oktober 2002 waarin het college van burgemeester en schepenen beslist dat het “(d)ossier wordt verzonden naar ROHM Limburg voor het treffen van een beslissing inzake de verkeerde inplanting van de woning”, zonder verdere toelichting of motivering, kan niet worden beschouwd als een “met redenen omkleed voorstel” in de zin van de aangehaalde decretale bepaling, zoals in het bestreden besluit terecht wordt overwogen. X-11.641-7/9 Het feit dat deze beslissing van het college van burgemeester en schepenen door de gemachtigde ambtenaar in zijn advies van 12 februari 2003 toch werd begrepen als een voorstel in de zin van de betrokken decretale bepaling, ook al bracht hij een ongunstig advies uit over “de afwijkingsaanvraag inzake het regulariseren van de woning op 2,70 meter ten opzichte van de linker perceelsgrens in plaats van op minimaal 3 meter”, alsook het feit dat het college van burgemeester en schepenen in zijn weigeringsbeslissing van 30 april 2003 zijn eerdere beslissing kwalificeert als een voorstel om “af te wijken van de bepalingen van het bijzonder plan van aanleg Achel-Centrum, inzake de perceelsafmetingen en/of de afmetingen, de plaatsing en het uiterlijk van de bouwwerken”, neemt niet weg dat het bestreden besluit terecht overweegt dat de initiële beslissing van 10 oktober 2002 niet voldoet aan het vereiste van een “met redenen omkleed voorstel” in de zin van de aangehaalde decretale bepaling. Er ligt bijgevolg geen schending voor van de materiële motiveringsplicht. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 10 oktober 2002 is weergegeven in de zgn. zendbrief van 22 oktober
  17. De verzoekende partij betwist niet dat die zendbrief in het dossier voorkwam op grond waarvan de verwerende partij het bestreden besluit heeft genomen. In die omstandigheden mist de bewering dat het bestreden besluit werd genomen op basis van een onvolledig dossier, feitelijke grondslag. Het eerste en het tweede onderdeel van het middel zijn niet gegrond.
  18. In zoverre de verzoekende partij in het derde middelonderdeel in ondergeschikte orde voorhoudt dat het bestreden besluit de beslissing van 30 oktober 2002 van het college van burgemeester en schepenen miskent doordat in die beslissing wordt gesteld dat het college op 10 oktober 2002 wel degelijk een regelmatig met redenen omkleed voorstel zou hebben geformuleerd, moet worden gesteld dat de bestendige deputatie als beroepsinstantie niet door die beoordeling is gebonden en, zoals uit het voorgaande blijkt, terecht vermocht te oordelen dat er geen geldig met redenen omkleed voorstel voorligt. Het derde middelonderdeel is niet gegrond.
  19. Het enige middel is niet gegrond. X-11.641-8/9 BESLISSING
  20. De Raad van State verwerpt het beroep.
  21. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf december 2009, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, met bijstand van Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-11.641-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.198.849 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.